Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.4.2
4.4.2 Hoofdzaak
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644983:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wichers (2002), p. 123-124.
TM, art. 5.2.10, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 105. Zie over het Stafmateriaal-arrest Hoofdstuk 3, §3.4.3.3.
NvW, art. 5.2.10, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 106. “Daarnaast dient echter te worden gelet op de in het verkeer geldende opvattingen. Deze kunnen ertoe leiden dat ook zonder een zodanig waardeverschil één der zaken als hoofdzaak aangemerkt moet worden, alsook dat, indien zich wél een waardeverschil als hier bedoeld voordoet, toch de zaak met de geringste waarde als hoofdzaak moet worden beschouwd. Men denke aan een oude auto, waarin een kostbare nieuwe motor wordt geplaatst, of aan een zilveren of gouden ring waarin een kostbaar juweel gezet wordt.”
NvW, art. 5.2.10, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 106.
Wichers (2002), p. 126-127.
Dit is een andere casus dan waarover de president van de Rechtbank Leeuwarden zich moest buigen. Hij kreeg de vraag voorgelegd of een motor in een formule 1-wagen een bestanddeel was of niet. Zie Rb Leeuwarden (pres), 20 december 1994, ECLI:NL:RBLEE:1994:AH5076 (Dynamiek/De Vries Competition).
“Als hoofdzaak is aan te merken de zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens verkeersopvatting als zodanig wordt beschouwd.”
Aldus art. 5:14 lid 3. Het artikel geeft twee criteria, het “waardecriterium” en de “verkeersopvatting”. Aan de hand van deze criteria kan een van de oorspronkelijke zaken, zoals zij bestond vóór de verbinding, als hoofdzaak worden aangewezen. De wet vereenzelvigt het resultaat van de verbinding met de oorspronkelijke zaak die als hoofdzaak wordt gekwalificeerd.1 Alle rechten die al op deze hoofdzaak rustten, blijven na de verbinding voortbestaan en strekken zich ook uit tot de bestanddelen.
De criteria die gegeven zijn in art. 5:14 lid 3 BW voor het kwalificeren van een hoofdzaak, hebben betrekking op de gevallen waarin roerende zaken met elkaar worden verbonden. Een onroerende zaak kan geen bestanddeel zijn van een roerende zaak en is derhalve altijd aan te merken als hoofdzaak. Dit is reeds bepaald in het Stafmateriaal-arrest uit 1953, waarnaar Meijers verwijst in zijn toelichting op art. 5.2.10 (het huidige art. 5:14 BW).2
Het eerste criterium, het waardecriterium, houdt in dat een zaak aan te merken is als hoofdzaak als zij de andere zaken aanmerkelijk in waarde overtreft. In bepaalde gevallen is echter de verkeersopvatting doorslaggevend. Een kostbare motor is een bestanddeel van de auto, ook al is hij meer waard dan alle overige onderdelen bij elkaar. Hetzelfde geldt voor de ring, die blijkens de verkeersopvatting een hoofdzaak is, en de diamant, die normaal gesproken als bestanddeel heeft te gelden, aldus de parlementaire geschiedenis.3 Blijkens de parlementaire geschiedenis zal “in de regel beslissend zijn of de ene zaak de andere in waarde aanzienlijk overtreft”.4 Tegen deze opmerking verzet Wichers zich. Zij concludeert dat slechts sprake is van één criterium, namelijk de verkeersopvatting:
“Is een aanmerkelijk waardeverschil aanwezig dan is het namelijk mogelijk dat de verkeersopvatting met zich meebrengt dat niettemin de zaak met de geringste waarde als hoofdzaak wordt aangemerkt. De vraag of een oorspronkelijke zaak als hoofdzaak is aan te merken moet dus in werkelijkheid naar de verkeersopvatting worden beoordeeld. Een aanmerkelijk verschil in waarde is niet zonder meer doorslaggevend. (…) Het feit dat een zaak de ander aanmerkelijk in waarde overtreft, is een belangrijke aanwijzing dat deze zaak naar verkeersopvatting als hoofdzaak wordt beschouwd, maar ook niet meer dan dat. Een aanmerkelijk verschil in waarde is in ieder geval geen zelfstandige rechtsgrond voor de kwalificatie van een zaak tot hoofdzaak.”5
Volgens Wichers is het “waardecriterium” een aanwijzing voor de verkeersopvatting, maar het is geen zelfstandige rechtsgrond om te bepalen of een zaak een hoofdzaak is. Ze stelt dan ook dat het voorbeeld van de ring en de diamant niet overtuigend is. De verkeersopvatting kan bepalen dat wat normaliter een bestanddeel is, in een afzonderlijk geval een hoofdzaak is, omdat een groot verschil in waarde aanwezig is. Het waardecriterium is echter afzonderlijk in de wet genoemd. In de regel zal de verkeersopvatting uitmaken wat een hoofdzaak is. Er zijn niet veel voorbeelden te bedenken dat één onderdeel aanmerkelijk in waarde verschilt van de andere onderdelen en dat vervolgens de verkeersopvatting deze zaak niet als hoofdzaak kwalificeert. Als zich echter toch zo’n (uitzonderlijke) situatie voordoet, dan is het waardecriterium terecht doorslaggevend. Zo is een motor uit de Formule 1-bolide die in een aftandse auto wordt geplaatst door het aanmerkelijke waardeverschil een hoofdzaak, ongeacht de in het verkeer geldende opvattingen hierover.6
Tot slot is nog een situatie voorstelbaar, waarin geen van de zaken de andere aanmerkelijk in waarde overtreft. Een zaak kan op basis van de in het verkeer geldende opvattingen worden gekwalificeerd als hoofdzaak. Als een ring en een diamant evenveel waard zijn, zal de ring op basis van de verkeersopvatting als hoofdzaak worden aangewezen.