AB 2024/335
De Gemeente Den Haag maakt bij haar huisvestingsbeleid indirect onderscheid op basis van ras.
Rb. Den Haag 29-05-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7830, m.nt. H.W. van der Gaag & R. Stolk
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
29 mei 2024
- Magistraten
Mrs. D.R. Glass, J.L.M. Luiten, J.J. Kuipers
- Zaaknummer
C-09-637977-HA ZA 22-941
- Noot
H.W. van der Gaag & R. Stolk
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS990852:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Ruimtelijk bestuursrecht / Ruimtelijke ordening
Staatsrecht / Grondrechten
Volkshuisvesting en wonen / Woningbouw
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBDHA:2024:9576, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 26‑06‑2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:7830, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 29‑05‑2024
ECLI:NL:RBDHA:2023:14320, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 06‑09‑2023
- Wetingang
Essentie
De Gemeente Den Haag maakt bij haar huisvestingsbeleid indirect onderscheid op basis van ras zolang de wachttijd voor een woonwagenstandplaats niet vergelijkbaar is met de wachttijd voor een grondgebonden niet-gestapelde sociale huurwoning.
Samenvatting
De rechtbank overweegt dat de Rijksoverheid, na de uitspraken van het EHRM, het CRM en het rapport van de Ombudsman, reeds in 2018 tot het inzicht is gekomen dat het destijds geldende landelijke beleidsadvies onvoldoende recht deed aan de bijzondere positie van woonwagenbewoners. Het CRM heeft verder in 2020 specifiek met betrekking tot het woonwagen- en standplaatsenbeleid van de Gemeente geoordeeld dat dit discriminatoir is. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.