Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/1.1.4:1.1.4 Ontwikkeling
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/1.1.4
1.1.4 Ontwikkeling
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS479295:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. voor roerende zaken: HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion (Sio) en voor vorderingen: HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q.) en HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
4. Tegen de mogelijkheid om toekomstige goederen te leveren en te verpanden zijn – zowel in het verleden als ook tegenwoordig nog – bezwaren aangevoerd. Naast de meer technische tegenwerpingen, bestaat de angst dat een te ruime mogelijkheid om toekomstig vermogen onder te zetten al te nadelig uitpakt voor de schuldenaar en diens overige schuldeisers. Indien de schuldenaar met een enkele pennenstreek over zijn toekomstige vermogen kan beschikken, zou dit kunnen leiden tot een achteloze ondergraving van zijn bestaansmiddelen of een overmatige afhankelijkheid van een bepaalde geldschieter. Ook zouden de overige (concurrente) schuldeisers van de schuldenaar te zeer kunnen worden beperkt in hun belangen om zich te verhalen op het vermogen van de zekerheidsgever. Tussen deze belangen en de belangen van het kredietverkeer bestaat een zekere spanning.
De juridisch-dogmatische moeilijkheden van de levering bij voorbaat houden in de kern steeds verband met het bijzondere temporele karakter van de rechtsfiguur. De levering bij voorbaat valt immers in tijd nooit samen met de uiteindelijke overdracht of bezwaring waartoe zij dient. Onder het voormalige Burgerlijk Wetboek van 1838 was de mogelijkheid om toekomstige goederen te leveren dan ook lange tijd uitgesloten of onzeker. Het BW van 1838 bevatte een aantal obstructies en verboden op dit punt.
De erkenning van de levering van toekomstige goederen is uiteindelijk in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen.1 Met de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek op 1 januari 1992 zijn de ontwikkelingen die zich onder het voormalige recht hebben voorgedaan, gecodificeerd. Sindsdien kent het Nederlandse recht een wettelijke regeling van de figuur in art. 3:97 lid 1 BW waarin kortweg is bepaald dat toekomstige goederen bij voorbaat geleverd kunnen worden. Daarvan worden uitgezonderd toekomstige registergoederen en toekomstige goederen ten aanzien waarvan het verboden is om ze tot voorwerp van een overeenkomst te maken. Art. 3:97 lid 2 BW geeft een regeling voor het geval een toekomstig goed meermaals bij voorbaat wordt geleverd. Op grond van de schakelbepaling van art. 3:98 BW gelden dezelfde regels voor de vestiging van beperkte rechten. De wet kent een bijzondere beperking voor de verpanding van toekomstige vorderingen op naam. Zij kunnen ingevolge art. 3:239 lid 1 BW slechts stil verpand worden indien zij ten tijde van de vestiging rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. Art. 3:94 lid 3 BW bevat sinds 1 oktober 2004 een gelijke beperking voor de stille cessie van toekomstige vorderingen. Met de invoering van het centrale deel van het nieuwe vermogensrecht is art. 35 lid 2 toegevoegd aan de Faillissementswet. Hierin wordt bepaald dat een toekomstig goed dat voor de dag van de faillietverklaring bij voorbaat geleverd is door de schuldenaar, in beginsel in de boedel valt indien het eerst na de aanvang van die dag door hem is verkregen.