Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.6.2.3
2.6.2.3 In de jurisprudentie aangenomen verruimingen van enquêtegerechtigdheid
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364814:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Hof Amsterdam (OK) 31 januari 2011, JOR 2011/140 (A&D Pharma Holdings), waarin houders van zogeheten Global Depositary Receipts als certificaathouders werden aangemerkt.
HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486 m.nt. Maeijer, JOR 2003/161 m.nt. Josephus Jitta.
Inzake Scheipar ging het om certificaten die bij wijze van zekerheid waren overgedragen. Indien deze zekerheid was gevestigd naar Nederlands recht in plaats van naar Luxemburgs recht, zou sprake zijn geweest van een pandrecht, waarbij verzoeker pandgever was geweest. In dat geval had niet gediscussieerd hoeven worden over de vraag of verzoeker enquêtegerechtigd was. Het op een dergelijke wijze uitleggen of “assimileren” sluit ook goed aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de wijze waarop met naar buitenlands recht gevestigde zekerheidsrechten moet worden omgegaan (HR 14 december 2001, NJ 2002, 241 (Sisal)).
HR 10 september 2010, NJ 2010, 665 m.nt. Van Schilfgaarde en Perrick, JOR 2010/337, m.nt. Brink (Butôt).
HR 8 april 2011, NJ 2011, 338 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2011/178 m.nt. Doorman (Bamford).
HR 29 maart 2013, NJ 2013/304 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2013/166 m.nt. Doorman (Chinese Workers).
Zie ook de relativerende noot van De Groot bij Hof Amsterdam (OK) 3 juni 2013, JOR 2013/241 (Interfisc).
HR 4 april 2014, NJ 2014, 296 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/259 m.nt. Olden (Slotervaartziekenhuis).
Zoals aan het begin van deze paragraaf reeds werd aangestipt, heeft de Hoge Raad in een aantal arresten een ruime uitleg gegeven aan wie kwalificeert als aandeel-/certificaathouder in de zin van art. 2:346 BW. In de desbetreffende beschikkingen wordt deze ruime uitleg steevast gemotiveerd door er op te wijzen dat in het kader van het enquêterecht veel gewicht toekomt aan de “economische realiteit”.1
In de Scheipar-beschikking2 werd de verzoeker gelijk gesteld aan een certificaathouder, hoewel hij zijn certificaten als onderpand voor een lening (naar het recht van Luxemburg3) had overgedragen aan zijn financier, omdat hij in de verhouding tot de financier wel volledig over de zeggenschapsrechten en het economisch belang beschikte. Ook deelgerechtigden tot een onverdeelde nalatenschap, waarvan certificaten van aandelen deel uitmaakten, worden gelijk gesteld aan certificaathouders blijkens de Butôt-beschikking.4 De rekkelijkheid van de Hoge Raad bereikte echter zijn grens in de Bamford-beschikking.5 De Hoge Raad ging niet mee in het betoog van Bamford, die indirect (onder meer via een Antilliaanse rechtspersoon) aandelen in een Nederlandse BV hield, dat deze Antilliaanse rechtspersoon moest worden weggedacht. Daarbij hechtte de Hoge Raad in navolging van de ondernemingskamer belang aan het feit dat de desbetreffende Antilliaanse rechtspersonen in een andere staat waren gevestigd en de desbetreffende aandelen voor eigen rekening en risico hielden. Bamford was derhalve niet enquêtegerechtigd.
Toch oordeelde de Hoge Raad inzake Chinese Workers6 dat een aandeelhouder van een vennootschap naar het recht van Hong Kong enquêtegerechtigd was ten aanzien van de Nederlandse dochtervennootschap van de Hong Kong vennootschap. De omstandigheden waren naar het oordeel van de ondernemingskamer dusdanig dat de aandeelhouders van de Hong Kong vennootschap konden worden gelijkgesteld aan kapitaalverschaffers en de Hoge Raad vond dat niet onbegrijpelijk.7 In de Slotervaartziekenhuis-beschikking8 verduidelijkte de Hoge Raad dat voor een dergelijke gelijkstelling meer vereist is dan het zijn van indirect aandeelhouder.