Vgl. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, r.o. 3.4 en HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399, r.o. 2.3.
HR, 06-02-2024, nr. 22/00519
ECLI:NL:HR:2024:176
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2024
- Zaaknummer
22/00519
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:176, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:5
ECLI:NL:PHR:2024:5, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:176
- Vindplaatsen
Uitspraak 06‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Onttrekken van minderjarige aan gezag door 17-jarig meisje in woning van medeverdachte te verbergen, 279.1 Sr. Bewijsklacht pleegperiode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00401, 23/00231 en 23/00246.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00519
Datum 6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2022, nummer 21-000027-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.
Conclusie 16‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mensenhandel (273f Sr) en onttrekken van minderjarige aan gezag (279 Sr). 1. Falende bewijsklacht bewezenverklaarde periode. 2. Inzendtermijn in cassatie. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding inzendtermijn en verwerping voor het overige. Samenhang met 22/00401, 23/00246 en 23/00231.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00519
Zitting 16 januari 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 7 februari 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2°, 5° en 8° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt” en 2. “opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaken tegen [medeverdachte 1] (22/00401), [medeverdachte 2] (23/00246) en [medeverdachte 3] (23/00231). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 2 ontoereikend is gemotiveerd.
5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 9 tot en met 14 december 2014 te [plaats] , opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1997, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag
immers heeft verdachte daar toen opzettelijk die [slachtoffer] verborgen in een woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .”
6. Het hof heeft ten aanzien van feit 2 de volgende bewijsoverweging in zijn arrest opgenomen (de voetnoten heb ik weggelaten):
“Het hof stelt vast dat [slachtoffer] 17 jaar oud was toen zij wegliep van huis, verdachte [verdachte] haar onderbracht in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] , en [slachtoffer] ook samen met beide verdachten verbleef in die woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] .
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij in september 2014 tegen verdachte [verdachte] heeft gezegd dat zij 17 jaar oud was. Zij vertelde hem op 9 december 2014 meteen dat zij was weggelopen. Bovendien blijkt uit het chatgesprek dat [slachtoffer] vlak daarvoor met verdachte had gevoerd dat zij zich wilde verstoppen. Verdachte zei toen dat [slachtoffer] bij hem kon verblijven. Vervolgens heeft verdachte dus inderdaad een verblijfadres geregeld voor [slachtoffer] . Verdachte wist dus dat [slachtoffer] van huis was weggelopen en zich wilde verstoppen. Verdachte wist dat zij nog op school zat. Ook heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] bang was dat haar familie haar naar een Internaat zou sturen. Het is een feit van algemene bekendheid dat alleen minderjarige kinderen tegen hun wil naar een internaat kunnen worden gestuurd door hun ouders.
De moeder van [slachtoffer] heeft op de zaterdag in de week van haar vermissing (het hof begrijpt: zaterdag 13 december 2014) geflyerd in het centrum van [plaats] , waarbij ze ook heeft gelopen in de buurt van de woning van [medeverdachte 1] , waar [slachtoffer] op dat moment verbleef. Op de flyers stonden een recente foto van [slachtoffer] , haar volledige voornamen en achternaam en teksten in hoofletters, waaronder “VERMIST” en “KIJK VOOR DETAILS OP AMBER ALERT.” Volgens [slachtoffer] heeft verdachte kennis genomen van de flyer, toen zij nog in de woning van [medeverdachte 1] verbleef.
Verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] hem heeft gezegd dat ze 17 was en het hof heeft geconstateerd dat [slachtoffer] daar inderdaad niet consistent over heeft verklaard, maar zelfs als het zo is dat [slachtoffer] verdachte niet heeft verteld dat ze 17 was, dan nog geldt dat verdachte wist dat [slachtoffer] naar school ging, van huis was weggelopen en dat zij bang was om naar een internaat te worden gestuurd. Reeds gelet op wetenschap van die omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] minderjarig was. Hij heeft voorwaardelijk opzet op de onttrekking van [slachtoffer] aan het gezag van haar ouders gehad. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat [slachtoffer] een plek zocht om zich te verstoppen en dat verdachte toen een verblijfplaats voor haar heeft geregeld. Door de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof echter niet de overtuiging bekomen dat [medeverdachte 1] destijds ook wist of bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] minderjarig was. Anders dan de rechtbank acht het hof dan ook niet bewezen dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft begaan.”
7. De steller van het middel betoogt dat de bewezenverklaring – voor zover inhoudende dat de verdachte [slachtoffer] in de periode van 9 tot en met 14 december 2014 opzettelijk heeft verborgen – ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof voor die bewezenverklaring redengevend heeft geacht dat de verdachte kennis heeft genomen van de door de moeder van [slachtoffer] verspreide flyers, terwijl is vastgesteld dat deze flyers pas op 13 december 2014 zijn verspreid en dat de verdachte er pas daarna kennelijk achter is gekomen dat de minderjarige werd gezocht en als vermist was opgegeven.
8. Het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte vanaf 9 tot en met 14 december 2014 de minderjarige [slachtoffer] opzettelijk heeft onttrokken aan het ouderlijke gezag. Het middel getuigt op dat punt van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers bewezenverklaard dat de verdachte zich hieraan heeft schuldig gemaakt in de periode van 9 tot en met 14 december 2014. Ook als de verdachte er pas op 13 december 2014 achter zou zijn gekomen dat de minderjarige werd gezocht en als vermist was opgegeven, heeft het hof daarmee bewezen kunnen verklaren dat de verdachte zich in de periode van 9 tot en met 14 december 2014 aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt.1.Deze bewezenverklaring is in zoverre niet ontoereikend gemotiveerd.
9. Het middel faalt.
Het tweede middel
10. Het middel bevat de klacht dat er sprake is van overschrijding van de inzendtermijn, waardoor de redelijke termijn van de berechting is geschonden.
11. Op 15 februari 2022 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 7 maart 2023 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Dit verzuim dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
Slotsom
12. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
13. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn in cassatie op 15 februari 2024 zal worden overschreden. Verder heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑01‑2024