Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.3.3
IX.3.3.3 Een arrest met een rechtspolitieke achtergrond?
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS359916:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Wuisman die in zijn conclusie voor het arrest ING Bank/Nederend q.q. meer in het algemeen wijst op het streven van de Hoge Raad vanaf omstreeks 1980 (het Solleveld II arrest (NJ 1981, 265)) om minder snel het ontstaan van vorderingsrechten aan te nemen. Volgens Wuisman heeft daarbij “mede een rol gespeeld de rechtspolitieke wens om tot een evenwichtigere verdeling van de verhaalsmogelijkheden tussen separatisten en niet separatisten in een faillissementssituatie te komen”. Door minder snel het ontstaan van vorderingsrechten aan te nemen, zou met behulp van het bepaalde in art. 35 lid 2 Fw ten voordele van de niet-separatisten worden bereikt dat er meer activa in de boedel aanwezig zijn. Zie de conclusie voor NJ 2010, 653, onder nr. 3.6.
Zie HR 22 december 1989, NJ 1990, 661, m.nt. PvS.
Zie over het arrest: Faber 2005, nrs. 457-458.
Zie ook: A-G Bloembergen in zijn conclusie (onder nr. 5) voor het arrest WUH/Emmerig q.q., die met betrekking tot huurvorderingen opmerkt dat er een ongelukkig beeld zou ontstaan, indien de cessionaris gerechtigd zou zijn tot de huurvorderingen die na de faillietverklaring opeisbaar worden. De curator zou gehouden zijn het huurgenot te verschaffen zonder dat de huurpenningen in de boedel komen. Vgl. Verhagen & Rongen 2000, p. 64.
Indien de huurder ook tijdens faillissement aanspraak kan maken op het huurgenot zonder dat de tegenprestatie in de boedel vloeit, zou de cessionaris of pandhouder ten opzichte van de overige faillissementsschuldeisers worden bevoordeeld (zie echter hierna).
Zie echter ook hetgeen ik hierna (nr. 874) opmerk over de mogelijk beperkte reikwijdte van het arrest Tiethoff q.q./NMB.
Vgl. ook: HR 26 januari 2007, NJ 2007, 76 (Ontvanger/Kerseboom), r.o. 3.3: “Het hof heeft voorts uit het oog verloren dat de verhouding tussen Agri en de bank als giro-instelling slechts verbintenisrechtelijk van aard is en dat ook de vraag of Agri een vordering op de Veiling had vanuit het verbintenissenrecht moet worden beoordeeld”.
Bedacht moet worden dat het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen niet alleen van belang is voor de vraag of een cessie of verpanding in geval van faillissement de boedel kan worden tegengeworpen, maar ook voor andere leerstukken, zoals de onverschuldigde betaling, verrekening, het inroepen van de actio pauliana en het opmaken van een staat van verdeling (art. 481 e.v. Rv). In een rechtspolitieke benadering is het goed mogelijk dat met betrekking tot een en dezelfde soort vordering de rechtspolitieke afweging van de bij die leerstukken betrokken belangen tot verschillende uitkomsten leidt, zodat de vordering voor het ene leerstuk als een bestaande moet worden aangemerkt, terwijl zij voor het andere leerstuk nog een toekomstige is. Mogelijk verklaart dit waarom de Hoge Raad in het arrest Bras/The Satisfactorie BV (NJ 2010, 12) de regresvordering van de borg voor de betaling van de schuldeiser door de borg als een toekomstige vordering lijkt te duiden, terwijl de regresvordering in o.a. het arrest Gomez/Joral (NJ 2002, 393) met zoveel woorden als een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde is aangemerkt.
Zie ook hierna: nr. 916, alsmede Verhagen & Rongen 2000, p. 66.
Hoewel de Hoge Raad dat voor de oude huurregeling lijkt aan te nemen, is het overigens maar de vraag of voor het huidige huurrecht geldt dat er op de verhuurder de verplichting rust om voortdurend huurgenot te verschaffen. Een dergelijke verplichting is in ieder geval niet met zoveel woorden in de wet neergelegd. De verhuurder is blijkens afd. 7.4.2 BW enkel verplicht om de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten en om op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen die met zich brengen dat de huurder niet het genot van de zaak heeft dat hij mocht verwachten. Vgl. evenwel MvT, TK 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 16 en p. 18, waar de minister wel van een dergelijke verplichting uitgaat. Naar mijn mening is het echter juister om te spreken van een met de herstelplicht van de verhuurder samenhangende conformiteitsverbintenis: de door de verhuurder ter beschikking gestelde zaak dient te beantwoorden aan de verwachtingen die de huurder op grond van de overeenkomst omtrent het genot mocht hebben (zie art. 7:204 lid 2 BW; vgl. voor koop art. 7:17 BW).
Zie de artikelen 7:204 en 206 BW.
Naar mijn mening volgt uit HR 3 november 2006, NJ 2007, 155, m.nt. PvS (Nebula) niet anders.
Zie art. 7:226 BW.
Vgl. HR 10 januari 1992, NJ 1992, 744, m.nt. HJS (Ontvanger/NMB) en HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172, m.nt. HJS (van Berkel/Tribosa).
Naar mijn mening volgt uit HR 3 november 2006, NJ 2007, 155, m.nt. PvS (Nebula) niet anders.
Zie r.o. 3.2. Vgl. ook de noot van Van Schilfgaarde onder het arrest. Anders: Faber 2005, nr. 458.
Zie ook: HR 3 november 2006, NJ 2007, 155, m.nt. PvS (Nebula), r.o. 3.5, waar de Hoge Raad, onder verwijzing naar het onderhavige arrest, eveneens wijst op het belang van een goed beheer van tot de boedel behorende zaken ten aanzien waarvan langlopende overeenkomsten bestaan.
872. Het arrest heeft vermoedelijk een rechtspolitieke achtergrond. Hoewel de Hoge Raad voor zijn oordeel een beroep doet op de aard van de huurovereenkomst, lijkt het arrest WUH/Emmerig q.q. vooral ook een rechtspolitieke achtergrond te hebben.1 Steun daarvoor kan worden gevonden in het enige jaren later gewezen arrest Tiethoff q.q./NMB,2 waarin de Hoge Raad met betrekking tot verrekening op grond van art. 53 Fw oordeelde, dat een redelijke uitleg van deze bepaling met zich brengt dat zij niet ziet op een na de faillietverklaring ontstane schuld aan de boedel, die weliswaar voortvloeit uit een voor het faillissement met de gefailleerde gesloten en na de faillietverklaring doorlopende overeenkomst (i.c. een huurovereenkomst), maar die de vergoeding betreft voor een ten laste van de boedel te verrichten prestatie en die bovendien onvoldoende verband houdt met de te verrekenen vordering.3 Verrekening van een dergelijke schuld aan de boedel met een vordering op de failliet is uitgesloten. Een ander oordeel zou er volgens de Hoge Raad toe leiden dat de paritas creditorum op onaanvaardbare wijze wordt doorbroken doordat de schuldeiser zonder reële tegenprestatie aanspraak blijft behouden op een ten laste van de boedel komende prestatie. Bovendien zou een goed beheer van tot de boedel behorende goederen ernstig worden bemoeilijkt.
De gedachte is kennelijk dat vergoedingen voor ten laste van de boedel komende prestaties in beginsel in de boedel behoren te vloeien.4 Men zou hier niet alleen een verband kunnen zien met de paritas creditorum, maar ook met het fixatiebeginsel dat onder meer inhoudt dat de faillietverklaring het op dat moment aanwezige vermogen van de gefailleerde in zekere mate ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers fixeert.5 Gaat er een waarde uit de boedel, dan dient de daartegenover staande waarde in beginsel in de boedel te vloeien ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De waarde van de boedel blijft zo intact. Hoewel dit niet uit het WUH-arrest blijkt, heeft de Hoge Raad mogelijk dit rechtspolitieke argument laten meewegen bij zijn oordeel dat huurvorderingen als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt. Een cessie of verpanding van huurtermijnen die na de faillietverklaring vervallen, moet de boedel niet kunnen worden tegengeworpen, aangezien de huurvorderingen een vergoeding zijn voor een ten laste van de boedel komende prestatie (het verschaffen van het huurgenot). Een ander oordeel zou de paritas creditorum doorbreken.6
Het is niet uitgesloten dat de hier genoemde rechtspolitieke argumenten (de paritas creditorum, goed beheer van de boedel) eveneens van belang zijn voor andere duurovereenkomsten dan huur, waarbij de vordering de vergoeding betreft voor ten laste van de boedel te verrichten prestaties (denk aan aanneming van werk, leverantie- en dienstverleningscontracten).7
873. Kritiek op de rechtspolitieke benadering. Benadrukt zij dat de door de Hoge Raad in het WUH-arrest gegeven motivering niet op een rechtspolitieke benadering duidt. De Hoge Raad wijst op de aard van de huurovereenkomst zoals deze zou blijken uit de wettelijke regeling van de huurovereenkomst. Bij de totstandkoming van de wettelijke regeling van de huurovereenkomst hebben rechtspolitieke argumenten van faillissementsrecht echter geen rol gespeeld. De rechtspolitieke benadering is dus niet af te leiden uit het arrest zelf.
Naar mijn mening zou echter ook voor vorderingen die de tegenprestatie betreffen voor ten laste van de boedel komende prestaties en die hun grondslag hebben in een verbintenisscheppende overeenkomst, het uitgangspunt dienen te zijn dat het gaat om bestaande vorderingen. Bij de vraag of een vordering naar gemeen recht bestaat, dienen geen rechtspolitieke argumenten van faillissementsrechtelijke (of andersoortige) aard te worden betrokken. Het betreft een vraag van verbintenissenrecht,8 niet van faillissementsrecht. Het meewegen van argumenten van rechtspolitieke aard leidt tot teveel rechtsonzekerheid ten aanzien van de vraag wanneer een vordering bestaand of toekomstig is. Het is immers niet op voorhand duidelijk in welke gevallen (ook buiten die van duurovereenkomsten en buiten het geval van een cessie of verpanding) deze rechtspolitieke argumenten aanwezig zijn, hoe deze luiden en in hoeverre ze bij het vaststellen van het onderscheid een rol spelen.9 Die duidelijkheid zal slechts kunnen worden verkregen door verschillende casus (en varianten daarop) aan de Hoge Raad voor te leggen. De belangen die zijn gemoeid met de paritas creditorum en een goed beheer van de boedel kunnen, voor zover men dat wenselijk acht, beter op andere wijze worden gediend. Men zou bijvoorbeeld een bepaling daartoe in de faillissementswet kunnen opnemen die inhoudt dat de opbrengst van bepaalde vorderingen niettegenstaande een cessie of verpanding geheel of gedeeltelijk de boedel toekomt.10
Bovendien valt er het nodige af te dingen op het rechtseconomische argument dat een cessie of verpanding van vorderingen ter zake van toekomstige huurtermijnen de boedel niet moet kunnen worden tegengeworpen, omdat de huurpenningen de tegenprestatie vormen voor een ten laste van de boedel komende prestatie (het verschaffen van het huurgenot). De vraag is namelijk of van het voortdurend verschaffen van huurgenot wel kan worden gezegd dat dit een prestatie is die ten lastevan de boedel wordt verricht, in die zin dat het boedelactief daardoor vermindert, zodat het ook gerechtvaardigd is dat de huurpenningen de boedel toekomen. Naar mijn mening is dat niet het geval. De zienswijze dat de verhuurder voortdurend huurgenot verschaft, is meer een juridische voorstelling van zaken, dan dat er ook werkelijk voortdurend een prestatie door de verhuurder wordt verricht die de waarde van zijn actieve vermogen aantast.11 Een betere voorstelling van zaken is dat de huurder, nadat het huurobject hem door de verhuurder ter beschikking is gesteld, zelf het huurgenot tot zich neemt. Feitelijk bestaat het verschaffen van het huurgenot daarin dat de verhuurder het huurobject niet van de huurder opeist. Pas als het huurobject dusdanige gebreken gaat vertonen dat het huurobject de huurder niet het genot meer kan verschaffen dat de huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten, is de verhuurder gehouden om deze gebreken te verhelpen.12 In het faillissement van de verhuurder is de curator echter niet gehouden om deze onderhoudsverplichting na te komen. Hij kan dus voorkomen dat het boedelactief wordt aangetast doordat hij de onderhoudsverplichting nakomt zonder dat de huurpenningen in de boedel vloeien.
Het feit dat ook de curator gehouden is het huurobject ter beschikking van de huurder te laten (hij kan het goed niet opeisen),13 is mijns inziens niet als een prestatie te beschouwen die ten laste van de boedel gaat. Het boedelactief vermindert daardoor niet. Er is vanuit dit oogpunt dus ook geen reden om te verlangen dat de huurpenningen in de boedel vloeien. Men zou nog kunnen betogen dat het “verschaffen van huurgenot ten laste van de boedel” daarin is gelegen, dat zich in de boedel een actief bevindt dat is “belast” met huur, hetgeen een waardedrukkend effect voor de boedel kan hebben, zeker indien de huurpenningen niet aan de boedel ten goede komen. Daar staat echter tegenover dat het feit dat de huurder het doorlopende huurgenot heeft de boedel niet verder aantast dan ten tijde van de faillietverklaring al het geval was. Men bedenke immers dat het faillissement de huurovereenkomst niet doet eindigen, dat het huurobject enkel onder “de last” van de huur door de curator kan worden verkocht en dat schuldeisers van de verhuurder ook voor het faillissement het huurobject niet vrij van huur hadden kunnen executeren14 en bovendien een eerdere cessie of verpanding van de huurvorderingen een latere verkrijger van het huurobject had kunnen worden tegengeworpen.15
874. Beperkte strekking van het arrest Tiethoff q.q./NMB? Hoewel het niet uitgesloten is dat de in het arrest Tiethoff q.q./NMB gevolgde redenering ook van belang is voor andere duurovereenkomsten dan huur op grond waarvan ten laste van de boedel prestaties worden verricht, is het niettemin verdedigbaar dat het arrest een beperkte strekking heeft en dat het arrest enkel ziet op huur. In geval van een huurovereenkomst doet zich namelijk de bijzonderheid voor dat de curator in het faillissement van de verhuurder over het algemeen niet de mogelijkheid heeft om de overeenkomst niet na te komen door geen huurgenot te verschaffen.16 De huurder heeft immers normaliter de feitelijke macht over het gehuurde, zodat hij zich als het ware het huurgenot zelf kan verschaffen. De ‘zakelijke’ werking van het huurrecht, zoals die onder andere blijkt uit art. 7:226 BW, brengt met zich dat de curator de verhuurde zaak niet uit de macht van de huurder kan opeisen.17 Hoewel daarvoor naar mijn mening geen rechtvaardiging bestaat, is het mogelijk juist deze omstandigheid die de Hoge Raad heeft gebracht tot zijn oordeel, dat het toestaan van verrekening een onaanvaardbare inbreuk zou betekenen op de paritas creditorum en die rechtvaardigt dat na de faillietverklaring te betalen huurpenningen toekomen aan de boedel. Mogelijk is dezelfde omstandigheid ook van belang geweest voor het oordeel van de Hoge Raad dat een cessie van huurvorderingen de failliete boedel niet kan worden tegengeworpen, voor zover zij betrekking hebben op het tijdvak na de faillietverklaring.
Steun voor een beperkte uitleg van het arrest Tiethoff q.q./NMB kan worden gevonden in de overweging van de Hoge Raad dat de uitzondering op de verrekeningsbevoegdheid van art. 53 Fw “met name geldt wanneer de curator, zoals bij de onderhavige huurovereenkomst, ondanks het faillissement gehoudenis die prestatie te blijven verrichten en de wederpartij compensatie verlangt met een vordering die met deze overeenkomst geen verband houdt” (mijn curs.).18 Daar staat echter tegenover dat de uitzondering op de regel van art. 53 Fw door de Hoge Raad in algemene bewoordingen wordt geformuleerd. Bovendien kan op goede gronden worden betoogd dat juist het belang van een goed beheer van de boedel met zich brengt dat in geval van een (tijdelijke) voortzetting van de onderneming van de failliet (die wellicht geschiedt met het oog op een doorstart) de opbrengsten van lopende duurovereenkomsten ten gunste van de boedel behoren te komen.19
Indien men het voorgaande transponeert naar de cessie of verpanding van vorderingen uit duurovereenkomsten, dan kan de conclusie mogelijk zijn dat het arrest WUH/Emmerig q.q. enkel van belang is voor die overeenkomsten waarbij de gecedeerde of verpande vordering de tegenprestatie betreft voor prestaties die in geval van faillissement van de cedent/pandgever ten laste van de boedel komen zonder dat de curator dat kan verhinderen. De regel van het arrest zou dan niet hoeven te gelden voor bijvoorbeeld aanneming van werk.