HR, 10-10-2014, nr. 13/04777
13/04777
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-10-2014
- Zaaknummer
13/04777
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2921, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑10‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:2717
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2014
- Vindplaatsen
BNB 2014/252 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
Belastingadvies 2014/24.12
FED 2015/11 met annotatie van J.W. Zwemmer
ERF-Updates.nl 2015-0069
NTFR 2014/2762 met annotatie van mr. M. de L. Monteiro
FutD 2014-2328
Viditax (FutD) 2014101004
Uitspraak 10‑10‑2014
Partij(en)
10 oktober 2014
Nr. 13/04777
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2013, nr. 12/00472, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/5766) betreffende een aanslag in de erfbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.
2.1.1.
De moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) is op […] 2010 overleden.
2.1.2.
Op 24 december 2002 heeft erflaatster een woning aan de [a-straat 1] te [Q] (hierna: de woning) verkocht aan belanghebbende voor een koopsom van € 216.000.
2.1.3.
In de akte van levering van 24 december 2002 is vermeld dat erflaatster van de koopsom een bedrag van € 34.025 heeft kwijtgescholden.
2.1.4.
In een brief van 9 december 2002 van [B], werkzaam bij notaris [C], aan belanghebbende is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“De koopsom wordt door u als volgt voldaan:
Uw moeder schenkt u bij akte van levering een bedrag van € 34.025,00, door middel van kwijtschelding op de koopsom. (...)
Er resteert na de kwijtschelding voor u een schuld aan uw moeder van € 181.975,00. Met betrekking tot deze restant schuld is een onderhandse geldleningovereenkomst opgesteld. Over deze geldlening is door u geen rente verschuldigd. De geldlening is direct opeisbaar en aflosbaar. Naar ik heb begrepen zal ten aanzien van de geldlening jaarlijks door uw moeder een bedrag worden kwijtgescholden. Over het kwijtgescholden bedrag dient schenkingsrecht te worden voldaan (...).
Aangezien uw moeder in de woning blijft wonen, is er een huurovereenkomst opgesteld. De huurprijs (...) moet nog worden ingevuld. Er dient sprake te zijn van een reële huurprijs (...).”
2.1.5.
Erflaatster heeft in de jaren 2002 tot en met 2009 door middel van jaarlijkse schenkingen de geldlening ten bedrage van € 181.975 volledig kwijtgescholden.
2.1.6.
Erflaatster is op grond van een op 24 december 2002 getekende huurovereenkomst aan belanghebbende een bedrag van € 650 aan huur per maand verschuldigd. In artikel 3, lid 1, van de huurovereenkomst is bepaald dat voor zover de huurprijs niet daadwerkelijk door huurder is voldaan, daarover een samengestelde rente van 4 percent is verschuldigd tot het moment van voldoening. Erflaatster heeft geen huur aan belanghebbende betaald. Ten tijde van het overlijden van erflaatster bedroeg de schuld uit hoofde van de huurovereenkomst € 71.400, waarvan € 54.600 bestond uit niet betaalde huur en € 16.800 uit niet betaalde rente over de huurschuld.
2.1.7.
De Inspecteur heeft de woning en de schuld uit hoofde van de huurovereenkomst bij de aanslagregeling in aanmerking genomen als fictieve verkrijging in de zin van artikel 10, lid 1, van de Successiewet 1956 (tekst 2010, hierna: Sw). Op de dientengevolge verschuldigde erfbelasting zijn met toepassing van artikel 7, leden 2 en 3, Sw bedragen aan eerder betaalde overdrachtsbelasting en schenkingsrecht, vermeerderd met rente, in mindering gebracht.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of het hiervoor in 2.1.5 bedoelde kwijtgescholden bedrag van € 181.975, te vermeerderen met rente, op grond van artikel 7 Sw in mindering komt bij de berekening van het belastbare bedrag ter zake van de fictieve verkrijging van de woning.
2.2.2.
Verder was in geschil of het bedrag van de door erflaatster niet betaalde huur, vermeerderd met niet betaalde rente over die huurschuld, belast is op grond van artikel 10 Sw.
2.3.1.
Het Hof heeft met betrekking tot het in 2.2.1 vermelde geschilpunt geoordeeld dat uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis volgt dat een verkrijger niet wordt belast voor datgene wat hij ten koste van erflaters vermogen heeft verkregen indien en voor zover daartegenover door de erflater een tegenprestatie is bedongen die ten laste is gekomen van het vermogen van de verkrijger. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake, omdat de tegenprestatie geheel is kwijtgescholden, aldus het Hof. Daarbij heeft het Hof van belang geacht dat er in de onderhavige zaak een rechtstreeks verband aanwezig is tussen de bedongen tegenprestatie en de kwijtscheldingen, mede gelet op de hiervoor in 2.1.4 geciteerde brief. Hiertegen is het eerste middel gericht.
2.3.2.
Het Hof heeft met betrekking tot het in 2.2.2 vermelde geschilpunt geoordeeld dat de huur die erflaatster schuldig was aan belanghebbende een gevolg is van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 10 Sw. De met de huur overeenkomende geldbedragen hebben het vermogen van erflaatster nimmer verlaten, terwijl zij van die schuldig gebleven bedragen de vruchten kon blijven plukken in de vorm van rente. Door het niet betalen van huur heeft erflaatster tot haar overlijden het genot gehad van een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 10 Sw, aldus het Hof. Hiertegen is het tweede middel gericht.
2.4.1.
Tussen partijen is - terecht - niet in geschil dat belanghebbende op grond van artikel 10, lid 1, Sw geacht moet worden de woning te hebben verkregen. Wel is in geschil of de schuld van € 181.975 op grond van artikel 7 Sw in mindering komt bij de berekening van de waarde van die fictieve verkrijging.
2.4.2.
Op grond van artikel 7, lid 1, Sw komt de waarde van hetgeen de verkrijger heeft opgeofferd of van hetgeen door de erflater ten laste van de verkrijger is bedongen in mindering op de waarde welke op grond van (onder meer) artikel 10 Sw in aanmerking wordt genomen voor de erfbelasting, maar niet verder dan tot nihil.
2.4.3.
Tot hetgeen de verkrijger heeft opgeofferd, als bedoeld in artikel 7, lid 1, Sw behoort slechts hetgeen hij werkelijk heeft opgeofferd (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 39). Schenkingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, vallen niet onder de term ‘opgeofferd’ (Kamerstukken II 2009/09, 31 930, nr. 9, blz. 86).
2.4.4.
Het Hof heeft geoordeeld dat ter zake van de verkrijging geen tegenprestatie ten laste is gekomen van het vermogen van belanghebbende omdat de tegenprestatie geheel is kwijtgescholden. Daarin ligt het oordeel besloten dat belanghebbende voor de verkrijging van de woning niets heeft opgeofferd. Dat oordeel geeft, gelet op het hiervoor in 2.4.3 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Opmerking verdient dat hierbij niet ter zake doet of reeds ten tijde van de overdracht van de woning de intentie bestond om tot kwijtschelding over te gaan. Het genoemde oordeel van het Hof kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.
2.4.5.
Anders dan waar het eerste middel van uitgaat, is voor het oordeel dat erflaatster iets ten laste van belanghebbende heeft bedongen in de zin van artikel 7, lid 1, Sw, niet voldoende dat erflaatster bij de levering van de woning op 24 december 2002 een tegenprestatie heeft bedongen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de zinsnede ‘of van hetgeen door erflater ten laste van de verkrijger werd bedongen’ in artikel 7, lid 1, Sw is opgenomen om het mogelijk te maken dat de waarde van een doorlopend vruchtgebruik ten bate van de langstlevende ouder op de waarde van de fictieve verkrijging in mindering komt (Kamerstukken II, 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 86). Het strookt niet met de uit deze wetsgeschiedenis blijkende bedoeling om de waarde van hetgeen door de erflater is bedongen ook op de waarde van de verkrijging in mindering te brengen in een geval als het onderhavige, waarin de verkrijger de koopsom voor een onroerende zaak aan de erflater schuldig is gebleven en de erflater deze schuld vervolgens geheel heeft kwijtgescholden. Daarbij doet niet ter zake of een rechtstreeks verband bestaat tussen de bedongen koopsom en de kwijtscheldingen.
2.4.6.
Dit brengt mee dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat het bedrag van € 181.975 niet door erflaatster van belanghebbende is bedongen in de zin van artikel 7, lid 1, Sw, wat er zij van de motivering die het Hof daarvoor heeft gegeven.
2.4.7.
Het eerste middel faalt derhalve.
2.5.1.
Met betrekking tot de vraag of het bedrag van de schuldig gebleven huur en de rente daarover is aan te merken als fictieve verkrijging in de zin van artikel 10, lid 1, Sw overweegt de Hoge Raad als volgt.
2.5.2.
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat erflaatster geen rente heeft betaald over de schuldig gebleven huurtermijnen, zodat zij van die schuldig gebleven bedragen de vruchten kon blijven plukken. Hetzelfde heeft te gelden voor het bedrag van de schuldig gebleven rente over de huurschuld van de erflaatster. Het daardoor ontstane voordeel heeft de erflaatster verkregen in verband met de huurovereenkomst, waarbij zij partij was. Het Hof is er daarom terecht van uitgegaan dat erflaatster tot haar overlijden voor de som van beide voormelde bedragen het genot heeft gehad van een vruchtgebruik en dat daardoor sprake is van een op grond van artikel 10 Sw belaste verkrijging. Voor zover het tweede middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het.
2.5.3.
Het tweede middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.6.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren, C. Schaap, R.J. Koopman, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.
Beroepschrift 10‑10‑2014
Hoge Raad der Nederlanden
T.a.v. de Fiscale sectoradministratie
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Beroep in cassatie inzake belastingen ex artikel 28 e.v. Algemene wet inzake rijksbelastingen
Zaaknummer F 13/04777
Betreft: uitspraak Gerechtshof Amsterdam, eerste meervoudige belastingkamer,
kenmerk BK/BK-AMS 12/00472 de dato 29 augustus 2013
inzake [X]
Schalkhaar, 12 november 2013
Edelhoogachtbaar College,
Namens [X], wonende te [Z], hebben wij de eer om in vervolg op het pro forma beroep in cassatie gedagtekend 4 oktober 2013 dit cassatieberoep tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, gedagtekend 29 augustus 2013 hierbij te motiveren.
De uitspraak van het Gerechtshof is gegeven op het hoger beroep van de eerste ondergetekende gericht tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank te Haarlem, gedagtekend 7 juni 2012, en gegeven op het beroep van de eerste ondergetekende tegen de uitspraak op bezwaar, gedagtekend 20 september 2011, betreffende de aan hem door de Belastingdienst [P], gedagtekend 22 februari 2011, opgelegde aanslag in de erfbelasting ter zake van een verkrijging uit de nalatenschap van wijlen [A], de moeder van belanghebbende.
Namens belanghebbende worden de volgende (twee) cassatiemiddelen voorgedragen.
De ondergetekenden zijn van oordeel, dat de bedoelde uitspraak van het Gerechtshof, waarbij:
- 1.
aftrek van het bedrag van € 181.975,00 op de waarde van de woning op grond van artikel 7 lid 1 Successiewet 1956 niet mogelijk wordt geacht, niet in stand kan blijven zulks wegens schending althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 7 lid 1 Successiewet 1956 (tekst vanaf 1 januari 2010), omdat ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, is beslist dat de ten tijde van de transactie bedongen, maar nadien kwijtgescholden tegenprestatie niet in mindering strekt van hetgeen op grond van artikel 10 Successiewet 1956 door belanghebbende fictief is verkregen;
- 2.
de schuld van de erflaatster aan de belanghebbende wegens niet-betaalde huur en rente, in totaal ten bedrage van € 71.400,00, niet in mindering op haar nalatenschap wordt toegelaten, niet in stand kan blijven zulks wegens schending althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 10 lid 1 Successiewet 1956 (tekst vanaf 1 januari 2010), omdat ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, is beslist dat de ten tijde van het overlijden van erflaatster openstaande schuld aan de zoon wegens niet-betaalde huur en rente door hem geacht wordt krachtens erfrecht te zijn verkregen op grond van artikel 10 lid 1 Successiewet 1956.
Ter toelichting van deze cassatiemiddelen merken de ondergetekenden het volgende op:
Met betrekking tot het eerste cassatiemiddel:
Op grond van artikel 7 lid 1 Successiewet 1956 strekt de waarde van hetgeen de verkrijger voor zijn verkrijging heeft opgeofferd of van hetgeen door de erflater ten laste van de verkrijger werd bedongen, in mindering van de waarde welke op grond van (onder andere, zoals in casu) artikel 10 Successiewet 1956 in aanmerking wordt genomen voor de erfbelasting. De vermindering betreft derhalve de opoffering of hetgeen ten laste van de verkrijger is bedongen.
Op 24 december 2002 heeft erflaatster haar woning aan de [a-straat 1] te [Q] verkocht en geleverd aan haar zoon voor een koopsom van € 216.000,00, van welke koopsom onmiddellijk bij de levering een gedeelte, € 34.025,00, is kwijtgescholden. Het restant, € 181.975,00, is door de zoon als renteloze, direct opeisbare geldlening aan erflaatster schuldig gebleven. Deze geldlening is nadien, in de jaren 2002 tot en met 2009, geheel door erflaatster kwijtgescholden.
In 2002 is door erflaatster derhalve, als gevolg van de overeengekomen koopsom en onmiddellijke kwijtschelding van een gedeelte daarvan, in civielrechtelijk opzicht een tegenprestatie van € 181.975,00 ten laste van de verkrijger bedongen. Een koopovereenkomst met dit bedrag als niet schuldig gebleven, maar daadwerkelijk betaalde, koopsom zou overigens hetzelfde resultaat hebben opgeleverd als de in de onderhavige casus gekozen route.
Hof Amsterdam wijst de vermindering van het fictief legaat van artikel 10 Successiewet 1956 met de hiervoor gemelde, bedongen, tegenprestatie af op grond van het in onderdeel 5.2 van het arrest opgenomen citaat uit de wetsgeschiedenis, waaruit zou volgen dat de vermindering slechts kan betreffen wat voor de verkrijging werkelijk is opgeofferd en dat schenkingen die in het verleden hebben plaatsgevonden niet vallen onder de term ‘opgeofferd’. De slotsom van het Hof berust op een onjuiste interpretatie van de wettekst en/of de wetshistorie.
Voor de vermindering van het fictieve legaat van artikel 10 Successiewet 1956 dient, zo blijkt onder meer uit de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 10 lid 3 Successiewet 1956, een onderscheid te worden gemaakt tussen hetgeen werd bedongen en hetgeen werd opgeofferd.
Blijkens de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstukken II 1948, 915, nr. 3, p. 19, 20) ligt aan de toevoeging van de opoffering aan de vermindering van het fictieve legaat in geval van een vruchtgebruik of een periodieke uitkering de volgende beweegreden ten grondslag:
‘De thans (…) voorkomende regeling van de mogelijkheid tot aftrek van voorbehouden of bedongen vruchtgebruik en bedongen periodieke uitkeringen geeft niet in alle gevallen bevrediging. Zo mag ter zake van voorbehouden of bedongen vruchtgebruik ten behoeve van de overledene geen aftrek worden toegepast, terwijl de aftrek voor te zijnen behoeve bedongen periodieke uitkeringen wordt beperkt tot de waarde van de werkelijk door hem genoten termijnen. De verkrijger, te wiens laste een periodieke uitkering is bedongen, verkeert dus in een voordeliger positie dan hij, te wiens laste een vruchtgebruik is gekomen, zonder dat voor dat onderscheid een aannemelijk argument is aan te voeren. Economisch toch staat het gemis van genot ten gevolge van het voorbehouden of bedongen vruchtgebruik met een periodieke uitkering ter waarde van de opbrengst van de vruchtgebruik gelijk. Een geval, waarin A aan B f 10 000 schuldig erkent onder voorbehoud van vruchtgebruik, is (bij een rentevoet van 3 %) economisch gelijk te stellen met het geval, waarin A aan B terstond f 10 000 afstaat met beding van een lijfrente van f 300 per jaar. In beide gevallen toch ontvangt B bij de dood van A een waarde van f 10.000. Voor aftrek van voorbehouden of bedongen vruchtgebruik of lijfrente bestaat daarom in beginsel in geen van beide gevallen aanleiding. Slechts voorzover de betaalde lijfrentetermijnen de opbrengst van de verkregen zaak overtreffen, is de lijfrenteplichtige in een ongunstiger toestand dan de blote eigenaar. Voor dat meerdere zou de lijfrenteplichtige derhalve aftrek dienen te worden toegestaan. Slechts dat meerdere heeft hij ter zake van de bedongen periodieke uitkering per saldo opgeofferd. Ondergetekende heeft in verband met het vorenstaande in artikel 10, derde lid, van het ontwerp het ter zake van genoten periodieke uitkeringen af te trekken bedrag dienovereenkomstig beperkt tot de waarde, welke de verkrijger ter zake per saldo daadwerkelijk heeft opgeofferd.’
De betreffende wettekst luidde na de inwerkingtreding van de Successiewet 1956 dan ook als volgt:
‘Van de te dezer zake aan te geven waarde kan, voor zover de regeling van het recht van successie, worden afgetrokken wat bij de rechtshandeling door de overledene werd bedongen, vermeerderd met interest naar het in artikel 21, onder II, bedoelde percentage van de dag van betaling van het bedongene tot het overlijden. Voor vruchtgebruik wordt, voor zover dat middellijk of onmiddellijk door de erflater is genoten, geen aftrek toegelaten en de aftrek van aldus genoten periodieke uitkeringen wordt beperkt tot de waarde, welke de verkrijger ter zake heeft opgeofferd. Een eventueel negatieve waarde van de verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten.’
De vermindering met de opoffering ziet derhalve uitsluitend op het geval waarin door erflater een goed is overgedragen tegen een periodieke uitkering, waarbij slechts de per saldo daadwerkelijk drukkende uitkeringen op de fictieve verkrijging in mindering kunnen worden gebracht. De omvang van de verkrijging (fictief legaat verminderd met de gedane uitkeringen) wordt en kan in dit geval slechts ‘ex post’ worden vastgesteld omdat ten tijde van de transactie (vanwege de afhankelijkheid van het in leven zijn van de uitkeringsgenieter) niet bekend is hoe veel termijnen betaald zullen (moeten) worden.
Dat, zoals in onderdeel 5.2 van het arrest van Gerechtshof Amsterdam is geciteerd, in het verleden plaatsgevonden hebbende schenkingen niet vallen onder de term ‘opgeofferd’ is dan ook juist (in de onderhavige casus is immers van een periodieke uitkering geen sprake), maar wordt door het Gerechtshof ten onrechte gebruikt om het standpunt te onderbouwen dat vanwege de kwijtscheldingen van een bedongen tegenprestatie geen sprake is. Opofferen is voor de toepassing van art. 10 Successiewet 1956 niet hetzelfde als bedingen. De bepaling van de waarde van hetgeen is bedongen vindt ‘ex ante’ plaats, in beginsel naar het moment van de prestatie (zie Hof 's‑Hertogenbosch 12 december 1975, BNB 1976/138).
Overigens zij hierbij opgemerkt dat met het per 1 januari 2010 verplaatsen van de verminderingsregeling (uit artikel 10 lid 3 Successiewet 1956) naar artikel 7 lid 1 Successiewet 1956 geen (inhoudelijke) wijziging is beoogd (Kamerstukken II 2008–2009, 31 930, nr. 9, p. 86).
Voorts schrijft Van Vijfeijken (I.J.F.A. van Vijfeijken, Fictieve erfrechtelijke verkrijgingen in de Successiewet 1956, Deventer: Kluwer 2002, p. 139) over de aftrek van het bedongene onder meer het volgende:
‘Is in het verleden een koopsom schuldig gebleven, dan komt deze koopsom in mindering op de fictieve verkrijging. Hieraan doet niet af dat die koopsom later (gedeeltelijk) is kwijtgescholden. Hij blijft immers bedongen ten tijde van de rechtshandeling. Dit is slechts anders als in verband met de verkoop van de blote eigendom (een gedeelte van) de koopsom wordt kwijtgescholden. Zie HR 13 juli 2001, BNB 2001/324. In dat geval heeft moeder een appartementsrecht overgedragen aan haar beide kinderen voor f 121 800. Vervolgens heeft zij f 66 622 kwijtgescholden. De Hoge Raad overwoog:
‘De hiervoor (…) weergegeven feiten laten, gelet op de kennelijke samenhang tussen de (…) rechtshandelingen, geen andere gevolgtrekking tot dan dat de erflaatster ter zake van het recht op levering van het appartementsrecht slechts een tegenprestatie heeft bedongen van f 55 178, zijnde het bedrag van de in een leenschuld omgezette last van f 121 800 verminderd met het bij dezelfde akte kwijtgescholden deel van die leenschuld ten bedrage van f 66 622. Slechts het vermelde bedrag van f 55 178 kan worden aangemerkt als door de overledene bij de rechtshandeling bedongen tegenprestatie als bedoeld in artikel 10, lid 3, van de Successiewet (…) zodat de inspecteur bij de regeling van het recht van successie terecht slechts dat bedrag heeft afgetrokken van de aangegeven waarde van het appartementsrecht.’’
De ‘kennelijke samenhang’ tussen de overeengekomen koopsom, de omzetting in een geldlening en de kwijtschelding van een gedeelte daarvan in één notariële akte maakt dat de bedongen tegenprestatie in het onderhavige geval beperkt blijft tot € 181.975,00.
In haar noot onder het hiervoor genoemde arrest van 13 juli 2001 schrijft Van Vijfeijken onder meer het volgende (zie voor dezelfde slotsom in nagenoeg identieke bewoordingen, I.J.F.A. van Vijfeijken, Fictieve erfrechtelijke verkrijgingen in de Successiewet 1956, Deventer: Kluwer 2002, p. 140):
‘De wettekst laat in aftrek toe ‘wat bij de rechtshandeling door de overledene werd bedongen’. Als van de aanvang af vaststaat (cursivering, ondergetekende) dat de koopsom wordt kwijtgescholden, kan men niet spreken van een bedongen koopsom, zie in deze zin ook Hof Amsterdam 3 juni 1991, nr. 4615/90, BNB 1992/326. Maar stel nu dat het voornemen bestaat jaarlijks kwijt te schelden tot het schenkingsrechtvrije bedrag en dat moeder overlijdt vóór de gehele koopsom is kwijtgescholden. Naar mijn mening moet het resultaat bij overlijden de doorslag geven. Is alles kwijtgescholden, dan komt niets in aftrek. Is een gedeelte kwijtgescholden, dan komt de nog openstaande schuld in aftrek. Dit is binnen de strekking van art. 10 Successiewet 1956 een redelijk resultaat als wordt bedacht dat de kwijtscheldingen evengoed ‘papieren’ schenkingen zijn. De erflater getroost zich geen voelbaar offer. De wettekst had beter kunnen spreken van ‘hetgeen door de verkrijger is opgeofferd ter zake van zijn verkrijging’.’
Feit is evenwel dat de wettekst is, zoals deze luidt, en daarin wordt ter zake van een feitencomplex als het onderhavige niet gesproken over opofferen, maar over bedingen. Het eerste wordt ex post beoordeeld, het tweede in beginsel ex ante. Opofferen is in de sfeer van artikel 10 Successiewet 1956 niet hetzelfde als bedingen.
Bij besluit van 9 januari 2004 (nr. CPP2003/1934M) gaat de Staatssecretaris van Financiën in op de vraag of een, niet in de koopovereenkomst overeengekomen kwijtschelding, de aftrek van artikel 10 lid 3 Successiewet 1956 (thans artikel 7 lid 1 Successiewet 1956) kan verminderen.
Zijn antwoord luidt als volgt:
‘Ja, de kwijtschelding kan de aftrek verminderen. Het kwijtgescholden bedrag is uiteraard civielrechtelijk wel bedongen. Maar voor de toepassing van artikel 10, derde lid, SW geldt daarmee niet dat het hele bedrag van de koopsom als bedongen tegenprestatie wordt beschouwd. Gelet op de jurisprudentie wordt het begrip ‘bedongen’ in economische zin beschouwd. Ik verwijs hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad, van 13 juli 2001, nr. 36 060, (BNB 2001/324). De Hoge Raad overwoog dat het uitgangspunt is het bedrag dat zou zijn bedongen indien bepaalde rechtshandelingen niet hadden plaatsgevonden. Het betrof direct na de verkoop kwijtgescholden bedragen van de bedongen koopsom. Hieruit leid ik af dat bij het begrip ‘bedongen’ een economische benadering hoort. Van bedongen is in economische zin geen sprake indien direct het stellige voornemen bestaat om de vordering in gedeelten kwijt te schelden.
In het arrest oordeelde de Hoge Raad over een kwijtschelding direct na de verkoop. Voor een latere kwijtschelding geldt uiteraard dezelfde economische benadering voor het begrip ‘bedongen’.
De aftrek wordt bepaald door de waarde van wat de erflater bij de desbetreffende rechtshandeling van de verkrijger heeft bedongen. Hiermee ligt het initiatief bij de erflater. Als de erflater heeft kwijtgescholden, kan worden aangenomen dat hij dit voornemen had op het moment van de overdracht. Dan is er geen sprake van ‘bedongen’, ook niet als de schuldenaar geen kennis droeg van de voorgenomen kwijtscheldingen. In dergelijke gevallen geldt dat de daadwerkelijke opoffering door de verkrijger in aftrek kan komen.’
Kennelijk verwart de Staatssecretaris in dit besluit, dat ziet op de wettekst van artikel 10 Successiewet 1956 vóór 1 januari 2010, bedingen met opofferen. Het commentaar van de redactie van Vakstudie-Nieuws (V-N 2004/7.23) spreekt voor zich:
‘In HR 13 juli 2001, BNB 2001/324 (V-N 2001/40.18) waarnaar in het antwoord van de staatssecretaris wordt verwezen, was sprake van ‘kennelijke samenhang’ van rechtshandelingen. In dit arrest werd tegelijkertijd met het opstellen van de akte van het recht op levering van het appartementsrecht een tegenprestatie bedongen waarbij in dezelfde akte een bedrag werd kwijtgescholden. Alleen met het bedrag dat van de tegenprestatie resteerde na de kwijtschelding kon volgens de Hoge Raad rekening worden gehouden. In het hiervoor gegeven antwoord gaat de staatssecretaris niet na of er sprake is van samenhangende rechtshandelingen, maar wordt uitgegaan van een economische benadering van het begrip ‘bedongen’. Daaraan wordt, zo blijkt uit het antwoord, de volgende invulling gegeven. Er is geen sprake van ‘bedongen’ indien direct het stellige voornemen bestaat de vordering in gedeelten kwijt te schelden. Voor latere kwijtscheldingen, dat wil zeggen die niet direct na de verkoop plaatsvinden, geldt hetzelfde. Dit gaat zo ver dat als de erflater heeft kwijtgescholden, kan worden aangenomen dat hij dit voornemen had op het moment van de overdracht. Er is dan geen sprake van ‘bedongen’, ook niet als de schuldenaar geen kennis droeg van de voorgenomen kwijtscheldingen.’
en:
‘Het antwoord lijkt verder te impliceren dat ten tijde van het overlijden van de erflater moet worden nagegaan hoeveel door de verkrijger van de blooteigendom daadwerkelijk is betaald. Is ten tijde van de overeenkomst een tegenprestatie ‘bedongen’ dan zal voor iedere kwijtschelding van de schuld die is ontstaan in verband met de aankoop van de blooteigendom, worden aangenomen dat de erflater het voornemen hiertoe had ten tijde van de overeenkomst. Naar onze mening volgt dit standpunt van de staatssecretaris niet uit het arrest BNB 2001/324. Bij de economische benadering die de staatssecretaris voorstaat lijkt de weg geopend naar ruime mogelijkheden voor de Belastingdienst om het begrip ‘bedongen’ beperkt uit te leggen. Een dergelijk standpunt komt ons vreemd voor. Wanneer dit standpunt wordt gevolgd, ontstaat naar onze mening een zeer onduidelijke situatie. Immers wanneer een blooteigenaar de koopsom schuldig blijft en af en toe van de (toekomstige) erflater een schenking in contanten krijgt waarmee hij de koopsom afbetaalt, kan de blooteigenaar de bij verkoop schuldiggebleven koopsom in aftrek brengen. Kiest daarentegen de (toekomstige) erflater ervoor om af en toe (een deel van) de koopsom kwijt te schelden, dan mag de blooteigenaar slechts het restant van de schuldiggebleven koopsom in aftrek brengen.’
De redactie van Vakstudie-Nieuws wijst de ‘economische ex post-benadering’ terecht af. Opofferen moet van bedingen worden onderscheiden, zo ook Stubbé, die over het besluit van 9 januari 2004 het volgende schrijft (J.P.M. Stubbé, Fiscale Berichten voor het Notariaat 2004, nr. 23):
‘De fictie van artikel 10 SW kent een aftrek op de fictieve verkrijging voor hetgeen door de erflater bij de rechtshandeling is bedongen. Er is verkocht onder voorbehoud van een vruchtgebruik, de koopsom is schuldig gebleven. Bij de overdracht heeft de verkoper het advies gekregen de schuldig gebleven koopsom in termijnen kwijt te schelden. Deze kwijtschelding gebeurt ook feitelijk middels in vijf jaren gedeeltelijke kwijtscheldingen. Let op, het betreft geen schenking ineens bij de verkoop met een uitvoering in termijnen, maar in vijf jaren wordt jaarlijks het besluit genomen een deel van de schuld kwijt te schelden. Civielrechtelijk staat vast dat er een schuld tot betaling van de koopsom bestaat, de erflater heeft daadwerkelijk bij de rechtshandeling bedongen.
De Hoge Raad heeft geleerd (arrest van 13 juli 2001, V-N 2001/40.18) dat als er een rechtstreeks verband bestaat tussen het bedingen van een tegenprestatie en een schenking in zoverre voor de toepassing van artikel 10, lid 3 SW niet is bedongen.
Ik vind het onbegrijpelijk hoe de belastingdienst uit dit arrest afleidt dat als jaarlijks wordt besloten een deel van de koopsom kwijt te schelden bedoeld verband moet worden aangenomen, waardoor de totale kwijtschelding in de vijf jaren na de rechtshandeling in mindering moet worden gebracht op de aftrek van hetgeen is bedongen bij de rechtshandeling. Hier doet de belastingdienst naar mijn mening aan ‘wishful thinking’. Ik kan mij niet voorstellen dat een rechter het standpunt van de belastingdienst volgt!
Op grond van een oude resolutie (3 december 1956, PW 16544) kan precies het tegenovergestelde worden betoogd: een bedongen tegenprestatie die later wordt kwijtgescholden, kan in mindering worden gebracht op de fictieve verkrijging. Ik heb nergens gelezen dat deze resolutie is ingetrokken en daar houd ik mij maar aan vast!’
Het beroep op de resolutie van 3 december 1956, PW 16544, wordt door het Gerechtshof in de onderhavige casus verworpen op dezelfde gronden als in eerdere instantie door de rechtbank is gedaan (onderdeel 5.6. van de Hofuitspraak onder verwijzing naar onderdeel 4.5. van de uitspraak van de rechtbank), te weten op de grond dat uit deze resolutie niet kan worden afgeleid dat de bedragen waarvoor na de verkoop in casu kwijtschelding heeft plaatsgevonden wel voor aftrek in aanmerking komen, nu het volgens het Gerechtshof niet om vergelijkbare zaken gaat. In de zaak van de resolutie stond bij de overdracht van de onroerende zaak immers nog niet vast dat het restant van de (renteloos schuldiggebleven) koopsom (na de kwijtschelding van f 2.000 gelijk bij de verkoop in 1951) in jaarlijkse deelbedragen zou worden kwijtgescholden en was betaling van het restant van de koopsom ten tijde van de verkoop van de woning dus reëel bedongen. In de onderhavige casus zou dat anders liggen.
Anders dan het Gerechtshof (en de rechtbank) zijn wij van mening dat in de casus uit de resolutie van 3 december 1956, evenals in de onderhavige casus (zo blijkt uit de brief de dato 9 december 2002 van kandidaat-notaris [B] aan de belanghebbende), ten tijde van de verkoop/overdracht gezinspeeld werd op een eventuele kwijtschelding van (een gedeelte van) de koopsom in de toekomst. De koopovereenkomst in de resolutie is immers gesloten onder de bepaling dat het ‘gekochte zou worden overgedragen na het overlijden van A en B en na afbetaling van de koopsom of het restant daarvan’ (cursivering, ondergetekenden). Ook de overige overeenkomsten zijn treffend: zo wordt in beide casus de koopsom renteloos schuldiggebleven, vindt bij de verkoop/overdracht al een gedeeltelijke kwijtschelding plaats en vinden de overige kwijtscheldingen plaats in de kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar waarin de verkoop/overdracht is geschied. De hiervoor bedoelde, blote mededeling van de kandidaat-notaris in een brief aan belanghebbende dat hij heeft ‘begrepen’ dat er zal worden kwijtgescholden, daargelaten van wie hij dat heeft begrepen (wellicht niet van de schenker maar van de begiftigde), kan in het licht van het standpunt in de onderhavige resolutie niet dan wel in mindere mate als onderbouwing dienen voor het niet in aftrek toelaten van de kwijtscheldingen omdat in de casus van de resolutie sprake was van een overeenkomst tussen de erflaters en de verkrijger waarin werd gesproken over ‘de koopsom of het restant daarvan’. Dat daarbij niet op aflossing van de koopsom werd gedoeld (maar op kwijtschelding), vloeit uit het feitencomplex van de resolutie voort. Het zinspelen op een eventuele kwijtschelding in de toekomst dient vanzelfsprekend te worden onderscheiden van een daadwerkelijke kwijtschelding.
Met betrekking tot het tweede cassatiemiddel:
In de onderhavige casus is de woning onder voorbehoud van een huurrecht door erflaatster aan belanghebbende overgedragen. De huurovereenkomst is getekend op 24 december 2002. De maandelijkse huur bedroeg € 650, waarbij over de niet-betaalde huur een rente van 4% samengesteld verschuldigd werd tot het moment van de voldoening. Ten tijde van erflaatsters overlijden bedroeg de schuld aan belanghebbende in verband met de huurovereenkomst € 71.400, voor € 54.600 bestaande uit niet-betaalde huur en voor € 16.800 bestaande uit rente over de huurschuld. Over de realiteit en de omvang van de huurschuld bestaat eenstemmigheid tussen partijen. Volgens de inspecteur valt deze schuld onder de werking van artikel 10 Successiewet 1956, en wordt deze als fictief legaat verkregen door de schuldeiser, de belanghebbende. Daartoe wordt in onderdeel 5.9 door het Gerechtshof overwogen dat de aan belanghebbende verschuldigde huur ‘een gevolg van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 10 SW’ is. In dat zelfde kader wordt verder overwogen dat de met de huur overeenkomende geldbedragen het vermogen van de erflaatster nimmer hebben verlaten terwijl zij van die schuldig gebleven bedragen de vruchten kon blijven plukken in de vorm van rente.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van de Successiewet 1956 is over de strekking van artikel 10 het volgende gezegd (MvT, Kamerstukken II 1948, 915, p. 28, 29):
‘De bepaling heeft betrekking op rechtshandelingen, welke tot resultaat hebben de omzetting van aan de erflater voor het geheel of voor een onverdeeld aandeel behorende vermogensbestanddelen in genotsrechten welke bij zijn dood eindigen (…). Bedoelde transacties toch, die tot resultaat hebben een verkleining van het vermogen, waarover bij erflaters overlijden successierecht geheven kan worden, kunnen te gemakkelijk worden aangegaan, omdat de erflater zich bij zijn leven geen voelbare offers behoeft te getroosten, aangezien hij immers praktisch in het genot blijft van een equivalent van de uit het afgestane vermogen verkregen inkomsten.’
Op grond van artikel 10 Successiewet 1956 wordt in de onderhavige casus de woning van erflaatster door de belanghebbende reeds ten volle als fictief legaat verkregen, en dientengevolge onderworpen aan de heffing van erfbelasting. In onderdeel 5.9 van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt de ten aanzien van deze woning gesloten huurovereenkomst ‘als gevolg van (cursivering, ondergetekende) een rechtshandeling als bedoeld in artikel 10 SW’ kennelijk in dezelfde fictie betrokken, naar onze mening ten onrechte. De koop/overdracht en de huurovereenkomst dienen afzonderlijk van elkaar te worden beoordeeld voor successierechtelijke heffingsvraagstukken. Van een ‘samenstel van rechtshandelingen’ zoals per 1 januari 2010 in artikel 10 lid 1 Successiewet 1956 is opgenomen, is geen sprake nu met deze toevoeging door de wetgever enkel is beoogd om het zogenoemde superturbotestament onder de werkingssfeer van dit artikel te brengen (I.J.F.A. van Vijfeijken, Cursus Belastingrecht, Schenk- en Erfbelasting, 5.5.0.C.c, Deventer. Kluwer 2013).
Artikel 10 Successiewet 1956 staat aan een veronderstelde uitholling van erflaatsters nalatenschap door verkoop/overdracht van haar woning in de weg indien het genot van het uit erflaatsters nalatenschap verdwenen activum door haar geheel of gedeeltelijk is behouden doordat voor dat genot op het moment van overlijden niet daadwerkelijk een zakelijke tegenprestatie blijkt te zijn betaald. Om die reden is de woning dan ook —terecht— als fictieve verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster aangemerkt (zij het onder toepassing van begunstigend overgangsbeleid).
Aan het niet-betalen van de huurpenningen kan bezwaarlijk dit uithollingsmotief worden verbonden. Dit geldt temeer als men bedenkt dat de niet-betaalde maar wel bedongen tegenprestatie voor de woning in beginsel voor het niet direct kwijtgescholden deel ervan ten behoeve van en binnen erflaatsters vermogen rendeert.
Dat dit rendement feitelijk niet is genoten nu de vordering van erflaatster op belanghebbende renteloos was, en binnen de vóór 1 januari 2010 geldende wettelijke systematiek ook mocht zijn omdat deze vordering daadwerkelijk onmiddellijk opeisbaar was (de inspecteur bestrijdt dit ook niet), is dan ook een door belanghebbende genoten voordeel dat niet via artikel 10 Successiewet 1956 kan worden teruggenomen. Kortom, het niet-betalen van een op basis van een tweezijdige, zakelijke rechtshandeling verschuldigde geldsom leidt, tenzij sprake is van omzetting van ‘vol vermogen in genotsrechten’, niet tot verarming en niet tot uitholling van iemands vermogen.
Het tegenovergestelde doet zich echter wel voor, door het (op grond van artikel 10 Successiewet 1956) niet in aftrek toelaten van de meerbedoelde huurschuld stijgt de omvang van de nalatenschap, zo blijkt uit het volgende cijfervoorbeeld.
Veronderstellingen:
- •
Marktrente is 6% (conform art. 21 lid 13 Successiewet 1956 juncto art. 5 lid 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956).
- •
Huurpercentage is eveneens 6% van de waarde van de woning
Casus:
Moeder heeft alleen een huis, waard € 270.000.
Moeder gaat over stel 1 jaar dood.
Deze periode is puur fictief en daarom simpel op 1 jaar gezet.
Moeder heeft € 30.000 per jaar nodig voor boodschappen maar heeft dat niet.
Zij en haar zoon bespreken twee scenario's.
Scenario 1.
Moeder doet niets en leent (renteloos) van zoon geld voor boodschappen.
Over 1 jaar laat zij voor de heffing van erfbelasting na een huis van € 270.000 minus € 30.000 boodschappenschulden =€ 240.000 aan met erfbelasting te belasten nalatenschap.
Scenario 2.
Scenario 1 vindt Moeder niet leuk.
Moeder verkoopt daarom haar huis waard € 270.000 voor € 270.000 aan zoon.
Zoon kan de koopsom direct betalen omdat hij vermogend is, maar moeder en zoon spreken af dat zoon de koopsom slechts betaalt indien en voor zover moeder geld voor de boodschappen nodig heeft.
Moeder en zoon spreken af dat over de schuldig gebleven koopsom geen rente verschuldigd zal zijn
Opm.: Dat deze renteloosheid in casu geen schenking in zich bergt, daarover zijn de inspecteur en belanghebbende het eens, nu de gevolgen hiervan zich afspelen voor de invoering van art. 15 SW per 1 januari 2010.
Moeder behoudt zich wel een huurrecht voor tegen een zakelijke huur van € 16.200 per jaar.
Moeder moet dus huur betalen, maar betaalt dat niet.
Over 1 jaar laat zij na € 270.000 vordering op de zoon minus € 30.000 verbruikt boodschappengeld minus € 16.200 huurschuld = € 223.800.
Er is geen enkele aanleiding om artikel 10 toe te passen, want de nalatenschap is niet met kunstgrepen verkleind. De verlaging van de erfrechtelijke verkrijging van € 240.000 naar € 223.800 = € 16.200 is veroorzaakt door de renteloosheid van de vordering van Moeder op zoon, zijnde 6% normale rente over de vordering van moeder op zoon, welke rente zij —voor 2010 een toegelaten besparingsroute— niet heeft genoten maar aan haar zoon heeft doen toekomen.
Nu komt de inspecteur:
Moeder heeft de huur niet betaald.
Daarom laat zij voor de heffing van erfbelasting na € 223.800 + € 16.200 = € 240.000.
Maar dat is de omvang die de nalatenschap zou hebben gehad als Moeder wel 6% rente over de vordering op haar zoon zou hebben gevraagd, en de opbrengst daarvan zou hebben aangewend voor betaling van de huur.
En ze heeft juist geen rente gevraagd, noch hoeven vragen (pre 2010).
Conclusie:
Artikel 10 is er om te voorkomen dat de nalatenschap gekunsteld wordt verkleind. Dat is hier niet gebeurd.
Art. 10 in casu toepassen op de huurschuld zou via een omweg het bij de zoon —vrij van schenkbelasting— neergeslagen voordeel van de renteloosheid van de onmiddellijk opeisbare vordering met terugwerkende kracht alsnog treffen met erfbelasting.
De conclusie uit het vorenstaande cijfervoorbeeld is dat verbintenissen die voortvloeien uit meerzijdige, zakelijke rechtshandelingen, zoals bijvoorbeeld koop en huur, die ten tijde van het overlijden van de debiteur in deze rechtsverhouding nog niet aan de crediteur daarvan zijn betaald, niet tot een fictief legaat in de zin van artikel 10 Successiewet 1956 behoren te leiden. Ook niet indien de crediteuren tot de ‘besmette verkrijgers’ van artikel 10 lid 4 Successiewet 1956 behoren. Wil het goed (in casu het geld) waarop de verbintenis ziet, tot een belastbare verkrijging voor de erfbelasting kunnen leiden, dan is daarvoor een daarop toegespitste fictie nodig. In dezen kan worden gewezen op de in verbintenisrechtelijk opzicht met onderhavige rechtsverhouding vergelijkbare ‘koop met uitgestelde levering’, waarop artikel 10 Successiewet 1956 niet van toepassing bleek (HR 6 juni 2008, BNB 2008/203), en de per 1 januari 2010 in artikel 11 lid 2 tweede volzin Successiewet 1956 opgenomen bepaling tot een belastbare, fictieve verkrijging diende te leiden.
Voor het geval uw Raad de huurschuld van € 71.400 als een fictieve verkrijging in de zin van artikel 10 Successiewet 1956 aanmerkt, en derhalve niet in mindering toelaat op de nalatenschap van erflaatster, dient ons inziens voor de bepaling van de heffingsgrondslag op de waarde van deze fictieve verkrijging in mindering te worden gebracht (de waarde van) hetgeen door de erflater ten laste van de verkrijger werd bedongen (artikel 7 lid 1 Successiewet 1956). Blijkens de huurovereenkomst van 24 december 2002 was de erflaatster als huurder per maand een bedrag van € 650 verschuldigd aan belanghebbende, de verhuurder.
Zoals hiervoor opgemerkt, bestaat over de omvang en de realiteit van de huurschuld eenstemmigheid bij de inspecteur en de belanghebbende. Dit impliceert dat ter verkrijging van de huurpenningen door erflaatster ten laste van de verkrijger een tegenprestatie werd bedongen, bestaande uit het voortdurend verschaffen van woongenot door belanghebbende aan diens moeder. Deze tegenprestatie bedroeg, uitgaande van een evenwicht tussen de prestaties van verhuurder en huurder in de huurovereenkomst, derhalve (gekwantificeerd) € 650 per maand, te vermeerderen met de enkelvoudige rente van artikel 7 lid 3 Successiewet 1956.
De waarde van deze tegenprestatie komt in mindering op de fictief krachtens erfrecht verkregen huurschuld, zodat de heffingsgrondslag per saldo op nihil uitkomt. Alhoewel, zoals door het Gerechtshof Amsterdam in onderdeel 5.9 van het arrest in de onderhavige casus terecht is beslist, het voor de verkrijging van een fictief legaat in de zin van artikel 10 Successiewet 1956 niet is vereist dat vrijgevigheid ten grondslag ligt aan de oorzaak van de verkrijging, openbaart zich ten aanzien van de vermindering met de bedongen tegenprestatie, zoals hiervoor uiteengezet, een kardinaal verschil tussen de onderhavige huurovereenkomst en een schuldigerkenning uit vrijgevigheid van een bij overlijden opeisbare vordering (een zogenoemde papieren schenking). Bij de onderhavige huurovereenkomst bestaat de ten laste van de (fictieve erfrechtelijke) verkrijger bedongen tegenprestatie immers uit het verschaffen van woongenot, terwijl een dergelijke tegenprestatie bij een begiftigde van een dergelijke papieren schenking afwezig is.
Wij verzoeken uw Raad de uitspraak van het Gerechtshof te vernietigen en conform artikel 29e lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen te beslissen dat:
- 1.
aftrek van het bedrag van € 181.975,00 op de waarde van de woning op grond van artikel 7 lid 1 Successiewet 1956 mogelijk is, omdat de ten tijde van de transactie bedongen tegenprestatie in mindering strekt van hetgeen op grond van artikel 10 Successiewet 1956 door belanghebbende is verkregen, zonder de nadien kwijtgescholden gedeelten van de schuldiggebleven koopsom daarop in mindering te brengen;
- 2.
de schuld van de erflaatster aan de belanghebbende wegens niet-betaalde huur en rente, in totaal ten bedrage van € 71.400,00 in mindering op haar nalatenschap wordt toegelaten, dan wel, indien dit bedrag toch als fictieve erfrechtelijke verkrijging zou moeten worden aangemerkt, te beslissen dat de waarde van deze fictieve erfrechtelijke verkrijging wordt verminderd met de waarde van het door erflaatster ten laste van de verkrijger als tegenprestatie bedongen woongenot, vermeerderd met een enkelvoudige rente als bedoeld in artikel 7 lid 3 Successiewet 1956;
en de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de kosten voor de fase van bezwaar en beroep in twee instanties.
[X] wil graag in de gelegenheid te worden gesteld de zaak schriftelijk toe te lichten.