HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:540.
HR, 11-05-2021, nr. 19/02713
ECLI:NL:HR:2021:695
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11-05-2021
- Zaaknummer
19/02713
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:695, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑05‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:248
ECLI:NL:PHR:2021:248, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑03‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:695
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0128
Uitspraak 11‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal (meermalen gepleegd) door met toenmalige partner legodozen weg te nemen uit winkel, art. 311.1.4 Sr. 1. Kon hof gelet op art. 63 jo. 57 Sr proeftijd van 3 jaren opleggen, nu bij eerdere veroordelingen proeftijd van 2 jaren is opgelegd? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AS5556 m.b.t. toepasselijk strafmaximum i.g.v. toepassing van art. 63 jo. art. 57 Sr. Opvatting dat hof gelet op art. 63 jo. 57 Sr bij voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet proeftijd van 3 jaren kon vaststellen, omdat bij eerdere veroordelingen waarbij aan verdachte wegens strafbare feiten gepleegd vóór feit waaraan verdachte in bestreden arrest schuldig is verklaard proeftijd van 2 jaren was vastgesteld, vindt mede gelet op wat is vooropgesteld en op tekst van art. 14b.1 57 en 63 Sr, waaruit volgt dat proeftijd niet een straf is, geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:1987:AB8285). Ad 2. HR ambtshalve: HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Vervolg op ECLI:NL:HR:2018:540.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/02713
Datum 11 mei 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2019, nummer 21-002443-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het bepaalde in de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft geschonden doordat het in de bestreden uitspraak een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.
2.2.2
Bij de stukken van het geding bevindt zich een uittreksel justitiële documentatie van de justitiële informatiedienst van 18 april 2019 met betrekking tot de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte na de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde misdrijven onherroepelijk is veroordeeld tot de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6 genoemde straffen, bestaande uit onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren.
2.3.1
Volgens de bestreden uitspraak heeft het hof de straf in de onderhavige zaak onder meer gegrond op de artikelen 14b, 57 en 63 Sr. Deze bepalingen luiden - voor zover van belang ‑ als volgt:
- artikel 14b lid 1 Sr:
“De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, stelt daarbij een proeftijd vast.”
- artikel 57 Sr:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- artikel 63 Sr:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
2.3.2
In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavigea) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijlb) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen enc) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
2.4
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat het hof, gelet op artikel 63 Sr in samenhang met artikel 57 Sr, bij de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet een proeftijd van drie jaren kon vaststellen, omdat bij eerdere veroordelingen waarbij aan de verdachte wegens strafbare feiten gepleegd vóór het feit waaraan de verdachte in het bestreden arrest schuldig is verklaard, een proeftijd van twee jaren was vastgesteld. Die opvatting vindt, mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld en op de tekst van de artikelen 14b lid 1, 57 en 63 Sr waaruit volgt dat de proeftijd niet een straf is, geen steun in het recht (vgl. HR 3 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8285).
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
4.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2021.
Conclusie 16‑03‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. 1. Falende klacht dat hof i.s.m. art. 57 en 63 Sr een proeftijd van drie jaren heeft opgelegd, nadat bij een tussenliggende veroordeling een proeftijd van twee jaren was opgelegd. 2. Falende klachten over de beslissing op de vordering van de benadeelde partij (een rechtspersoon). Voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering is niet noodzakelijk dat uit het voegingsformulier blijkt welke rechtsvorm de rechtspersoon heeft en wat haar statutaire naam is. Strekt tot vernietiging, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02713
Zitting 16 maart 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft, na terugwijzing door de Hoge Raad, bij arrest van 3 juni 2019 de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van drie jaren en tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Namens de verdachte hebben mr. Th.O.M. Dieben en mr. G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Deze zaak is eerder bij de Hoge Raad aan de orde geweest. Bij arrest van 10 april 2018 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 mei 2016 vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarbij geen beslissing is genomen op de vordering van de benadeelde partij alsmede wat betreft de strafoplegging, en de zaak teruggewezen om de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, en het beroep voor het overige verworpen.1.
4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof art. 63 in combinatie met art. 57 Sr heeft geschonden door in het bestreden arrest een proeftijd van drie jaar op te leggen, terwijl bij een tussenliggende veroordeling reeds een proeftijd van twee jaar was opgelegd. Beide straffen kunnen volgens de toelichting op het middel niet naast elkaar worden opgelegd.
5. Het hof heeft de verdachte wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd in de periode van 20 februari 2015 tot en met 27 februari 2015 onder toepassing van art. 63 Sr veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van drie jaren.
6. Blijkens een zich bij de stukken bevindend uittreksel justitiële documentatie van 18 april 2019 is de verdachte tussen de periode van de bewezenverklaarde feiten en de veroordeling door het hof in de onderhavige zaak wegens andere strafbare feiten veroordeeld, te weten:
(i) op 28 april 2016 door de politierechter in de rechtbank Gelderland wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 26 februari 2016, tot 50 uren werkstraf, subsidiair 25 dagen hechtenis;
(ii) op 16 november 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren, zittingsplaats Leeuwarden, wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 9 januari 2015, tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis;
(iii) op 7 september 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens mishandeling, meermalen gepleegd op 14 februari 2012 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren en 20 uren taakstraf, subsidiair 10 dagen hechtenis.
7. Wat wordt aangevoerd, komt erop neer dat als de feiten van de onderhavige zaak gelijktijdig zouden zijn behandeld met de feiten die ten grondslag lagen aan de veroordeling van 16 november 2016, het het hof gelet op art. 57, eerste lid, Sr niet vrij had gestaan om “voor de (winkel)diefstal van 9 januari 2015 een voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van twee jaar en daarnaast voor de (winkel)diefstallen van 20 en 27 februari 2015 een voorwaardelijke straf met een proeftijd van drie jaar. Het hof had namelijk een (1) straf moeten opleggen en dus bij gelijktijdige behandeling de keuze moeten maken tot de oplegging van een proeftijd van twee of drie jaar”. Nu het hof eerder heeft gekozen voor een proeftijd van twee jaar, stond het het hof niet vrij om nu een proeftijd van drie jaar op te leggen, aldus de toelichting op het middel. Beide straffen kunnen niet naast elkaar worden opgelegd.
8. Art. 57 Sr luidt:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch — voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft — niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
9. Art. 63 Sr luidt:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
10. Zodra art. 63 Sr van toepassing is, komt de facto niet zozeer art. 57, eerste lid, Sr, als wel art. 57, tweede lid, Sr in beeld. Zoals Machielse het heeft verwoord: “Eén straf toch is niet meer op te leggen.”2.Art. 63 in verbinding met art. 57, tweede lid, Sr strekt er vervolgens toe het maximum te beperken van de hoofdstraf die de rechter die het tweede vonnis of arrest wijst, kan opleggen.3.De “straf” in art. 57, tweede lid, Sr slaat terug op de in het eerste lid genoemde hoofdstraf.
11. Het middel gaat er terecht vanuit dat het hof bij een gelijktijdige berechting en samenloop van misdrijven waarop een gelijksoortige hoofdstraf is gesteld, één straf(combinatie) had moeten opleggen,4.maar gaat er ten onrechte vanuit dat de door de eerste rechter gekozen straf aan de opvolgende rechter andere beperkingen oplegt dan die betreffende het maximum van de op te leggen hoofdstraf.5.
12. Het middel faalt.
13. Het tweede middel klaagt over de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij en valt uiteen in drie deelklachten.
De eerste deelklacht
14. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in haar vordering tot schadevergoeding, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Daartoe wordt ten eerste aangevoerd dat uit het voegingsformulier weliswaar volgt dat de benadeelde partij een rechtspersoon zou zijn, maar niet van welke rechtsvorm sprake is (B.V., N.V. et cetera) en wat de statutaire naam is, waardoor sprake is van een verzuim met betrekking tot de partijnaam. In het verlengde hiervan wordt ten tweede aangevoerd dat een machtiging voor [betrokkene 1] om namens “ [A] ” het voegingsformulier te ondertekenen, ontbreekt, waardoor niet valt in te zien hoe de machtiging van [betrokkene 1] afdoende kan vaststaan als niet duidelijk is welke rechtspersoon haar überhaupt gemachtigd heeft.
15. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat namens de verdachte het volgende is aangevoerd:
“Ten aanzien van de vordering benadeelde partij stel ik mij op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Uit het formulier blijkt niet welke rechtsvorm de [A] heeft. Daarnaast ontbreekt er een machtiging en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel. Ik zie ook geen inkoopfacturen bij de vordering. De inkoopprijs zou het uitgangspunt moeten zijn bij het bepalen van de schade. Tenslotte hoor ik de advocaat-generaal zeggen dat de [A] vestiging is opgeheven.”
16. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 261,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De vordering van de benadeelde partij is namens haar ingediend door plaatsvervangend filiaalleider [betrokkene 1] . Zij is ook degene die namens de benadeelde partij aangifte heeft gedaan van de eerste diefstal. Het hof heeft geen reden te twijfel[en] aan haar bevoegdheid in haar hoedanigheid van plaatsvervangend filiaalhouder aangifte te doen namens de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof is het ontbreken van een machtiging - zoals door de advocaat-generaal en de verdediging is betoogd - of het ontbreken van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in een geval als dit geen beletsel voor ontvankelijkheid van de vordering. De verdediging heeft ook geen concrete omstandigheden genoemd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2006).
Ook de omstandigheid dat de desbetreffende vestiging van [A] is opge[he]ven, staat naar het oordeel van het hof niet aan ontvankelijkheid van de vordering in de weg. Dit brengt namelijk niet met zich dat de schade voor de benadeelde is weggevallen. Uit niets blijkt verder dat een nagekomen bate van dit filiaal, zoals hier de door de verdachte te betalen schadevergoeding, niet meer ten goede kan komen aan de rechthebbende.”
17. Bij de beoordeling van de klacht dient het volgende voorop te worden gesteld. Ingevolge het bepaalde in art. 51c, derde lid, Sv kan de benadeelde partij zich doen vertegenwoordigen, onder meer door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot de voeging door middel van de formulier als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv. Een dergelijke volmacht is echter niet vereist indien de benadeelde partij een rechtspersoon is en het voegingsformulier is ondertekend door een persoon die optreedt namens de rechtspersoon.6.
18. Het voorgaande neemt niet weg dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting twijfel kan rijzen over de bevoegdheid van de vertegenwoordiger van een rechtspersoon. Om dit te voorkomen, verdient het aanbeveling om bij het voegingsformulier een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht van de directie of bestuurder te voegen, waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt.7.
19. De klacht gaat er vanuit dat om “spookpartijen” te voorkomen, eisen moeten worden gesteld aan de tenaamstelling van de benadeelde partij en dat – in geval de benadeelde persoon een rechtspersoon betreft – het voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering noodzakelijk is dat uit het voegingsformulier blijkt welke rechtsvorm deze rechtspersoon heeft en wat haar statutaire naam is. Hoewel in het civiele recht bepaalde eisen nodig kunnen zijn om “spookpartijen” te voorkomen, ligt dat toch wat anders bij de vordering van een benadeelde partij in een strafrechtelijke procedure. In zo een geval heeft de rechter immers eerst moeten vaststellen dat de (rechts)persoon die zich voegt als benadeelde partij daadwerkelijk slachtoffer is geworden van een strafbaar feit. Het oordeel van het hof om de benadeelde partij ontvankelijk te achten in haar vordering tot schadevergoeding, terwijl niet blijkt welke rechtsvorm de rechtspersoon heeft of wat haar statutaire naam is, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft voorts aangegeven waarom de omstandigheid dat de desbetreffende vestiging van [A] is opgeheven niet aan de ontvankelijkheid van de vordering in de weg staat. In het licht van deze motivering is het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk.
20. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat een machtiging ontbreekt, maar niet waarom aan de bevoegdheid van [betrokkene 1] , door wie de vordering namens de benadeelde partij is ingediend, zou moeten worden getwijfeld. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het geen reden heeft te twijfelen aan haar bevoegdheid in haar hoedanigheid van plaatsvervangend filiaalhouder aangifte te doen namens de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof is het ontbreken van een machtiging of het ontbreken van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in een geval als dit geen beletsel voor ontvankelijkheid van de vordering, mede nu de verdediging geen concrete omstandigheden heeft genoemd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is – mede gelet op hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd – niet onbegrijpelijk.
21. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
22. Deze deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de schade van de benadeelde partij kan worden geschat op een bedrag van € 100 omdat dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.
23. Art. 6:97 BW luidt aldus:
“De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.”
24. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten.8.
25. In de onderhavige zaak is namens de verdachte aangevoerd dat geen inkoopfacturen bij de vordering zijn overgelegd en dat de inkoopprijs het uitgangspunt zou moeten zijn bij het bepalen van de omvang van de schade. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (de diefstal van acht dozen Lego) rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de omvang van deze schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, omdat de gevorderde schade (€ 261,90) niet is gebaseerd op de kale inkoopprijs, hetgeen ook volgens het hof kennelijk uitgangspunt dient te zijn bij het bepalen van de omvang van de schade. Het hof heeft vervolgens de omvang van de schade – mede gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd – niet onbegrijpelijk geschat op een bedrag van € 100.
26. De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
27. De laatste deelklacht van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat voor een bedrag van € 100 de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd ten behoeve van het slachtoffer.
28. De klacht is in de kern gebaseerd op het slagen van de eerste en de tweede deelklacht. Nu deze deelklachten falen, faalt ook de derde deelklacht.
29. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
30. Beide middelen falen. De tweede en derde deelklacht van het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
31. In het licht van HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, wijs ik er ambtshalve op dat het hof in de onderhavige zaak vervangende hechtenis heeft verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, waardoor het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan in plaats daarvan bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
32. Ambtshalve heb ik voor het overige geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑03‑2021
Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NJ 2006/10 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.5:.
Vgl. destijds A-G Silvis in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2011:BP4595 onder 9 bij HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4595, NJ 2011/173.
Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006, r.o. 2.4.
Zie ook rubriek 1C van het door de minister voor Rechtsbescherming vastgestelde schadevergoedingsformulier, Stcrt. 2018 nr. 68441 van 24 december 2018.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.8.7.