Hof Amsterdam, 18-05-2010, nr. 200.045.079/01 GDW
ECLI:NL:GHAMS:2010:BM5016
- Instantie
Hof Amsterdam (Notariskamer)
- Datum
18-05-2010
- Magistraten
Mrs. A.D.R.M. Boumans, L.J. Saarloos, A.W. Jongbloed
- Zaaknummer
200.045.079/01 GDW
- LJN
BM5016
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Juridische beroepen (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2010:BM5016, Uitspraak, Hof Amsterdam (Notariskamer), 18‑05‑2010
Uitspraak 18‑05‑2010
Mrs. A.D.R.M. Boumans, L.J. Saarloos, A.W. Jongbloed
Partij(en)
Beslissing van 18 mei 2010 in de zaak onder nummer 200.045.079/01 GDW van:
[de gerechtsdeurwaarder],
gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],
APPELLANT,
gemachtigde: mr. F.H. Eijmaal,
tegen
BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,
gevestigd te Utrecht,
GEÏNTIMEERDE,
gemachtigden: mr. A.T.A. Tilleman,
A.C.J. Snoeren RA.
1. Het geding in hoger beroep
1.1.
Van de zijde van appellant, verder de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 8 oktober 2009 ter griffie ingekomen verzoekschrift — met één bijlage — hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 8 september 2009, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder het BFT, gegrond is verklaard en de gerechtsdeurwaarders de maatregel van schorsing voor de duur van één maand is opgelegd.
1.2.
Van de zijde van het BFT is op 5 november 2009 een verweerschrift — met bijlagen — ter griffie van het hof ingekomen.
1.3.
Op 22 maart 2010 is een aantal aanvullende stukken van de zijde van de gerechtsdeurwaarder ingekomen.
1.4.
Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 maart 2010, alwaar zijn verschenen de gerechtsdeurwaarder, zijn gemachtigde en de gemachtigden van het BFT. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. De feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Voor zover partijen bezwaar hebben gemaakt tegen de vastgestelde feiten — en zulks relevant is — zal het hof deze bezwaren meenemen in zijn oordeel.
4. Het standpunt van het BFT
Het BFT verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende:
- 1.
Uit meldingen van de gerechtsdeurwaarder casu quo berekeningen van het BFT blijkt dat sprake is geweest van een negatieve bewaringspositie op 5 november 2008, 13 mei 2009 ( € 96.767,-) en 18 juni 2009 (€ 93.000,-). De gerechtsdeurwaarder heeft het BFT meegedeeld dat de belangrijkste oorzaak hiervan was gelegen in de ontbinding van de maatschap waarvan de gerechtsdeurwaarder deel uitmaakte, het feit dat voor één opdrachtgever in 2009 een groot aantal procedures is gestart, in korte tijd een aanzienlijk bedrag aan griffierecht is voorgefinancierd (ruim € 150.000,-) en onvolkomenheden in een nieuw softwarepakket.
- 2.
Het BFT heeft de gerechtsdeurwaarder opgedragen om het bewaringstekort binnen vijf dagen aan te vullen. De gerechtsdeurwaarder is hier niet in geslaagd.
5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder
5.1.
Bij brief van 5 november 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder melding gemaakt van een negatieve bewaringspositie ten gevolge van de nasleep van de ontbinding van de maatschap waarvan de gerechtsdeurwaarder deel uitmaakte. Het BFT heeft toen geen aanleiding gezien om een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder in te dienen. Het BFT was er voorts mee bekend dat de gerechtsdeurwaarder in april 2009 een nieuw softwarepakket heeft aangeschaft en dat, tengevolge van de implementatie van dit nieuwe softwarepakket en de onvolkomenheden in de werking van het nieuwe pakket na de installatie, de bewaarpositie niet exact kon worden vastgesteld. De gerechtsdeurwaarder stelt dat het BFT op basis van een onjuiste rapportage van de bewaarpositie tot het indienen van een klacht is overgegaan. Bovendien was op 30 oktober 2009 sprake van een positieve bewaarpositie van € 45.880,-.
5.2.
In hoger beroep voert de gerechtsdeurwaarder aan dat de bewaringspositie van de gerechtsdeurwaarder feitelijk altijd als positief aan te merken is geweest. Indien dit anders was geweest, zou de gerechtsdeurwaarder onmiddellijk maatregelen hebben getroffen. Tevens wijst de gerechtsdeurwaarder erop dat hij ‘first offender’ is.
6. De beoordeling
6.1.
Het hof ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de kamer, voor zover het de beide klachtonderdelen betreft.
6.2
De gerechtsdeurwaarder heeft in hoger beroep aangevoerd dat er in het geheel geen sprake is geweest van een negatieve bewaringspositie. Het hof is echter van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd en dat deze ook niet aannemelijk is geworden. Als al juist zou zijn, zoals door de deurwaarder is gesteld, dat het door hem gebruikte softwarepakket niet optimaal functioneerde, dan komt dit geheel voor zijn rekening en risico.
6.3.
Gelet op de omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarder op dit gebied klaarblijkelijk ‘first offender’ is, hij de negatieve bewaringspositie zelf gemeld heeft bij het BFT, hij, buiten zijn toedoen, te kampen had met de gevolgen van de ontbinding van de maatschap waarvan hij deel uitmaakte en inmiddels het tekort in de bewaringspositie weer is opgeheven, is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de maatregel van schorsing gedurende een week.
6.4.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
- —
vernietigt de bestreden beslissing voor zover het de door de kamer opgelegde maatregel betreft, en opnieuw rechtdoende:
- —
legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van schorsing gedurende een week op, ingaande op dinsdag 25 mei 2010, om 0.00 uur;
- —
bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 mei 2010 door de rolraadsheer.