Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.14:2.14 Toegang tot de rechter V: de ambtshalve activiteiten van de rechter
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.14
2.14 Toegang tot de rechter V: de ambtshalve activiteiten van de rechter
Documentgegevens:
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 6 november 1980, Series A. vol. 40 (Van Oosterwijck). Zie voorts EHRM 23 juli 2002, EHRC 2002188 (Janosevic), inzake ne bis in idem.
EHRM 10 december 1982, NJ 1987/828 (Foti), par. 44.
EHRM 7 oktober 2008, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 428 (Bogumil). Zie ook de toetsing met betrekking tot art. 6 lid 1 EVRM in EHRM 5 juli 2001, EHRC 2001/56 (Phillips).
EHRM 17 september 2009, AB 2010/102 (Scoppola), par. 54. In gelijke zin EHRM 2 november 2010, no 3976/05 (Serife Yigit), par. 52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vereiste van een full juridiction levert volgens het Hof geen verplichting op tot ambtshalve toepassing van de verdragsrechten door de nationale rechter. Indien de klager heeft nagelaten bij de nationale instanties de waarborgen van het EVRM in te roepen, zal het Hof de klacht niet-ontvankelijk verklaren omdat de nationale rechtsmiddelen niet zijn uitgeput. Art. 35 EVRM wordt aldus niet alleen uitgelegd als een formele bepaling die ziet op het benutten van de nationale rechtsgang als zodanig, maar ook als een inhoudelijke barrière.1 Het EHRM zag evenmin een volledige ambtshalve bevoegdheid voor zichzelf liggen buiten de geformuleerde klachten om. Hierna zal blijken dat het Europees Hof niettemin wel degelijk ambtshalve actief is. In de zaak Foti lag de vraag voor of er wel was geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn. Omdat de informatie die Foti en zijn medeklagers de Europese Commissie voor de de Rechten van Mens hadden verschaft lieten zien dat de procedures in kwestie al jarenlang liepen, dat zij de Commissie op de hoogte hielden van het verloop van deze procedures, waarbij zij voorts verzochten met urgentie over de klachten te beslissen, meende het Hof dat de Commissie op grond van de door de klagers aangedragen feiten `potentially involved an issue of trial within a reasonable time'. Omdat de klagers vervolgens de benadering van de Commissie onderschreven en hun eigen verzoek aldus hadden aangevuld achtte het Hof zich tevens bevoegd deze kwestie te onderzoeken. Het overwoog:
'When they applied to the Commission for the first time, Mr. Foti, Mr. Lentini and Mr. Cenerini did not in any way assen, either expressly or in substance, that the criminal proceedings against them were being unduly prolonged. The international system of protection established by the Convention functions on the basis of applications be they governmental or individual, alleging violations (...). It does not enable the Commission and the Court either to take up a matter irrespective of the marmer in which it came to their knowledge or even, in the context of pending proceedings, to seize on facts that have not been adduced by the applicant — be it a State or an individual — and to examine those facts for compatibility with the Convention. The institutions set up under the Convention nonetheless do have jurisdiction to review in the light of the entirety of the Convention' s requirements circumstances complained of by an applicant. In the performance of their task, the Convention institutions are, notably, free to attribute to the facts of the case, as found to be established on the evidence before them, a characterisation in law different from that given by the applicant or, if need be, to view the facts in a different marmer; furthermore, they have to take account not only of the original application but also of the additional documents intended to complete the later by eliminating initial omissions or obscurities (…).’2
Uit deze zaak blijkt dat het Hof en voordien de ECRM in hun onderzoek naar de gegrondheid van de aangevoerde klachten ambtshalve de rechtsgronden mogen aanvullen door gestelde feiten in een klacht te vertalen en dat zij bovendien zelf onderzoek mogen doen aan de hand van alle stukken. In de zaak Bogumil was geklaagd over een aantasting van de lichamelijke integriteit van klager zonder daarbij te vermelden op welke verdragsbepalingen een inbreuk was gemaakt, terwijl met betrekking tot de gestelde inbreuk op zijn processuele rechten wel art. 6 EVRM was genoemd. Het Hof toetste het eerste deel van de klacht niettemin zelfstandig aan de art. 3 en 8 EVRM.3 In de zaak Scoppola overwoog het Hof ten slotte:
‘Since the Court is master of the characterisation to be given in law to the facts of the case, it does not consider itself bound by the characterisation given by the applicant or the Government. By virtue of the jura novit curiaprinciple, it has, for example, considered of its own motion complaints under Articles or paragraphs not relied on by the parties and even under a provision in respect of which the Commission had declared the complaint to be inadmissible while declaring it admissible under a different one. A complaint is characterised by the facts alleged in it and not merely by the legal grounds or arguments relied on (…).’4
Deze benadering heeft veel weg van de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en feiten in de zin van art. 8:69 lid 2 en lid 3 Algemene wet bestuursrecht. Op de ambtshalve activiteiten van de Nederlandse bestuursrechter kom ik terug in hoofdstuk 5.