Einde inhoudsopgave
Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van richtlijn (EU) 2019/1937 en verordening (EU) 2023/2859
Artikel 2 Toepassingsgebied
Geldend
Geldend vanaf 18-03-2026
- Bronpublicatie:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Inwerkingtreding
18-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
1.
Deze richtlijn is van toepassing op ondernemingen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
- a)
de onderneming had gemiddeld meer dan 5 000 werknemers en had een netto-omzet wereldwijd van meer dan 1 500 000 000 EUR in het laatste boekjaar waarvoor een jaarrekening is goedgekeurd of had moeten worden goedgekeurd;
- b)
de onderneming heeft de in punt a) bedoelde drempelwaarden niet bereikt, maar is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die de drempelwaarden heeft bereikt in het laatste boekjaar waarvoor een geconsolideerde jaarrekening is opgesteld of had moeten worden opgesteld;
- c)
de onderneming heeft in de Unie franchise- of licentieovereenkomsten gesloten in ruil voor royalty's met onafhankelijke derde ondernemingen of is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die dat heeft gedaan, indien die overeenkomsten zorgen voor een gemeenschappelijke identiteit, een gemeenschappelijk bedrijfsconcept en de toepassing van uniforme bedrijfsmethoden, en indien die royalty's meer dan 75 000 000 EUR bedroegen in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden opgesteld, en mits de onderneming in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden opgesteld, wereldwijd een netto-omzet van meer dan 275 000 000 EUR heeft behaald of de uiteindelijke moederonderneming is van een groep die dat heeft gedaan.
2.
Deze richtlijn is ook van toepassing op ondernemingen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
- a)
de onderneming heeft in het boekjaar voorafgaande aan het laatste boekjaar in de Unie een netto-omzet gegenereerd van meer dan 1 500 000 000 EUR;
- b)
de onderneming heeft de in punt a) bedoelde drempelwaarde niet bereikt, maar is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die op geconsolideerde basis die drempelwaarde heeft bereikt in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar;
- c)
de onderneming heeft in de Unie franchise- of licentieovereenkomsten gesloten in ruil voor royalty's met onafhankelijke derde ondernemingen of is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die dat heeft gedaan, indien die overeenkomsten zorgen voor een gemeenschappelijke identiteit, een gemeenschappelijk bedrijfsconcept en de toepassing van uniforme bedrijfsmethoden, en indien die royalty's in de Unie meer dan 75 000 000 EUR bedroegen in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar, en mits de onderneming in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar in de Unie een netto-omzet van meer dan 275 000 000 EUR heeft behaald of de uiteindelijke moederonderneming is van een groep die dat heeft behaald.
3.
Indien de uiteindelijke moederonderneming als hoofdactiviteit het houden van aandelen in operationele dochterondernemingen heeft en zich niet bezighoudt met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op één of meer van haar dochterondernemingen, kan zij worden vrijgesteld van de uitvoering van de verplichtingen van deze richtlijn. Die vrijstelling is afhankelijk van de voorwaarde dat een van de dochterondernemingen van de uiteindelijke moederonderneming die in de Unie is gevestigd, wordt aangewezen om namens de uiteindelijke moederonderneming te voldoen aan de uit de artikelen 6 tot en met 16 voortvloeiende verplichtingen, met inbegrip van de verplichtingen van de uiteindelijke moederonderneming met betrekking tot de activiteiten van haar dochterondernemingen. In dat geval krijgt de aangewezen dochteronderneming alle nodige middelen en juridische bevoegdheden om deze verplichtingen op doeltreffende wijze na te komen, met name om ervoor te zorgen dat de aangewezen dochteronderneming van de ondernemingen van de groep de relevante informatie en documenten verkrijgt om aan de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen van de uiteindelijke moederonderneming te voldoen.
De uiteindelijke moederonderneming vraagt de in de eerste alinea van dit lid bedoelde vrijstelling aan bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit, overeenkomstig artikel 24, om te beoordelen of aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde voorwaarden is voldaan. Indien aan de voorwaarden is voldaan, verleent de bevoegde toezichthoudende autoriteit de vrijstelling. In voorkomend geval stelt deze autoriteit de bevoegde toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de aangewezen dochteronderneming is gevestigd naar behoren in kennis van de aanvraag en van haar besluit.
De uiteindelijke moederonderneming blijft samen met de aangewezen dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk voor niet-nakoming door laatstgenoemde van haar verplichtingen overeenkomstig de eerste alinea van dit lid.
4.
Voor de toepassing van lid 1 wordt het aantal deeltijdwerknemers berekend op basis van voltijdequivalenten. Uitzendkrachten en andere werkenden met niet-standaard werkvormen, mits zij voldoen aan de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde criteria voor de status van werknemer, worden bij de berekening van het aantal werknemers op dezelfde wijze meegeteld als werknemers die gedurende dezelfde periode rechtstreeks bij de onderneming in dienst zijn.
5.
Indien een onderneming aan de voorwaarden van lid 1 of lid 2 voldoet, is deze richtlijn alleen van toepassing indien in twee opeenvolgende boekjaren aan die voorwaarden wordt voldaan. Deze richtlijn is niet langer van toepassing op een in lid 1 of 2 bedoelde onderneming indien in één van de laatste twee relevante boekjaren niet langer aan de voorwaarden van lid 1 of lid 2 wordt voldaan.
6.
Voor de in lid 1 bedoelde ondernemingen is de lidstaat waar de onderneming haar statutaire zetel heeft, bevoegd om de aangelegenheden te regelen die onder deze richtlijn vallen.
7.
Voor een in lid 2 bedoelde onderneming is de lidstaat waar die onderneming een bijkantoor heeft, bevoegd om de aangelegenheden te regelen die onder deze richtlijn vallen. Indien een onderneming in geen enkele lidstaat een bijkantoor heeft of bijkantoren in verschillende lidstaten heeft, is de lidstaat die bevoegd is om de onder deze richtlijn vallende aangelegenheden te regelen, de lidstaat waar die onderneming de hoogste netto-omzet in de Unie heeft gegenereerd in het boekjaar dat voorafgaat aan het laatste boekjaar.
8.
Deze richtlijn geldt niet voor abi's als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (1) of voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (2).
Voetnoten
Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).