Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/5.3.5
5.3.5 Verrekening door het bestuur van de NEa
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610640:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
COM (2015) 337 final.
HvJ EG 30 november 2004, C-6/03 (Deponiezweckverband), r.o. 41-49 en HvJ EU 15 april 2010, C-64/09 (Commissie t. Frankrijk), r.o. 35. Zie over de rol van artikel 193 VwEU in het ETS: Squintani, Holwerda &; De Graaf 2012, p. 67-88. Zie over artikel 193 VwEu tevens Squintani 2013, p. 9-19. In het bijzonder stelt Squintani dat een maatregel als verdergaand in de zin van artikel 193 VwEU is te beschouwen als aan vijf vereisten wordt voldaan: de maatregel moet 1) binnen de toepassing van de EU-maatregel vallen, 2) dezelfde doelstellingen nastreven, 3) verenigbaar zijn met de EU-maatregel, 4) van hetzelfde type zijn als de EU-maatregel en 5) een hogere doelstelling nastreven dan de EU-maatregel, en/of een strenger middel of instrument zijn om de EU-doelen te bereiken. Aan al deze vereisten is mijns inziens voldaan.
Zie over de toewijzing nader: hoofdstuk 4.
Vgl. Van Angeren, in: T&C Wet Milieubeheer, artikel 16.35c Wm, aant. 4 (online, laatst geraadpleegd op 6 oktober 2016), waarin hij aangeeft dat de verjaring uit een oogpunt van rechtszekerheid in de wet is opgenomen. Dit standpunt is kennelijk overgenomen uit de Memorie van Toelichting, waar hetzelfde in staat (MvT, Kamerstukken II 2010/11, 32667, nr. 3, p. 87). Het zou zich mijns inziens slecht met deze rechtszekerheid verhouden als de verjaringsregeling niet van toepassing zou worden geacht op de verrekening. Dan kan de verjaringstermijn immers effectief worden omzeild door tot verrekening over te gaan, in plaats van tot terugvordering.
Een andere optie die de wet biedt, is die van verrekening. Ingevolge artikel 16.35c lid 3 Wm kan de teveel verleende hoeveelheid emissierechten worden verrekend met de te verlenen emissierechten over de daaropvolgende handelsperiode. Het is echter de vraag of deze bepaling in de praktijk wel kan worden toegepast. Immers, voor de huidige handelsperiode is de toewijzing geregeld in artikel 10bis Richtlijn ETS jo Besluit 2011/278/EU. Deze bepalingen voorzien niet in een verrekening met een teveel aan toegewezen emissierechten uit een vorige handelsperiode. Ook het voorstel tot aanpassing van de Richtlijn ten behoeve van de vierde handelsperiode voorziet niet in een dergelijke regeling.1Artikel 11 lid 1 Richtlijn ETS, en het voorgestelde nieuwe artikel 11, voorzien in een regeling waarbij de lidstaten een lijst van installaties aanleveren met de kosteloze toewijzing berekend overeenkomstig de in artikelen 10bis lid 1 en 10 quater bedoelde regels. Hierbij wordt geen ruimte gegeven voor een verrekening in de toewijzing.
Toch is deze verrekening mijns inziens mogelijk. De grondslag hiervoor kan worden gevonden in artikel 193 VwEU. Immers, de regeling komt de reductie van broeikasgasemissies ten goede, en beschermt de kosteneffectiviteit door onterecht verleende emissierechten te compenseren met een reductie in de toewijzing. Hierdoor houdt een exploitant netto een gelijke hoeveelheid emissierechten. Deze maatregel is daardoor in overeenstemming met de doelstellingen van de Richtlijn en streeft in dezelfde lijn milieubescherming na als de Richtlijn. De maatregel kan als een verdergaande maatregel als bedoeld in artikel 193 VwEU worden beschouwd.2 Daarvoor is dan wel van belang dat de zinsnede ‘te verlenen broeikasgasemissierechten voor de daarop volgende handelsperiode’ uit artikel 16.35c lid 3 Wm wordt gelezen als de toewijzing voor de volgende handelsperiode. Immers, indien reeds een toewijzing heeft plaatsgevonden vindt de verlening automatisch en overeenkomstig de regels van het EU-register plaats, zodra de toewijzingstabel is ingevoerd, en zal de verrekening op gespannen voet staan met die regelgeving.3 Wellicht dat de wetgever de betreffende zinsnede kan aanpassen naar ‘toe te wijzen hoeveelheid broeikasgasemissierechten voor de daarop volgende handelsperiode’ om deze problematiek te voorkomen.
Indien acht jaren na bekendmaking van het besluit houdende de kosteloze toewijzing zijn verstreken, is terugvordering niet meer mogelijk.4 Hieruit vloeit voort dat in dat geval ook geen verrekening meer mogelijk is, nu dit immers een verkapte vorm van terugvordering is. 5