HR, 01-06-2012, nr. 11/00535
ECLI:NL:HR:2012:BW7075
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-06-2012
- Zaaknummer
11/00535
- LJN
BW7075
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑06‑2012
ECLI:NL:HR:2012:BW7075, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑06‑2012; (Cassatie)
- Vindplaatsen
FED 2012/101 met annotatie van A.J. van Doesum
NTFR 2012/2076 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
FutD 2012-1472
Viditax (FutD) 2012060103
Beroepschrift 01‑06‑2012
Geeft eerbiedig te kennen:
[X], wonende te [Z] aan de [A-STRAAT1], nader te noemen eiser tot cassatie;
Eiser tot cassatie stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 23 december 2010. De uitspraak van het Gerechtshof is gegeven op het beroep tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda van 28 september 2009 en betreft het beroep van eiser tot cassatie tegen de uitspraak van de Inspecteur van het onderdeel belastingdienst [P] op het bezwaar van eiser tot cassatie tegen de aan hem over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 met aanslagnummer [001] opgelegde naheffing omzetbelasting. Eiser tot cassatie legt hierbij voornoemde uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch over (prod.1).
1.
Het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch heeft in haar arrest vormen verzuimd voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in achtgenomen vorm, aangezien het hof overweegt dat eiser tot cassatie in de van hem afkomstige stukken voor het Hof deels zijn reeds voor de rechtbank aangevoerde grieven en voegt daaraan geen nieuwe argumenten toe.
Toelichting:
Deze overweging is in strijd met artikel 6 EVRM, aangezien het Hof geen enkele motivering aan de haar voorgelegde feiten en omstandigheden geeft. Eiser tot cassatie heeft gesteld dat de aanslag inkomstenbelasting/premieheffing 2003 niet onherroepelijk vaststaat, hetgeen impliceert dat niet bekend is of een teruggaaf over dat jaar zal plaatsvinden om een en ander te verrekenen. Noch de Rechtbank, noch het Gerechtshof, heeft zich over boven vermelde stellingen uitgelaten.
2.
Het Gerechtshof heeft het recht geschonden nu duidelijk door eiser tot cassatie een beroep is gedaan op artikel 29 lid 1 omzetbelasting en het Gerechtshof zich ten deze niet heeft uitgelaten.
Toelichting:
Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof passeren het gegeven dat eiser tot cassatie een beroep heeft gedaan op het feit dat hij nog €2.673,-- aan omzetbelasting moet terugontvangen over het jaar 2002. Naar rechtsgelijkheid moet ook teveel betaalde omzetbelasting in aftrek worden gebracht. Eiser tot cassatie verwijst naar artikel 29 lid 1 omzetbelasting, alwaar is bepaald dat op verzoek teruggaaf wordt verleend van de belasting terzake van levering en diensten, voor zover de vergoeding: (a) niet is en niet zal worden ontvangen.
3.
Het Gerechtshof heeft het recht geschonden aangezien zij zich niet heeft uitgelaten omtrent de toepassing van artikel 67c van de AWB en de ten deze opgelegde verzuimboeten, zodat de overweging van het Hof dat het oordeel in deze zaak op goede gronden berust en een juiste is, in strijd is met het recht en artikel 6 EVRM.
Toelichting:
De belastingdienst had eiser tot cassatie voor de aangifte van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 reeds een vergrijpboete opgelegd. De belastingdienst verwijst ter bevestiging van zijn berekening naar de balans van 31 december 2005, terwijl vaststaat dat hij op grond van de balans van 2002 en artikel 29 omzetbelasting, een teruggaaf moest doen en een beroep op deze teruggaaf door eiser tot cassatie is gedaan.
Eiser tot cassatie is op grond van het vorenstaande van mening dat hem ten onrechte een verzuimboete is opgelegd en dat ten deze, gelet op de balans van 2002, sprake is van rechtsongelijkheid. Voorts staat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 nog niet onherroepelijk vast. Een verzuimboete kan op grond van rechtsongelijkheid niet passend en geboden zijn, nu artikel 29 omzetbelasting zonder enige motivering in de gedane uitspraak wordt gepasseerd. Het arrest is niet gemotiveerd en in strijd met de motiveringsplicht zoals is bepaald in artikel 30 Rv.
Weshalve:
Eiser tot cassatie zich wendt tot de Hoge Raad der Nederlanden met het verzoek de vernietiging uit te spreken van voorschreven uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 23 december 2010.
Uitspraak 01‑06‑2012
Partij(en)
1 juni 2012
nr. 11/00535
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 maart 2011, nr. 09/00567, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 09/2006) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.
De eerste klacht komt op tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd. De tweede klacht houdt in dat de Rechtbank en het Hof ten onrechte niet hebben behandeld belanghebbendes stelling dat hij over het jaar 2002 nog recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting.
Die klachten slagen. Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 nog niet onherroepelijk vaststaat en dat die omstandigheid impliceert dat mogelijk een teruggaaf over dat jaar zal plaatsvinden, die - zo verstaat de Hoge Raad - met de verschuldigde omzetbelasting over het onderhavige tijdvak kan worden verrekend. Noch uit de uitspraak van de Rechtbank noch uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende deze grief reeds voor de Rechtbank heeft aangevoerd. Het Hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd. Voorts heeft de Rechtbank noch het Hof een oordeel gegeven over belanghebbendes voor de Rechtbank en voor het Hof aangevoerde stelling dat hij over het jaar 2002 nog recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting.
De klachten kunnen niettemin niet tot cassatie leiden, aangezien voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd niet van belang is of het ingevolge die aanslag te betalen bedrag aan omzetbelasting kan worden verrekend met een teruggaaf van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen of met een teruggaaf van omzetbelasting over een ander dan het onderwerpelijke tijdvak.
3.2.
De derde klacht houdt in dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over de opgelegde verzuimboete en dat om die reden 's Hofs oordeel dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de verzuimboete op goede gronden berust en juist is, in strijd is met het recht, en overigens dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het Hof heeft als geschilpunt in hoger beroep mede de opgelegde verzuimboete omschreven en vervolgens geoordeeld dat de Rechtbank in deze zaak op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Met dit oordeel heeft het Hof de door de Rechtbank gegeven oordelen met betrekking tot de verzuimboete tot de zijne gemaakt. Die oordelen, waaronder het oordeel dat niet gesteld of gebleken is dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De klacht faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2012.