Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.3:I.4.2.3 Deelvraag 2: het overtreden van de milieunorm
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.3
I.4.2.3 Deelvraag 2: het overtreden van de milieunorm
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460280:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De bestuursrechtelijke ‘last onder bestuursdwang’ vormt hierop een uitzondering; deze herstelsanctie kan ook worden geadresseerd aan personen die niet kunnen worden aangemerkt als overtreder van het geschonden voorschrift. Voor niet-overtreders blijft de niet-naleving van deze last zonder gevolgen, want de kosten voor de tenuitvoerlegging van de bestuursdwang kunnen alleen worden verhaald op overtreders. Zie par. III.2.
In par. II.1.3 licht ik toe waarom ik juist voor deze deelnemingsvormen heb gekozen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tweede deelvraag is misschien wel de belangrijkste vraag van dit proefschrift: onder welke voorwaarden overtreedt een leidinggevende in bedrijfscontext een milieunorm? Deze vraag is zo belangrijk, omdat een leidinggevende zowel in het strafrecht, bestuursrecht als in het privaatrecht alleen kan worden gesanctioneerd nadat is vastgesteld dat hij een milieuovertreding heeft begaan.1
Op het eerste gezicht lijkt deze deelvraag eenvoudig te beantwoorden: de leidinggevendeheeftdemilieunormovertredenalshijalleaansprakelijkheidsvoorwaarden van de betreffende milieunorm vervult. Dat antwoord is juist, maar niet compleet. Daarvoor bestaan twee redenen. Ten eerste is niet altijd evident óf in een specifieke situatie het handelen (of nalaten) van de leidinggevende kan worden aangemerkt als een overtreding van het milieuvoorschrift dat in het geding is. Als een leidinggevende bijvoorbeeld niet zelf de verboden gedraging verricht maar dit heeft overgelaten aan een ondergeschikte, dan rijst de vraag of deze gedraging kan worden toegerekend aan de leidinggevende. De beantwoording van deze deelvraag vergt daarom onder meer de bespreking van de regels die in de rechtsgebieden worden toegepast voor de toerekening van een verboden gedraging aan een ander.
Ten tweede hoeft een leidinggevende niet altijd zelf (eigenhandig of via toerekening) álle aansprakelijkheidsvoorwaarden van de milieunorm te vervullen. In bepaalde gevallen kan de leidinggevende ook worden aangemerkt als dader wanneer hij op een andere manier betrokken is geweest bij de milieuovertreding. De wetgever heeft verschillende vormen van deelneming aan een (milieu)delict verboden. In dit proefschrift bespreek ik ook de vereisten die gelden voor drie belangrijke deelnemingsvormen: medeplegen, feitelijk leidinggeven en medeplichtigheid.2
De crux van deze deelvraag zit echter niet in het schetsen van de algemene daderschapsvereisten in het strafrecht, bestuursrecht en privaatrecht, en – zoals ik eerder aangaf – ook niet in het uitpluizen van alle specifieke kenmerken van milieudelicten; het zit daar tussenin. Of beter gezegd: mijn onderzoek gaat over de wisselwerking tussen de daderschapsvereisten en het materiële milieurecht. Ik richt me daarbij op de typische vragen die zich voordoen bij de beoordeling of een leidinggevende een milieuovertreding heeft begaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vraag over hoe fysiek de delictsgedraging van een milieunorm moet worden geïnterpreteerd; aan de vraag hoe het vereiste van opzet (dolus) moet worden begrepen bij milieudelicten; de vraag naar de mogelijkheid om een leidinggevende aan te merken als dader wanneer hij zelf geen normadressaat is van het geschonden milieuvoorschrift; of aan de vraag welke daderschapsvorm het beste past bij de omstandigheden van een concreet geval.
Bij de beantwoording van deze deelvraag komt ook het karakter van de bedrijfsmatige milieuovertreding van de leidinggevende aan bod. Is het bijvoorbeeld dogmatisch gezien primair de leidinggevende zelf of de rechtspersoon die de bedrijfsmatige milieuovertreding begaat? Is het daderschap van de leidinggevende aan te merken als een type risicoaansprakelijkheid of niet? En is er een rangorde tussen het daderschap van de leidinggevende en die van de rechtspersoon? Op deze manier hoop ik niet alleen te verduidelijken welke vereisten in het strafrecht, bestuursrecht en privaatrecht gelden voor het overtreden van een milieunorm door een leidinggevende, maar ook licht te schijnen op de aard en de dogmatische inbedding van het daderschap van leidinggevenden in het milieurecht.
Ook deze tweede deelvraag kan worden beantwoord door juridisch-dogmatisch onderzoek te verrichten. Voor de verdere verduidelijking en concretisering van de vereisten en voor het formuleren van aanknopingspunten voor het daderschap van leidinggevenden bij milieudelicten, analyseer ik onder meer de juridische literatuur en jurisprudentie hieromtrent. Omdat hierover nog relatief weinig is verschenen in de literatuur en jurisprudentie, vormen ook de wetssystematiek en wetsgeschiedenis belangrijke bronnen voor de verdere ontwikkeling van de relevante leerstukken.