NJB 2019/2702:Schending van de redelijke termijn en het om die reden verminderen van de op te leggen straf op een wijze die voor de verdachte negatief uitpakt: in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden legt het hof een gevangenisstraf op voor de duur van 40 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte zou feitelijk met 40 maanden onvoorwaardelijk wellicht beter af zou geweest, omdat dan het wettelijke systeem van de voorwaardelijke invrijheidstelling had kunnen worden toegepast en de verdachte vermoedelijk na twee derde van het uitzitten van die straf in vrijheid zou zijn gesteld. De Hoge Raad verwerpt het hiertegen gerichte cassatieberoep