Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.3.a
5.3.a Potentie voor inhoudelijke toegangsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604695:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 1989, p. 236.
Vgl. de ontvankelijkheidsbeoordeling door de kleine kamer van het Franse Cour de cassationParagraaf 2.2b.
HR 11 april 2006, NJ 2006/393.
Zie A-G Silvis in zijn conclusies voor HR 8 november 2011, ECLI:BR1105 en HR 8 november 2011, ECLI:BR1106, waarin hij spreekt van “ter zake doende argumenten” en na inhoudelijke beoordeling van de standpunten adviseert deze niet als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten te beschouwen; vgl. Knigge 1980, p. 105.
Council of Europe 2014, p. 101-109.
Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 80; Council of Europe 2014, p. 42.
Het is goed voorstelbaar dat bij de beoordeling of een bezwaar als ‘grief’ of ‘middel’ in de zin van de wet kan worden beschouwd, meespeelt of het bezwaar stellig, duidelijk, begrijpelijk, niet te algemeen en consistent is geformuleerd. Denkbaar is bovendien dat daarbij meespeelt of een bezwaar deugdelijk beargumenteerd, “ernstig gemeend”,1 serieus te nemen,2 niet evident kansloos of zelfs prima facie kansrijk is. In steeds sterkere mate nopen deze kwalificaties tot een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar als zodanig. Of een bezwaar duidelijk is geformuleerd, kan worden vastgesteld zonder kennisneming van de inhoud van het beroep zelf. Of een bezwaar deugdelijk is beargumenteerd, lijkt evenwel beoordeling te vereisen van of dat bezwaar is toegespitst op bepaalde onderdelen van de bestreden uitspraak en de voor vernietiging aangevoerde argumenten daarop aansluiten. En de vraag of een bezwaar op het eerste gezicht kansrijk is, kan haast niet worden beantwoord zonder inhoudelijke kennisneming van de bestreden uitspraak en andere stukken van het geding. Afhankelijk van wat onder ‘bezwaar’ wordt verstaan, lijkt het bezwaarvereiste zich dus te lenen voor inhoudelijke toegangsbeoordeling.
Het is illustratief op dit punt de uitleg van ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunten’ in de zin van artikel 359 lid 2 Sv te contrasteren met de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor een klacht bij het EHRM. Volgens de Hoge Raad schept een door het openbaar ministerie of de verdediging ingenomen standpunt alleen een verplichting tot beantwoording volgens artikel 359 lid 2 tweede volzin Sv indien dit standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht.3 Van deze deels uit de tekst van het tweede lid af te leiden vereisten is hier vooral het woord ‘geschraagd’ interessant. Of de aangevoerde argumenten ook daadwerkelijk de conclusie van het standpunt ondersteunen, vergt wellicht een beoordeling van de relevantie van die argumenten, waarmee wordt geanticipeerd op de (on)juistheid van het standpunt.4 De beoordeling van de vragen of een standpunt in de zin van de wet naar voren is gebracht en of dat standpunt hout snijdt, versmelten in deze benadering.
Illustratief is ook het EHRM, dat strengere eisen stelt. Wil een klacht door het EHRM worden behandeld, dan moet deze ten eerste niet manifestly ill-founded zijn (art. 35 lid 3, onderdeel a, EVRM). Deze toegangsvoorwaarde schrijft niet alleen voor dat de klacht duidelijk is opgesteld en van feitelijke en juridische onderbouwing is voorzien, maar geeft het EHRM expliciet ook de bevoegdheid tot inhoudelijke beoordeling van de klacht.5 Verder werden ergerlijke (vexatious) klachten over bijvoorbeeld zeer geringe geldbedragen of termijnoverschrijdingen op basis van misbruik van het klachtrecht niet-ontvankelijk verklaard, al kan daarvoor tegenwoordig ook het criterium van het ontbreken van aanzienlijk nadeel (significant disadvantage) worden gebruikt (resp. art. 35 lid 3, onderdeel a en b, EVRM).6
Deze inhoudelijke en in zekere mate vrije toegangsbeoordeling kan het EHRM baseren op vereisten die aanvullend op het klachtvereiste zelf in het verdrag zijn opgenomen. Dit is deels anders dan bij artikel 359 lid 2 Sv, waar de Hoge Raad enkele vereisten aan standpunten inleest in de tekst van de wet. Bij wijze van gedachte-experiment is het dan ook zeker niet uitgesloten dat de appel- of cassatierechter bij beoordeling van ‘grieven’ en ‘middelen’ daarin inhoudelijke vereisten inleest. De vraag rijst of dat ook gebeurt.