Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/1.2.2.2
1.2.2.2 Procesrechtelijke mechanismen: de verzwaarde motiveringsplicht
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360629:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Over de stelplicht voor de gemeenschappelijkheid van een gevoerde huishouding in het huurrecht HR 1 december 1995, NJ 1996, 181: het is aan de hoofdhuurder/beoogd medehuurder om 'voldoende concrete feiten aan te voeren (... ) om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies heeft te richten'.
In de medische hoek: HR 20 november 1987, NJ 1988, 500, m.nt. WLH.
Asser 2004, nr. 49.
HR 25 november 2005, NJ 2006, 419(Hooft/Woonstichting Rochdale), m.nt. PAS. G.C.C. Lewin, 'Hoe zwaar weegt de verzwaarde stelplichf, Praktisch Procederen 2007/3, p. 82 e.v., wijst erop dat het wenselijk zou zijn wanneer de Hoge Raad de term 'verzwaarde stelplicht' zou definiëren, nu deze in verschillende betekenissen gebruikt wordt. Lewin gaat in op de verschillende 'verschijningsvormen'.
R.P.J.L. Tjittes, 'Een mededelingsplicht voor een procespartij als tegemoetkoming aan onredelijk bewijsrisico voor diens wederpartij', NJB 1988, p. 1128 e.v. Het vierde door Tjittes genoemde geval nam ik, als inmiddels door de invoering van het 'NBW' achterhaald, niet over.
Zie (losbl.) Burgerlijke Rechtsvordering bij art. 150, p. 25 (suppl. 281, aug. 2002) en de aldaar genoemde rechtspraak en literatuur. En verder Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, p. 52 e.v.
Te denken valt aan de verhuurder in de in noot 100 genoemde uitspraak.
Lewin, t.a.p., p. 82. Lewin spreekt de voorkeur uit om de verzwaarde stelplicht in het kader van een betwisting aan te duiden als de 'verzwaarde betwistplicht' (weer te onderscheiden naar een algemene en een specifiek verzwaarde betwistplicht).
Ook Lewin, t.a.p., p. 82 neemt het als vaststaand moeten beschouwen als uitgangspunt. Hij benadrukt in zijn bijdrage dat het verschil maakt of de verzwaarde stelplicht geldt voor de partij die ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast van een stelling toch al draagt (zoals in de in noot 82 weergegeven situatie van de huurder/medehuurder en de gemeenschappelijke huishouding). Zie eerder Giesen 2001, hoofdstuk II.
In de sanctionering van de niet-naleving van de verzwaarde motiveringsplicht leek eerder tot de mogelijkheden te behoren dat de bewijslast alsnog wordt omgekeerd. Zie daarover nog vrij duidelijk HR 11 december 1987, NJ 1988, 339, m.nt. P.A.S. Van die sanctionering lijkt in enige mate afstand te zijn gedaan, waar de Hoge Raad bij zijn arrest van 15 december 2006 inmiddels heeft aangegeven dat in de regel meer voor de hand ligt dat de rechter de bewijslast niet omkeert. Zie nader in de hoofdtekst. Wieten 2004, p. 25, stelt dat de rechter ingeval door de wederpartij aan de verzwaarde motiveringsplicht niet is voldaan, er ook voor kan kiezen deze wederpartij alsnog in de gelegenheid te stellen aan haar verplichtingen te voldoen. Hoewel van enige 'sanctionering' daardoor geen sprake is, lijkt de genoemde optie ook achterhaald door meergenoemde uitspraak van 15 december 2006, nu de Hoge Raad daar nadrukkelijk een drietal mogelijkheden aan de orde stelt.
HR 15 december 2006, NJ 2007, 203(NNEK/Mourik), m.nt. MRM.
Lewin, t.a.p., p. 83.
Een andere mogelijkheid voor de rechter om de partij die eigenlijk belast is met het bewijs tegemoet te komen is door gebruik te maken van de zgn. verzwaarde motiveringsplicht: zonder de bewijslast om te keren of te werken met vermoedens, kan de rechter daarmee (indirect) ingrijpen in de omvang van de bewijslast die een partij draagt. Van de wederpartij wordt daarbij verwacht dat deze zijn stellingen extra motiveert, in die zin dat de wederpartij bij zijn betwisting van de stellingen voldoende feitelijke gegevens verstrekt. Die gegevens moeten de partij met bewijslast helpen bij de uit hoofde van die bewijslast te verrichten bewijslevering. De Hoge Raad gebruikt door elkaar termen als de verplichting om 'voldoende concrete fei-ten'1 of 'voldoende feitelijke gegevens verstrekken',2 het 'verschaffen van aanknopingspunten' voor de bewijslevering3 en - sinds 2005, eveneens in het huur(beschermings)recht - de term 'verzwaarde stelplicht'.4
Tjittes geeft aan de verlichting handen en voeten door een aantal gevallen te noemen waarin het goed is om de 'stellende' en met het bewijsrisico belaste partij tegemoet te komen, te weten de omstandigheid (a) dat een partij een negatief feit dient te bewijzen, terwijl dat gezien de omstandigheden onredelijk geacht moet worden, (b) dat een partij beschikt over gegevens die voor de beoordeling van het geding van belang kunnen zijn of zij beter in staat is deze gegevens te verschaffen en (c) dat een partij feiten en omstandigheden in een ver verleden dient te bewijzen, terwijl dit lange tijdsverloop voor rekening van de wederpartij komt. Tjittes geeft bij ieder van de gevallen aansprekende voorbeelden uit de rechtspraak - waarnaar ik hier graag verwijs - die laten zien dat het veelal een combinatie van omstandigheden betreft, die maakt dat van een procespartij verlangd kan worden dat zij haar verweer zodanig adstrueert, dat de partij die met de bewijslast is bezwaard enige aanknopingspunten voor haar bewijslevering worden verschaft.5
Waartoe leidt nu die verzwaarde stelplicht? De achtergrond is duidelijk: door één van de partijen in een procedure een 'extra' informatieplicht op te leggen ten aanzien van hetgeen te bewijzen is, danwel van hetgeen hij weerspreekt, wordt de bewijsvoeringslast van de andere partij verlicht.6Dat is doordat, zoals gezegd, bij een voldoende onderbouwde betwisting voor de weersprekende partij7 duidelijk is tegen welke feiten hij zijn verweer heeft te richten, resp. aan de (oorspronkelijk) stellende partij aanknopingspunten voor (eventuele) bewijslevering verschaft worden.
Meest voorkomend is de tweede variant, de verzwaarde stelplicht in het kader van een betwisting.8 Op het moment nu, dat aan deze verzwaarde stelplicht voldaan wordt en de nodige aanknopingspunten verschaft worden, is er sprake van een gemotiveerd weersproken stelling als in art. 128 lid 2 Rv bedoeld en is het - alsnog en toch - aan de eiser om bewijs bij te brengen. Slaagt eiser in het leveren van dat bewijs niet, dan is dat, juist omdat het bewijsrisico door de verzwaarde stelplicht niet beïnvloed werd, voor zijn risico.
Voldoet de wederpartij niet aan die verzwaarde motiveringsplicht, dan zou de rechter in lijn met art. 149 Rv hetgeen te bewijzen was (het probandum) als niet of niet voldoende betwist als vaststaand dienen aan te nemen. En zal hij mijns inziens, nu art. 149 Rv er toch over spreekt dat de rechter niet of niet voldoende betwiste feiten, als vaststaand moet beschouwen, tot afwijzing van de vordering dienen te komen.910 De Hoge Raad zet evenwel, in een arrest van 15 december 2006, waarin de 'sanctionering' op het niet-naleven van de stelplicht aan de orde kwam, 'ruimer' in. In een zaak, waarin door de feitenrechter werd geoordeeld dat op NNEK als vermogensbeheerder een verzwaarde stelplicht rustte en waarin die feitenrechter op de grond dat NNEK aan deze verzwaarde stelplicht niet had voldaan, de bewijslast had omgekeerd, oordeelt de Hoge Raad als volgt:
'Tegen deze beslissing heeft NNEK onder meer aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat indien een partij op wie een verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet voldoet, de rechter op die grond niet de bewijslast en dus het bewijsrisi-co mag omkeren. Dit standpunt berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het is in beginsel aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten welke sanctie hij in de gegeven omstandigheden passend acht indien een partij op wie een verzwaarde stelplicht rust, daaraan niet voldoet. Wel zal het in de regel meer voor de hand liggen dat de rechter de bewijslast niet omkeert, maar de stellingen van de partij op wie de bewijslast rust hetzij, als onvoldoende betwist, op de voet van art. 149 lid 1 Rv als vaststaand aanneemt, hetzij deze stellingen voorshands bewezen acht behoudens tegenbewijs door de partij op wie de verzwaarde stelplicht rust. Overigens geldt ook voor een dergelijke beslissing dat zij ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.'11
Hoewel toe te juichen valt dat de Hoge Raad duidelijkheid schept door op de gevolgen van de (niet nakoming van) verzwaarde stelplicht in te gaan, vind ik het in enige mate verwarrend dat de Hoge Raad dit doet op een manier die de indruk wekt dat voor de feitenrechter 'te kiezen' zou zijn welk van de drie beslissingen hij in de gegeven omstandigheden het meest passend acht. Ik zou in navolging van Lewin ervoor willen pleiten dat de mogelijkheden van voorshands bewezen achten en bewijslastomkering gereserveerd worden voor gevallen waarin wel aan de verzwaarde stel-plicht (of: naar terminologie van Lewin: de verzwaarde betwistplicht) is voldaan. Dat past beter bij de regel dat voor toelating tot bewijslevering, waaronder tegenbewijs, pas plaats is wanneer de gestelde feiten voldoende gemotiveerd betwist zijn.12