Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.2.2
IV.2.2.2 Interne bestuurdersaansprakelijkheid
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460301:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Andere vormen van interne aansprakelijkheid, hier niet verder besproken, zijn bijvoorbeeld de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap in verband met tekorten die ontstaan na uitkeringen van winst of reserves (2:216 BW) of van dividend (artikelen 2:207 en 2:208 BW), of aansprakelijkheid in verband met gemaakte enquêtekosten (2:354 BW).
Zie uitvoerig over 2:9 BW Schild & Timmerman 2014, p. 270-274; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/445; J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 5.4, Interne aansprakelijkheid.
HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360, m.nt. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
Zie voor verwijzing naar de relevante jurisprudentie en parlementaire geschiedenis, Strik 2009, par. 2.2; Van Schilfgaarde 2017, p. 486 e.v.; en Maeijer in zijn annotatie onder nr. 3, bij HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3419, NJ 2003/538 (Skipper). Deze nieuwe formulering (opzet of bewuste roekeloosheid’) is ook gecodificeerd in artikel 6:170 lid 3 BW en 7:661 BW. Ondanks de nieuwe formulering heeft de wetgever geen wijzigingen beoogd.
Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 8.2.1 en 8.3.1; Van Schilfgaarde in zijn annotatie (par. 8) onder Hezemans Air, HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21 (Hezemans Air); Schild 2015, par. 2.2; Westenbroek 2016a; Tjittes 2017, p. 377; Strik 2010, par. 2.2.2. Zie voor een kritische analyse van de introductie, ratio en toepassing van het ernstig verwijt-criterium in artikel 2:9 BW, Westenbroek 2017, hoofdstuk 4-7. Zie ook hierna onder par. IV.3.2.2.
HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360, m.nt. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
De bekendste1 vorm van interne aansprakelijkheid vindt haar grondslag in artikel 2:9 BW.2 Lid 1 van dit artikel bepaalt dat de bestuurder tegenover de vennootschap gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voorts bepaalt lid 2 dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken, en dat hij voor het geheel aansprakelijk is ter zake van ‘onbehoorlijk bestuur’. Het gaat hierbij om een collectieve, hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarnaast bepaalt lid 2 dat de bestuurder aan de aansprakelijkheid jegens de vennootschap kan ontsnappen, wanneer hij kan aantonen dat hem geen ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
De ernstig verwijt-toets van artikel 2:9 lid 2 BW is een codificatie van de regel uit het Staleman/Van de Ven-arrest.3 In dat arrest heeft de Hoge Raad voor de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap aansluiting gezocht bij de toets die gold voor de aansprakelijkheid van een werknemer jegens zijn werkgever. Onder het oude BW was voor werknemersaansprakelijkheid een ernstig verwijt vereist, waarmee werd bedoeld dat er sprake moest zijn van opzet of bewuste roekeloosheid.4 In de loop der jaren heeft de ernstig verwijt-maatstaf in artikel 2:9 BW een eigen, van werknemersaansprakelijkheid losstaande invulling gekregen.5
Of de bestuurder een ernstig verwijt treft, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. In het Staleman/Van de Ven-arrest heeft de Hoge Raad daarover de volgende aanwijzingen gegeven:
“Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.”6
Als de aandeelhoudersvergadering décharge verleent aan de bestuurders, kunnen de bestuurders in beginsel niet meer door de rechtspersoon aansprakelijk worden gesteld voor het door hen gevoerde beleid. Het décharge dekt echter alleen de handelingen van de bestuurders die aan bod zijn gekomen in het jaarverslag, de jaarrekening of de aandeelhoudersvergadering. Voor verzwegen bestuursfouten kunnen bestuurders op grond van artikel 2:9 nog wel aansprakelijk worden gesteld. Merk op dat bij de nader te bespreken externe bestuurdersaansprakelijkheidsregelingen, inclusief die van artikelen 2:138, 2:248 en 6:162 BW, de bestuurder aansprakelijkheid niet kan ontlopen met een beroep op décharge. Décharge is immers een interne aangelegenheid, dit levert dus geen vrijwaring op jegens externe partijen.