Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.6
6.6 Samenloop met beslag
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480537:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3:276 BW.
Zie ook nr. 204. Vgl. MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1245-1247; MvA II, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 156-158; MvA I, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 159-160; en MO I, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 160-161.
Vgl. MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1246, waar wordt opgemerkt dat op het uitgangspunt dat enkel tegenwoordige goederen vatbaar zijn voor beslag slechts “één beperkte uitzondering geldt in (…) art. 475 Rv.” Een beperkt beslag op toekomstige roerende zaken lijkt echter besloten te liggen in de mogelijkheid om beslag te leggen op nog te velde staande vruchten of beplantingen. Zie art. 494 en 732 Rv, alsmede art. 507 Rv. Vgl. ook art. 455 Rv over het beslag op de baten die een inbeslaggenomen zaak voortbrengt.
Vgl. HR 10 april 1953, NJ 1953/587, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Ede/Ontvanger) en HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/Tribosa).
Vgl. HR 5 september 2008, JOR 2008/320, m.nt. A. Steneker NJ 2009/154, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Forward/Huber); HR 20 februari 2009, JOR 2009/120, m.nt. C. Rijckenberg, NJ 2009/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/De Jong q.q.); en HR 13 november 2015, JOR 2016/24, m.nt. A. Steneker (Promneftstroy/Yukos Capital).
HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/Tribosa).
Vgl. HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/Tribosa).
HR 10 januari 1992, NJ 1992/744, m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/NMB Postbank Groep). Zie ook HR 14 februari 1997, NJ 1999/409, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Zunoca Freezone/Aruba).
MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1249. In vergelijkbare zin reeds W.M. Kleijn, in zijn noot bij HR 26 maart 1982, NJ 1982/615 (SOS/ABN), onder nr. 5; en daarmee instemmend Van der Grinten, in zijn noot bij HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Emmerig q.q.), onder nr. 2. Vgl. ook Hartkamp, in zijn conclusie voor HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/ Tribosa), onder 8(b), waarin wordt gewezen op het beginsel dat de beslaglegger de rechten van de geëxecuteerde kan uitoefenen zoals hij ze aantreft, met inbegrip van beperkende goederenrechtelijke afspraken.
Vgl. HR 10 januari 1992, NJ 1992/744, m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/NMB Postbank Groep).
Vgl. MvT, Van der Feltz I, p. 7.
Zie bijvoorbeeld de overzichten door A.S. Hartkamp, in zijn conclusie voor HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/Tribosa), onder 8(b); en S.C.J.J. Kortmann, in zijn noot bij HR 14 februari 1997, NJ 1999/409 (Zunoca Freezone/Aruba).
Van der Kwaak 1996, p. 681-685. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/321, waar de dogmatische kritiek van Van der Kwaak wordt onderschreven. In vergelijkbare zin bijvoorbeeld ook Van Mierlo 1988, p. 105-107.
Vgl. Kortmann 1989, p. 61.
Vgl. Hartkamp, in zijn conclusie voor HR 10 januari 1992, NJ 1992/744, m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/NMB Postbank Groep), onder 4 (instemmend); en Van der Kwaak 1996, p. 685-686 (afwijzend).
HR 10 januari 1992, NJ 1992/744, m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/NMB Postbank Groep).
Vgl. Van der Kwaak 1996, p. 685.
Vgl. in het bijzonder HR 30 september 1955, NJ 1956/319; HR 22 maart 1985, NJ 1985/548, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Detam/Tekton); en HR 11 juli 2014, NJ 2014/407, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2015/175, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J Vermunt (Berzona).
Zie recent nog HR 11 juli 2014, NJ 2014/407, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2015/175, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Berzona).
Vgl. HR 14 december 1934, NJ 1935/95, m.nt. E.M. Meijers (Atalanta).
In deze zin H.J. Snijders, noot bij HR 10 januari 1992, NJ 1992/744 (Ontvanger/NMB Postbank Groep), nr. 3(c).
267. In een beperkt aantal gevallen is een samenloop mogelijk tussen een levering bij voorbaat van en een (bij voorbaat gelegd) beslag op hetzelfde goed. Bij een samenloop van een beslag op en levering bij voorbaat van dezelfde toekomstige vordering, wordt hun onderlinge verhouding beslecht aan de hand van de prioriteitsregel. De handeling die eerder is verricht (de levering bij voorbaat of de beslaglegging), gaat voor op de latere.
Een samenloop van beslag en levering bij voorbaat ten aanzien van hetzelfde goed is echter een uitzonderlijk geval. Een van de uitgangspunten van het verhaalsrecht is immers dat slechts de tegenwoordige goederen van de schuldenaar bloot staan aan verhaal door zijn schuldeisers.1 Het beslag- en executierecht is dan ook zo ingericht dat (conservatoir of executoriaal) beslag in principe slechts is toegelaten op de tegenwoordige goederen van de schuldenaar.2 Dit uitgangspunt staat diametraal tegenover de ruime mogelijkheden om toekomstige goederen te leveren. Deze tegenstelling tussen beslag op en levering bij voorbaat van toekomstige goederen is “inherent” aan het huidige recht.3 Voor het uiteenlopen van beslag en levering van toekomstige goederen bestaan daarnaast, volgens de wetgever, goede redenen. Een beslag strekt tot het zo snel mogelijk nemen van verhaal op goederen van de schuldenaar, in afwachting waarvan de beslagen goederen worden “geblokkeerd” voor bepaalde handelingen die de rechten van de schuldeiser kunnen aantasten. Een beslag dat mede toekomstige goederen kan omvatten, zou de bedrijfsvoering van de schuldenaar volledig kunnen blokkeren en aanzienlijk ingrijpender zijn voor de schuldenaar dan een levering of verpanding bij voorbaat. Voor individueel verhaal is beslag op toekomstige goederen geen passend instrument, aldus de wetgever.4
Op het uitgangspunt dat slechts de tegenwoordige goederen van de schuldenaar voor beslag vatbaar zijn, bestaan beperkte uitzonderingen. De belangrijkste betreft het beslag op toekomstige vorderingen op naam. Art. (718 jo.) 475 lid 1 Rv staat immers toe dat beslag kan worden gelegd op toekomstige vorderingen, mits zij rechtstreeks zullen worden verkregen uit een ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding. Verdere uitzonderingen zijn schaars.5 In het vervolg van deze paragraaf zal daarom slechts aandacht worden besteed aan een samenloop met een beslag op een toekomstige vordering.
268. Het beslag heeft een blokkerende werking onder meer in die zin dat een latere vervreemding, bezwaring, afstand of onderbewindstelling van de door het beslag getroffen vordering niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen (art. 475h lid 1 Rv).6 Deze regel brengt mee dat het beslag ook na een van deze handelingen op de vordering blijft rusten en dat de beslagschuldenaar de beslagen vordering niet van het beslag kan bevrijden door haar te vervreemden.7 Het beslag leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van degene ten laste van wie het beslag is gelegd en staat dus niet in de weg aan overdracht of bezwaring van de vordering, maar brengt wel mee dat de beslaglegger bevoegd blijft zijn door de beslaglegging ingeleide uitoefening van zijn verhaalsrecht ten aanzien van de getroffen vordering voort te zetten, zonder dat de latere overdracht of bezwaring tegen hem kan worden ingeroepen.8 De blokkerende werking geldt ook voor toekomstige vorderingen die op de voet van art. 475 Rv door een beslag zijn getroffen.9 Wat betreft de uitleg van deze blokkerende werking in verhouding tot een bij voorbaat verrichte cessie of bezwaring van de door het beslag getroffen vordering, heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij art. 3:97 lid 2 BW en de daarin vervatte prioriteitsregel.
Een beslag op een toekomstige vordering kan daarmee worden ingeroepen tegen degene die de vordering krachtens een na het beslag verrichte levering bij voorbaat heeft verkregen.10 De tegenwerpbaarheid van het eerdere beslag verhindert niet de automatische overdracht of bezwaring van de vordering zodra zij wordt verkregen door de vervreemder, maar betekent wel dat de beslaglegger zijn verhaal op de vordering kan continueren en daarbij voorbij kan gaan aan de rechten van de verkrijger bij voorbaat. Is een levering bij voorbaat voorafgegaan aan een beslag op een toekomstige vordering, dan kan het beslag niet worden tegengeworpen aan de verkrijger van het recht op de vordering. Deze regel komt erop neer dat een levering of verpanding bij voorbaat niet kan worden doorkruist door latere beslagen van individuele schuldeisers.11 De jurisprudentie van de Hoge Raad komt daarmee neer op een verlenging van de prioriteitsregel voor een dubbele levering bij voorbaat in art. 3:97 lid 2 BW naar de collisie van een levering bij voorbaat met een beslag op een toekomstig goed. Deze keuze van de Hoge Raad vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis. Daar is een voorkeur uitgesproken voor een oplossing aan de hand van de prioriteitsregel met het argument dat het vreemd zou zijn wanneer een beslag op een toekomstige vordering een sterkere werking kan hebben dan een eerdere overdracht of verpanding van de vordering, eveneens bij voorbaat als toekomstig goed.12
269. De onderlinge verhouding tussen een levering of verpanding bij voorbaat en een later ‘gewoon’ beslag van een individuele schuldeiser verschilt van die tussen een levering of verpanding bij voorbaat en een later faillissement. Het latere faillissement van de vervreemder doorkruist immers wel de totstandkoming van de cessie of het pandrecht. Heeft de schuldenaar een vordering voor het faillissement bij voorbaat geleverd, dan valt de vordering in de boedel indien de vordering eerst na aanvang van de dag van het faillissement door hem is verkregen. Niet de anciënniteit van de levering bij voorbaat of de faillietverklaring is beslissend, maar het verkrijgingsmoment van de betrokken vordering. Bij een individueel beslag is het verkrijgingsmoment van de vordering juist niet relevant voor de beslechting van de onderlinge prioriteit.13
Dit verschil in uitkomst tussen een individueel beslag en een faillissement is – op het eerste gezicht – opmerkelijk. Een faillissement is immers te kenschetsen als een gerechtelijk beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers.14 Indien dit ‘collectieve beslag’ prevaleert boven een eerdere levering bij voorbaat, dan is het zeker geen vreemde gedachte om ook aan een later individueel beslag prioriteit te verlenen. Sterker nog, voorafgaand aan het arrest Ontvanger/ NMB Postbank Groep leek het merendeel van de schrijvers van oordeel dat een eerdere cessie van toekomstige vorderingen niet kon worden tegengeworpen aan een later gelegd derdenbeslag.15 Die opvatting is niet gevolgd door de wetgever en de Hoge Raad. Een individueel beslag kan op dit punt niet worden gelijkgesteld aan een faillissementsbeslag. Het verschil in uitkomst tussen individueel beslag en een algemeen faillissementsbeslag wordt verklaard door het verschil in karakter. In de parlementaire geschiedenis is aangevoerd dat het mede hierdoor is gerechtvaardigd dat het belang van de individuele beslaglegger minder zwaar weegt dan dat van de gezamenlijke schuldeisers in geval van faillissement.16 In lijn daarmee heeft de Hoge Raad in het arrest Ontvanger/NMB Postbank Groep het algemene, ten behoeve van alle schuldeisers tezamen strekkende karakter van het faillissementsbeslag benadrukt.
270. Hoewel de beslissingen van de Hoge Raad overwegend instemmend zijn ontvangen in de literatuur, is ook gewezen op de vermeende dogmatische inconsequentie daarvan. Zo heeft Van der Kwaak de jurisprudentie op dit punt bestempeld als een uitleg van art. 475h Rv die lijnrecht indruist tegen zowel de tekst van de bepaling als het stelsel van de wet. Zijn dogmatische kritiek komt erop neer dat het onjuist is om voor de blokkerende werking van een beslag een levering bij voorbaat te beschouwen als een vervreemding die voorafgaand aan het beslag tot stand kan zijn gekomen. Bij een cessie bij voorbaat van een toekomstige vordering komt de overdracht namelijk altijd pas tot stand bij de verkrijging van de vordering door de cedent. Als op dat tijdstip reeds beslag is gelegd op diezelfde vordering, dan komt de vervreemding steeds na de beslaglegging tot stand en prevaleert het beslag dus ook steeds boven de eerdere levering bij voorbaat. In dit stelsel is het niet van belang of de levering bij voorbaat plaatsvond vóór het leggen van het beslag of daarna.17 Deze dogmatische kritiek is – naar mijn mening – te weerleggen door het individuele beslag op een toekomstige vordering niet te beschouwen als een beslag dat terstond volledig (blokkerend) effect heeft, maar veeleer als een bij voorbaat gelegd beslag in die zin dat de formaliteiten voor het beslag reeds zijn voltooid, maar zijn werking eerst volledig intreedt zodra de vordering ontstaat in het vermogen van de beslagdebiteur. Indien dit beslag bij voorbaat concurreert met een bij voorbaat verrrichte levering van dezelfde vordering, ligt voor de bepaling van de (beperkte) blokkerende werking die niettemin aan het beslag toekomt, aansluiting bij de regel van art. 3:97 lid 2 BW alleszins in de rede.18 Wat dan nog slechts ontbreekt is een adequate verklaring voor het verschil in uitkomst tussen een individueel beslag en een faillissement. Deze wordt, zoals onmiddellijk hiervoor al aan de orde kwam, gevonden in het verschil in karakter tussen beide vormen.
Het oordeel van de Hoge Raad heeft – naar alle waarschijnlijkheid – ook een rechtspolitiek aspect in de bevordering van kredietverschaffing tegen zekerheid op vorderingen.19 In het arrest Ontvanger/NMB Postbank Groep wordt bijvoorbeeld gerefereerd aan de omstandigheid dat een overdracht of verpanding bij voorbaat “in de regel ertoe zal strekken aan de schuldenaar tegen zakelijke zekerheid krediet te verschaffen”.20 De prioriteit van een eerdere levering of vestiging bij voorbaat boven een later beslag stelt een financier in staat om zich te beschermen tegen een later beslag op dezelfde vordering. Hij ondervindt geen hinder van de blokkerende werking van dat individuele beslag. De individuele schuldeiser die een eventuele eerdere cessionaris of pandhouder niet voor zich wenst te dulden, zal zijn toevlucht kunnen zoeken tot een faillissementsaanvraag. Wordt de schuldenaar failliet verklaart, dan valt de toekomstige vordering immers onbezwaard in de boedel. In zoverre kan worden gezegd dat de toepassing van de prioriteitsregel op de samenloop van individueel beslag en levering bij voorbaat een faillissementsbevorderende werking heeft.21 In wezen kan beter worden gesproken van een faillissementsaanvraagbevorderende werking. Het collectieve karakter van het faillissement rechtvaardigt namelijk niet alleen een sterkere werking dan een individueel beslag ten opzichte van een eerdere levering bij voorbaat, maar werpt ook een drempel op tegen een faillietverklaring op grond van één (onbetaalde) schuldeiser.22 Faillietverklaring vereist dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen.23 Uit vaste jurisprudentie volgt dat uit het collectieve karakter van het faillissement moet worden afgeleid dat het bestaan van meer schulden een noodzakelijke voorwaarde is om deze toestand aan te nemen (pluraliteitsvereiste).24 Mede gelet op deze materiële vereisten voor het uitspreken van een faillietverklaring, is het niet waarschijnlijk dat een toename van faillissementsaanvragen door individuele schuldeisers – vanwege het risico dat een eerdere cessie of verpanding heeft plaatsgevonden – daadwerkelijk zal leiden tot meer faillissementen. Dit doet er overigens niet aan af dat een individuele schuldeiser door te dreigen met een faillissementsaanvraag betaling van zijn vordering kan bewerkstelligen.25 Ook is denkbaar dat de individuele beslaglegger onder deze dreiging tot afspraken kan komen met de schuldenaar en de cessionaris of pandhouder over een afwijkende verdeling van de beslagen vorderingen.26