Praktijkgids IPR, deel 9, Rechtspersonen.
Rb. Den Haag, 16-02-2022, nr. C/09/580846 / HA ZA 19-1030
ECLI:NL:RBDHA:2022:1602
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
16-02-2022
- Zaaknummer
C/09/580846 / HA ZA 19-1030
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2022:1602, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 16‑02‑2022; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2023:988, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RBDHA:2020:3193, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 08‑04‑2020; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2023:988
Uitspraak 16‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Vorderingen gebaseerd op doorbraak aanspraklijkheid via vereenzelviging naar Nederlands en naar Venezolaans recht afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/580846 / HA ZA 19-1030
Vonnis van 16 februari 2022
in de zaak van
OI EUROPEAN GROUP B.V. te Schiedam,
eiseres,
advocaat mr. T. Stouten te Rotterdam,
tegen
1. PETROLEOS DE VENEZUELA SAte Caracas, Venezuela,
2. BARIVEN SA te Caracas, Venezuela,
3. PROPERNYN B.V. te Den Haag,
4. PDVSA SERVICES B.V. te Den Haag,
5. (PETROLEOS DE VENEZUELA) PDV EUROPA B.V. te Den Haag,
gedaagden,
advocaat mr. L.M. Graal te Amsterdam.
Partijen zullen hierna OIEG, PDVSA, Bariven, Propernyn, PDVSA Services en PDV genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als PDVSA c.s.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis in het incident van 8 april 2020 en de daarin genoemde stukken,
- -
de conclusie van antwoord, met producties,
- -
het tussenvonnis van 21 oktober 2020 waarbij de zaak is verwezen naar de rol voor uitlaten voortprocederen,
- -
het tussenvonnis van 11 augustus 2021 waarbij een mondelinge behandeling voor een meervoudige kamer is bepaald,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 december 2021, en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. OIEG heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 27 december 2021. Deze e-mail maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze e-mail, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.
1.3.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
2.1.
PDVSA, een vennootschap opgericht naar het recht van Venezuela, is het staatsoliebedrijf van de Bolivariaanse Republiek Venezuela (hierna: Venezuela) en de moedermaatschappij van het concern waar de andere gedaagden, Bariven, Propernyn, PDVSA Services en PDV, onderdeel van zijn. Bariven is eveneens opgericht naar het recht van Venezuela. Propernyn, PDVSA Services en PDV zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland.
2.2.
PVDSA is enig aandeelhouder van Bariven en Propernyn. Bariven houdt alle aandelen in PDVSA Services. Propernyn houdt alle aandelen in PDV.
2.3.
Bariven richt zich op de inkoop van materialen, apparatuur en diensten die nodig zijn voor de gas- en oliewinning.
2.4.
PVDSA Services houdt zich bezig met handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten en fungeert als agent voor Bariven.
2.5.
Propernyn is een houdstermaatschappij voor investeringen en houdt zich bezig met beleggingen in vaste activa.
2.6.
PDV houdt zich bezig met de verkrijging van en het beheer van deelnemingen in andere vennootschappen.
2.7.
Alle aandelen in OIEG worden gehouden door de commanditaire vennootschap O-I Global Holdings C.V. Enig (beherend) vennoot van O-I Global Holdings C.V. is de Amerikaanse vennootschap Owens-Illinois, Inc. Owens-Illinois, Inc. is de moedermaatschappij van het concern dat de grootste producent ter wereld is van glazen verpakkingsmateriaal.
2.8.
OIEG is medeaandeelhouder geweest van twee Venezolaanse vennootschappen, Owens-Illinois de Venezuela en Fabrica de Vidros Ios Andes C.A. Deze Venezolaanse vennootschappen hadden twee fabrieken voor de productie en distributie van glas. In 2010 zijn deze glasfabrieken door Venezuela onteigend.
2.9.
Naar aanleiding van deze onteigening heeft OIEG tegen Venezuela een arbitrale procedure gevoerd bij het International Centre for Settlement of Investments Disputes (hierna: ICSID). In het arbitrale vonnis van 10 maart 2015 is Venezuela veroordeeld tot betaling aan OIEG van USD 372.461.982 aan schadevergoeding en USD 5.750.000 aan proceskosten, beide bedragen te vermeerderen met rente.
2.10.
Op 23 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis.
2.11.
In een zogenoemd ‘Form 8-K’ van Owens-Illinois Inc. van 31 juli 2017 (een openbare mededeling van een aan de Amerikaanse beurs genoteerde vennootschap waarin zij onder andere mededeling doet van materiële gebeurtenissen betreffende de door haar gedreven ondernemingen), staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“On April 4, 2016, the annulment committee formed by the World Bank’s International Centre for Settlement of Investment Disputes (“ICSID”) ruled that OI European Group B.V. (“OIEG”), a subsidiary of the Company, is free to pursue the enforcement of a prior arbitration award (the “Award”) against Venezuela. As of June 30, 2017, that Award amounts to more than $ 500 million, including reimbursement of expenses and accrued interest. Venezuela’s application to annul the Award is still pending before an ad hoc committee of the ICSID and a hearing with respect to such application is currently scheduled for September 26-27, 2017.
On July 31, 2017, OIEG sold its right, title and interest in amounts due under the Award to an Ireland-domiciled investment fund [Mare Finance Investment Holdings Designated Activity Company, toevoeging Rechtbank]. Under the terms of the sale, OIEG received a payment, in cash, at closing equal to $ 1l5 million (the “Cash Payment”). OIEG may also receive additional payments in the future (“Deferred Amounts”) calculated based on the total compensation that is received from Venezuela as a result of collection efforts or as settlement of the Award with Venezuela. In the event that the Award is partially or completely annulled by the ICSID ad hoc annulment committee, OIEG may be required to
repay to the purchaser up to the entire amount of the Cash Payment based on a formula tied to the amount of the Award (if any) that is annulled. In addition, OIEG’s right to receive any Deferred Amounts is subject to the limitations described below.
OIEG’s interest in any amounts received in the future from Venezuela in respect of the Award is limited to a percentage of such recovery after taking into account reimbursement of the Cash Payment to the purchaser and reimbursement of legal fees and expenses incurred by the Company and the purchaser. OIEG’s percentage of such recovery will also be reduced over time. Because the Award has yet to be satisfied, the annulment proceeding is pending, and the ability to successfully enforce the Award in countries that are party to the ICSID Convention is subject to significant challenges, the Company is unable to
reasonably predict the amount of recoveries from the Award, if any, to which OIEG may be entitled in the future. Any future amounts that OIEG may receive from the Award are highly speculative and the timing of any such future payments, if any, is highly uncertain. As such, there can be no assurance that OIEG will receive any future payments under the Award beyond the Cash Payment. Except as noted above in connection with the annulment proceeding that is pending before the ICSID ad hoc committee, the Cash Payment is not subject to any forfeiture or future adjustment.
[…]”
2.12.
Op 6 december 2018 heeft het ICSID een verzoek van Venezuela tot vernietiging van het arbitrale vonnis afgewezen en Venezuela veroordeeld tot aanvullende betalingen aan OIEG van USD 381.862,05 en USD 3.482.949, beide bedragen te vermeerderen met rente.
2.13.
Ondanks herhaalde aanmaningen van OIEG weigert Venezuela aan de veroordelingen te voldoen.
2.14.
Op 25 april 2019 heeft OIEG met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag conservatoir (derden)beslag gelegd op vermogensbestanddelen van PDVSA, Propernyn en PDV in Nederland.
2.15.
In een door OIEG en Mare Finance Investment Holdings Designated Activity Company (hierna: “Mare”) ondertekende verklaring van 1 december 2021, staat, voor zover hier van belang:
“[…] The Award was entered in favor of OIEG, and OIEG remains today the owner of and real party in interest and the only named beneficiary of the Award. Accordingly, OIEG has standing here and is the right party that initiated the proceedings.”
3. Het geschil
3.1.
OIEG vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis PDVSA en/of Bariven en/of Propernyn en/of PDVSA Services en/of PDV hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
I. USD 372.461.982, USD 5.750.000, USD 3.864.811 en € 22.912,59 (exclusief BTW), alle bedragen te vermeerderen met rente;
II. de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling.
3.2.
OIEG legt aan deze vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Venezuela blijft in gebreke om aan het arbitrale vonnis te voldoen. Venezuela frustreert doelbewust de executie van haar buitenlandse vermogensbestanddelen door deze op dusdanige wijze te structureren dat deze buiten bereik van haar schuldeisers blijven. OIEG ziet zich daarom genoodzaakt om zich te verhalen op de vermogensbestanddelen van PDVSA c.s. Gelet op de nauwe verwevenheid tussen Venezuela en PDVSA c.s., moeten laatstgenoemde vennootschappen voor het doel van deze executie vereenzelvigd worden met Venezuela en moeten deze vennootschappen ook onderling vereenzelvigd worden. Hiervoor bestaat grond naar zowel het Venezolaanse als het Nederlandse recht. Beide rechtsstelsels leiden ook tot hetzelfde resultaat, namelijk dat OIEG zowel Venezuela als PDVSA c.s. (hoofdelijk) kan aanspreken voor de onbetaald gebleven schadevergoeding uit hoofde van het arbitraal vonnis.
3.3.
PDVSA c.s. stelt dat OIEG niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen jegens PDVSA c.s., omdat zij deze blijkens het ‘Form 8-K’ heeft verkocht aan een derde en OIEG in deze procedure dus niet vorderingsgerechtigd is.
Verder voert zij als verweer aan dat de vorderingen van OIEG zijn verjaard.
Ook betoogt zij dat vereenzelviging geen zelfstandige rechtsgrondslag is voor aansprakelijkheid. Wanneer een beroep wordt gedaan op vereenzelviging voor aansprakelijkheidsdoeleinden, zoals OIEG doet, dient allereerst sprake te zijn van misbruik van identiteitsverschil, alvorens de (exclusieve) aansprakelijkheid van rechtssubjecten kan worden doorbroken en de aansprakelijkheid kan worden uitgebreid.
Nu OIEG geen grond heeft gesteld waarop PDVSA c.s. aansprakelijk kan worden gehouden voor de vorderingen van OIEG, concludeert PDVSA c.s. tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van OIEG in de (na)kosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van OIEG moeten worden afgewezen. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep van PDVSA c.s. op de niet-ontvankelijkheid van OIEG in deze procedure niet inhoudelijk beoordelen. Hoewel de rechtbank met PDVSA c.s. van oordeel is dat het ‘Form 8-K’ (zie 2.11) vragen oproept over de vorderingsgerechtigheid van OIEG, gaat de rechtbank veronderstellenderwijs ervan uit dat OIEG in haar vorderingen ontvankelijk is. Dit wordt mede ingegeven door de omstandigheid dat PDVSA c.s. pas vlak voor de comparitie van partijen een beroep op de niet-ontvankelijkheid heeft gedaan en door de door het investeringsfonds Mare ondertekende verklaring waarin staat dat OIEG ondanks bedoelde transactie vorderingsgerechtigd blijft ten aanzien van haar vordering op grond van het arbitraal vonnis (zie 2.15).
4.2.
De rechtbank motiveert haar oordeel dat de vorderingen van OIEG moeten worden afgewezen als volgt.
Toepasselijk recht
4.3.
Gelet op het internationale karakter van deze procedure, waarin ook twee Venezolaanse vennootschappen zijn gedagvaard, moet de rechtbank eerst beoordelen welk recht van toepassing is op de vorderingen van OIEG.
4.4.
De rechtbank meent dat de vorderingen van OIEG eerst nadere duiding behoeven. OIEG beoogt met haar vorderingen doorbraak van aansprakelijkheid te bewerkstelligen.
Zij vordert immers van PDVSA c.s. betaling van de schadevergoeding die Venezuela op grond van het arbitraal vonnis verplicht is aan OIEG te betalen. De rechtbank begrijpt de stellingen van OIEG dan ook aldus, dat OIEG van mening is dat tot doorbraak van aansprakelijkheid moet worden geconcludeerd omdat Venezuela en PDVSA c.s. vanwege hun nauwe verbondenheid vereenzelvigd kunnen worden. In de dagvaarding omschrijft OIEG vereenzelviging als een rechtsfiguur die de rechtspersoonlijkheid van een rechtspersoon doorbreekt.
4.5.
Vragen inzake de doorbraak van aansprakelijkheid worden beheerst door het incorporatierecht (lex societatis). Artikel 10:119 onder e van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dit uitdrukkelijk voor de vraag wie naast de corporatie voor de handelingen waardoor de corporatie wordt verbonden aansprakelijk is uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid. Verwezen wordt naar een oprichter, vennoot, aandeelhouder, lid, bestuurder, commissaris of andere functionaris.
4.6.
In dit geval is sprake van een vordering gebaseerd op een omgekeerde aansprakelijkheid. OIEG betoogt dat PDVSA c.s. aansprakelijk is voor de schulden van hun (indirecte) aandeelhoudster, Venezuela.
In de literatuur wordt verdedigd dat gevallen van zogenoemde omgekeerde aansprakelijkheid, namelijk van de corporatie voor schulden van een bestuurder, aandeelhouder, vennoot of andere functionaris jegens derden eveneens worden beheerst door het incorporatierecht. Zie Vlas 2017/3231..
4.7.
Een en ander is anders indien de doorbraak van aansprakelijkheid wordt gebaseerd op een wanprestatie of onrechtmatige daad. In dat geval wordt niet aangeknoopt bij het incorporatierecht maar bij het recht dat de overeenkomst of onrechtmatige daad beheerst.
4.8.
PDVSA c.s. meent dat doorbraak van aansprakelijkheid (door middel van vereenzelviging) slechts mogelijk is in het geval van misbruik van identiteitsverschil en dat dan steeds sprake is van een onrechtmatige daad. Indien de grondslag misbruik van identiteitsverschil tot uitgangspunt wordt genomen bij de vraag naar het toepasselijk recht, is de rechtbank met PDVSA c.s. van oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen en dat moet worden aangeknoopt bij Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (“de Rome II verordening”).
4.9.
Tijdens de comparitie van partijen heeft OIEG echter uitdrukkelijk gesteld dat zij haar vordering niet baseert op misbruik van identiteitsverschil, maar op vereenzelviging. Zij is van oordeel dat dit een zelfstandige rechtsfiguur is op basis waarvan doorbraak van aansprakelijkheid mogelijk is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering van OIEG wordt beheerst door het incorporatierecht.
Toepassing van het incorporatierecht in het onderhavige geval betekent dat de vraag of de Nederlandse vennootschappen (Propernyn, PDVSA Services en PDV) aansprakelijk zijn voor de schuld van Venezuela, moet worden beantwoord naar Nederlands recht. De vraag of de Venezolaanse vennootschappen (PDVSA en Bariven) aansprakelijk zijn voor de schuld van Venezuela, wordt dan beheerst door het Venezolaanse recht.
Directe doorbraak van aansprakelijkheid (via vereenzelviging) naar Nederlands recht
4.10.
Partijen twisten over de vraag onder welke omstandigheden doorbraak van aansprakelijkheid op grond van vereenzelviging naar Nederlands recht mogelijk is. OIEG voert in dat kader aan dat er geen algemene vuistregel bestaat om tot vereenzelviging te kunnen concluderen; de rechtspraak betreffende deze rechtsfiguur is sterk casuïstisch. De omstandigheden die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of in een specifiek geval twee entiteiten vereenzelvigd kunnen worden, kunnen op grond van de jurisprudentie volgens OIEG grofweg worden onderverdeeld in de volgende drie categorieën:
- -
i) vermogensvermenging (de mate waarin de ene entiteit het vermogen van de andere entiteit gebruikt of zich toe-eigent);
- -
ii) beslissende zeggenschap (de mate waarin de ene entiteit invloed kan uitoefenen op de andere entiteit); en
- -
iii) externe beeldvorming (de mate waarin entiteiten naar buiten toe optreden als één en dezelfde entiteit).
Misbruik van identiteit of anderszins onrechtmatig handelen zijn volgens OIEG niet vereist om tot vereenzelviging te kunnen concluderen. OIEG doet in dit geschil nadrukkelijk geen beroep op misbruik van het identiteitsverschil tussen PDVSA c.s. en Venezuela, zoals de rechtbank ook onder 4.9 heeft geconstateerd.
4.11.
De rechtbank vindt in de literatuur en jurisprudentie onvoldoende aanwijzingen dat met toepassing van de door OIEG gestelde criteria kan worden geconcludeerd dat Venezuela met Propernyn, PDVSA Services en PDV moet worden vereenzelvigd in die zin dat OIEG haar vordering op Venezuela kan verhalen op Propernyn, PDVSA Services en PDV.In het op het punt van vereenzelviging nog steeds als standaard geldende Rainbow arrest heeft de Hoge Raad ten aanzien van vereenzelviging het volgende overwogen (Hoge Raad 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480, Rainbow):
“[…] Het onderdeel stelt daarmee de vraag aan de orde of voor een zodanige vereenzelviging plaats is indien zich feiten en omstandigheden voordoen als die waarop het Hof zijn oordeel heeft gegrond.
Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.
De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551, NJ 1996, 213).”
4.12.
De lagere rechtspraak lijkt de door de Hoge Raad in het Rainbow arrest uitgezette koers te volgen, waarbij een beroep op vereenzelviging zelden slaagt. Zie Van het Concern2., waarin in paragraaf 8.5.2. een opsomming wordt gegeven van in de lagere rechtspraak gehanteerde criteria. Verwezen wordt onder meer naar de beslissende zeggenschap die een moeder/aandeelhouder krachtens aandelenbezit kan uitoefenen in één of meer verbonden vennootschappen als een belangrijke maar niet beslissende voorwaarde voor vereenzelviging. Medebepalend zijn voorts andere elementen zoals vermogensvermenging, opgewekte schijn van (mede)gebondenheid of bevoegdheid, toezeggingen, wets- of rechtsontduiking, de complexiteit van de concernstructuur en misbruik van vennootschapsrecht, respectievelijk het zich verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid.
Weliswaar wordt in de spaarzame lagere rechtspraak op dit punt niet altijd expliciet misbruik van identiteitsverschil als voorwaarde voor vereenzelviging gesteld (vergelijk het arrest van het hof Arnhem van 4 september 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX6589), maar wel kan worden geconcludeerd dat in ieder geval sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden die tot het oordeel leiden dat rechtspersonen moeten worden vereenzelvigd.
4.13.
OIEG heeft expliciet géén beroep gedaan op misbruik van het identiteitsverschil tussen Venezuela en Propernyn, PDVSA Services en PDV, waardoor ook zij onderschrijft dat in casu van misbruik geen sprake is. Ook overigens zijn de door haar gestelde omstandigheden niet zo uitzonderlijk dat deze een beroep op vereenzelviging kunnen dragen. Een voorbeeld waarbij (klein)dochtervennootschappen van een aandeelhouder worden veroordeeld tot het betalen van een schuld van hun (groot)moeder/aandeelhouder, omdat ze een (klein)dochter zijn waarop de (groot)moeder/aandeelhouder beslissende invloed uitoefent en de (groot)moeder/aandeelhouder de schuld niet wil betalen, heeft OIEG ook niet kunnen geven. Gelet op dit een en ander moeten OIEG’s vorderingen ten aanzien van de Nederlandse vennootschappen Propernyn, PDVSA Services en PDV worden afgewezen.
4.14.
Voor zover OIEG nog het verwijt maakt dat Venezuela doelbewust de executie van haar buitenlandse vermogensbestanddelen frustreert door deze op dusdanige wijze te structureren dat deze buiten bereik van haar schuldeisers blijven, overweegt de rechtbank dat Propernyn, PDVSA Services en PDV zijn opgericht om de winning en verkoop van olie mogelijk te maken en dat deze vennootschappen al bestonden voordat OIEG een vordering kreeg op Venezuela of zelfs vóórdat de glasfabrieken van Owens-Illinois de Venezuela en Fabrica de Vidros Ios Andes C.A. in Venezuela er waren. Van de door OIEG bedoelde verhaalsfrustratie is dan ook geen sprake.
4.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat OIEG’s vorderingen ten aanzien van de Nederlandse vennootschappen Propernyn, PDVSA Services en PDV ook daarom zullen worden afgewezen.
Doorbraak van aansprakelijkheid door middel van vereenzelviging naar Venezolaans recht
4.16.
Tussen partijen is verder in geschil of op grond van het Venezolaanse recht een grondslag bestaat voor doorbraak van aansprakelijkheid van Venezuela naar PDVSA en Bariven met betrekking tot de schadevergoedingsvordering van OIEG op Venezuela.
4.17.
Partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen ten aanzien van de vereisten voor doorbraak van aansprakelijkheid via vereenzelviging naar Venezolaans recht verschillende legal opinions overgelegd: OIEG een legal opinion van J.G. Torrealba gedateerd 18 november 2021 (hierna: de opinie van Torrealba ) en PDVSA c.s. twee legal opinions: een legal opnion van C.E. Mouriño Vaquero gedateerd 16 juli 2019 (hierna: de opinie van Mouriño ) en een legal opinion van O. Confortti gedateerd 27 april 2021 (hierna: de opinie van Confortti ).
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een Engelse vertaling van een uitspraak van de Constitutional Division van het Venezolaanse Supreme Tribunal of Justice (hierna: het Constitutioneel Hof) in de Transporte SAET zaak (hierna: Transporte SAET).3.Naar deze uitspraak wordt in de drie legal opinions verwezen.
De rechtbank acht zich met deze documenten en de overige producties voldoende voorgelicht om over de aansprakelijkheid naar Venezolaans recht een oordeel te kunnen geven.
4.18.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 201 van de Venezolaanse Commerciële Wet een rechtspersoon een eigen afgescheiden vermogen heeft en drager is van eigen rechten en plichten.4.Partijen zijn het erover eens dat het Venezolaanse recht enkele uitzonderingen kent op dit beginsel, waaronder doorbraak van aansprakelijkheid (‘piercing the corporate veil’) door vereenzelviging. Tussen partijen is onder meer in geschil of naar Venezolaans recht misbruik of fraude vereist is voor doorbraak van aansprakelijkheid via vereenzelviging. PDVSA c.s. stelt dat sprake moet zijn van misbruik of fraude voor doorbraak van aansprakelijkheid op basis van vereenzelviging. OIEG stelt dat dit geen vereiste is.
4.19.
OIEG’s stellingen dienaangaande zijn in feite enkel gebaseerd op het oordeel van het Constitutioneel Hof in Transporte SAET. De opinie van Torrealba , die schrijft dat misbruik of fraude geen vereiste is voor vereenzelviging, verwijst ook hoofdzakelijk naar Transporte SAET. Volgens OIEG volgt uit Transporte SAET dat enkel aan de volgende twee voorwaarden hoeft te zijn voldaan teneinde twee verschillende entiteiten met elkaar te kunnen vereenzelvigen:
- 1.
de te vereenzelvigen entiteit moet deel uitmaken van dezelfde ‘groep van entiteiten’ (de economic unit);
- 2.
er moet sprake zijn van niet-nakoming van een verplichting door één van de leden van de groep, vanwege diens insolventie of weigerachtige houding.
4.20.
Onder verwijzing naar § 28 en § 29 van de opinie van Mouriño stelt PDVSA c.s. dat een doorbraak van aansprakelijkheid via vereenzelviging – voor zover die al zou kunnen worden gedistilleerd uit de jurisprudentie op dit punt – moet voldoen aan een aantal vereisten, te weten (i) het bestaan van een groep van verschillende rechtspersonen waar de oorspronkelijke debiteur onderdeel van uitmaakt (de economic unit) en (ii) “the element of abuse of right to freedom of association or fraud.”
4.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit Transporte SAET lijkt te volgen dat doorbraak van aansprakelijkheid via vereenzelviging binnen een economic unit (onder omstandigheden) mogelijk is. De rechtsvraag die in Transporte SAET aan het Constitutioneel Hof voorlag, was echter niet of vereenzelviging op zichzelf genomen mogelijk is en onder welke voorwaarden, maar of een tot een economic unit behorende moedermaatschappij in rechte kan worden veroordeeld tot voldoening van een schuld van een dochtermaatschappij zónder dat de moedermaatschappij zelf in rechte was betrokken en aldus de kans heeft gehad verweer te voeren tegen die vordering.
4.22.
Hoewel naar het oordeel van de rechtbank uit de uitspraak van het Constitutioneel Hof in Transporte SAET voorts niet duidelijk en ondubbelzinnig volgt dat fraude en misbruik geen vereisten zijn voor een geslaagd beroep op doorbraak van aansprakelijkheid door middel van vereenzelviging, maakt de rechtbank uit de dissenting opinion bij Transporte SAET op dat het Constitutioneel Hof dat kennelijk wél zo bedoeld heeft. Het is namelijk juist op dit punt dat de dissenting judge afwijkt van het oordeel van zijn collega’s. Ook in de Venezolaanse rechtsliteratuur wordt algemeen aangenomen dat het Constitutioneel Hof in Transporte SAET heeft geoordeeld dat misbruik en fraude niet vereist zijn voor een geslaagd beroep op vereenzelviging. Dit volgt uit de legal opinion van Torrealba .5.In dezelfde literatuur wordt overigens veel kritiek geuit op Transporte SAET, vanwege het ook onder Venezolaanse recht bestaande uitgangspunt dat een rechtspersoon een eigen afgescheiden vermogen heeft en drager is van eigen rechten en plichten.
4.23.
Tranporte SAET wordt in de Venezolaanse lagere rechtspraak gevolgd. Dit volgt ook uit de overgelegde legal opinions, al wordt daar ook wel twijfel op dit punt geuit.
4.24.
Ook als ervan wordt uitgegaan (i) dat uit Transporte SAET volgt dat fraude en misbruik niet vereist zijn voor een geslaagd beroep op doorbraak van aansprakelijkheid via vereenzelviging en (ii) dat Transporte SAET een bindende uitspraak betreft, kan dat naar het oordeel van de rechtbank echter in deze zaak niet leiden tot een veroordeling van de Venezolaanse vennootschappen. De door OIEG voorgestane vereenzelviging is namelijk een hele andere dan die in Transporte SAET aan de orde was.
4.25.
In de eerste plaats wordt in Transporte SAET slechts gerefereerd aan vereenzelviging in concernverband. Het Constitutioneel Hof karakteriseert een economic group in de eerste plaats als “a group of companies”.6.Uit de door het hof geformuleerde “characteristics of the economic groups that allow qualifying them as such”7., volgt niet dat ook niet tot het concern behorende aandeelhouders tot een economic group kunnen worden gerekend.
4.26.
In de tweede plaats was in Transporte SAET geen sprake van zogenaamde ‘reverse piercing’ waarop in de onderhavige zaak een beroep wordt gedaan.
Ook in elk van de door Torrealba in zijn opinie aangehaalde uitspraken van lagere Venezolaanse rechters waarin Transporte SAET is gevolgd, was het de controlerende vennootschap van een groep van rechtspersonen die aansprakelijk werd gehouden voor een schuld van een tot die groep behorende rechtspersoon. Confortti schrijft dat het leerstuk van doorbraak van aansprakelijkheid enkel is bevestigd in de context van aansprakelijkheid van de moedervennootschap,8.in die zin dat de moedervennootschap, zijnde de controlerende vennootschap van de groep, aansprakelijk wordt voor een schuld van een dochtermaatschappij. In Transporte Saet wordt op dit punt overwogen dat “the identification of the controller is of vital importance since the natural or legal person that occupies this position will have a greater liability derived from the acts of the group and, simultaneously, binds those controlled as members thereof.”9.
Voor doorbraak van aansprakelijkheid de andere kant op – in die zin dat een dochtermaatschappij aansprakelijk wordt voor een schuld van een (groot)moedermaatschappij, zijnde de controlerende vennootschap (laat staan de uiteindelijke aandeelhouder) – is volgens Confortti geen enkel Venezolaans precedent. OIEG heeft desgevraagd ook geen voorbeelden kunnen noemen van uitspraken waarin een dergelijke ‘reverse piercing’ is toegepast door de Venezolaanse rechter.
4.27.
In de onderhavige casus gaat het tot slot om een vordering op Venezuela, die op geen enkele manier verband houdt met de economische groep waarvan PDVSA c.s. deel uitmaakt en die bovendien niet voortvloeit uit een economische activiteit van Venezuela maar die het gevolg is van overheidshandelen. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat PDVSA c.s. betrokken was bij de onteigening van de fabrieken van de dochtervennootschappen van OIEG door Venezuela. Dit terwijl in Transporte SAET wordt overwogen dat het eerste kenmerk van een economische groep is: “it must be a group of companies that operate in concert repeatedly”.10.Ook elders in de uitspraak wordt erop gewezen dat “the legal system has indicated solidary duties and obligations to the concerted activities amongst legal persons and for that it has recognized the groups.”11.
Daarnaar gevraagd heeft OIEG ook geen voorbeelden kunnen geven waaruit volgt dat naar Venezolaans recht aansprakelijkheid binnen een economische groep kan bestaan voor dergelijke, niet aan de groep gerelateerde vorderingen op de uiteindelijke aandeelhouder. Gelet op het uitgangspunt van artikel 201 van de Venezolaanse Commerciële Wet dat een rechtspersoon een eigen afgescheiden vermogen heeft en drager is van eigen rechten en plichten, is voor een dergelijke uitbreiding van aansprakelijkheid een grondslag nodig die niet volgt uit Transporte Saet en die ook overigens niet is gesteld.
Crystallex
4.28.
OIEG stelt verder nog dat de rechtbank vanwege het Crystallex vonnis mag veronderstellen dat Venezuela en PDVSA ook in Nederland kunnen worden vereenzelvigd, omdat de omstandigheden vrijwel identiek zijn. In de Crystallex-zaak probeerde Crystallex International Corp. een openstaande schuld op Venezuela te innen door verhaal te nemen op Amerikaanse vermogensbestanddelen van PDVSA. Het Delaware District Court erkende dat Venezuela en PDVSA weliswaar vanuit juridisch oogpunt twee zelfstandige entiteiten zijn, maar desondanks met elkaar kunnen worden vereenzelvigd, nu Venezuela op uitzonderlijke wijze is betrokken bij PDVSA en beide entiteiten bovendien zeer met elkaar zijn verweven, aldus OIEG.
4.29.
De rechtbank deelt OIEG’s standpunt niet, omdat de zaak Crystallex is beslist naar Amerikaans recht, terwijl onderhavig geschil moet worden beoordeeld naar Nederlands en Venezolaans recht, onder welke rechtsstelsels andere vereisten gelden om tot doorbraak van aansprakelijkheid te komen. In de Verenigde Staten vindt vereenzelviging van een staatsbedrijf met een staat plaats, in geval op basis van wetgeving op dit punt kan worden geconcludeerd dat het staatsbedrijf moet worden beschouwd als alter ego van de staat. Uit het hiervoor overwogene volgt dat zowel naar Nederlands als naar Venezolaans recht de alter ego-theorie geen rol speelt in het kader van vereenzelviging.
Conclusie
4.30.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van OIEG moeten worden afgewezen. Het (summierlijk gedane) beroep van PDVSA c.s. op verjaring behoeft dan ook geen bespreking meer.
Proceskosten
in het incident
4.31.
PDVSA c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in het incident in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van OIEG worden begroot op € 563 aan salaris voor haar advocaat (1 punt × tarief II).
in de hoofdzaak
4.32.
OIEG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de hoofdzaak in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PDVSA c.s. worden begroot op
- griffierecht € 4.030,00
- salaris advocaat € 7.998,00 (2 punten × tarief VIII à € 3.999)
Totaal € 12.028,00
4.33.
Voor afzonderlijke veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).
5. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
5.1.
veroordeelt PDVSA c.s. in de proceskosten, aan de zijde van OIEG tot op heden begroot op € 563;
5.2.
verklaart de kostenveroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
5.3.
wijst de vorderingen af;
5.4.
veroordeelt OIEG in de proceskosten, aan de zijde van PDVSA c.s. tot op heden begroot op € 12.028 en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening;
5.5.
verklaart de kostenveroordeling onder 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes, mr. A.M. Voorwinden en mr. I.C. Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑02‑2022
Paragraaf 8.5.2., Van het Concern, tiende druk, Bartman, Dorresteijn, Olaerts
Partijen hebben geen Engelse vertaling overgelegd van de uitspraak. De rechtbank maakt gebruik van de Engelse vertaling zoals aangehecht.
Zie § 8 van de opinie van Mouriño .
Zie § 2.4.6 en § 3.5 van de opinie van Torrealba .
Transporte SAET, p. 7 onderaan, onder 1.
Transporte SAET, p. 7, zesde alinea.
Zie § 179 van de opinie van Confortti .
Transporte SAET, p. 8, tweede alinea.
Transporte SAET, p. 7 onderaan onder 1.
Transporte SAET, p. 6, vierde alinea.
Uitspraak 08‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Bevoegdheidsincident in een zaak met twee gedaagden gevestigd in Venezuela en drie gedaagden gevestigd in Nederland. Is er sprake van misbruik van procesrecht? Kan de Nederlandse rechter ten aanzien van de Venezolaanse gedaagden internationale bevoegdheid ontlenen aan artikel 7 Rv?
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/580846 / HA ZA 19-1030
Vonnis in incident van 8 april 2020
in de zaak van
OI EUROPEAN GROUP B.V., te Schiedam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
PETROLEOS DE VENEZUELA S.A., te Caracas, Venezuela,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
BARIVEN S.A., te Caraas, Venezuela,
3. PROPERNYN B.V., te Den Haag,
4. PDVSA SERVICES B.V., te Den Haag,
5. (PETROLEOS DE VENEZUELA) PDV EUROPA B.V., te Den Haag,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. L.M. Graal te Amsterdam.
Partijen zullen hierna OIEG, PDVSA, Bariven, Propernyn, PDVSA Services en PDV genoemd worden. Met PDVSA c.s. worden hierna gedaagden/eiseressen in het incident gezamenlijk aangeduid.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de exploten van dagvaarding van 5 juni 2019;
- -
de akte overlegging producties van OIEG van 2 oktober 2019, met producties;
- -
de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van PDVSA c.s., met producties;
- -
de conclusie van antwoord in incident tot exceptie van onbevoegdheid, met producties.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten in het incident
2.1.
PVDSA is het staatsoliebedrijf van Venezuela en de moedermaatschappij van het concern waarvan Bariven, Propernyn, PDVSA Services en PDV onderdeel van zijn.
2.2.
PVDSA is enig aandeelhouder van Bariven en Propernyn. Bariven houdt alle aandelen in PDVSA Services. Propernyn houdt alle aandelen in PDV.
2.3.
Bariven richt zich op de inkoop van materialen, apparatuur en diensten die nodig zijn voor de gas- en oliewinning.
2.4.
PVDSA Services houdt zich bezig met handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten en fungeert als agent voor Bariven.
2.5.
Propernyn is een houdstermaatschappij voor investeringen en houdt zich bezig met beleggingen in vaste activa.
2.6.
PDV houdt zich bezig met verkrijging van en het beheer van deelnemingen in andere vennootschappen.
2.7.
Alle aandelen in OIEG worden gehouden door de commanditaire vennootschap O-I Global Holdings C.V. (hierna: Global Holdings). Enig (beherend) vennoot van Global Holding is de Amerikaanse vennootschap Owens-Illinois, Inc. (hierna: O-I).
O-I is moedermaatschappij van het concern dat de grootste producent is van glazen verpakkingsmateriaal ter wereld.
2.8.
OIEG is medeaandeelhouder geweest van twee Venezolaanse vennootschappen, Owens-Illinois de Venezuela en Fabrica de Vidros Ios Andes C.A. Deze Venezolaanse vennootschappen hadden twee fabrieken die bestemd waren voor de productie en distributie van glas. In 2010 zijn deze glasfabrieken door Venezuela onteigend.
2.9.
Naar aanleiding van deze onteigening heeft OIEG tegen Venezuela een arbitrale procedure gevoerd bij het International Centre for Settlement of Investments Disputes (hierna: ISCID). In het arbitrale vonnis van 10 maart 2015 is Venezuela veroordeeld tot betaling aan OIEG van ruim USD 372.461.982 aan schadevergoeding en USD 5.250.000 aan proceskosten, beide bedragen te vermeerderen met rente.
2.10.
Op 23 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis.
2.11.
Op 6 december 2018 heeft het ISCID een verzoek van Venezuela tot vernietiging van het arbitrale vonnis afgewezen en Venezuela veroordeeld tot aanvullende betalingen aan OIEG van USD 381.682,05 en USD 3.482.949, beide bedragen te vermeerderen met rente.
2.12.
Op 25 april 2019 heeft OIEG met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag conservatoir (derden)beslag gelegd op vermogensbestanddelen van PDVSA, Propernyn en PDV in Nederland.
3. De hoofdzaak
3.1.
OIEG vordert in de hoofdzaak, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad PDVSA en/of Bariven en/of Propernyn en/of Services BV en/of PDV hoofdelijk veroordeelt:
I tot betaling van USD 372.461.982, USD 5.750.000, USD 3.864.811 en € 22.912,59 (exclusief BTW), alle bedragen te vermeerderen rente;
II in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.2.
OIEG stelt hiertoe, samengevat, het volgende. Venezuela blijft in gebreke om aan het arbitrale vonnis te voldoen. OIEG kan haar vordering op Venezuela uitwinnen op vermogensbestanddelen van PVDSA c.s., nu deze vennootschappen voor het doel van deze executie vereenzelvigd moeten worden met Venezuela en deze vennootschappen ook onderling vereenzelvigd moeten worden. Hiervoor bestaat grond naar zowel het Venezolaanse als het Nederlandse recht. Beide rechtsstelsels leiden ook tot hetzelfde resultaat.
4. Het geschil in het incident
4.1.
PDVSA c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van OIEG. Zij stelt hiertoe, samengevat, het volgende.
4.2.
De vordering van OIEG op Propernyn, PVDSA en PDV is gefingeerd en levert daarmee misbruik van procesrecht op aangezien:
- PVDSA c.s. niet betrokken is (geweest) bij de rechtsverhouding tussen OIEG en Venezuela;
- OIEG geen poging heeft gedaan om zich te verhalen op actief van Venezuela;
- de vordering van OIEG inbreuk maakt op de paritas creditorum aangezien:
- OIEG probeert haar vordering op Venezuela te verhalen in oneigenlijke voorrang op schuldeisers van Venezuela;
- OIEG tracht haar vordering te verhalen op actief van PVDSA c.s., terwijl dit actief in de eerste plaats ten goede van de huidige schuldeisers van PVDSA c.s. dient te komen.
4.3.
Ten aanzien van PDVSA en Bariven kan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ontlenen aan artikel 7 Rv aangezien:
- geen sprake is van samenhang, nu de door OIEG gestelde grondslag voor haar vorderingen naar Venezolaans recht niet bestaat (i) en het feitencomplex met betrekking tot de Venezolaanse vennootschappen niet hetzelfde is als feitencomplex met betrekking tot de Nederlandse vennootschappen (ii);
- afzonderlijke behandeling van de vorderingen jegens de Venezolaanse vennootschappen geen onverenigbare uitspraken kan opleveren;
- voor de Venezolaanse vennootschappen niet voorzienbaar was dat zij voor een andere dan hun eigen (Venezolaanse) rechter konden worden opgeroepen.
4.4.
Ten aanzien van deze entiteiten maakt OIEG voorts misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) door zich te beroepen op artikel 767 Rv terwijl zij geen enkele poging heeft ondernomen het arbitrale vonnis te executeren in Venezuela of in Nederland.
4.5.
OIEG voert verweer.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in het incident
5.1.
OIEG grondt de internationale bevoegdheid van de rechtbank om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen op artikel 2 Rv1.(Propernyn, PDVSA Services en PDV) en artikel 7 of 767 Rv (PVDSA en Bariven). De rechtbank zal eerst haar internationale bevoegdheid in de hoofdzaak tegen Propernyn, PDVSA Services en PDV bezien en dan die in de hoofdzaak tegen PVDSA en Bariven.
Propernyn, PVDSA Services en PDV
5.2.
De rechtbank dient haar internationale bevoegdheid ten aanzien van deze gedaagden te beoordelen aan de hand van de Brussel I bis-Vo2.(hierna: Brussel I-bis-Vo) nu sprake is van een rechtsverhouding met internationale aspecten, de hoofdvordering is ingesteld na 10 januari 2015 en de zaak valt binnen het materieel toepassingsgebied van deze verordening.
5.3.
Ingevolge de in artikel 4 Brussel I bis-Vo neergelegde hoofdregel is de rechter van de lidstaat waar de gedaagden woonplaats hebben, in dit geval Nederland, bevoegd. Dit leidt tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
5.4.
Over het beroep van Propernyn, PVDSA Services en PDV op misbruik van procesrecht wordt het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat slechts bij hoge uitzondering sprake kan zijn van misbruik van procesrecht door het instellen van een vordering, met name indien een vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de eiser de (evidente) onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan de eiser op voorhand moesten begrijpen dat deze geen (enkele) kans van slagen hadden en dus volstrekt ondeugdelijk waren3..
5.5.
Voor zover Propernyn, PVDSA Services en PDV zich in dit verband ook op misbruik van bevoegdheid beogen te beroepen, geldt dat dit ook niet snel aan de orde is. Dit kan worden aangenomen indien een processuele bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend en met de vordering duidelijk geen legitiem doel wordt gediend. Het evident ongeoorloofd doel van het instellen van de vordering moet doorslaggevend zijn.
5.6.
Misbruik van bevoegdheid kan ook aan de orde zijn indien sprake is van onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, die meebrengt dat in redelijkheid niet tot de uitoefening van de bevoegdheid kan worden gekomen. Het moet hier gaan om een wanverhouding tussen de belangen.
5.7.
De stellingen van Propernyn, PVDSA Services en PDV nopen niet zonder meer tot de conclusie dat de vorderingen van OIEG als volstrekt ondeugdelijk of volstrekt kansloos in de hiervoor onder 5.5 bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. Of de door OIEG gestelde grondslag van haar vorderingen, kort gezegd, vereenzelviging van de Staat Venezuela met het PDVSA-concern en onderlinge vereenzelviging van de onderdelen van dit concern, toereikend is, dient in de hoofdzaak te worden beoordeeld.
5.8.
Evenmin leidt hetgeen Propernyn, PVDSA Services en PDV naar voren brengen over het ontbreken van pogingen om zich te verhalen op actief van Venezuela en de gestelde inbreuk op de paritas creditorum tot de conclusie dat OIEG met haar vorderingen in de hoofdzaak misbruik van bevoegdheid maakt in de hiervoor onder 5.5 en 5.6 bedoelde zin. Ook als de vorderingen in de hoofdzaak ook ongewenste doelen zouden beogen of ongewenste effecten zouden hebben – wat onbesproken kan blijven – is dat niet voldoende om te kunnen concluderen dat daarmee misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat het ongeoorloofd doel doorslaggevend is dan wel dat sprake is van een onaanvaardbare wanverhouding tussen de belangen van OIEG enerzijds en die van Propernyn, PVDSA Services en PDV.
5.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de Nederlandse rechter met betrekking tot de vorderingen jegens Propernyn, PVDSA Services en PDA rechtsmacht heeft.
PDVSA en Bariven
5.10.
Er is geen verdrag dat of verordening die de rechtsmacht met betrekking tot deze gedaagden regelt. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient dan ook te worden beoordeeld aan de hand van de in het Rv neergelegde commune Nederlandse regels voor internationale bevoegdheid.
5.11.
Aan de orde is of de Nederlandse rechter aan artikel 7 lid 1 Rv rechtsmacht kan ontlenen. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien in zaken waarbij een vordering is ingesteld de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de verweerders rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere verweerders, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
5.12.
Bij de uitleg van de commune regels voor internationale bevoegdheid dient in beginsel aansluiting te worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) Brussel I bis-Vo, tenzij aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.4.
5.13.
Dit betekent dat de rechter zich bij beoordeling van de vraag of hij rechtsmacht heeft, alle hem ter beschikking staande relevante gegevens in ogenschouw dient te nemen, waaronder, in voorkomend geval, de betwistingen van gedaagde. Voor de toetsing in het kader van de bevoegdheid hoeft de rechter echter geen uitgebreide bewijsprocedure te voeren met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als in de hoofdzaak relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag kan beperken tot een prima facie (of summierlijk) oordeel)5.Deze maatstaf geldt ook voor de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv6..
5.14.
Voor de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv is de hierna onder 5.15 en 5.16 weergegeven rechtspraak van het HvJEU voor de toepassing van (thans) artikel 8 onder 1 Brussel bis-Vo en daarvoor artikel 6 lid 1 EEX-Verordening (hierna ook ten aanzien van beide bepalingen: ‘deze bepaling’) van belang. De rechtbank neemt deze rechtspraak bij de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv tot uitgangspunt, aangezien in de wetgeschiedenis bij artikel 7 lid 1 Rv geen aanknopingspunten te vinden zijn op basis waarvan het aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever op dit punt heeft beoogd af te wijken van de uitleg van (de voorlopers van het huidige) artikel 8 onder 1 Brussel I bis-Vo door het HvJEU.
5.15.
De omstandigheid dat de rechtsgrondslagen van de ingediende vorderingen identiek zijn, is niet de enige relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Dit vormt geen onmisbare voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. De omstandigheid dat de tegen de verschillende verweerders gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben (bijvoorbeeld wanprestatie respectievelijk onrechtmatige daad), staat niet aan toepassing van deze bepaling in de weg. Een verschil in rechtsgrondslag (of een verschil in toepasselijk recht) staat op zichzelf niet aan toepassing van deze bepaling in de weg, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft. Dit geldt temeer indien het op de onderscheiden vorderingen toepasselijke recht in de hoofdzaak identiek is. Bij de beoordeling of de verschillende ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat) moet rekening worden gehouden met alle noodzakelijke elementen van het dossier. Daartoe zal de rechter in voorkomend geval, ook al is dit voor de beoordeling niet noodzakelijk, de rechtsgrondslagen van de vorderingen in de beschouwing moeten betrekken.7.
5.16.
Dit betekent ook dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig zijn op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Daartoe is vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Daarbij is van belang of de uitkomsten van de vorderingen al dan niet onafhankelijk van elkaar staan. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een van de procedures een weerslag kan hebben op die van de andere volstaat niet. In het geval van twee beroepen tegen meerdere verweerders, die een verschillend voorwerp en een verschillende grondslag hebben en niet onderling samenhangen door een verhouding van ondergeschiktheid of onverenigbaarheid, volstaat het voor het bestaan van het gevaar van onverenigbare beslissingen in de zin van deze bepaling niet dat de eventuele gegrondverklaring van een van de vorderingen een mogelijke weerslag heeft op de omvang van het recht ter bescherming waarvan de andere vordering is ingesteld.8.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat aan de vereisten van artikel 7 lid 1 Rv is voldaan.
In de hoofdzaak worden PDVSA c.s. in hun hoedanigheid van onderdelen van het PVDSA-concern aangesproken, zodat in die zin sprake is van samenhang, die wordt versterkt door de omstandigheid dat PDVSA c.s. hoofdelijk worden aangesproken tot vergoeding van dezelfde schade. Zoals PDVSA c.s. naar voren brengen, behoren de Venezolaanse en Nederlandse entiteiten die in de hoofdzaak door OIEG in rechte zijn betrokken tot hetzelfde concern, streven zij dezelfde doelen na en worden hun bestuurders benoemd door PDVSA. Er bestaat voldoende samenhang tussen de vorderingen tegen de Nederlandse en Venezolaanse entiteiten. Voor die laatste entiteiten was het redelijkerwijs te voorzien dat zij konden worden opgeroepen voor een Nederlandse rechter, in een procedure waarin ook de Nederlandse entiteiten in rechte zijn betrokken. Wat PDVSA c.s. verder naar voren brengen over de voorzienbaarheid van deze procedure in Nederland, gaat over de toewijsbaarheid van de vorderingen in de hoofdzaak. Of de door OIEG gestelde grondslag voor haar vorderingen toereikend is, dient echter in de hoofdzaak te worden beoordeeld.
5.18.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak jegens PDVSA en Bariven.
5.19.
De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten van het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
5.20.
OIEG stelt zich op het standpunt dat de incidentele conclusie van PDVSA c.s. moet worden aangemerkt als een conclusie van antwoord, aangezien deze incidentele conclusie is “doordrenkt met allerlei materiële verweren”. PVSA c.s. hebben onmiskenbaar in het incident standpunten ingenomen ter bestrijding van (de kans van slagen van) de vorderingen in de hoofdzaak, onder meer ter onderbouwing van het gesteld misbruik van procesrecht. Daarmee hebben zij PDVSA c.s. hun recht op het nemen van een conclusie van antwoord niet verspeeld, zoals OIEG betoogt. Daarom zal de hoofdzaak worden verwezen naar de rolzitting van 8 mei 2020 voor conclusie van antwoord.
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
6.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 27 mei 2020 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. L. Alwin op 8 april 2020.9.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑04‑2020
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1).
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516
HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443 (Moldavië), r.o. 4.1.3.
Vgl. HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank) en HvJ EU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal /Schilling)
r.o. 4.1.5 van het onder noot 3 genoemde arrest.
HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80 (Freeport/Arnoldsson), punt 38-47, HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66 (Painer/Standard), punt 80-84
HvJEU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016, 468.
type: 1554coll: