Artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (Uitvoeringsbesluit WIB) bevat een uitwerking van de bepalingen van artikel 8, vijfde lid, eerste volzin, van de WIB en artikel 11, tweede lid, eerste volzin, van de WIB. In het artikel worden de belastingplichtigen aangewezen die verplicht zijn tot automatische renseignering ten behoeve van buitenlandse verdragspartners.
Aant. 1.2 behandelt de historische achtergrond van artikel 3a (aant. 1.2.1). Daarnaast wordt in aant. 1.2.2. een chronologisch overzicht gegeven van de totstandkoming van de bepaling. In aant. 1.4 wordt ingegaan op doel en strekking van de bepaling. Aant. 1.21 gaat in op de wijziging van art. 3a UB WIB per 2021 die tot doel heeft de substance-eisen voor dienstverleningslichamen aan te scherpen.
2. Wie zijn de aangewezen belastingplichtigen? (aant. 2)
In het eerste lid van art. 3a UB WIB is aangegeven dat het hier gaat om binnenlandse vennootschappen waarvan de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit het ontvangen en betalen van rente, royalty's, huur of leasetermijnen van of aan buitenlandse onderdelen van het concern waarvan zij deel uitmaken.
3. Uitzondering voor werkzaamheden die samenhangen met deelnemingen (aant. 3)
Werkzaamheden die samenhangen met het houden van deelnemingen blijven echter buiten aanmerking voor de toetsing aan het hoofdzakelijkheidscriterium.
4. Substance-verklaring (aant. 4)
In het derde lid wordt de door de aangewezen belastingplichtigen verplicht aan te leveren verklaring over het voldoen aan substance-eisen beschreven.
5. Gegevensverstrekking bij niet voldoen aan substance-eisen (aant. 5)
Voor belastingplichtigen die niet aan de substance-eisen voldoen worden in het vierde lid van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit WIB de aan de te leveren categorieën gegevens opgesomd.
6. Aanvullende gegevens (aant. 6)
Bij beleidsbesluit kan worden bepaald welke aanvullende informatie moet worden verstrekt voor de beoordeling of aan de in lid 7 opgenomen substance-eisen wordt voldaan.
7. Uitzondering op de verstrekkingsverplichtingen (aant. 7)
Een substance-verklaring of andere gegevens hoeven slechts te worden verstrekt als geen beroep is gedaan op voorkoming van dubbele belasting of een vergelijkbare regeling.
8. De substance-eisen (aant. 8)
In het zevende lid worden de vereisten inzake aanwezigheid in Nederland beschreven. Hierbij gaat het onder andere om eisen inzake het voeren van het bestuur en de administratie in Nederland en het aanhouden van een eigen vermogen dat past bij de functies en risico’s van de vennootschap.
9. Wijze van verstrekking van verklaring en gegevens (aant. 9)
De substance-verklaring dient te worden door invulling van de desbetreffende vragen in de VPB-aangifte. De andere gegevens dienen te worden verstrekt op de door de minister voorgeschreven wijze.
10. Tijdstip van verstrekking (aant. 10)
De verklaring en gegevens moeten uiterlijk bij de aangifte over het jaar waarop ze betrekking hebben aan de Belastingdienst worden verstrekt.
11. Overtreding (aant. 11)
Het tiende lid is per 2016 vervallen. Tot 2016 was hierin een bepaling opgenomen op basis waarvan incorrecte verstrekking wordt aangemerkt als overtreding.
Toelichting
Toelichting. UB WIB
“Het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig nakomen van de inlichtingenplicht wordt in het tiende lid aangemerkt als overtreding. In het geval sprake is van opzet of grove schuld kan hiervoor op grond van de Wet op de internationale bijstand bij de heffing van belastingen een boete worden opgelegd van maximaal € 19.500.”
Toelichting op het Besluit van 18 december 2013 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2013, 569, p. 47.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 3a Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening belastingheffing, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 15-04-2026
15-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30.
01-01-2014 tot: -
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 3a Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening belastingheffing, aant. 1.1
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Internationaal belastingrecht / BEPS
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Internationaal belastingrecht / Inlichtingenuitwisseling en wederzijdse bijstand
substance
inlichtingenplicht
spontane inlichtingenuitwisseling
voorkoming dubbele belasting
Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen artikel 3a
Beschouwing
Artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (Uitvoeringsbesluit WIB) bevat een uitwerking van de bepalingen van artikel 8, vijfde lid, eerste volzin, van de WIB en artikel 11, tweede lid, eerste volzin, van de WIB. In het artikel worden de belastingplichtigen aangewezen die verplicht zijn tot automatische renseignering ten behoeve van buitenlandse verdragspartners.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3a (aant. 1)
Aant. 1.2 behandelt de historische achtergrond van artikel 3a (aant. 1.2.1). Daarnaast wordt in aant. 1.2.2. een chronologisch overzicht gegeven van de totstandkoming van de bepaling. In aant. 1.4 wordt ingegaan op doel en strekking van de bepaling. Aant. 1.21 gaat in op de wijziging van art. 3a UB WIB per 2021 die tot doel heeft de substance-eisen voor dienstverleningslichamen aan te scherpen.
2. Wie zijn de aangewezen belastingplichtigen? (aant. 2)
In het eerste lid van art. 3a UB WIB is aangegeven dat het hier gaat om binnenlandse vennootschappen waarvan de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit het ontvangen en betalen van rente, royalty's, huur of leasetermijnen van of aan buitenlandse onderdelen van het concern waarvan zij deel uitmaken.
3. Uitzondering voor werkzaamheden die samenhangen met deelnemingen (aant. 3)
Werkzaamheden die samenhangen met het houden van deelnemingen blijven echter buiten aanmerking voor de toetsing aan het hoofdzakelijkheidscriterium.
4. Substance-verklaring (aant. 4)
In het derde lid wordt de door de aangewezen belastingplichtigen verplicht aan te leveren verklaring over het voldoen aan substance-eisen beschreven.
5. Gegevensverstrekking bij niet voldoen aan substance-eisen (aant. 5)
Voor belastingplichtigen die niet aan de substance-eisen voldoen worden in het vierde lid van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit WIB de aan de te leveren categorieën gegevens opgesomd.
6. Aanvullende gegevens (aant. 6)
Bij beleidsbesluit kan worden bepaald welke aanvullende informatie moet worden verstrekt voor de beoordeling of aan de in lid 7 opgenomen substance-eisen wordt voldaan.
7. Uitzondering op de verstrekkingsverplichtingen (aant. 7)
Een substance-verklaring of andere gegevens hoeven slechts te worden verstrekt als geen beroep is gedaan op voorkoming van dubbele belasting of een vergelijkbare regeling.
8. De substance-eisen (aant. 8)
In het zevende lid worden de vereisten inzake aanwezigheid in Nederland beschreven. Hierbij gaat het onder andere om eisen inzake het voeren van het bestuur en de administratie in Nederland en het aanhouden van een eigen vermogen dat past bij de functies en risico’s van de vennootschap.
9. Wijze van verstrekking van verklaring en gegevens (aant. 9)
De substance-verklaring dient te worden door invulling van de desbetreffende vragen in de VPB-aangifte. De andere gegevens dienen te worden verstrekt op de door de minister voorgeschreven wijze.
10. Tijdstip van verstrekking (aant. 10)
De verklaring en gegevens moeten uiterlijk bij de aangifte over het jaar waarop ze betrekking hebben aan de Belastingdienst worden verstrekt.
11. Overtreding (aant. 11)
Het tiende lid is per 2016 vervallen. Tot 2016 was hierin een bepaling opgenomen op basis waarvan incorrecte verstrekking wordt aangemerkt als overtreding.
Toelichting. UB WIB
“Het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig nakomen van de inlichtingenplicht wordt in het tiende lid aangemerkt als overtreding. In het geval sprake is van opzet of grove schuld kan hiervoor op grond van de Wet op de internationale bijstand bij de heffing van belastingen een boete worden opgelegd van maximaal € 19.500.”
Toelichting op het Besluit van 18 december 2013 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2013, 569, p. 47.