Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/19.2
19.2 Hoofdlijnen van de inhoud van het prospectus
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS574357:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik laat onbesproken op welk moment precies sprake is van 'toelaten tot de handel' en wat onder deze term moet worden verstaan. Hierover Grundmann-van de Krol (2008a), p. 281-284. Zie over het begrip 'gereglementeerde markt' meer uitvoerig: Hijink (2006) p. 459 e.v.
De bevoegdheid voor de AFM om, met uitsluiting van andere toezichthouders, een prospectus goed te keuren, is geregeld in de artikelen 5:6 tot en met 5:8 Wft. Deze artikelen vormen de Nederlandse implementatie van de artikelen 13, eerste lid, jo. 2, eerste lid, onderdelen b, c, en m, Prospectusrichtlijn. Hierover meer uitgebreid: Grundmann-van de Krol (2008a), p. 129-132.
In art. 2, lid 1, Prospectusverordening gedefinieerd als: 'een lijst van minimale informatievereisten aangepast aan de specifieke aard van de verschillende categorieën uitgevende instellingen en/of de verschillende categorieën betrokken effecten.'
In art. 2, lid 2, Prospectusverordening gedefinieerd als: 'een lijst van aanvullende, niet in een van de schema's opgenomen informatievereisten die, in voorkomend geval, aan één of meer schema's moet worden toegevoegd naar gelang van het type instrument en/of transactie waarvoor een prospectus of basisprospectus wordt opgesteld.
Zie in dezelfde zin uitdrukkelijk: Franx (2007), p. 357.
De mogelijkheid voor de toezichthouder van de lidstaat van herkomt om, aanvullend op de voorschriften in die verordening, opname van méér informatie in een prospectus te vereisen, is versterkt door de aanpassing van de Prospectusverordening door Verordening (EG) nr. 211/2007. Zie hierover Desmond (2007).
In deze zin de Nederlandse wetgever, op p. 571 van de Vierde nota van wijziging bij de Wft (Kamerstukken II, 2005/2006, 29 708, nr. 19).
Franx (2007), p. 353.
Franx (2007), p. 353.
Vgl. p. 571 van de Vierde nota van wijziging op de Wft (Kamerstukken II, 2005/2006, 29 708, nr. 19). Aldaar wordt opgemerkt dat 'de toets van de AFM op volledigheid ertoe [kan] leiden dat in het prospectus (...) aanvullende informatie dient te worden opgenomen, omdat het prospectus niet alle gegevens bevat die voor de beleggers noodzakelijk zijn om een verantwoord oordeel over de aangeboden effecten te vormen.' (cursv. J.B.S.H.)
Hierover uitvoerig: Kristen (2004), p. 60 e.v. met verdere verwijzingen. De gehoudendheid tot richtlijnconforme interpretatie geldt overigens ook voor toezichthouders — zoals de AFM — hetgeen ook door Kristen (2004), op p. 61, wordt opgemerkt.
Minder waarde dient in dit verband te worden gehecht aan de — door Franx (2007) in voetnoot 12 op p. 353 geparafeerde — opvatting van CESR in onderdeel I.1 van CESR's recommendations for the consistent implementation of the European Commission's regulation on prospectusses no. 809/2004 van februari 2005 (CESR 05/054b). Niet alleen hebben deze aanbevelingen, afgezien van de waarde voor de praktijk, geen bindende werking. CESR spreekt in onderdeel I.1 bovendien over 'the materiality principle' dat aan art. 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn ten grondslag zou liggen ('when information is not material in the context of the securities or the issuer; CESR does not expect issuers to mention it'). Wanneer echter sprake is van 'materiality' en hoe dit 'materialiteitsprincipe' zich verhoudt tot het bestanddeel 'noodzakelijke informatie' in art. 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn, is niet duidelijk. De introductie door CESR van dit begrip is daardoor verwarrend en heeft geen toegevoegde waarde.
Voor toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt1 waarbij de AFM de bevoegde toezichthoudende instantie is om het prospectus goed te keuren2, geeft art. 5:13 Wft de belangrijkste norm voor de inhoud van het prospectus. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het prospectus alle gegevens dient te bevatten "die gelet op de aard van de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel op de gereglementeerde markt toegelaten effecten, van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling (...)." Het eerste lid van art. 5:13 Wft bepaalt verder dat het prospectus in ieder geval dient te bevatten "de gegevens, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 23 van de prospectusverordening en de bij die artikelen behorende bijlagen."
De Prospectusverordening is door de Europese Commissie uitgevaardigd op basis van art. 7, eerste lid, Prospectusrichtlijn. De verordening heeft rechtstreekse werking en bevat voorschriften over de specifieke informatie die ten minste in goed te keuren prospectussen opgenomen dient te worden. Welke informatie een prospectus in een concreet geval moet bevatten, is afhankelijk van het soort effect dat wordt aangeboden of waarvoor toelating tot de handel op een gereglementeerde markt is verzocht, alsmede van het type uitgevende instelling. In de Prospectusverordening is dit tot uiting gebracht door een systeem van schema's3 en bouwstenen.4 Hiermee worden, uitgewerkt in negentien bijlagen en door middel van verplichte combinaties, de informatievereisten van het prospectus voorgeschreven. De op grond van de schema's en bouwstenen in een prospectus op te nemen informatie is de minimuminformatie die in een prospectus moet worden opgenomen.5 Dit blijkt niet alleen uit de artikelen 3, derde volzin, 22, eerste lid en 23, eerste en derde lid, Prospectusverordening6 en uit het opschrift van de bijlagen bij de verordening.7 Deze norm is ook vastgelegd in art. 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn. Dit artikel is door de Nederlandse wetgever geïmplementeerd in art. 5:13, eerste lid,ftw .8
Naar aanleiding van de Nederlandse implementatie van art. 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn, is door Franx opgemerkt dat de formulering van art. 5:13, eerste lid, Wft afwijkt van die richtlijnbepaling.9 Waar in art. 5:13, eerste lid, Wft wordt gesproken over "alle gegevens die (...) van belang zijn", bepaalt art. 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn namelijk dat een prospectus alle gegevens dient te bevatten "welke (...) de noodzakelijke informatie vormen (...)". Niet ten onrechte constateert Franx dat de letterlijke tekst van het criterium van art. 5:13 Wft een verdergaande publicatieverplichting lijkt te bevatten dan het criterium van art. 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn. Hij voegt daaraan toe dat het wenselijk zou zijn dat beide criteria in de praktijk tot hetzelfde resultaat leiden.10 Naar mijn mening zal daarvan, ondanks de van de tekst van de Prospectusrichtlijn afwijkende formulering van artikel 5:13, eerste lid, Wft, doorgaans sprake zijn. Een eerste argument daarvoor kan worden ontleend aan de toelichting op artikel 5:13 Wft. Daarin is opgemerkt dat de passage "gegevens die (...) noodzakelijk zijn" richtinggevend is voor de wijze waarop de AFM invulling dient te geven aan haar toetsing van het prospectus op volledigheid.11 Een tweede argument is dat in een (eventuele) juridische procedure over de inhoud van het prospectus, de rechter gehouden is de Nederlandse regelgeving ter implementatie van de Prospectusrichtlijn binnen zijn bevoegdheden richtlijnconform te interpreteren.12 Hierdoor bestaan afdoende waarborgen dat in de praktijk het in artikel 5:13, eerste lid, Wft opgenomen criterium tot hetzelfde resultaat zal leiden als het criterium van artikel 5, eerste lid, Prospectusrichtlijn.13