Rb. Den Haag, 22-04-2020, nr. C/09/557718 / HA ZA 18-870
ECLI:NL:RBDHA:2020:3874
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
22-04-2020
- Zaaknummer
C/09/557718 / HA ZA 18-870
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2020:3874, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑04‑2020; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBDHA:2019:7162, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 10‑07‑2019; (Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2020-0334
PS-Updates.nl 2019-0973
Uitspraak 22‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Eindvonnis. Onrechtmatige daad van de politie en Stichting Samen Veilig Midden-Nederland tegenover vader van twee (destijds) minderjarige kinderen in verband met hun vertrek uit Nederland naar de VS. Immateriële schade. Eigen schuld. Billijkheidscorrectie
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/557718 / HA ZA 18-870
Vonnis van 22 april 2020
in de zaak van
[eiser] , te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. E.F. Muller te Deventer,
tegen
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE POLITIE, te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. E.P. Ceulen te Arnhem,
2. de stichting STICHTING SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, te Utrecht,
gedaagde,
procesadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
behandelend advocaat mr. D.Th.G. Thuijs te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] , de Politie en de Stichting genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 10 juli 2019;
- -
de akte uitlating tussenvonnis van [eiser] , met producties 24 tot en met 27;
- -
de antwoordakte van de Politie, met producties 9 tot en met 11;
- -
de akte na tussenvonnis van de Stichting;
- -
de antwoordakte van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.
1.3.
Zoals partijen per e-mail op 30 maart 2020 is medegedeeld wordt dit vonnis om organisatorische redenen door een andere rechter gewezen dan de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis van 10 juli 2019 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat de Politie in de avond en nacht van 15 op 16 september 2016 in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheid heeft gehandeld, een inbreuk op de rechten van [eiser] heeft gemaakt en artikel 8 EVRM heeft geschonden en daardoor onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gehandeld tegenover [eiser] , door (i) [eiser] niet te horen over de mogelijkheid van tijdelijk opvang van de kinderen bij familie of vrienden, (ii) niet aan [eiser] te vertellen waar zij de kinderen heenbracht, (iii) geen contactgegevens van Veilig Thuis te verstrekken en (iv) de kinderen over te brengen naar een hotel, waardoor zij de volgende middag al konden uitreizen naar de Verenigde Staten van Amerika (de VS). Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook de Stichting onzorgvuldig (onrechtmatig) tegenover [eiser] gehandeld door de Politie onjuist te adviseren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Politie en de Stichting hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] als gevolg van hun handelen heeft geleden en lijdt. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de omvang van de schade. Alle partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. In het tussenvonnis is ten slotte nog overwogen dat de rechtbank in het kader van de beoordeling van de schade een beslissing zal nemen over het beroep van de Politie en de Stichting op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van zijn gestelde schade.
verzoek tot heroverweging tussenvonnis
2.2.
De Politie stelt zich op het standpunt dat het tussenvonnis een eindbeslissing bevat die berust op een onjuiste feitelijke en daarmee tevens juridische grondslag. De Politie betoogt dat de rechtbank in rechtsoverwegingen (r.o.) 4.31, 4.34, 4.36 en 4.42 van het tussenvonnis ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de Politie in de avond van 15 september 2015 advies heeft gevraagd aan Veilig Thuis. Volgens de Politie is sprake geweest van een melding in de zin van artikel 4.1.1 lid 2 Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), aangezien zij wilde dat een medewerker van Veilig Thuis ter plaatse zou komen om te beoordelen of sprake was van een noodsituatie die direct ingrijpen rechtvaardigde. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst de Politie naar de door haar bij conclusie van antwoord overgelegde verklaringen van de heer [A] , de namens haar tijdens de comparitie afgelegde verklaring en haar stellingen in de conclusie van antwoord (in het bijzonder randnummers 25 tot en met 29 en 52).
2.3.
Bij de beoordeling van het verzoek van de Politie stelt de rechtbank voorop dat zij in het verdere verloop van het geding in deze instantie is gebonden aan een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing. De besliste geschilpunten zijn voor deze instantie afgedaan en moeten worden bestreden in hoger beroep. Dit uitgangspunt berust op de goede procesorde en heeft een op beperking van het debat gerichte functie: er is geen plaats voor heropening van het debat over afgedane geschilpunten. Deze regel gaat niet zo ver, dat de rechter wordt gedwongen een einduitspraak te doen waarvan hij weet dat deze ondeugdelijk is. De eisen van een goede procesorde brengen evenzeer mee dat dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Voor het heroverwegen van een bindende eindbeslissing enkel en alleen op nadere argumenten die ook eerder hadden kunnen worden aangedragen, is in een eindvonnis geen plaats. Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn (HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521).
2.4.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis als vaststaand aangenomen dat de Politie de Stichting heeft gevraagd om advies. De Politie heeft geen nieuwe feiten aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit onjuist is. De rechtbank heeft de verklaring van [A] dat hij [D] heeft gevraagd om ter plekke te komen om de zorg voor de kinderen over te nemen meegenomen in haar beoordeling (zie r.o. 2.22 van het tussenvonnis), en is daaraan dus niet voorbij gegaan, zoals de Politie stelt. Het betoog van de Politie komt er feitelijk op neer dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte de stelling die de Politie aan die verklaring heeft verbonden, te weten dat [A] een melding in de zin van artikel 4.1.1 lid 2 Wmo 2015 heeft gedaan, over het hoofd heeft gezien, door ten onrechte aan te nemen dat tussen partij niet in geschil is dat de Politie om advies heeft gevraagd. Dit levert geen grond op om terug te komen op een bindende eindbeslissing en, zelfs als dit anders zou zijn, dan vormt dit voor de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op haar bindende eindbeslissing dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] . In het tussenvonnis heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de Politie de situatie en haar verantwoordelijkheden niet daadwerkelijk heeft overgedragen aan Veilig Thuis en dat Veilig Thuis ook geen verantwoordelijkheid voor de stappen die de Politie op basis van haar advies (uitlatingen) heeft gezet naar zich heeft toegetrokken (zie r.o. 4.34 en 4.35). In haar antwoordakte onderkent de Politie dit. Met andere woorden, de Politie én Veilig Thuis hebben gehandeld in een advies-situatie. In het tussenvonnis is verder nog overwogen dat voor zover de Politie in de veronderstelling verkeerde dat Veilig Thuis verantwoordelijk was voor de kinderen, dit (in de relatie tussen de Politie en [eiser] ) voor rekening en risico van de Politie komt (zie r.o. 4.34). De enkele omstandigheid dat hierover ook anders geoordeeld zou kunnen worden, is onvoldoende om terug te komen op het tussenvonnis.
2.5.
Behalve de Politie vraagt ook de Stichting de rechtbank met zoveel woorden om terug te komen op het tussenvonnis. De Stichting werpt in haar antwoordakte onder het kopje ‘causaliteit’ de vraag op welke punten haar advies aan de Politie wel onrechtmatig tegenover [eiser] is geweest, omdat de plichten die de Politie heeft geschonden volgens haar niet noodzakelijkerwijs volgen uit haar advies en niet tot nadeel leiden. Verder voert zij aan dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de door [eiser] geleden schade, zodat volgens haar geen verplichting tot schadevergoeding bestaat.
2.6.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat causaal verband aanwezig is tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van de Stichting en de Politie. Het (kennelijke) verzoek van de Stichting om terug te komen op die beslissing strekt er enkel toe om het debat over dit afgedane geschilpunt te heropenen. Daarmee is echter geen sprake van een beslissing die is gestoeld op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank gaat daarom aan dit verzoek voorbij. Dit geldt eveneens voor het betoog van de Stichting dat niet aan relativiteitsvereiste is voldaan. In het tussenvonnis is geoordeeld dat Veilig Thuis door het geven van haar rechtens onjuiste advies ook tegenover [eiser] een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld (zie r.o. 4.30). Het betoog van de Stichting komt erop neer dat zij zich niet kan vinden in dat oordeel. Daarvoor moet in hoger beroep worden geklaagd. Het had op de weg van de Stichting gelegen om haar stelling niet pas bij akte na tussenvonnis, maar bij conclusie van antwoord of tijdens de comparitie naar voren te brengen. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, die maken dat de rechtbank zou moeten terugkomen op haar eerdere oordeel, is niet gebleken.
2.7.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet terug te komen op haar bindende eindbeslissing dat de Politie en de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij als gevolg hiervan heeft geleden en lijdt. Dit betekent dat nu zal worden geoordeeld over de omvang van die schade en het beroep van de Politie en de Stichting op eigen schuld.
de eiswijziging
2.8.
[eiser] heeft in zijn akte uitlating vonnis zijn eis – samengevat – als volgt gewijzigd: dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. voor recht verklaart dat de Politie en de Stichting in vereniging en/of ieder voor zich tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en uit dien hoofde verplicht zijn de schade die hij lijdt en geleden heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden;
II. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 26.740,21 wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
III. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 30.000 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2016 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
IV. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.806,88 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
Subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat de Politie en de Stichting niet hoofdelijk aansprakelijk zijn:
V. de Politie en de Stichting te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de onder II, III en IV gevorderde materiële schade, immateriële schade en buitengerechtelijke incassokosten op basis van ieders aandeel in die schade en kosten;
Primair en subsidiair
VI. de Politie en de Stichting hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de zestiende dag na het wijzen van het vonnis.
2.9.
De Politie en de Stichting verzetten zich niet tegen de eiswijziging zodat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal beoordelen op basis van de eis zoals die na de eiswijziging voorligt.
de omvang van de schade
2.10.
Bij het bepalen van de schade van [eiser] moet voor ogen worden gehouden dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de Politie en de Stichting berust, dat zij hun mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Uitgangspunt is dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien de onrechtmatige daad niet zou hebben plaatsgevonden. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadebrengende feit niet zou hebben plaatsgevonden (HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539). Voor de vaststelling van de door [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen geleden schade moet daarom een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na het onrechtmatig handelen en de hypothetische situatie bij het wegdenken daarvan. De rechtbank moet dus reconstrueren wat er zou zijn gebeurd in de hypothetische situatie. Die reconstructie moet worden gebaseerd op de redelijke verwachting van de rechter (HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654 en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277). In dat verband moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273). Daarbij gelden, ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade, weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar is de rechter op grond van artikel 6:97 BW wel bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483).
2.11.
[eiser] stelt dat zijn schade bestaat uit de volgende posten:
- 1.
de kosten van de vliegtickets (€ 1.827,76);
- 2.
de advocaatkosten (€ 24.412,45);
- 3.
de kosten van de Phoenix opleidingen (€ 500);
- 4.
immateriële schade (€ 30.000);
- 5.
buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.806,88).
Ad 1) vliegtickets
2.12.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedragingen van de Politie en de Stichting en de kosten van de vliegtickets. Volgens [eiser] is dit verband aanwezig, omdat hij de vliegtickets heeft betaald om de kinderen naar Nederland te kunnen laten reizen om hier voor langere tijd te verblijven en is door het optreden van de Politie en de Stichting aan het verblijf van de kinderen in Nederland abrupt een einde gekomen, zodat sprake is van nodeloze kosten. Als hij op 21 augustus 2016 had geweten dat de kinderen op 16 september 2016 zouden terugkeren naar de VS, dan had hij de kosten voor de vliegtickets niet gemaakt, aldus [eiser] . De Politie en de Stichting betwisten dit.
2.13.
De rechtbank is, met de Politie en de Stichting, van oordeel dat aannemelijk is dat [eiser] de kosten voor de vliegtickets ook zou hebben gemaakt indien de onrechtmatige gedragingen niet hadden plaatsgevonden en hij zou hebben geweten dat de kinderen na een paar weken weer zouden vertrekken naar de VS. Immers, vaststaat dat [eiser] groot belang hechtte aan contact met de kinderen en dat de kinderen jaarlijks in de zomer één maand in Nederland verbleven. Dat de intentie van de kinderen was om dit keer langer dan één maand te blijven en dat hieraan een abrupt einde is gekomen, betekent niet dat de kosten van de vliegtickets hun doel hebben gemist en nodeloos zijn gemaakt. De door [eiser] gevorderde kosten zullen daarom worden afgewezen.
Ad 2) advocaatkosten
2.14.
[eiser] vordert een bedrag van € 24.412,45 aan advocaatkosten. Ter onderbouwing hiervan heeft hij facturen met bijhorende specificatie van de werkzaamheden van zijn voormalig advocaat, mr. B.P.G. Dijkers, en een nadere toelichting van [B] in het geding gebracht. Deze facturen bedragen in totaal € 24.009,52. Dit bedrag is dus lager dan het gevorderde bedrag, maar de rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van een rekenfout nu de factuur met nummer BD100559 ten bedrage van € 402,93 twee keer is overgelegd. Uit de specificatie van de facturen en de nadere toelichting van [B] volgt dat de door hem in rekening gebrachte kosten betrekking hebben op de volgende onderdelen:
- a.
advies (facturen met nummers BD100038 en BD100055, totaal € 3.145,86);
- b.
het indienen van een klacht tegen de Politie (facturen met nummers BD100313, BD100315, BD100431, BD100496, BD100560, totaal € 7.986,89);
- c.
het indienen van een klacht tegen Veilig Thuis en een tuchtklacht tegen de casushouder van Veilig Thuis (facturen met nummers BD100145, BD100328, BD100343, BD100378, BD100516, BD100559, totaal € 8.454,97);
- d.
2.15.
Tot de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding (zoals een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW) moet worden vergoed, behoren ook de redelijke kosten ter voorkomen of beperking van schade, de redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 BW lid 2 sub a, b en c BW in samenhang met artikel 6:95 BW). De rechtbank begrijpt het betoog van [eiser] aldus dat hij aan de door hem gevorderde advocaatkosten artikel 6:96 lid 2 sub b en sub c BW ten grondslag legt. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de door [eiser] gevorderde bedragen redelijk zijn. Daarbij neemt de rechtbank de uit artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW voortvloeiende dubbele redelijkheidstoets tot maatstaf. Deze toets houdt in dat buitengerechtelijke werkzaamheden slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk was deze te verrichten én de gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.
Ad a) advieskosten
2.16.
Uit de specificatie van de onderhavige facturen blijkt dat deze betrekking hebben op werkzaamheden die [B] in periode van 15 september tot en met 31 oktober 2016 heeft uitgevoerd. De rechtbank volgt [eiser] in zijn standpunt dat redelijk was om in verband met de gebeurtenissen in de avond/nacht van 15 op 16 september 2016 juridische bijstand in te schakelen. Het betreft immers een juridisch complexe zaak waarbij meerdere partijen met ieder een eigen rol en verantwoordelijkheden zijn betrokken, terwijl bij [eiser] daarnaast onduidelijkheid over de feiten bestond. Ook de standpunten van partijen liepen uiteen. Weliswaar heeft de wijkagent in zijn gesprek met [eiser] en het buurtteam op 11 oktober 2016 volgens de Politie al direct toegegeven dat er leerpunten waren ten aanzien van de informatieverschaffing aan [eiser] , maar dat laat onverlet dat de Politie niet bereid was om aansprakelijkheid voor de door [eiser] verweten gedragingen en gestelde schade te erkennen en/of de door hem verlangde excuses aan te bieden. Ook de Stichting was daartoe niet bereid. Dat bij [eiser] behoefte bestond aan advies over de te nemen stappen richting de Politie en de Stichting en aan inzicht in het juridisch kader, is dan ook begrijpelijk. Uit de toelichting van [B] op de facturen volgt dat zijn werkzaamheden in de maanden september en oktober 2016 voor een belangrijk deel hierop gericht waren.
2.17.
Dit betekent nog niet dat de gevorderde kosten ook naar hun aard en omvang redelijk zijn. Uit de factuur van 3 oktober 2016 (met nummer BD100038) blijkt dat [B] in de periode van 15 tot en met 30 september 2016 in totaal 3,10 uur heeft besteed en dat hij hiervan 3,0 uur in rekening heeft gebracht. De factuur is weliswaar per dag en werkzaamheid gespecificeerd, maar uit de omschrijving blijkt niet wat [B] exact heeft gedaan. Nu de onderliggende stukken, zoals de in de specificatie vermelde e-mailberichten van [B] aan [eiser] , ook niet in het geding zijn gebracht en bovendien [B] uitsluitend heeft toegelicht wat hij op 28 september 2016 heeft gedaan (het opstellen van het stappenplan), kan dit ook niet goed worden vastgesteld. Ook de omstandigheid dat [B] blijkens de specificatie al op 15 september 2016 (in de middag) – dus voordat de onrechtmatig daad heeft plaatsgevonden – een aanvang heeft gemaakt met zijn werkzaamheden, roept vraagtekens op. Alles overziend zal de rechtbank op de factuur van 3 oktober 2016 een correctie toepassen van 2 uur. Dit betekent dat het gefactureerde bedrag moet worden verminderd met een bedrag van € 363,62 exclusief btw. Totaal komt de factuur neer op een bedrag van € 219,62 inclusief btw.
2.18.
Uit de specificatie van de factuur van 1 november 2016 (met nummer BD100055)
blijkt dat [B] in de maand oktober 2016 in totaal 11,60 uur heeft besteed, waarvan hij 11,30 uur in rekening heeft gebracht aan [eiser] . Ook hiervoor geldt dat uit de specificatie niet blijkt waaruit de werkzaamheden hebben bestaan en dat de onderliggende stukken niet in het geding zijn gebracht. Ook de nadere toelichting van [B] maakt dit niet duidelijk. Hij heeft slechts op een aantal punten een verduidelijking gegeven, namelijk dat hij op 3 oktober 2016 [eiser] heeft geadviseerd over het verkrijgen van het dossier van de Politie, dat hij eind oktober 2016 tijdens een telefonische belafspraak met de Stichting heeft verzocht om een organigram en interne richtlijnen of werkafspraken die gelden indien een melding wordt ontvangen, dat hij op 20 oktober 2016 de dossiers van de Politie en de Stichting heeft bestudeerd en dat hij op 28 oktober 2016 het juridisch kader in kaart heeft gebracht. Het verrichten van die werkzaamheden is niet onredelijk. Alles overziend zal de rechtbank op de factuur een correctie van 5 uur toepassen. Dit betekent dat het gefactureerde bedrag moet worden verminderd met een bedrag van € 909,05 exclusief btw en dat de factuur neerkomt op een bedrag van € 1.385,94 inclusief btw.
2.19.
Uit het voorgaande volgt dat aan advieskosten in beginsel een bedrag van € 1.605,56 (inclusief btw) toewijsbaar is.
Ad b) klachtprocedure tegen Politie
2.20.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een tuchtrechtelijke procedure niet worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid of een redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade, en geldt als uitgangspunt dat de aan de tuchtprocedure verbonden kosten niet kunnen worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub a BW of redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Slechts in bijzondere omstandigheden is plaats voor afwijking van dit uitgangspunt (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4097). Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit onverkort voor de in artikel 6:96 lid 2 sub c BW vervatte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De Hoge Raad heeft hierbij van belang geacht dat verschillende maatstaven worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of een tuchtklacht gegrond is en bij de beoordeling van de vraag naar civiele aansprakelijkheid, alsmede dat de ter bescherming van een gedaagde in een civiele procedure strekkende bewijsregels niet gelden in een tuchtprocedure. Het doel van de tuchtprocedure is bevordering van een goede wijze van beroepsuitoefening in het algemeen en niet in de eerste plaats om de klager in geval van gegrondbevinding van zijn klacht genoegdoening te verschaffen, ook al kan dit wel het feitelijke resultaat zijn. Het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsuitoefening kan in een civiele procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is, maar dit betekent volgens de Hoge Raad niet dat een tuchtprocedure tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing op een klachtprocedure als die [eiser] tegen de Politie (en overigens ook de Stichting) heeft gevoerd, nu deze tot doel heeft het herstellen en/of vergroten van het vertrouwen in de Politie en het leren van klachten.
2.21.
[eiser] stelt dat als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Politie en de Stichting een onomkeerbare toestand is ontstaan en dat, nu terugkeer van de kinderen naar Nederland onhaalbaar was, de enige passende genoegdoening was dat de Politie en de Stichting zouden worden aangesproken op hun handelen en zouden erkennen dat wat er is gebeurd ‘nooit had mogen gebeuren’. Volgens [eiser] heeft hij contact gezocht met de Politie om de feiten helder te krijgen maar was zij hem niet ter wille en heeft zij hem, zo blijkt uit zijn e-mailbericht van 30 september 2016 aan [B] , te verstaan gegeven dat voor het verkrijgen van stukken nodig was dat een klacht zou worden ingediend of een brief zou worden gestuurd naar de ‘Privacy officer’. [eiser] stelt dat hij vanwege de tegenwerking van de Politie de klachtprocedure heeft voortgezet en dat hij de onderhavige procedure pas aanhangig heeft gemaakt toen de Politie bleef weigeren om toe te geven dat er fouten zijn gemaakt. Volgens [eiser] heeft de Commissie voor de politieklachten van de Eenheid Midden-Nederland (hierna: de Commissie) hem voorzien van allerlei belangrijke informatie, waaronder dat de mededeling van Veilig Thuis aan de Politie dat zestienjarigen in Nederland zelf mogen bepalen waar zij wonen niet klopt. In dit verband wijst hij erop dat het advies van de Commissie, wat volgens hem de houding van de Politie bevestigt, is uitgebracht na het uitbrengen van de dagvaarding.
2.22.
Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de door [eiser] gestelde omstandigheden, indien juist, niet als bijzondere omstandigheden die in dit geval noodzaken tot afwijking van de uitgangspunten zoals die door de Hoge Raad in voornoemde arresten zijn gehanteerd. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij het politierapport binnen enkele weken na het opvragen daarvan heeft ontvangen via het buurtteam. Het indienen van een klacht enkele maanden later was hiervoor dus niet nodig. Voor zover er al van kan worden uitgegaan dat de Politie aanvankelijk, vóór het indienen van de klacht, betwistte fouten te hebben gemaakt – de klachtbehandelaar heeft in zijn brief van 10 oktober 2017 toegelicht dat een deel van de klachten terecht is –, is dat evenmin te zien als een dergelijke bijzondere omstandigheid. Dat geldt eveneens voor de (door de Politie betwiste) stelling van [eiser] dat de Politie hem zou hebben tegengewerkt, nog daargelaten dat hij dit niet ten grondslag legt aan zijn stelling dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hem. Dat [eiser] de beslissing van de Commissie niet nodig had om de door hem gestelde fouten van de Politie in deze procedure aan te tonen, blijkt ook wel uit het feit dat [eiser] die beslissing niet heeft afgewacht. Daarbij komt dat de burgerlijke rechter zelf kan beoordelen of het door Veilig Thuis aan de Politie gegeven advies juridisch steekhoudend is en of de Politie fouten heeft gemaakt waarvoor zij aansprakelijk is, zoals in dit geval ook gebeurt, waardoor een klachtprocedure uit oogpunt van het vaststellen van aansprakelijkheid overbodig is. Kosten verbonden aan iets wat overbodig is, zijn, zoals ook door de A-G in zijn conclusie bij voormeld arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2003 wordt opgemerkt, (doorgaans) niet redelijk. De rechtbank heeft begrip voor de beleving van [eiser] die ter zitting heeft verklaard dat hij het idee had dat hij door “alle hoepels moest springen” en dat het wenselijk was om eerst een oordeel over het handelen van de Politie via een klachtprocedure te krijgen in plaats van het direct inzetten van “het meest grove geschut” door naar de rechter te stappen. Maar dat levert niettemin geen bijzondere omstandigheid op die, in afwijking van de hoofdregel, rechtvaardigt dat de gemaakte kosten, geheel of gedeeltelijk, wel voor vergoeding in aanmerking komen. De door [eiser] gevorderde kosten van de klachtprocedure tegen de Politie zullen dus worden afgewezen.
Ad c) klacht- en tuchtprocedure tegen Veilig Thuis (de Stichting) en casushouder
2.23.
De door [eiser] gevorderde advocaatkosten voor het indienen van een klacht tegen Veilig Thuis, althans de Stichting, en de betrokken medewerkers alsmede het indienen van een tuchtklacht tegen de casushouder van Veilig Thuis bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), moeten worden beoordeeld conform de hiervoor in r.o. 2.20 genoemde maatstaf. Dit betekent dat deze kosten uitsluitend wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b dan wel onder c BW voor vergoeding in aanmerking.
2.24.
[eiser] stelt, zoals hiervoor overwogen, dat hij er belang bij had om genoegdoening in de vorm van een excuus van de Stichting te vragen. Volgens [eiser] weigerde de Stichting te voldoen aan zijn verzoek om duidelijkheid te verstrekken over de vraag wie binnen de Stichting de verantwoordelijke op 15 en 16 september 2016 was en om een afschrift van het volledig dossier aan hem te verstrekken. Omdat [eiser] van meet af aan tegenwerking van de Stichting ondervond en de Stichting hardnekkig bleef volhouden dat haar optreden in overeenstemming was met de geldende normen, heeft hij de klacht- en tuchtprocedures tegen de Stichting en de casushouder voortgezet. Via de klacht- en tuchtprocedure is bovendien allerlei belangrijke informatie op tafel is gekomen, aldus [eiser] .
2.25.
Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de door [eiser] gestelde omstandigheden, indien juist, niet als bijzondere omstandigheden. De Stichting heeft onweersproken aangevoerd dat zij op 27 september 2016 een gesprek heeft gevoerd met [eiser] , waarin de algemene werkwijze van Veilig Thuis is uitgelegd, de afspraak is gemaakt dat het dossier van Veilig Thuis naar [eiser] zou worden opgestuurd en dat [eiser] zou bezien of hij een nader gesprek met Veilig Thuis wenste. Het staat vast dat [eiser] het dossier vervolgens daadwerkelijk heeft ontvangen. Uit het e-mailbericht van de heer Tenic van Veilig Thuis aan [B] van 9 november 2017 volgt dat de eerstvolgende stap van [eiser] het indienen van de klachten tegen Veilig Thuis en een tuchtklacht tegen de casushouder is geweest. Het staat vast dat partijen nadien meerdere malen met elkaar hebben gesproken en dat in de visie van [eiser] de Stichting toen niet al zijn vragen heeft beantwoord en niet alle door hem verlangde informatie, waaronder een organigram waaruit blijkt wie op 15 en 16 september 2016 welke positie bekleedde, heeft beantwoord. Dat [eiser] daarop heeft besloten zijn klachten voort te zetten, ook nu het door hem verlangde excuus uitbleef, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de kosten voor de klacht- en tuchtprocedures op voet van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen, te meer niet omdat deze procedures voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Stichting niet nodig waren (wat ook wel wordt bevestigd door het feit dat niet duidelijk is wat de uitkomst van de klachtenprocedure is). Dit betekent dat de door [eiser] gevorderde kosten zullen worden afgewezen.
Ad c) (aanvullend) bezwaarschrift
2.26.
[eiser] vordert de kosten voor het door hem ingediende bezwaarschrift tegen de beslissing van de Politie dat de door hem tegen de moeder van de kinderen gedane aangifte niet in behandeling wordt genomen, en het aanvullend bezwaarschrift. De rechtbank is, met de Politie, van oordeel dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW of kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. [eiser] beoogde met zijn bezwaarschrift dat strafrechtelijk onderzoek zou worden verricht naar de moeder, de Politie en de Stichting vanwege (een gestelde) overtreding van artikel 279 Wetboek van Strafrecht (Sr) (onttrekking aan het ouderlijk gezag). Daarmee wordt, net als bij klacht- en tuchtzaken, een ander doel gediend dan het vaststellen van de civielrechtelijke aansprakelijkheid, terwijl ook het strafrecht een ander normenkader kent dan het civiele recht. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, is het ook niet aan de civiele rechter om te oordelen over strafbare gedragingen (zie r.o. 4.33). De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de door [eiser] gestelde kosten als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte kunnen worden gezien.
Tussenconclusie
2.27.
Uit het voorgaande volgt dat aan advocaatkosten in beginsel een bedrag van € 1.605,56 (inclusief btw) toewijsbaar is.
Ad 3) Kosten van de Phoenix opleidingen
2.28.
[eiser] stelt dat hij hulp heeft gezocht bij een psycholoog/coach van Phoenix Opleidingen om te leren omgaan met de situatie en de aantasting in zijn ouderlijk gezag. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij vier keer bij de psycholoog/coach is langs geweest en thuis verder is gegaan met de oefeningen en boeken die hij had meegekregen. De Politie en de Stichting betwisten dat de kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
2.29.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de kosten van psycholoog/coach in redelijkheid niet worden toegerekend aan de onrechtmatige gedragingen van de Politie en de Stichting, nu niet is komen vast te staan dat geestelijk letsel bij [eiser] is opgetreden (waarover in r.o. 2.32 meer) of dat behandeling bij een psycholoog geïndiceerd was. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Politie en de Stichting had het op de weg van [eiser] gelegen om aan te tonen dat de gevorderde kosten zijn gemaakt in verband met het onrechtmatig handelen. Hierin is hij niet geslaagd. Zonder toelichting van [eiser] , die ontbreekt, is ook niet duidelijk waarom (blijkens de in de overgelegde facturen van de psycholoog/coach vermelde gegevens) tussen het eerste bezoek van [eiser] aan de psycholoog/coach en het tweede bezoek een tussenpose van meer dan zes maanden heeft gezeten en waarom ook toen nog behandeling noodzakelijk was. De rechtbank wijst de door [eiser] gevorderde kosten daarom af.
Ad 4) Immateriële schade
2.30.
[eiser] legt aan de door hem gevorderde immateriële schadevergoeding artikel 6:106 lid 1 onder b BW (‘aantasting in de persoon op andere wijze’) ten grondslag. Hiervan is volgens vaste jurisprudentie in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606). Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze in zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naarmate op grond van de aard en ernst van de normschending eerder aannemelijk is dat de benadeelde daardoor ernstig zal zijn getroffen, worden aan de onderbouwing van de concrete gevolgen minder hoge eisen gesteld. Het moet gaan om schendingen van een zekere ernst van normen die beogen fundamentele persoonsbelangen te beschermen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). De inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet voldoende ernstig zijn. Of daarvan sprake is hangt af van de aard en ernst van de normschending, het daardoor getroffen belang en de ernst van de feitelijke gevolgen.
2.31.
[eiser] stelt dat hij in zijn persoon is aangetast doordat de Politie en de Stichting zijn gezagspositie hebben ondermijnd en een inbreuk hebben gepleegd op zijn recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Volgens hem heeft het handelen van de Politie en de Stichting ervoor gezorgd dat hij van het ene op het andere moment het contact met zijn kinderen heeft verloren en hij geen feitelijke bijdrage heeft kunnen leveren aan de opvoeding en de verzorging van de kinderen. Ook stelt hij dat hem de mogelijkheid is ontnomen om van het verblijf van de kinderen in Nederland een succes te maken. [eiser] stelt dat hij hiervan verdriet heeft en levensvreugde derft en dat hij na het vertrek van de kinderen onder behandeling is geweest bij een psycholoog/coach. Volgens [eiser] is een bedrag van € 30.000 aan immateriële schadevergoeding passend, gelet op het door hem ondervonden leed, de omstandigheid dat de Politie en de Stichting hem niet serieus hebben genomen en de aard van de door hun gemaakte fouten.
2.32.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van objectief vast te stellen geestelijk letsel bij [eiser] . Zijn stelling dat hij verdriet heeft en levensvreugde derft en dat hij onder behandeling is geweest bij een psycholoog/coach, is onvoldoende om dit aan te nemen, ook al is het abrupte vertrek van de kinderen buiten hem om zonder twijfel een vreselijke ervaring geweest die invloed heeft gehad op het welzijn van [eiser] . Als bij [eiser] inderdaad sprake zou zijn van geestelijk letsel, dan had hij dit nader moeten onderbouwen. Dat heeft hij echter nagelaten. Een daarop gebaseerde vordering tot vergoeding van schade zal daarom worden afgewezen.
2.33.
Een ernstige schending van het uit artikel 8 EVRM voortvloeiende recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, dat onder meer inhoudt dat ouders samen moeten beslissen over de verzorging en opvoeding van een kind en over de hoofdverblijfplaats (zie onder meer EHRM 30 januari 2020, 57724/11), en de daarin gelegen aantasting van de persoonlijkheidsrechten van [eiser] , kan een zelfstandige grond voor toekenning van immateriële schade opleveren.
2.34.
De rechtbank is van oordeel van [eiser] door het onrechtmatig handelen van de Politie in zijn persoon is aangetast. [eiser] heeft moeten ondergaan dat de Politie de (minderjarige) kinderen, over wie hij het gezag had en die bij hem hun hoofdverblijfplaats hadden, midden in de nacht uit zijn woning heeft meegenomen zonder dat hij wist waar zij naartoe gingen en dat zij de volgende dag naar de VS zouden reizen. Ook heeft de Politie de kinderen zonder toestemming van [eiser] en/of van de kinderrechter en zonder [eiser] te horen over de mogelijkheid van tijdelijke opvang van de kinderen bij familie of vrienden overgebracht naar het hotel zodat zij vanuit daar Nederland konden verlaten. Daarbij is de Politie onterecht blindelings afgegaan op de informatie van Veilig Thuis over de rechtspositie van de kinderen. De Politie is hierbij haar bevoegdheden verre te buiten gegaan. Doordat [eiser] niet beschikte over de contactgegevens van Veilig Thuis heeft het hem de volgende ochtend veel tijd gekost om te achterhalen tot welke organisatie hij zich volgens mededeling van de Politie moest wenden, terwijl hij al die tijd volstrekt in het ongewisse was (gelaten) van de verblijfplaats van zijn kinderen. Toen Veilig Thuis hem uitsluitsel gaf, was het te laat en zaten de kinderen al in het vliegtuig. Dit moet worden aangemerkt als een ernstige en ontoelaatbare inbreuk op de rechten van [eiser] en op artikel 8 EVRM, dat strekt tot bescherming van het recht van ouders om gezag over hun minderjarige kinderen uit te oefenen. Het gaat hier immers om schending van de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven van [eiser] . Met deze inbreuk op artikel 8 EVRM heeft de Politie gehandeld in strijd met een van de meest fundamentele rechten van de burger in zijn verhouding tot de overheid (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO7721). Een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht, met rechtstreekse gevolgen voor [eiser] zelf, moet worden aangemerkt als een (ernstige) aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW.
2.35.
Het bestaan van psychische schade is voor het aannemen van deze aantasting niet vereist. Voldoende zijn in dit geval de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, het ernstig geschokte rechtsgevoel van de burger die zich, in de situatie dat de Politie haar werkzaamheden uitoefent, geconfronteerd ziet met een schending van zijn rechten als met ouderlijk gezag belaste ouder en een abrupt vertrek van de kinderen naar de VS zonder dat hij hiervan wist en zonder de gelegenheid om afscheid te nemen.
2.36.
Ook de onrechtmatige gedraging van de Stichting heeft naar het oordeel van de rechtbank geleid tot een aantasting in de persoon van [eiser] . De Stichting heeft hoogst onzorgvuldig gehandeld door onjuiste informatie over de rechtspositie van de kinderen te geven aan de Politie, terwijl zij wist dat op basis van die informatie werd geacteerd en bovendien op dusdanige wijze dat – zonder betrokkenheid van [eiser] en/of de kinderrechter – een onomkeerbare situatie zou ontstaan (zie r.o. 4.29 en 4.30 van het tussenvonnis). Het advies van Veilig Thuis is van doorslaggevend belang geweest voor de Politie in haar besluit om de kinderen mee te nemen uit de woning van [eiser] en over te brengen naar het hotel om vanuit daar af te reizen naar de VS, als gevolg waarvan [eiser] rechtstreeks op ernstige wijze in zijn fundamentele persoonsbelangen is getroffen. Dit levert een grond voor toekenning van immateriële schadevergoeding op.
2.37.
Hiermee komt de rechtbank toe aan de vraag wat een billijke vergoeding van de immateriële schade is, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin [eiser] is getroffen, de grond waarop aansprakelijkheid berust en de aard van de aan de Politie en de Stichting verweten gedragingen. Door de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het gezins- en familieleden als nader beschreven in r.o. 2.34 is [eiser] ernstig getroffen. Gezien deze omstandigheden is het aannemelijk dat [eiser] door deze inbreuk ongerustheid en spanning heeft ervaren. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat de inbreuk ertoe heeft geleid dat hij enkele jaren lang geen contact heeft gehad met de kinderen. [eiser] heeft niet toegelicht wanneer en welke pogingen hij heeft gedaan om het contact te herstellen en waarom dit niet tot een positief resultaat heeft geleid. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank wel aannemelijk acht dat de inbreuk het contact tussen [eiser] en de kinderen wel heeft bemoeilijkt en de band tussen hen heeft beschadigd. Daarbij komt dat [eiser] als gevolg van de inbreuk de mogelijkheid is ontnomen om met de kinderen afspraken te maken over hun verblijf in Nederland en een mogelijke terugkeer naar de VS. Daar staat echter tegenover dat de inbreuk (relatief) kort heeft geduurd. Rekening houdend met alle omstandigheden begroot de rechtbank de door [eiser] geleden immateriële schade in redelijkheid op een bedrag van € 3.500.
2.38.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat deze zaak niet goed te vergelijken is aan de door Politie aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:5062), waarin aan een vader een immateriële schadevergoeding van € 1.000 is toegekend vanwege onrechtmatig handelen door een instelling van Jeugdzorg in verband met de uithuisplaatsing van zijn kinderen. De aan die instelling verweten gedragingen zijn wezenlijk anders dan die van de Politie en de Stichting. De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geeft de rechtbank evenmin aanleiding om een hoger bedrag dan € 3.500 toe te kennen, laat staan het door [eiser] gevorderde bedrag van € 30.000. Het EHRM heeft een dergelijk bedrag in 2019 toegekend in een zaak waarin artikel 8 EVRM was geschonden vanwege de omstandigheid dat een tijdelijke uithuisplaatsing van de kinderen langer duurde dan tien jaar (EHRM 18 juli 2019, 37748/13). Met deze situatie is de onderhavige zaak evident niet vergelijkbaar. Hetzelfde geldt voor de recente uitspraak van het EHRM dat een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade wegens schending van artikel 8 EVRM in verband met de ontneming van ouderlijk gezag, passend is (EHRM 25 februari 2020, 68868/14).
Ad 5) Buitengerechtelijke incassokosten
2.39.
[eiser] vordert een bedrag van € 1.08,66 aan buitengerechtelijke incassokosten op basis van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.40.
Artikel 6:96 lid 3 BW bepaalt dat buitengerechtelijke incassokosten in een geval waarin een procedure is gevoerd, slechts op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen voor zover die betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 241 Rv bedoelde kosten, zoals die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, een vergoeding plegen in te sluiten. Onder deze verrichtingen valt al hetgeen de advocaat moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, de daarop eventueel te baseren rechtsvorderingen, en de proceskosten; feitenvergaring (gesprekken met de cliënt, bestudering van de door hem aangeleverde stukken); juridische analyse van de feiten (inclusief bestudering van literatuur en jurisprudentie); bewijsgaring (ondervraging van potentiële getuigen, recherche in openbare registers). Volgens vaste rechtspraak geldt de (herhaalde) toezending van een enkele eenvoudige brief waarin tot nakoming wordt aangemaand en veroordeling in de proceskosten wordt gevorderd, eveneens als verrichting die dient ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590).
2.41.
[eiser] voert aan dat zijn advocaat voorafgaand aan de instructie van de zaak heeft gecorrespondeerd met de (verzekeraar van de) Politie en de Stichting, besprekingen met [eiser] heeft gevoerd, het dossier heeft bestudeerd en informatie heeft ingewonnen. Hij verwijst in dit verband naar de in r.o. 2.39 en 2.40 van het tussenvonnis genoemde brieven van zijn advocaat, waarin de Politie en de Stichting aansprakelijk zijn gesteld.
2.42.
De rechtbank is, met de Politie en de Stichting, van oordeel dat de door [eiser] opgesomde werkzaamheden vallen onder de hiervoor genoemde verrichten en dus moeten worden aangemerkt als verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak als bedoeld in artikel 241 Rv. De advocaat van [eiser] heeft slechts één brief gestuurd naar (de verzekeraar van) de Politie en één brief naar de Stichting. Deze brieven zijn niet omvangrijk en moeten op één lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
Totale schade
2.43.
Gelet het vorenstaande begroot de rechtbank de schade die [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Politie en de Stichting heeft geleden op € 1.605,56 aan advocaatkosten en € 3.500 aan immateriële schade, dus totaal op € 5.105,56. Afhankelijk van de (hierna te beoordelen) vraag of sprake is van eigen schuld van [eiser] komt dit bedrag geheel of gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking.
2.44.
De Politie en de Stichting hebben geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde wettelijke rente, zodat deze als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar is.
Eigen schuld
2.45.
De Politie en de Stichting beroepen zich op eigen schuld van [eiser] aan het intreden van de schade. Dit beroep moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:101 lid 1 BW. Dit artikel geeft allereerst als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die primaire maatstaf houdt een causaliteitsafweging in, die in een geval als in deze zaak daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [eiser] en anderzijds het gedrag van de Politie en de Stichting aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het (nog) niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt pas aan de orde bij toepassing van de tevens in artikel 6:101 lid 1 BW vervatte billijkheidscorrectie, waarop hierna onder rechtsoverweging 2.51 zal worden ingegaan.
2.46.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat sprake was van een noodsituatie op het moment dat de Politie bij de woning arriveerde en de kinderen daar buiten met een (rug)tas aantrof (zie r.o. 4.24). Dat de Politie tot die conclusie kwam op basis van de verklaring van de kinderen over hoe [eiser] zich tegenover hen zou hebben gedragen, met name dat hij de zoon zou hebben geslagen en dat redelijk vaak sprake was van ruzie, maakt echter niet dat, zoals de Politie en de Stichting betogen, [eiser] het daarop volgende optreden van de Politie – dat hier heeft te gelden als het schadebrengende feit – over zichzelf heeft afgeroepen. Immers, [eiser] is niet gekend in het advies van Veilig Thuis en niet betrokken geweest bij de beslissing van de Politie om de kinderen vanuit zijn woning over te brengen naar het hotel om vanuit daar af te reizen naar de VS. Dat [eiser] niet uit eigen beweging als alternatief de mogelijkheid van tijdelijke opvang bij familie en vrienden naar voren heeft gebracht, is, anders dan de Politie en de Stichting stellen, dan ook niet verwijtbaar, te meer omdat het primair aan de Politie was om dit uit te zoeken. Dat [eiser] zich in de bewuste avond/nacht op een manier heeft gedragen die voor de Politie redelijkerwijs reden kon vormen de kinderen mee te nemen uit de woning en over te brengen naar het hotel, is niet komen vast te staan. Zelfs indien juist zou zijn dat [eiser] geen antwoord gaf op vragen van de Politie over wat er die bewuste avond was voorgevallen of deze vragen ontweek door het gesprek een andere wending te geven ( [eiser] betwist dit), zoals de Politie en de Stichting aanvoeren, dan is dit onvoldoende, juist omdat [eiser] uiteindelijk wel een verklaring heeft afgelegd. Dat die verklaring over de gebeurtenissen die bewuste avond en over de verstandhouding tussen [eiser] en de kinderen afweek van de verklaring die de kinderen tegenover de Politie hadden afgelegd (en waarvan de zoon in zijn latere door [eiser] in het geding gebrachte verklaring heeft gezegd dat die, in elk geval op het punt van de mishandeling, onjuist was), maakt dit niet anders. Integendeel, die omstandigheid had voor de Politie juist aanleiding moeten zijn om geen onomkeerbare situatie te creëren maar alle betrokkenen – [eiser] , de kinderen en de moeder – de ruimte te geven om onderling een oplossing te zoeken en afspraken te maken of om de kwestie voor te leggen aan de kinderrechter.
2.47.
De omstandigheid dat [eiser] in de ochtend van 15 september 2016, toen de kinderen voor de eerste keer hun wens om terug te keren naar de VS kenbaar maakten, of in de avond niet meteen heeft ingestemd met die wens en een ticket heeft geboekt, kan hem evenmin worden toegerekend. In een situatie waarin kinderen aan het wennen zijn in een ander land kan dit immers niet worden verlangd van een ouder en ligt het veel meer voor de hand om met het kind in gesprek te gaan en nadere afspraken te maken (zie r.o. 4.46 tussenvonnis). In dit laatste is [eiser] weliswaar die dag niet geslaagd, maar daarbij dient te worden bedacht dat hij hiervoor vanwege school en sportactiviteiten van de kinderen beperkte gelegenheid en tijd had (de kinderen kwamen pas rond 22.00 uur thuis), dit nog niet eerder onderwerp van gesprek was geweest en – zo heeft [eiser] onweersproken naar voren gebracht – de kinderen zich niet in dezelfde positie bevonden (zo kampte de zoon met psychische problemen waarvoor hij in Nederland behandeld kon worden). Niet is komen vast te staan dat de situatie in de nacht van 15 september 2016, ook nadat [eiser] zijn zoon had aangeraakt, dermate onhoudbaar was dat de kinderen hoe dan ook zouden vertrekken (zie r.o. 4.46 tussenvonnis). Dat [eiser] onder die omstandigheden de paspoorten van de kinderen heeft ingenomen, is hem dan ook niet aan te rekenen. Om diezelfde reden volgt de rechtbank de Politie en de Stichting niet in hun stelling dat de omstandigheid dat [eiser] niet heeft geprobeerd om op 15 september 2016 (of eerder) met de moeder een oplossing te zoeken, heeft geleid tot het ontstaan van de schade van [eiser] .
2.48.
De rechtbank is, met de Politie en de Stichting van oordeel, dat [eiser] onvoldoende heeft gedaan om in de ochtend van 16 september 2016 de verblijfplaats van de kinderen te achterhalen. Weliswaar had de Politie niet mogen volstaan met het enkel noemen van de naam Veilig Thuis, althans SAVE, zonder opgave van contactgegevens en zonder die naam te spellen, maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] , toen het hem niet snel en eenvoudig lukte om te achterhalen bij welke organisatie hij moest zijn – uit de klachtbrief van [eiser] van 10 april 2017 blijkt dat hij pas om 11.00 uur heeft gesproken met een medewerker van Veilig Thuis – contact heeft opgenomen met de Politie, de moeder of de kinderen zelf. Gelet op de wens van de kinderen en de moeder om terug te gaan naar de VS en de omstandigheid dat de Politie de paspoorten van de kinderen had meegenomen, had het op de weg van [eiser] gelegen om uit voorzorg contact op te nemen met de luchthaven Schiphol. Ook dat heeft hij echter nagelaten. Daarbij komt dat uit de specificatie van de factuur van [B] van 3 oktober 2016 blijkt dat [eiser] al in de middag van 15 september 2016 de hulp van [B] heeft ingeschakeld en dat zij elkaar toen 1,4 uur telefonisch hebben gesproken. Uit de omstandigheid dat betaling van deze uren wordt gevorderd, kan worden afgeleid dat dit telefoongesprek betrekking had op de kwestie met de kinderen. Van [eiser] mocht daarom worden verlangd dat hij de hulp van [B] had ingeroepen om te achterhalen waar de Politie de kinderen naartoe had gebracht. Uit de specificatie van de factuur van [B] blijkt dat [eiser] weliswaar op 16 september 2016 per e-mail contact heeft gehad met [B] , maar gesteld noch gebleken is dat dit ging over het lokaliseren van de kinderen. De rechtbank acht niet uitgesloten dat indien [eiser] al in de ochtend had geweten waar de kinderen verbleven hij, al dan niet via tussenkomst van de kinderrechter, had kunnen voorkomen dat de kinderen die dag zouden afreizen naar de VS.
2.49.
De rechtbank heeft hiervoor in r.o. 2.37 overwogen dat de immateriële schade van [eiser] onder meer gelegen is in de omstandigheid dat de onrechtmatige gedragingen van de Politie en de Stichting ertoe hebben geleid dat het contact tussen [eiser] en de kinderen is verslechterd. De Politie en de Stichting betogen dat [eiser] niets heeft ondernomen om in de weken na het vertrek van de kinderen het contact met de kinderen te herstellen. [eiser] heeft dit betwist. Volgens hem heeft hij wel degelijk geprobeerd om het contact en de band met de kinderen te herstellen, maar ging dat aanvankelijk stroef en heeft hij het daarna even laten rusten en vervolgens weer geprobeerd. Ook was het volgens hem onhaalbaar dat de kinderen zouden terugkeren naar Nederland. De rechtbank is, met de Politie en de Stichting, van oordeel dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet toegelicht wat en wanneer hij concreet heeft gedaan om het contact te herstellen en om de kinderen te laten terugkeren naar Nederland en waarom dit niet tot het door hem gewenst resultaat leidde. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Politie en de Stichting had dit wel van hem verlangd mogen worden. Hij heeft hiervoor ook voldoende de gelegenheid gehad. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [eiser] onvoldoende heeft gedaan om het contact met de kinderen te herstellen en daarmee zelf heeft bijgedragen aan zijn immateriële schade.
2.50.
De rechtbank is van oordeel dat de fouten van [eiser] minder zwaar wegen dan de fouten van de Politie en de Stichting waardoor zij onrechtmatig hebben gehandeld. De vergoedingsplicht van de Politie en de Stichting zal daarom met 15 procent worden verminderd, zodat 85 procent van de schade van [eiser] door de Politie en de Stichting moet worden vergoed.
2.51.
Thans komt de vraag aan de orde of – eveneens op de voet artikel 6:101 lid 1 BW – een andere verdeling van de schadevergoedingsplicht op zijn plaats is, zoals [eiser] aanvoert. Dat is het geval indien de billijkheid dit, gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken, eist. Daarbij moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval.
2.52.
Nu de mate waarin de Politie en de Stichting hebben bijgedragen aan de schade van [eiser] groter wordt geacht en de door hen gemaakte fouten ernstiger komt de rechtbank, ook gelet op de bijzondere functie die de Politie en de Stichting in de samenleving hebben, tot het oordeel dat de billijkheid in dit geval eist dat de schadevergoedingsplicht van de Politie en de Stichting geheel in stand blijft.
2.53.
De rechtbank overweegt tot besluit nog dat voor zover de Stichting wil betogen dat [eiser] eigen schuld heeft aan de omvang van de schade doordat hij zijn uit artikel 6:101 BW voortvloeiende schadebeperkingsplicht heeft geschonden, dat zij dit onvoldoende heeft onderbouwd, nu zij geen andere omstandigheden heeft genoemd dan die zij aan haar beroep op eigen schuld aan het intreden van de schade ten grondslag heeft gelegd (en die hiervoor al zijn beoordeeld). Dit betoog faalt dan ook.
Slotsom en proceskosten
2.54.
De slotsom is dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals hierna in het dictum bepaald en dat de Politie en de Stichting hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.105,56, vermeerderd met rente en kosten.
2.55.
Hoewel de vordering tot schadevergoeding van [eiser] voor een behoorlijk deel zal worden afgewezen, zal de rechtbank de Politie en de Stichting toch geheel in de kosten van de procedure veroordelen. Omdat [eiser] op het punt van de aansprakelijkheidsvraag het gelijk aan zijn zijde heeft acht de rechtbank de Politie en de Stichting de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde [eiser] op € 4.336,22, waarvan € 895 aan griffierecht, € 219,22 aan deurwaarderskosten en € 3.222 aan salaris advocaat (3 punten à € 1.074 volgens tarief IV). De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
2.56.
Voor de door [eiser] gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de Politie en de Stichting in vereniging en/of ieder voor zich tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en uit dien hoofde verplicht zijn de schade die hij lijdt en geleden heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden;
3.2.
veroordeelt de Politie en de Stichting hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.605,56, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 3.500, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 september 2016 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt de Politie en de Stichting hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 4.336,22 aan tot heden gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.4.
begroot de door [eiser] nog te maken nakosten op € 157, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.5.
verklaart de veroordelingen onder 3.2, 3.3 en 3.4 uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter, bijgestaan door mr. A.N. Kikkert als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020.
Uitspraak 10‑07‑2019
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Onrechtmatige daad van de Politie en Stichting Samen Veilig Midden-Nederland tegenover de vader van twee (destijds) minderjarige kinderen in verband met hun vertrek uit Nederland zonder zijn toestemming.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/557718 / HA ZA 18-870
Vonnis van 10 juli 2019
in de zaak van
[eiser] , te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. E.F. Muller te Deventer,
tegen
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE POLITIE, te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. E.P. Ceulen te Arnhem,
2. de stichting STICHTING SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, te Utrecht ,
gedaagde,
procesadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
behandelend advocaat: mr. E. Lam te Amsterdam
Partijen zullen hierna [eiser] , de Politie en de Stichting genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de aan de Politie op 26 juli 2018 betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 17;
- -
de aan de Stichting op 23 juli 2018 betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 17;
- -
de conclusie van antwoord aan de zijde van de Politie met producties 1 tot en met 9;
- -
de conclusie van antwoord aan de zijde van de Stichting met producties 1 tot en met 10;
- -
de op 14 maart 2019, 18 maart 2019 en 25 maart 2019 door mr. Muller ingediende B-16 formulieren met producties 18 tot en met 23;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 28 maart 2019.
1.2.
Het proces-verbaal van de comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiser] en de politie hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. De brieven van 26 april 2019 en 2 mei 2019 zijn aan het proces-verbaal gehecht. Het proces-verbaal wordt met inachtneming daarvan gelezen.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
Relatie tussen [eiser] en [de dochter] en [de zoon]
2.1.
[eiser] is gehuwd geweest met [de moeder] (hierna ook: de moeder). Uit dit huwelijk zijn in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) geboren [de dochter] en [de zoon] (beiden op [geboortedatum 1] ), die hierna zullen worden aangeduid als de dochter respectievelijk de zoon en tezamen als de kinderen. De kinderen bezitten zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit.
2.2.
Op 28 januari 2005 heeft het Superior Court te Connecticut, VS, de beschikking van de echtscheiding tussen [eiser] en de moeder afgegeven. De afspraken die zij in het kader van de echtscheiding met elkaar hebben gemaakt, zijn vastgelegd in een overeenkomst van dezelfde datum (hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst is bekrachtigd door het Superior Court. Een van de afspraken luidt als volgt:
“1. The parties shall share joint legal custody of the three minor children, whose primary residence shall be with the plaintiff (de moeder, rb.), subject to the defendant’s ( [eiser] , rb.) reasonable rights of visitation, as previously agreed and ordered”.
2.3.
[eiser] is na de echtscheiding teruggekeerd naar Nederland, waar zijn familie (onder wie zijn moeder) woont. De kinderen zijn bij hun moeder in de VS gebleven en zij hebben contact gehouden met [eiser] . Zij verbleven jaarlijks in de zomer één maand in Nederland en wekelijks vond contact via skype plaats.
2.4.
De Amerikaanse advocaat van [eiser] , mevrouw [de advocaat] , heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2019 aan [eiser] het volgende verklaard over de echtscheiding:
“I have been your family law attorney since the dissolution of your marriage action in 2004-2005. As part of that case, you and your former wife were awarded joint legal custody of your minor children. That order remains in full force and effect, as it was never modified.”
Komst van de kinderen in Nederland
2.5.
In de zomer van 2016 hebben de kinderen kenbaar gemaakt aan [eiser] en de moeder dat zij naar Nederland wilden komen.
2.6.
Op 10 respectievelijk 11 augustus 2016 hebben [eiser] en de moeder een formulier van de [de Gemeente] ondertekend waarmee zij toestemming hebben gegeven voor het aanvragen van een Nederlands paspoort voor de (toen nog minderjarige) kinderen.
2.7.
Op 21 augustus 2016 zijn de kinderen aangekomen in Nederland.
2.8.
Op 23 augustus 2016 heeft [eiser] de kinderen op zijn woonadres ingeschreven in de basisregistratie personen van de [de Gemeente] . De kinderen zijn met ingang van 31 augustus 2016 ingeschreven op school en daarnaast lid geworden van een volleybal- respectievelijk tennisvereniging.
2.9.
Op 27 augustus 2017 heeft de moeder, op verzoek van [eiser] , de volgende verklaring met betrekking tot de kinderen afgegeven en ondertekend:
“Re: Approval Residential Shared Custody
To Whom It May Concern
With this letter, I [de moeder] , (…), would like it to be known that it is with my expressed consent that the hereafter mentioned children travelled to the Netherlands on Sunday, August 21st. 2016, to reside and live with their father.
Child 1:
[de dochter]
(…)”
Child 2:
[de zoon]
(…)
Father:
[eiser]
(…)
Residential Address (father):
[adres 1]
[postcode en plaats]
The Netherlands
In anticipation that the request at hand can be processed with this letter and the information contained within. (…)”
2.10.
De kinderen zijn op school gestart en zijn ook begonnen met sporten.
Gebeurtenissen op 15 september 2016
2.11.
In de ochtend van 15 september 2016 heeft de dochter aangegeven dat zij terug wilde naar de VS. [eiser] liet weten daar geen toestemming voor te geven. De kinderen zijn daarop naar school gegaan.
2.12.
Om omstreeks 09:00 uur heeft de moeder telefonisch contact opgenomen met [eiser] en geëist dat de kinderen per direct naar de VS zouden reizen. [eiser] ging hiermee niet akkoord.
2.13.
Om omstreeks 09:30 uur heeft de moeder contact gezocht met de Politie en toen gesproken met de heer [A] , een Operationeel Coördinator. Het mutatierapport van de Politie van 11 oktober 2016 (hierna: het Mutatierapport) vermeldt hierover:
“Een Engelssprekende mevrouw uit de USA genaamd
[de moeder] van [geboortedatum 2]
Tel: [telefoonnummer 1]
belde in met het verhaal dat zij een ex heeft die in [plaats 2] woont. Deze ex is [eiser] van [geboortedatum 3]
[adres 1]
Samen hebben ze een tweeling. [de zoon] en [de dochter] van [geboortedatum 1] . Volgens de meldster wonen de kinderen in de USA maar zij(n, rb.) ze nu tijdelijk bij vader om een band op te bouwen. Onlangs werd meldster gebeld dat de tweeling terug wilde naar de USA maar dat ze niet weg mochten van vader. Kinderen waren bang volgens meldster. De tweeling staat sinds
23-08-2016 GBA ingeschreven op genoemd adres.
Tel. [de dochter] : [telefoonnummer 2]
Tel. [de zoon] : [telefoonnummer 3]
De tweeling zit op een internationale school, [X] op de [adres 2] .
Volgens meldster was vader in de tijd dat ze samenwoonden in de USA bekend bij politie en was hij soms agressief. Hij zou ooit een mes op zijn eigen keel hebben gezet. Niet duidelijk hoe lang dit geleden is. In BVI-IB geen bijzonderheden te vinden over deze man, behoudens rijden onder invloed uit 2010.”
2.14.
[A] heeft vervolgens contact opgenomen met de zoon om meer te weten te komen over de situatie. Het Mutatierapport vermeldt over dit gesprek het volgende: “Ik kan het moeilijk helder krijgen in welke mate vader de tweeling belemmert om terug te gaan naar de USA en wat nu werkelijk het probleem is (of er sprake is van strafbare feiten). Duidelijk is wel dat de tweeling terug wil. Dat hebben ze al uitgesproken tegen hun vader.”
2.15.
Om omstreeks 13:00 uur heeft de moeder opnieuw contact opgenomen met [A] . In het Mutatierapport staat over dit gesprek het volgende vermeld:
“(…) sprak ik [de moeder] opnieuw, of er al iets meer bekend was. Ze ziet het liefst haar kinderen vanavond nog naar huis toe komen. Mevrouw is bezorgd en een terugkoppeling wordt op prijs gesteld. [de moeder] is bereikbaar op het hierboven genoemde nummer (denk wel even aan het feit dat het in de USA gemiddeld 6 uur later is).”
2.16.
[A] heeft diezelfde middag contact gezocht met de heer [B ] van de Buurtteamorganisatie Sociaal [plaats 1] (hierna: het buurtteam). Een buurtteam biedt hulp aan jeugdigen en gezinnen bij opgroeien en opvoeden. Hij heeft hem de casus voorgelegd en gevraagd om advies. Het Mutatierapport vermeldt hierover het volgende:
“Hij raad[t, rb.] aan om mevrouw te verwijzen naar Veilig Thuis / Save. Daar hebben ze alle know how omtrent de zeggenschap etc. Ook mede gezien het feit dat de kinderen 16 jaar zijn en ze dus in NL eigen zeggenschap hebben vwb de keuze bij wie ze willen wonen.”
Daarop heeft [A] zijn collega, de heer [C] , verzocht om de volgende dag contact op te nemen met de moeder.
2.17.
Veilig Thuis is het advies- en meldpunt voor alle vragen en zorgen omtrent huiselijk geweld, kindermishandeling en oudermishandeling (het AMHK). Zij heeft een crisisdienst die buiten de reguliere kantoortijden bereikbaar is. Veilig Thuis werkt samen met de jeugdhulpverleningsorganisatie SAVE. Beide zijn onderdeel van de Stichting.
2.18.
Om omstreeks 22:00 uur, kort nadat de kinderen thuiskwamen van het sporten, zag [eiser] de zoon met een koffer in de woonkamer lopen. Hij is toen met zijn zoon gaan praten om na te gaan wat zijn intentie was, maar die wilde daar niet veel over zeggen. Hij is daarop naar zijn dochter gegaan en heeft tegen haar gezegd dat over een terugkeer van haar naar de VS kon worden gesproken maar dat hij het niet verstandig vond dat ook de zoon zou teruggaan. Vervolgens is hij weer met de zoon gaan praten. Daarbij raakte hij op enig moment zijn zoon aan. Nadat zij nog een tijdje met elkaar hebben gesproken, is [eiser] naar zijn slaapkamer gegaan en in slaap gevallen.
2.19.
Rond 23:00 uur heeft de moeder bij de Politie een telefonische melding gedaan van mishandeling van de zoon door [eiser] . Hierop zijn twee eenheden van de Politie, Operationeel Commandant de heer [Operationeel Commandant] met een collega agent, de heer [agent 1] , en twee andere agenten, de heren [agent 2] en [agent 3] , met spoed naar de woning van [eiser] gestuurd, waar op dat moment ook de drie minderjarige kinderen van de partner van [eiser] aanwezig waren.
2.20.
Bij aankomst bij de woning, rond 23:15 uur, trof de Politie de kinderen met een (rug)tas buiten aan. [agent 2] en [agent 3] hebben de kinderen meegenomen de politiebus in, terwijl [Operationeel Commandant] en [agent 1] de woning binnen gingen om met [eiser] te praten. De zoon vertelde [agent 2] en [agent 3] dat hij was geslagen door zijn vader, maar dat hij daarvan geen aangifte wilde doen. De kinderen gaven aan dat zij terug wilden naar de VS, omdat zij geen klik met [eiser] hadden en zij redelijk vaak ruzie met hem maakten, en dat zij geen mogelijkheid hadden om tijdelijk bij familie te logeren. In zijn gesprek met [Operationeel Commandant] en [agent 1] ontkende [eiser] dat er ruzie was geweest tussen hem en de kinderen. [eiser] vertelde dat hij zijn zoon een goedbedoelde tik had gegeven. Hij gaf aan dat hij met de moeder het gezamenlijk gezag over de kinderen had en vroeg [Operationeel Commandant] en [agent 1] in dat verband om kennis te nemen van de echtscheidingsbeschikking. [Operationeel Commandant] besloot dit niet te doen. Ter gelegenheid van de op 13 april 2018 gehouden hoorzitting van de Commissie voor de politieklachten van de Eenheid Midden-Nederland (hierna: de Commissie) (zie rov. 2.35) heeft hij hierover het volgende verklaard:
“(…) SAVE toetst het ouderlijk gezag. Klager wilde dat de politie in zijn woning stukken inzag. Dat is een heel dossier. Dat kan ’s nachts niet worden doorgenomen. Bovendien kunnen stukken verouderd zijn. Betrokkenen wisten niet welke stukken de ex-vrouw van klager in haar bezit had. Daarnaast liepen de kinderen al de woning uit. Dan is sprake van een crisissituatie.”
[eiser] heeft verder onder druk van de Politie de paspoorten van de kinderen moeten afgeven.
2.21.
[agent 2] heeft de van de kinderen verkregen informatie teruggekoppeld aan [Operationeel Commandant] . [Operationeel Commandant] constateerde dat het verhaal van de kinderen en [eiser] niet op elkaar aansloot, dat mogelijk sprake was van mishandeling, dat geen mogelijkheid bestond om [eiser] aan te houden, dat de kinderen bang waren en niet bij [eiser] wilden blijven. [Operationeel Commandant] ging ervan uit dat de kinderen niet tijdelijk bij familie terecht konden. Hij heeft toen contact opgenomen met de crisisdienst van Veilig Thuis. Hij kreeg mevrouw [D] aan de lijn. [D] heeft in het door haar ingevulde overdrachtsformulier het volgende genoteerd over de aanleiding voor dit contact:
“Politie belt en vraagt om advies. Politie is bij een woning in […] waar een tweeling van 16 jaar bij hun vader woont, een jongen en een meisje. De jongen zou van zijn vader een klap hebben gehad. De politie vertelde dat ze sinds kort bij hun vader en zijn partner wonen en ze vader de afgelopen jaren alleen een maand per jaar in de vakantie hebben gezien. Ze woonden bij moeder in Amerika. Het plan is dat ze nu een poos bij vader zouden gaan wonen. Nu het incident heeft plaatsgevonden zeggen de jongeren terug te willen naar hun moeder in Amerika en dus niet meer bij vader te willen blijven. Politie vraagt wat te doen nu.”
2.22.
[Operationeel Commandant] heeft de situatie aan [D] uitgelegd en hij heeft haar gevraagd om ter plaatse te komen om de zorg van de kinderen over te nemen. [D] gaf aan dat dit niet mogelijk was. Vervolgens hebben [Operationeel Commandant] en [D] gesproken over het onderbrengen van de kinderen in een crisisopvang. Dat was volgens [D] niet gewenst, omdat dat zou betekenen dat de kinderen waarschijnlijk van elkaar gescheiden zouden worden en het grote impact op hen zou hebben. [D] adviseerde om de kinderen tijdelijk op te vangen bij familie. Omdat dit volgens [Operationeel Commandant] gelet op de informatie van de kinderen niet mogelijk was, heeft hij contact opgenomen met de moeder om te informeren naar alternatieven. De moeder gaf aan dat een kennis van haar stage zou lopen in Den Haag, maar dat de kinderen die kennis niet kenden en dat de kennis ook geen ruimte voor hen had. [Operationeel Commandant] heeft vervolgens overleg met [D] gezocht en met haar gesproken over de wens van de kinderen en de moeder om de kinderen terug te laten gaan naar de VS, nu ook de moeder [Operationeel Commandant] had laten weten dat zij een ticket voor de kinderen zou boeken en had voorgesteld om de kinderen in een hotel in de buurt van het vliegveld onder te brengen. [Operationeel Commandant] heeft, in het kader van het nadere onderzoek van de Commissie, op 10 september 2018 het volgende verklaard over de reactie van [D] :
“(…) Mevrouw [D] vertelde mij dat gezien het feit dat de kinderen 16 jaar oud zijn, zij zelf mogen bepalen bij wie zij willen wonen. Zij vertelde mij dat vader heeft hierdoor geen recht om de kinderen bij zich te houden. Dit verbaasde mij enigszins, maar ik had op dat moment geen reden om daaraan te twijfelen aangezien SAVE op dat gebied de expertise behoort te hebben. (…)”
Het overdrachtsformulier van [D] vermeldt hierover het volgende:
“Welk advies heb je gegeven? Welke actie is gedaan? Wat heb je afgesproken?
1. De jongeren zijn 16+ en wanneer ze niet bij vader willen blijven mogen ze hier wettelijke gezien zelf keuzes in maken.
(…)
3. Met de politie heb ik afgesproken dat zij de zorg hebben dat de kinderen in het hotel komen en checken of ze met de vlucht mee gaan.”
2.23.
Na ruggespraak te hebben gehouden met de dienstdoende hulpofficier van justitie heeft [Operationeel Commandant] in overleg met de moeder voor de kinderen een kamer geregeld in het IBIS budget hotel in [plaats 3] en met het hotelpersoneel afgesproken dat zij de kinderen in de gaten zouden houden en ervoor zouden zorgen dat de kinderen de volgende dag de shuttlebus naar luchthaven Schiphol zouden nemen. De Politie heeft de kinderen vervolgens naar het hotel gebracht, waar zij de nacht konden doorbrengen, terwijl de moeder ondertussen tickets regelde voor een vlucht die de volgende dag (16 september 2016) om 14:00 uur zou vertrekken. De Politie heeft de kinderen de instructie gegeven om in geval van problemen met haar contact op te nemen.
2.24.
Bij het verlaten van de woning heeft [Operationeel Commandant] (of een zijn collega’s) niet gezegd tegen [eiser] waar de kinderen naar toe gingen. Hij heeft [eiser] medegedeeld dat hij de volgende dag contact kon opnemen met SAVE en hem verwezen naar de website van SAVE zonder dat woord te spellen en zonder het websiteadres te vermelden.
Gebeurtenissen op 16 september 2016
2.25.
De volgende dag, 16 september 2016 om 09:21 uur, heeft de Politie per e-mail bij Veilig Thuis een melding van huiselijk geweld gedaan. Deze melding hield het volgende in:
“Datum melding: 15-9-2016
Datum incident: 15-9-2016
(…)
“Omschrijving incident en pleeglocatie:
Onverwachte wending in het verhaal [agent 2] , [agent 3] , [agent 1] en [Operationeel Commandant] : Belde moeder vanuit Amerika dat zij berichtjes kreeg van haar zoon dat hij vanavond was geslagen door zijn vader. De kinderen zouden erg bang zijn en weg willen. Hierop direct TP gegaan. Tp zagen rapps beide kinderen nog net de woning uit vluchten. [de zoon] vertelde dat hij vanavond geslagen was op zijn schouder. Hij wilde geen aangifte doen en wilde alleen maar naar huis. Geen zichtbaar letsel bij [de zoon] . De partner van de vader troffen rapps in haar badjas in de achtertuin aan. Zij reageerde verbaasd (gespeeld?) en vertelde dat er niets aan de hand was. Het duurde ook enige tijd voordat vader beneden was en reageerde ook verbaasd. Volgens beiden was er niets gebeurd. Rapps hadden een slecht gevoel bij het verhaal van hen. Hierop de partner en vader van elkaar gescheiden. Vader praatte heel veel en ontweek alle vragen over wat er vanavond was gebeurd. Na lang aandringen vertelde hij dat er wel wat was gebeurd en dat hij zijn zoon een kleine goedbedoelde tik op de schouder had gegeven. Vader bleef ontkennen dat er ruzie was geweest. Vreemd, want kinderen en vader hadden twee verschillende verhalen. De kinderen waren bang en wilde absoluut niet meer bij vader zijn. Hierop contact gezocht met spoedlijn van SAVE. Gesproken met [D] . Omdat de kinderen 16 jaar zijn mogen zij zelf bepalen bij wie zij willen wonen. Vader heeft hierdoor geen recht om de kinderen bij zich te houden. Een plaatsing in een crisisplek zou betekenen dat de tweeling van elkaar gescheiden zou worden en dat de locatie van plaatsing vermoedelijk grote impact op de kinderen zou hebben. Zij adviseerde tussentijdse oplossing bij familie. Aangezien dat geen optie was is in overleg met de moeder en met [D] door rapps een kamer geregeld in het IBIS budget Hotel in [plaats 3] . Het IBIS verhuurt eigenlijk geen kamers aan minderjarigen maar maakte een uitzondering vanwege het verzoek van de politie. Het IBIS was goed meewerkend en zou de tweeling in de gaten houden. Vader gaf aan dat zijn zoon psychische problemen heeft en dat hij daarvoor in Amerika geen behandeling voor krijgt. Hij wil dat zijn zoon hier in Nederland behandeld wordt. Vader haalde ook aan dat hij voor 50% de voogdij heeft. Moeder beweerde aan de telefoon dat zij 100% voogdij heeft. Vader wilde ook liever niet de paspoorten van de kinderen geven. Vader duidelijk gemaakt dat het achterhouden van het paspoort geen optie was. Hierop gaf hij dan toch het paspoort. De tweeling is door rapps bij het IBIS hotel afgezet. Vanaf het hotel gaat er regelmatig een shuttle naar schiphol. Het personeel zou ervoor zorgen dat de tweeling op de shuttle zouden komen. Door moeder was er ondertussen een vlucht geregeld terug naar Amerika. Betrof een vlucht met Iceland Air met vluchtnummer [nummer 1] . Reserveringsnummer: [nummer 2] . De vlucht vertrekt 16-09 om 14.00 uur. De tweeling duidelijk meegegeven dat ze bij problemen de politie moesten bellen. De tweeling is behoorlijk wereldwijs en aangezien ze al eerder alleen gereisd hebben gaat dit ook goed komen. Des ondanks het verzoek aan de dagdienst om moeder rond een uur of 12 te bellen of alles goed verloopt. De tweeling heeft weliswaar een telefoon, maar deze werkt niet in Nederland. Via een wifiverbinding kunnen zij echter wel contact houden met moeder. Moeder is te bereiken op + [telefoonnummer 1] . UTRO3572 15/9/16 Rapp aangaande casus gesproken met [B ] van het Buurtteam. Hem de casus voorgelegd en gevraagd naar zijn advies. Hij raadt aan om mevrouw te verwijzen naar Veilig Thuis/Save. Daar hebben ze alle know how omtrent de zeggenschap etc. Ook mede gezien het feit dat de kinderen 16 zijn en ze dus in NL eigen zeggenschap hebben vwb de keuze bij wie ze willen verblijven. Rapp heeft gezien het tijdstip (en het tijdsverschil) het verzoek bij coll [C] neergelegd om morgen overdag te bellen met mevrouw en haar het nummer te geven van Save tw [telefoonnummer 4] .
Vandaag op 15-09-2016 omstreeks 09:30 uur een telefoontje gekregen van het RCS over het volgende:
Een Engelssprekende mevrouw uit de USA genaamd
[de moeder] van [geboortedatum 2]
Tel: [telefoonnummer 1]
Belde in met het verhaal dat zij een ex heeft die in [plaats 2] woont. Deze ex is [eiser] van [geboortedatum 3]
[adres 1]
Samen hebben ze een tweeling. [de zoon] en [de dochter] van [geboortedatum 1] . Volgens de meldster wonen de kinderen in de USA maar zijn ze nu tijdelijk bij vader om een band op te bouwen. Onlangs werd meldster gebeld dat de tweeling terug wilde naar de USA maar dat ze niet weg mochten van vader. Kinderen waren bang volgens meldster. De tweeling staat sinds 23-08-2016 GBA ingeschreven op genoemd adres.
Tel. [de dochter] : [telefoonnummer 2]
Tel. [de zoon] : [telefoonnummer 3]
De tweeling zit op een internationale school, [X] op de [adres 2] .
Volgens meldster was vader in de tijd dat ze samenwoonden in de USA bekend bij politie en was hij soms agressief. Hij zou ooit een mes op zijn eigen keel hebben gezet. Niet duidelijk hoe lang dit geleden is. In BVI-IB geen bijzonderheden te vinden over deze man, behoudens rijden onder invloed.
Zojuist heb ik [de zoon] gesproken om meer te weten te komen over de situatie. Ik kan het moeilijk helder krijgen in welke mate de vader de tweeling belemmert om terug te gaan naar de USA en wat nu werkelijk het probleem is (of er sprake is van strafbare feiten). Duidelijk is wel dat de tweeling terug wil. Dat hebben ze al uitgesproken tegen hun vader. op 15-09-2016 omstreeks 13:00 uur sprak ik [de moeder] opnieuw, of er al iets meer bekend was. Ze ziet het liefst haar kinderen vanavond nog naar huis toe komen. Mevrouw is bezorgd en een terugkoppeling wordt op prijs gesteld. [de moeder] is bereikbaar op het hierboven genoemde nummer (denk wel even aan het feit dat het in de USA gemiddelde 6 uur later is).”
De melding is afgesloten met opgave van de gegevens van de kinderen en [eiser] , waaronder hun naam en telefoonnummer.
2.26.
In de ochtend heeft [eiser] , die in de veronderstelling verkeerde dat hij bij een instantie genaamd SAFE moest zijn, na diverse telefoontjes en zoekopdrachten via het internet contact opgenomen met SAVE, althans Veilig Thuis. Hem werd medegedeeld dat hij moest wachten op informatie over de kinderen totdat een casushouder zou zijn aangesteld.
2.27.
Eveneens die ochtend heeft [C] van de Politie gebeld met de moeder. Het Mutatierapport vermeldt hierover: “Was enorm opgelucht dat haar kinderen weg zijn bij vader en waardeerde het enorm dat er nog even gebeld werd. Wilde nogmaals de collega’s heel erg bedanken voor hun hulp. [de zoon] en [de dochter] hadden goed geslapen en waren nu op de luchthaven aan het wachten op vertrek naar Amerika”.
2.28.
De kinderen zijn om 14.00 uur met het vliegtuig vertrokken naar de VS.
2.29.
Veilig Thuis heeft de melding van de Politie in de middag in behandeling genomen en een casushouder aangesteld. Rond 14:15 uur heeft de casushouder telefonisch contact opgenomen met [eiser] om hem te informeren over de situatie en te vertellen dat de kinderen inmiddels onderweg waren naar de VS. De casushouder heeft dezelfde dag een triage (het nemen van een besluit over de nodige vervolgstappen naar aanleiding van een melding en over welke instelling of professional de verantwoordelijkheid gaat nemen voor de uitvoering van die vervolgstappen, rb.) uitgevoerd en ook direct afgerond. Omdat zij de kans klein achtte dat een vergelijkbaar incident zich zou herhalen (omdat de kinderen niet meer bij vader waren), heeft de casushouder geadviseerd om de zaak te verwijzen naar het lokale team (dat werkzaam is in de wijk waar de betrokkene woonachtig is, rb.) om met [eiser] te bespreken of dit team nog iets zou kunnen betekenen voor het contact tussen hem en de kinderen.
Gebeurtenissen na 16 september 2016, klachtprocedures en aansprakelijkstellingen
2.30.
Op 20 september 2016 heeft Veilig Thuis aan de Politie en aan [eiser] bericht dat zij heeft besloten om de door de Politie op 16 september 2016 gedane melding over te dragen aan het lokale team en dat haar betrokkenheid hiermee zou eindigen.
2.31.
Op 11 oktober 2016 heeft in aanwezigheid van een wijkagent van de Politie een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen het buurtteam en [eiser] .
2.32.
Op 3 november 2016 heeft [eiser] met een beroep op artikel 279 Wetboek van Strafrecht (Sr) aangifte gedaan van het opzettelijk onttrekken van de twee kinderen uit de ouderlijke macht. Naar aanleiding van die aangifte heeft de Politie op 4 november 2016 een melding gedaan bij Veilig Thuis. Die melding is een aantal dagen later afgesloten op basis van de overweging dat het de vraag is in hoeverre [eiser] een hulpvraag heeft nu hij een juridische procedure aan het starten is. Veilig Thuis heeft [eiser] op 10 november 2016 bericht dat de door de Politie gedane melding is overgedragen aan het lokale team.
2.33.
Op 10 april 2017 heeft [eiser] , althans zijn toenmalig advocaat mr. [toenmalige advocaat] , klachten ingediend tegen Veilig Thuis, althans de Stichting en de betrokken medewerkers, onder wie [D] . Daarnaast heeft hij bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) een tuchtklacht ingediend tegen de casushouder van Veilig Thuis die de op 16 september 2018 door de Politie gedane melding in behandeling heeft genomen. [eiser] heeft de casushouder onder meer verweten dat zij geen feitenonderzoek heeft gedaan, geen wederhoor heeft gepleegd en overhaast en in strijd met de wettelijke positie van de kinderen en hemzelf heeft gehandeld. Bij beslissing van 26 januari 2018 heeft het College van Toezicht van SKJ die klacht ongegrond verklaard, omdat kort gezegd de casushouder pas betrokken is geraakt bij het dossier toen de situatie reeds onomkeerbaar was, te weten toen het vliegtuig reeds met de kinderen naar de VS was vertrokken.
2.34.
Eveneens op 10 april 2017 heeft [eiser] zich beklaagd over (onder meer) het optreden van de Politie op 15 september 2016. Deze klacht is onderzocht door de klachtbehandelaar van de Politie, de heer [klachtbehandelaar] , en afgehandeld bij brief van 10 oktober 2017. De heer [klachtbehandelaar] is van oordeel dat terecht is geklaagd over de gebrekkige informatie die de Politie over SAVE (Veilig Thuis) heeft verstrekt aan [eiser] maar dat de overige klachten (voor zover die zien op de gebeurtenissen van 15 september 2016) falen. Volgens de heer [klachtbehandelaar] heeft de Politie niet onjuist gehandeld door de kinderen uit de woning te halen nu dit op advies van Veilig Thuis en op verzoek van de kinderen gebeurde en is zij daarbij niet afgegaan op een eenzijdig verhaal van de moeder.
2.35.
[eiser] heeft zijn klacht vervolgens voorgelegd aan de Commissie (zie ook 2.20). Op 13 april 2018 heeft een hoorzitting bij de Commissie plaatsgevonden, waarbij klager en zijn toenmalig advocaat aanwezig waren. In het kader van het onderzoek dat de Commissie na die hoorzitting via haar secretaris heeft laten uitvoeren, heeft [Operationeel Commandant] op 10 september 2018 onder meer het volgende verklaard:
“(…) dat SAVE zorgt voor onderdak voor de kinderen. Dat kan een crisisopvangplek zijn. SAVE heeft opgemerkt te willen voorkomen dat de tweeling uit elkaar gehaald zou worden. [D] stelde dat de kinderen zelf mochten zeggen waar zij heen wilden gaan. De tweeling moest een plek hebben om te kunnen overnachten. Bij vader blijven, was geen optie. SAVE zou de volgende dag met de tweeling aan de slag gaan. De politie wist dat de tweeling waarschijnlijk naar de VS zou gaan. SAVE zou er tussen zitten. De medewerkers van de Incidentenbehandeling zijn geen specialisten op het gebied van jeugdzorg.”
2.36.
Op 11 oktober 2018 heeft de Commissie advies uitgebracht aan de politiechef Midden-Nederland. De Commissie is van oordeel dat de Politie klachtwaardig heeft gehandeld door aan [eiser] geen uitleg te hebben gegeven over de gang van zaken, geen contactgegevens van SAVE (Veilig Thuis) te hebben verstrekt en geen kennis te hebben willen nemen van documenten over het gezag van de kinderen. De Commissie heeft verder uiteengezet dat de Politie mocht afgaan op de mededeling van Veilig Thuis dat kinderen van 16 jaar of ouder wettelijk gezien zelf keuzes mogen maken en dat de klacht op dit punt ongegrond is. De Commissie heeft [eiser] evenmin gevolgd in zijn stelling dat de Politie haar oren heeft laten hangen naar de moeder.
2.37.
Bij brief van 17 oktober 2018 heeft de politiechef Midden-Nederland [eiser] bericht dat zij heeft besloten om het advies van de Commissie te volgen. De Politie heeft excuses aangeboden voor het niet informeren over de verdere gang van zaken, nadat de kinderen uit de woning waren begeleid door de Politie.
2.38.
Op 10 augustus 2017 heeft de officier van justitie aan [eiser] bericht dat, hoewel enig vermoeden van het opzettelijk overtreden van artikel 279 Sr aanwezig is, geen opdracht zal worden gegeven om alsnog een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de moeder en (medewerkers van) de Politie en de Stichting. De reden hiervoor is dat de Politie en de Stichting naar zijn mening naar eer en geweten aan een hulpvraag van een moeder en twee minderjarigen hebben voldaan en niet de opzet of het besef hebben gehad medewerking te verlenen aan een mogelijk misdrijf. De moeder heeft in het belang van de kinderen gehandeld en een strafrechtelijk onderzoek zou ook onevenredig veel tijd, capaciteit en gemeenschapsgeld kosten, terwijl het strafrecht geen oplossing zal bieden voor dit conflict, aldus de officier van justitie.
2.39.
Bij brief van 23 februari 2018 heeft de advocaat van [eiser] aan de (verzekeraar van de) Politie gevraagd of bereidheid bestaat om aansprakelijkheid voor het handelen van de Politie jegens [eiser] te erkennen. De (verzekeraar van de) Politie heeft op 29 maart 2018 laten weten dat die bereidheid er niet was.
2.40.
Bij brief van 20 juni 2018 heeft de advocaat van [eiser] de Stichting aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen door de Stichting. In reactie hierop heeft de Stichting bij brief van 2 juli 2018 aansprakelijkheid afgewezen.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na zijn eis te hebben gewijzigd - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. voor recht verklaart dat de Politie en de Stichting in vereniging en/of ieder voor zich tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en uit dien hoofde verplicht zijn de schade die hij lijdt en geleden heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden;
II. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 32.400,40 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
III. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 30.000 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2016 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
IV. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.806,88 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
Subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat de Politie en de Stichting niet hoofdelijk aansprakelijk zijn:
V. de Politie en de Stichting te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de onder II, III en IV gevorderde materiële schade, immateriële schade en buitengerechtelijke incassokosten op basis van ieders aandeel in die schade en kosten;
Primair en subsidiair
VI. de Politie en de Stichting hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de zestiende dag na het wijzen van het vonnis.
3.2.
Aan deze vorderingen legt [eiser] , kort samengevat, ten grondslag dat de Politie en de Stichting onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, omdat zij buiten hun bevoegdheden en in strijd met de wet hebben bewerkstelligd dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen is gewijzigd, althans dat de kinderen uit huis zijn geplaatst, nu de kinderen op 15 september 2016 uit de woning [eiser] zijn meegenomen en gebracht naar een hotel om vervolgens op 16 september 2016 Nederland te verlaten. De Politie en de Stichting hebben zich schuldig gemaakt aan schending van artikel 279 Wetboek van Strafrecht (Sr), nu de kinderen aan het gezag van [eiser] zijn onttrokken, en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu zij zich zonder rechtvaardigingsgrond hebben gemengd in het gezinsleven van [eiser] .
3.3.
Volgens [eiser] is sprake geweest van de volgende verwijtbare handelingen aan de kant van de Politie, die een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW en/of een schending van artikel 279 Sr dan wel artikel 8 EVRM jegens hem opleveren:
- -
de Politie heeft de kinderen uit de woning van [eiser] weggenomen en meegewerkt aan hun vertrek naar de VS zonder zijn toestemming of (vervangende) toestemming van de kinderrechter, terwijl dit op grond van de wet wel vereist was aangezien [eiser] het gezag over de kinderen uitoefende en de kinderen in Nederland hun hoofdverblijfplaats hadden;
- -
de Politie heeft [eiser] niet gehoord over de mogelijkheid om de kinderen tijdelijk op te vangen bij familie;
- -
de Politie heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de gezagspositie van [eiser] ;
- -
de Politie heeft [eiser] niet medegedeeld waar naartoe de kinderen vertrokken en hem niet op de hoogte gesteld van het voorgenomen vertrek van de kinderen naar de VS;
- -
de Politie heeft [eiser] bij het vertrek van de kinderen uit zijn woning geen gegevens van Veilig Thuis verstrekt.
3.4.
Volgens [eiser] is sprake geweest van de volgende verwijtbare handelingen aan de kant van de Stichting, die een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW dan wel een schending van artikel 279 Sr dan wel artikel 8 EVRM jegens hem opleveren:
- -
de Stichting heeft de Politie onjuist geadviseerd met haar mededeling dat kinderen van 16 jaar zelf mogen kiezen waar ze wonen;
- -
de Stichting heeft verzuimd [eiser] te horen over wat er de bewuste avond was voorgevallen en hem te informeren over haar advies;
- -
de Stichting heeft verzuimd onderzoek in te stellen naar de vraag of sprake was van een crisissituatie die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakte;
- -
de Stichting heeft verzuimd onderzoek in te stellen naar de gezagspositie van [eiser] ;
- -
de Stichting heeft verzuimd de kinderen te horen;
- -
de Stichting heeft rechterlijke tussenkomst onmogelijk gemaakt door in te stemmen met het besluit van de Politie de kinderen over te brengen naar het hotel met als doel uit te reizen naar de VS;
- -
de Stichting heeft haar advies niet teruggedraaid en het vertrek van de kinderen naar de VS niet voorkomen;
- -
de Stichting heeft [eiser] onwetend gehouden van het voorgenomen vertrek van de kinderen naar de VS tot exact het moment waarop zij in het vliegtuig zaten.
3.5.
Volgens [eiser] levert dit een inbreuk op een recht en handelen in strijd met de wet op, en bovendien een handelen in strijd met hetgeen de Politie en de Stichting volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens [eiser] .
3.6.
[eiser] stelt als gevolg van het hiervoor bedoelde handelen van de Politie en Veilig Thuis, althans de Stichting schade te hebben geleden en te lijden. Aan materiële schade vordert [eiser] , na zijn eis te hebben verminderd, de kosten voor zijn advocaat (€ 30.072,64) en coach (€ 500) en de vliegtickets (€ 1.827,76), derhalve in totaal € 32.400,40.
3.7.
[eiser] acht zowel de Politie als de Stichting ieder voor zich en in vereniging aansprakelijk.
3.8.
De Politie en de Stichting voeren verweer.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Aan de orde is of de Politie en de Stichting aansprakelijk zijn jegens [eiser] op grond van een onrechtmatige daad. De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is of de Politie en de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld. Verder twisten partijen over de vraag of – indien sprake is van een onrechtmatig handelen – causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen en de schade die [eiser] stelt te hebben geleden, of het onrechtmatig handelen kan worden toegerekend aan de Politie en de Stichting en of (aan de zijde van de Politie) een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Daarnaast verschillen partijen van mening over de vraag of [eiser] eigen schuld heeft aan het ontstaan van zijn gestelde schade. Ten slotte is de omvang van de gestelde schade in geschil.
4.2.
Op verzoek van partijen zal de rechtbank thans uitsluitend oordelen over de aansprakelijkheid van de Politie en de Stichting. Mocht de rechtbank aansprakelijkheid aannemen, dan zullen de schade en het beroep op eigen schuld in het vervolg van deze procedure, nadat partijen zich bij akte hebben uitgelaten over de omvang van de schade, aan de orde kunnen komen en zal daarop beslist worden.
Onrechtmatig handelen
4.3.
Voorop wordt gesteld dat niet in geschil is dat [eiser] de Stichting kan aanspreken voor het handelen van Veilig Thuis. De Stichting en Veilig Thuis kunnen in die zin met elkaar verenigd worden.
Gezag en hoofdverblijfplaats
4.4.
De vordering van [eiser] berust op de feitelijke grondslag dat hij mede het gezag over de kinderen had en de hoofdverblijfplaats van de kinderen gelegen was bij hem, in Nederland, toen zij op 15 september 2016 zijn woning verlieten en op 16 september 2016 vertrokken naar de VS. De Politie en de Stichting betwisten dit. Indien hun verweer slaagt, zal dit in beginsel tot een afwijzing van de vordering van [eiser] leiden. De rechtbank zal daarom eerst dit geschilpunt beoordelen.
4.5.
De Politie betwist bij gebrek aan wetenschap dat [eiser] mede het gezag over de kinderen had. Volgens de Politie staat dit niet vast, omdat de authenticiteit en volledigheid van de documentatie rondom het gezag van de kinderen (waaronder de Overeenkomst) niet kan worden vastgesteld, een uittreksel uit het ouderlijk gezagsregister van de rechtbank ontbreekt en de moeder op 15 september 2016 tegen de Politie heeft gezegd dat zij het volledige gezag had.
4.6.
De rechtbank volgt de Politie niet in haar standpunt. In de Overeenkomst is bepaald dat [eiser] en de moeder het gezamenlijk gezag uitoefenen. De Overeenkomst is bekrachtigd door de Amerikaanse rechter. Dat is weliswaar gebeurd ruim tien jaar vóór het gestelde onrechtmatig handelen door de Politie en de Stichting, maar de rechtbank beschikt over onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de Overeenkomst, althans de daarin opgenomen afspraak over het gezag, is gewijzigd. De advocaat die [eiser] heeft bijgestaan in de echtscheidingsprocedure en in de periode daarna heeft immers op 19 maart 2019 verklaard dat dit niet is gebeurd, terwijl de moeder in haar ondertekende verklaring van 27 augustus 2016 de woorden “shared custody” heeft gebruikt. Dat de moeder later, toen zij eiste dat de kinderen naar haar zouden komen, anders zou hebben verklaard en dat een uittreksel uit het ouderlijk gezagsregister niet is overgelegd, doet daar niet aan af. De Politie heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [eiser] mede het gezag over de kinderen had, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.
4.7.
De Politie en de Stichting betogen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen ten tijde van het verwetene in de VS was gelegen en niet naar Nederland is verplaatst. De Politie voert aan dat de exacte bedoeling van de ouders niet blijkt uit de stukken, waaronder de verklaring van de moeder van 27 augustus 2016, dat [eiser] en de moeder niet met elkaar hebben gesproken over het verblijf van de kinderen in Nederland en dat de moeder op 15 september 2016 tegen [A] heeft gezegd dat de kinderen bij haar woonden en slechts tijdelijk bij [eiser] verbleven om een band op te bouwen. De Stichting betoogt primair dat in de Overeenkomst is bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder is en dat dit niet is gewijzigd nu geen officiële aanpassing (via de Amerikaanse rechter) heeft plaatsgevonden, terwijl uit de verklaring van de moeder van 27 augustus 2016 evenmin volgt dat zij akkoord was met het wijzigen van de hoofdverblijfplaats. Subsidiair stelt de Stichting dat, zoals de wetgeving van sommige Amerikaanse staten toelaat, sprake is van twee hoofdverblijfplaatsen (Nederland en de VS). De Stichting baseert dit op de in de verklaring van de moeder van 27 augustus 2016 gebruikte woorden “approval residential shared custody”.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Voorop wordt gesteld dat, ook naar Amerikaans recht, met gezag beklede ouders zonder tussenkomst van de rechter gezamenlijk de hoofdverblijfplaats van de kinderen kunnen bepalen en kunnen wijzigen. Of van dit laatste sprake is in het onderhavige geval, hangt af van de feiten, waarbij een zekere duurzaamheid van het verblijf en de bedoeling van partijen een rol spelen. Vaststaat dat de moeder de benodigde uitreisformulieren (de aanvraag van een Nederlands paspoort) voor akkoord heeft ondertekend en dat zij in de door haar op 27 augustus 2016 ondertekende verklaring heeft aangegeven dat de kinderen naar Nederland reizen om “to reside and live” bij [eiser] . Deze woorden kunnen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat de kinderen zich in Nederland zouden vestigen en dat het de bedoeling van de moeder is geweest om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen van de VS naar Nederland. Daarbij is van belang dat aan de verklaring van de moeder onmiddellijk uitvoering is gegeven doordat de kinderen in Nederland zijn ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente, op school en bij sportverenigingen. Dat zijn typisch handelingen die passen bij het wijzigen van de hoofdverblijfplaats. De kinderen zijn verder daadwerkelijk op school en met sporten begonnen. Ook heeft [eiser] onweersproken gesteld dat, hoewel het contact beperkt was, de moeder hiervan op de hoogte was. De omstandigheid dat de moeder op 15 september 2016 tegen [A] heeft gezegd dat de kinderen bij haar woonden en slechts tijdelijk bij [eiser] zijn om een band op te bouwen met vader, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De moeder heeft dit immers gezegd nadat zij in discussie was geraakt met [eiser] over het terugkeren van de kinderen naar de VS, zodat aan die uitlating minder gewicht toekomt dan aan haar eerdere, ondertekende verklaring van 27 augustus 2016. Bovendien moet er ook in dat geval, gelet op de voormelde, vaststaande omstandigheden, van uit worden gegaan dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen is gewijzigd; met het opbouwen van een band is immers ook de nodige tijd gemoeid. De rechtbank volgt de Stichting tot slot niet in haar betoog dat sprake is van twee hoofdverblijfplaatsen, één bij de moeder in de VS en één bij de vader in Nederland. Iedere aanwijzing dat dit de bedoeling van de ouders is geweest ontbreekt, terwijl dat ook niet praktisch uitvoerbaar is.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ervan uitgaat dat [eiser] het gezamenlijk gezag over de kinderen had en dat hun hoofdverblijfplaats gelegen was bij hem, in Nederland, ten tijde van het verweten onrechtmatige handelen.
Rechtspositie van [eiser] als mede met het gezag belaste ouder
4.10.
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247 lid 1 BW). In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld toe (artikel 1:247 lid 2 BW). Het ouderlijk gezag omvat de bevoegdheid te beslissen waar het kind verblijf moet houden. Het gaat hier om een doelbevoegdheid. Het ouderlijk gezag is weliswaar een aan de ouders toekomend recht, maar dit recht is gegeven in het belang van kind en kan daarom niet worden losgezien van de verplichting dat belang te dienen (zie HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714, NJ 1999, 379 en EHRM 28 november 1988, Serie A, nr. 144, NJ 1991, 541). Daarbij verdient aantekening dat bij de beoordeling van hetgeen het belang van het kind meebrengt, de vraag wat het kind dienaangaande zelf vindt en wenst, naarmate het ouder en rijper wordt steeds meer gewicht in de schaal gaat leggen. Op grond van artikel 1:253a BW kunnen ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen hun eventuele geschillen daarover voorleggen aan de (kinderrechter van de) rechtbank. Een andere ingang om een beslissing van de Nederlandse rechter te kunnen verkrijgen, bestaat voor de minderjarigen zelf op grond van artikel 1:250 in samenhang met artikel 1:377g BW. Ongeacht de gekozen rechtsingang wordt in ieder geval de minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt over kwesties aangaande zijn hoofdverblijfplaats door de rechter in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken (artikel 809 Rv).
4.11.
Op grond van artikel 8 EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn gezinsleven. Het ouderlijk gezag is een fundamenteel onderdeel hiervan (EHRM 28 november 1988, Serie A, nr. 144, NJ 1991, 541). Een ander mag zich niet mengen in het gezinsleven. Dit is slechts anders als daarvoor een grondslag is in de wet en de inmenging noodzakelijk is voor de bescherming van de in artikel 8 lid 2 EVRM omschreven belangen, zoals de gezondheid en/of de rechten en vrijheden van een kind, en die inmenging proportioneel is.
4.12.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Indien zich een acute noodzaak tot uithuisplaatsing voordoet kan door de kinderrechter, zonder dat de minderjarige is gehoord, een spoedmachtiging worden verleend (vgl. artikel 800 en 809 lid 3 Rv).
(wettelijk) kader optreden Politie
4.13.
In artikel 3 van de Politiewet 2012 is de wettelijke taak van de Politie beschreven. De Politie heeft, in overeenstemming met de geldende rechtsregels, te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. De wetgever heeft hiermee tot uitdrukking willen brengen dat een ieder die werkelijk hulp nodig heeft in eerste en laatste instantie een beroep op de politie kan doen indien en zolang andere hulpverleningsfaciliteiten ontbreken (Kamerstukken II 1992-1993, 22 652, nr. 10). De Politie kan aldus worden gepositioneerd als een eerstelijnsorganisatie die in dringende gevallen tijdelijk de eerste opvang van de hulpbehoevende doet totdat de hulpverlening het overneemt (Kamerstukken II 2006-2007, 30 880, nr. 3, p. 46).
4.14.
In de parlementaire geschiedenis bij de (op 1 juli 2013 in werking getreden) wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling wordt het signaleren en adviseren omtrent huiselijk geweld en kindermishandeling aangeduid als een van de (andere) kerntaken van de Politie. Voor de Politie geldt de in deze wet verplichte meldcode, die een professional moet volgen bij het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling, overigens niet. De wetgever zag hiervoor geen aanleiding (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 062, nr. 3, p. 10):
“De politie voldoet reeds aan de uitgangspunten van het onderhavige wetsvoorstel. De politie professionals weten welke stappen zij binnen hun organisatie kunnen zetten, wanneer zij advies kunnen krijgen van AMK [Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, rechtbank] of SHG [Steunpunt Huiselijk Geweld, rechtbank] en wanneer ze daar kunnen melden.
Het voornaamste bestanddeel van de politietaak is de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde: enerzijds handhaving van de openbare orde en anderzijds strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Tot de taak van de politie behoort verder het verlenen van hulp aan hen die dat behoeven. Deze taak moet worden gezien in samenhang met de opdracht aan de politie om de rechtsorde te handhaven, de daaruit voortvloeiende aanwezigheid en bereikbaarheid van de politie en het vertrouwen dat de burgerij in het algemeen in de politie pleegt te stellen. «De uitoefening van de politietaak behoort verder te geschieden in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels. Alleen dan kan de politie in een democratische rechtsstaat naar behoren functioneren» (zie ook Kamerstukken II, 1991/92, 22 562, nr. 3, blz. 35).”
4.15.
Het Model voor de samenwerkingsafspraken tussen Veilig Thuis, Politie en OM van september 2015 beschrijft de samenwerking tussen deze drie partijen op de terreinen huiselijk geweld, kindermishandeling en overige zorgmeldingen van de Politie (hierna: het Model). Paragraaf 3.7 van het Model luidt, voor zover relevant, als volgt:
“De politie ontvangt regelmatig meldingen van kindermishandeling of andere vormen van huiselijk geweld waarbij een onmiddellijke inzet van hulpverleners noodzakelijk is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om:
(…);
crisis rond het kind zelf (bijvoorbeeld weggelopen kinderen of kinderen met ernstige en/of acute gedragsproblematiek);
(…)
Voor zover de inzet van deze acute zorg via Veilig Thuis is belegd worden hier op het regioniveau van Veilig Thuis nadere samenwerkingsafspraken over gemaakt betreffende:
- -
bereikbaarheid;
- -
termijnen van opvolging vanuit de hulpverlening;
- -
de “warme” overdracht vanuit de politie naar de betreffende hulpverlener;
- -
maatregelen in het kader van de veiligheid;
- -
rollen en verantwoordelijkheden in dergelijke voorvallen.”
4.16.
Voor zover de Politie in de onderhavige procedure bedoelt te stellen dat de inzet van acute zorg als bedoeld in paragraaf 3.7 van het Model bij Veilig Thuis is belegd en dat onderdeel van de in dat kader gemaakte afspraken is dat Veilig Thuis ter plekke moet komen om het van de Politie over te nemen (de “warme overdracht”) , overweegt de rechtbank dat dit niet is komen vast te staan, nu de Stichting dit gemotiveerd heeft betwist en een schriftelijk stuk waarin deze gestelde afspraak is neergelegd niet in het geding is gebracht.
(wettelijk) kader handelen Veilig Thuis
4.17.
De taken van Veilig Thuis als AMHK zijn vastgelegd in artikel 4.1.1. lid 2 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en verder uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (hierna: UBWmo 2015). Daarnaast bevat het VNG model Handelingsprotocol AMHK 2014 (hierna: het Handelingsprotocol) adviezen aan gemeenten over de richtlijnen die zij met betrekking tot de uitvoering van de taken kunnen meegegeven aan het AMHK in hun regio. Het Handelingsprotocol heeft verder als doel om professionals in het AMHK een richtlijn voor hun handelen te geven en om professionals buiten het AMHK inzicht te geven in het samenspel tussen hen en het AMHK en welke afwegingen daarbij worden gemaakt.
Advies
4.18.
Het AMHK heeft tot taak het verstrekken van advies en zo nodig het bieden van ondersteuning aan een ieder die in verband met een vermoeden van kindermishandeling om advies vraagt (artikel 4.1.1 lid 2 in samenhang met lid 3 Wmo 2015). In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wmo 2015 wordt opgemerkt dat het AMHK in het kader van de adviestaak zijn contact beperkt met de adviesaanvrager en niet zelf in actie komt “het betreft immers een advies op basis waarvan de adviesvrager zelf gaat handelen” en dat het AMHK alleen de eigen persoonsgegevens van de adviesvrager kan verwerken (Kamerstukken II 2013/2014, 33841, nr. 35, p. 23). In het Handelingsprotocol (p. 7, 9-10) wordt in het kader van de verdeling van verantwoordelijkheden toegelicht dat advies wordt gegeven op basis van anonieme cliëntgegevens, dat het AMHK verantwoordelijk is voor het zorgvuldig adviseren, maar de adviesaanvrager zelf verantwoordelijk blijft voor de aanpak en voor de stappen die eventueel genomen moeten worden.
Melding
4.19.
Een andere taak van het AMHK is het fungeren als meldpunt voor meldingen van vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (artikel 4.1.1 lid 2, onder a, Wmo 2015). Het AMHK moet dan onderzoeken of daar daadwerkelijk sprake van is (artikel 4.1.1 lid 2, onder b, Wmo 2015). Binnen vijf dagen na ontvangst van de melding moet het AMHK vaststellen of de melding aanleiding geeft tot nader onderzoek (artikel 4.1.7 lid 1 UBWmo 2015). Het AMHK moet beoordelen of er naar aanleiding van een melding stappen moeten worden genomen en zo ja welke (artikel 4.1.1 lid 2, onder c, Wmo 2015). Anders dan bij advies onderneemt het AMHK in geval van een melding zelf stappen om de situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling in behandeling te nemen en legt het AMHK gegevens van de leden van het gezin of huishouden vast (vgl. paragraaf 4.2 van het Handelingsprotocol). Indien het belang van de betrokken minderjarige of de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft, moet het AMHK de zaak onder de aandacht brengen van de instantie die passende professionele hulp kan bieden (artikel 4.1.1 lid 2, onder d, Wmo 2015), de Politie of de Raad voor de Kinderbescherming (artikel 4.1.1 lid 2, onder e, Wmo 2015).
4.20.
Het is ook mogelijk dat een adviesvraag door de adviesaanvrager op aanraden van het AMHK wordt omgezet in een melding indien het AMHK meent dat dit noodzakelijk is in verband met de ernst en aard van het gesignaleerde en de onmogelijkheden van de adviesvrager om het gesignaleerde op een adequate manier op of aan te pakken (vgl. paragraaf 4.3.4 van het Handelingsprotocol).
4.21.
Het AMHK draagt er zorg voor dat de uitvoering van de taken van goede kwaliteit is (artikel 4.2.1 lid 1 Wmo 2015) en neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard (artikel 4.2.1 lid 3 Wmo 2015).
4.22.
Het Handelingsprotocol noemt tien uitgangspunten voor het AMHK, waaronder het geven van prioriteit aan de belangen van de kinderen en richten van de eerste inzet op het herstel van de veiligheid van het gezin of huishouden.
4.23.
De rechtbank zal nu de verwijten van [eiser] , zoveel mogelijk in de volgorde van de gebeurtenissen, bespreken.
Heeft de Politie nagelaten onderzoek te doen naar de gezagspositie van [eiser] ?
4.24.
De Politie ontleent, zoals hiervoor overwogen, aan artikel 3 van de Politiewet 2012 een algemene legitimatie voor hulpverlening. Anders dan [eiser] stelt, kon en mocht de Politie in de gegeven omstandigheden (op 15 september 2016 rond 23:15 uur) vaststellen dat sprake was van een noodsituatie en dat hulp moest worden geboden aan de kinderen en heeft zij gehandeld binnen haar bevoegdheden. De Politie zag immers twee zestienjarige kinderen die bang waren, de zoon had tegenover de Politie verklaard dat hij was geslagen door [eiser] en het risico was aanwezig dat de beide kinderen zouden weglopen, nu zij tegen de Politie hadden gezegd dat zij niet bij [eiser] wilden blijven, zij al buiten in de tuin waren en ze een (rug)tas bij zich hadden (vgl. paragraaf 3.7 Model). Het hangt af van de omstandigheden welke hulp passend is. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat de Politie in het kader van die beoordeling op dat moment onderzoek had moeten doen naar de gezagspositie van [eiser] . Dit vergt immers een juridische beoordeling waartoe de Politie niet is opgeleid. Bovendien zijn de middelen hiervoor in een noodsituatie beperkt. De wet noch de op de Politie rustende algemene zorgplicht (in het kader van haar hulpverlenende taak) verplichtte de Politie in het onderhavige geval tot het doen van een dergelijk onderzoek op dat moment.
Heeft de Politie nagelaten [eiser] te horen over de mogelijkheid van tijdelijke opvang bij familie of vrienden?
4.25.
Niet in geschil is dat Veilig Thuis de Politie in eerste instantie heeft geadviseerd om de kinderen tijdelijk onder te brengen bij familie of anderen binnen hun netwerk. In algemene zin heeft de tijdelijke opvang van kinderen bij familie of anderen in hun netwerk immers de voorkeur boven andere opties (zoals crisisopvang bij een uithuisplaatsing), omdat zij dan zoveel mogelijk in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. Daar waar de Politie heeft gemeend hierover informatie te moeten inwinnen bij de kinderen en de moeder is onzorgvuldig dat de Politie niet ook navraag heeft gedaan bij [eiser] . In het onderhavige geval had die mogelijkheid benut kunnen en moeten worden. Hierover bestond immers bij de Politie onduidelijkheid. Onderzocht had dus moeten worden wat was voorgevallen in de woning, welke problemen en omstandigheden de noodsituatie hadden veroorzaakt en op welke manier een stabiele (veilige) situatie zou kunnen worden bewerkstelligd. Het argument dat tijdelijke opvang bij familie of vrienden niet had gekund vanwege de omstandigheid dat de kinderen zich in geval van opvang bij familie of vrienden van [eiser] nog steeds in diens invloedssfeer zouden bevinden, overtuigt, met name gezien de leeftijd van de kinderen en het gerapporteerde incident, niet. Bovendien mocht de Politie niet zonder meer uitgaan van de juistheid en de betrouwbaarheid van de informatie van de kinderen en de moeder over de mogelijkheden van tijdelijke opvang bij familie of anderen in hun netwerk. De kinderen hadden immers op dat moment al kenbaar gemaakt niet in Nederland te willen blijven en de moeder wenste dat zij zo snel mogelijk naar de VS zouden terugkeren. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Politie in het kader van haar hulpverlenende taak en de beoordeling welke hulp geboden moest worden aan de kinderen onzorgvuldig heeft gehandeld en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] door hem niet te horen over de mogelijkheden van tijdelijke opvang van de kinderen.
Heeft Veilig Thuis een onjuist advies gegeven aan de Politie?
4.26.
De Stichting betwist dat de mededeling van [D] van Veilig Thuis, dat een kind van 16 jaar in Nederland zelf mag bepalen waar hij woont, niet juist is, althans zij betoogt dat die mededeling gezien de noodsituatie en de kennelijke afwezigheid van een alternatief in dit geval te billijken is. De rechtbank volgt dat de Stichting daarin niet.
4.27.
Op basis van het, toepasselijke, Nederlandse recht geldt dat minderjarigen van 16 jaar (of ouder) niet zelf mogen bepalen waar hun gewone verblijfplaats is. Zij zijn onderworpen aan ouderlijk gezag en dat betekent dat de ouder of ouders belast met gezag in beginsel bepalen waar de kinderen verblijven. Indien hierover een geschil is ontstaan is het de kinderrechter, gehoord de minderjarige, en niet de minderjarige zelf die hierin een keuze maakt. Dit betekent dat, nu de kinderen nog minderjarig waren en onder gezag van [eiser] en de moeder stonden, het niet aan de kinderen was om te bepalen waar zij wilden wonen. Het advies van Veilig Thuis was dus onjuist.
4.28.
De omstandigheid dat sprake was van een noodsituatie rechtvaardigt het door Veilig Thuis gegeven onjuiste advies niet. Juist in een noodsituatie is het van belang om ervoor te waken dat een situatie ontstaat waarin de mogelijkheid ontbreekt om terug te komen op een vluchtig gegeven en ondeugdelijk advies. Hetzelfde geldt voor de stelling van de Stichting dat geen alternatief voorhanden was. Veilig Thuis had de Politie in overweging kunnen en moeten geven om de mogelijkheid van tijdelijke opvang bij familie of anderen in het netwerk van de kinderen in Nederland nader te onderzoeken door ook [eiser] hierin te betrekken. Bovendien had een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing kunnen worden aangevraagd. Weliswaar achtte Veilig Thuis dat niet in het belang van de kinderen omdat zij waarschijnlijk uit elkaar zouden gehaald en de grote impact hiervan, maar dat laat onverlet dat, bij gebreke van gebleken bruikbare alternatieven, een dergelijke spoedmachtiging de aangewezen route was en dat geen enkele poging is ondernomen om te onderzoeken of de kinderen samen konden worden opgevangen in een crisisopvang.
4.29.
Juist van een organisatie die handelt in het belang van minderjarigen en bekend is met kinderbeschermingsmaatregelen als ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, is het hoogst onzorgvuldig dat onjuiste informatie over zoiets cruciaals als de rechtspositie van de kinderen is verstrekt. Dit klemt te meer omdat 1) Veilig Thuis wist dat op basis van haar advies geacteerd werd en 2) bovendien op dusdanige wijze dat hiermee een onomkeerbare situatie zou ontstaan, zonder betrokkenheid van de vader en/of de kinderrechter. Daar waar [D] volgens de Stichting slechts vijf tot tien minuten telefonisch met de Politie heeft gesproken en over geen andere informatie beschikte dan die de Politie verstrekte, is onzorgvuldig dat zij, naar eigen zeggen uit praktische overwegingen, heeft gemeend de Politie te kunnen adviseren om de kinderen terug te laten keren naar de moeder in de VS, ook al werd dit in haar beleving als een min of min uitgewerkt en met de moeder afgestemd plan gepresenteerd. Daarbij komt dat niet is gezegd dat dit ook werkelijk in het belang van de kinderen was, ook al vonden de kinderen en de moeder op dat moment van wel. Het is juist aan de kinderrechter overgelaten om dat, als daarover onenigheid bestaat, te beoordelen (zie ook rov. 4.46 hierna).
4.30.
Het advies van Veilig Thuis is weliswaar verstrekt aan de Politie, maar had ook betrekking op de positie van [eiser] . Het advies raakte immers rechtstreeks zijn belangen als vader van de kinderen. Veilig Thuis had bij haar advies daarom rekening moeten houden met zijn gerechtvaardigde belangen. Dit geldt eens te meer vanwege de aard en omvang van het nadeel dat voor [eiser] dreigde. Dat geadviseerd is in een anonieme casus maakt daarbij geen verschil. Veilig Thuis was immers op de hoogte van het bestaan van de vader van de kinderen. De omstandigheid dat, zoals de Stichting betoogt, Veilig Thuis volgens het door haar gehanteerde Handelingsprotocol prioriteit dient te geven aan de belangen van de kinderen kan er evenmin toe leiden dat de Veilig Thuis niet bedacht hoefde te zijn op de betrokkenheid van de belangen van [eiser] bij haar advies. Dit betekent dat Veilig Thuis door het geven (binnen haar bevoegdheid) van haar rechtens onjuiste advies (ook) jegens [eiser] een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld. De Stichting kan hiervoor worden aangesproken.
Moest Veilig Thuis op 15 september 2016 actief en zelfstandig op zoek gaan naar informatie en de betrokkenen horen en informeren over haar advies?
4.31.
De Wmo 2015 maakt onderscheid tussen een adviesvraag en een melding. Niet in geschil is dat de Politie in de avond van 15 september 2016 om advies heeft gevraagd aan Veilig Thuis en dat zij pas de volgende ochtend een melding heeft gedaan. In het kader van de adviestaak beperkt het contact zich tot de adviesaanvrager, vindt geen hoor- en wederhoor met de ouder(s) en het kind plaats en komt het AMHK niet zelf in actie (zie rov. 4.18). Dit betekent dat Veilig Thuis niet gehouden was om actief en zelfstandig op zoek te gaan naar informatie en de betrokkenen (de kinderen, de moeder en [eiser] ) te horen en te informeren over haar advies. Zij heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld op dit punt.
Mocht de Politie afgaan op het advies van Veilig Thuis?
4.32.
De rechtbank is, anders dan de Politie, van oordeel dat de Politie er niet zonder nader onderzoek van mocht uitgaan dat het advies van Veilig Thuis correct was. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat minderjarige kinderen (tot hun achttiende jaar) onder gezag staan. Het ouderlijk gezag omvat ook het recht om te bepalen waar het kind woont. Enige training of enige opleiding in het familierecht is niet nodig om dit te weten. Daarbij is van belang dat [Operationeel Commandant] heeft verklaard dat hij zelf ook zijn twijfels had over de juistheid van het advies. Juist de omstandigheid dat een onomkeerbare situatie te weeg zou worden gebracht indien uitvoering zou worden gegeven aan de wens van de moeder en de kinderen – [Operationeel Commandant] heeft tegenover de Commissie verklaard dat hij wist dat de kinderen (waarschijnlijk) naar de VS zouden vertrekken (zie rov. 2.35) – had reden moeten zijn om die twijfels nader te onderzoeken. Het feit dat de Politie Veilig Thuis als een deskundige op dit punt mocht zien, dat de Politie zich in het kader van haar hulpverlenende taak terughoudend mocht opstellen tegenover Veilig Thuis en dat van Veilig Thuis verwacht mag worden dat zij de zorg van een goed hulpverlener betracht (vgl. artikel 4.1.1 Jeugdwet) en dat zij zorgvuldig adviseert doen daar niet aan af. Het moge zo zijn dat het voor de Politie lastig is om een advies in de nacht en in een crisissituatie te controleren, ook gezien de beperkte inzet en capaciteit van de Politie, maar de Politie had in elk geval de juistheid van het advies nader moeten (doen) onderzoeken alvorens mee te werken aan het vertrek van de kinderen naar de VS. Dit klemt te meer omdat de Politie op 15 september 2016 niet is ingegaan op het uitdrukkelijke verzoek van [eiser] om de gezagspapieren te bekijken en zij dus ook niet bekend was met de eventuele gezagspositie van [eiser] , terwijl zij wel wist dat [eiser] niet wilde dat de kinderen naar de VS zouden vertrekken. Gesteld noch gebleken is dat de Politie op enigerlei manier heeft getracht de juistheid van het advies van Veilig Thuis te onderzoeken, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de piketdienst van de Familiekamer van de rechtbank Midden-Nederland. De enkele stelling dat ruggespraak is gehouden met de (hulp)officier van justitie, zonder dat duidelijk is wat precies is besproken, acht de rechtbank ontoereikend. De Politie mocht dus (mede gegeven de verstrekkende gevolgen) niet zonder nader onderzoek op het onjuiste advies van Veilig Thuis afgaan. De omstandigheden dat het minderjarige kinderen betrof en die zouden vertrekken naar het buitenland hadden haar pas op de plaats moeten laten maken.
Mocht de Politie de kinderen meenemen uit de woning en overbrengen naar het hotel om vanuit daar naar de VS af te reizen?
4.33.
Omdat de kinderen onder gezag van [eiser] stonden, hun hoofdverblijfplaats in Nederland was gelegen en een machtiging van de kinderrechter ontbrak, had de Politie de kinderen niet zonder zijn toestemming mogen overbrengen naar het hotel zodat zij vanuit daar Nederland konden verlaten. Door dit wel te doen is op onrechtmatige wijze inbreuk gemaakt op de rechten van [eiser] . De Politie voert terecht aan dat het niet aan de civiele rechter is om te oordelen over strafbare gedragingen. De rechtbank onthoudt zich daarom van een oordeel of artikel 279 Sr. is geschonden. Bij een aparte beoordeling daarvan heeft [eiser] , gegeven het in dit vonnis overwogene, overigens ook geen belang.
4.34.
De rechtbank volgt de Politie niet in haar verweer dat zij op advies van en onder verantwoording van de Stichting heeft gehandeld en om die reden niet aansprakelijkheid is jegens [eiser] , althans dat het handelen haar niet kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. De Politie heeft de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de kinderen op zich genomen op het moment dat zij de woning betrad. Dit is zo gebleven toen de Politie advies inwon bij Veilig Thuis en vervolgens de kinderen vanuit de woning naar het hotel in de buurt van het vliegveld overbracht. Het is, zoals hiervoor overwogen (zie rov. 4.18), de bedoeling van de wetgever geweest dat de adviesvrager verantwoordelijk is en blijft voor de stappen die al dan niet op basis van het advies van het AMHK worden gezet. Dit komt ook tot uitdrukking in het Handelingsprotocol. Het zou anders geweest kunnen zijn indien de Politie op het moment dat om haar hulp werd gevraagd een melding had gedaan bij Veilig Thuis en Veilig Thuis de situatie van haar had overgenomen. Dat is echter niet gebeurd. De rechtbank heeft ook niet kunnen vaststellen dat Veilig Thuis verantwoordelijkheid voor de stappen die de Politie op basis van haar advies heeft gezet naar zich toe heeft getrokken. Veilig Thuis is immers niet ter plaatse is gekomen, heeft geen contact heeft opgenomen met de betrokkenen (of andere instanties) en is ook niet op enigerlei andere wijze in actie gekomen. Er heeft voordat de Politie de kinderen naar het IBIS budget hotel had gebracht, geen, laat staan een “warme” overdracht plaatsgevonden. Voor zover de Politie in de veronderstelling verkeerde dat Veilig Thuis verantwoordelijk was, komt dit (in de relatie tussen de Politie en [eiser] ) voor rekening en risico van de Politie. De Politie mag immers bekend worden verondersteld met het verschil tussen een advies en een melding en de daarbij behorende taken en verantwoordelijkheden (zie rov. 4.14). Overigens heeft de Politie in dit opzicht niet eenduidig gehandeld. Zo heeft de Politie weliswaar [eiser] verwezen naar Veilig Thuis voor informatie over de kinderen, maar tegelijkertijd heeft de Politie bij het verlaten van het hotel tegen de kinderen gezegd dat zij bij problemen met de Politie contact moesten opnemen en heeft de Politie de volgende dag gebeld met de moeder om te vragen of alles goed verliep.
Moest de Politie [eiser] informeren over het verblijf van de kinderen in het hotel en de voorgenomen reis naar de VS en contactgegevens van Veilig Thuis verstrekken?
4.35.
Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de Politie hem moest vertellen waar zij de kinderen naar toebracht en dat zij de volgende dag naar de VS zouden reizen. Onderdeel van het aan een ouder toekomende gezag is immers het recht om geïnformeerd te worden over het wel en wee van het kind. Bovendien was met het medenemen van de kinderen uit de woning van [eiser] het door de Politie ingeschatte gevaar geweken. Er was dus geen enkele reden om [eiser] hierover in het ongewisse te laten en dat heeft, begrijpelijkerwijs, veel stress bij [eiser] opgeleverd. De doorverwijzing naar Veilig Thuis volstond in dat verband niet omdat de Politie op dat moment nog niet daadwerkelijk de verantwoordelijkheid aan de Veilig Thuis had overgedragen. De Politie mocht dan ook niet volstaan met het enkel noemen van de naam van Veilig Thuis, althans SAVE, zonder opgave van contactgegevens en zonder die naam te spellen. Of die gegevens gemakkelijk via het internet te achterhalen zijn, doet er niet toe. Het staat immers vast dat [eiser] niet wist bij welke organisatie hij moest zijn en dat het hem tijd heeft gekost om dat te achterhalen, terwijl hij al die tijd niet wist waar zijn kinderen waren. De Politie heeft dan ook op dit punt onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] .
Moest Veilig Thuis [eiser] informeren over het verblijf van de kinderen in het hotel en de voorgenomen reis naar de VS?
4.36.
Uit het hiervoor onder rov. 4.18 overwogene volgt dat Veilig Thuis op grond van de wet noch op enige andere grond in het kader van haar adviserende taak gehouden was om [eiser] (als derde, niet zijnde de adviesaanvrager) te informeren over het verblijf van de kinderen in het hotel en de geplande reis naar de VS, nog daargelaten dat zij niet bekend was met de identiteit van [eiser] en diens contactgegevens.
Had Veilig Thuis haar advies moeten terugdraaien en het vertrekken van de kinderen naar de VS moeten voorkomen?
4.37.
De melding van de Politie is op 16 september 2016 te 09:21 uur per e-mailbericht bij Veilig Thuis binnengekomen. Op grond van de voormelde wettelijke regeling was de Stichting gehouden om, binnen vijf dagen na ontvangst van de melding, vast te stellen of die melding aanleiding geeft tot nader onderzoek (artikel 4.1.7 lid 1 UBWmo 2015) of bijvoorbeeld om de raad voor de kinderbescherming te verzoeken om kinderbeschermingsmaatregelen te doen treffen. Uit de (termijnstelling in deze) regeling volgt dat van Veilig Thuis mag worden verwacht voortvarend met een melding aan de slag te gaan. Een spoedbehandeling heeft de Politie in haar e-mailbericht niet van Veilig Thuis gevraagd. Uit de melding van de Politie was, zonder dat het e-mailbericht helemaal zou worden doorgelezen, ook niet af te leiden dat van belang was dat die onmiddellijk, althans voor een bepaald tijdstip zou worden opgepakt. Veilig Thuis heeft de melding 16 september 2016 rond 14:15 uur opgepakt. Daarmee heeft zij de melding voldoende voortvarend ter hand genomen. Daarbij dient bedacht te worden dat ervan moet worden uitgegaan dat Veilig Thuis niet eerder dan via het e-mailbericht van de Politie concrete informatie had over de betrokkenen in deze situatie. [D] had immers geadviseerd in een anonieme casus. Het overdrachtsformulier, waarvan mag worden aangenomen dat [D] dit vóór 09:00 uur heeft ingediend bij het secretariaat van Veilig Thuis (of elders binnen de organisatie), bevatte geen persoonsgegevens van de kinderen, de moeder en [eiser] . Het feit dat Veilig Thuis de melding pas in de middag van 16 september 2016 heeft opgepakt, juist op het moment dat de kinderen al in het vliegtuig zaten, en toen pas contact heeft gezocht met [eiser] is, in de gegeven omstandigheden, niet onzorgvuldig. Iedere aanwijzing dat Veilig Thuis dit opzettelijk toen pas heeft gedaan, zoals [eiser] stelt, ontbreekt. Het verwijt van [eiser] dat Veilig Thuis haar advies had moeten terugdraaien en had kunnen en moeten voorkomen dat de kinderen zouden uitreizen en hem eerder had moeten informeren, slaagt daarom niet.
Conclusie onrechtmatigheid
4.38.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de interventie en het ingrijpen van de Politie aanvankelijk plaatsvond binnen de aan haar wettelijke toegekende taakstelling en bevoegdheden en noodzakelijk was, te weten het in een crisissituatie ’s nachts meenemen van de kinderen uit de woning van [eiser] . Vervolgens heeft de Politie echter onzorgvuldig en daarom onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door niet bij [eiser] te vragen naar een mogelijke alternatieve plaats bij familieleden of vrienden, door niet aan [eiser] te vertellen waar zij de kinderen heenbracht, door geen contactgegevens van Veilig Thuis te verstrekken en door de kinderen die nacht nog over te brengen naar een hotel, waardoor zij de volgende middag al konden uitreizen naar de VS. De Politie heeft hiermee in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheid gehandeld en dat levert tevens een inbreuk op de rechten van [eiser] en een schending van artikel 8 EVRM op. Veilig Thuis, althans de Stichting, heeft op haar beurt onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door de Politie onjuist te adviseren.
Rechtvaardigingsgrond
4.39.
De Politie voert aan dat haar optreden op grond van artikel 6:162 lid 3 BW gerechtvaardigd en dus niet onrechtmatig was, omdat zij gehandeld heeft in het veiligheidsbelang van de kinderen, welk belang voor ging op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit vloeit ook voort uit artikel 8 lid 2 EVRM, waarin is bepaald wanneer een inmenging van het openbare gezag in de persoonlijke levenssfeer is toegestaan. Daarbij speelt mee dat artikel 8 EVRM de overheid tevens opdraagt burgers bescherming te geven tegen inbreuken door andere burgers, zoals in dit geval de melding van mishandeling, aldus de Politie. De Politie doet tevens een beroep op overmacht. Daartoe stelt zij dat, nu Veilig Thuis niet ter plaatse kon komen om de situatie te beoordelen en de afhandeling van de Politie over te nemen, de Politie met beperkte kennis en kundigheid genoodzaakt was om telefonisch met Veilig Thuis tot een oplossing te komen. Daarbij gaf Veilig Thuis een verkeerd advies, waarop de Politie haar optreden afstemde. Onder die omstandigheden kan de Politie vanwege overmacht geen onrechtmatige daad worden verweten.
4.40.
Het beroep van de Politie op een rechtvaardigingsgrond, waaronder overmacht, gaat, mede gelet op hetgeen hiervoor in rov. 4.32 en 4.34 is overwogen, niet op. Het dienen van de belangen van de kinderen rechtvaardigt in de gegeven omstandigheden niet de inbreuk die op de rechten van [eiser] is gemaakt en de schending van de op de Politie rustende zorgvuldigheidsnorm. Daarbij is met name van belang dat met het meenemen van de kinderen uit de woning van [eiser] het gestelde gevaar al was geweken, de ernst van de inbreuk die vervolgens is gemaakt en de mate waarin daarbij onzorgvuldig is gehandeld, alsook dat niet kan worden aangenomen dat de Politie redelijkerwijs niet anders kon handelen dan zij heeft gedaan.
Toerekenbaarheid
4.41.
De Politie beroept zich erop dat de omstandigheid dat Veilig Thuis verkeerde informatie heeft gegeven niet aan haar kan worden toegerekend en daarmee ook niet de vervolgacties die zijn getroffen en uitgevoerd, nu Veilig Thuis de voor haar te raadplegen deskundige partij is en zij erop mocht vertrouwen dat dit advies juist was. Ook kunnen verschillende factoren die een rol hebben gespeeld bij het uitreizen van de kinderen naar de VS niet aan haar worden toegerekend. De Politie noemt in dat kader de slechte band met vader, de melding van kindermishandeling, de huiselijke twist, de afwezigheid van Veilig Thuis, het foute advies van Veilig Thuis en het ontbreken van de mogelijkheden om de kinderen tijdelijk elders onder te brengen.
4.42.
Anders dan de Politie heeft aangevoerd, vermag de rechtbank niet in te zien dat haar bedoeld onrechtmatig handelen aan haar niet kan worden toegerekend. Zoals hiervoor in rov. 4.32 overwogen behoort de omstandigheid dat de Politie heeft gehandeld op basis van een onjuist advies van Veilig Thuis volledig voor rekening van de Politie te komen. Dat ook andere factoren gelegen buiten de Politie zelf een rol hebben gespeeld bij het uitreizen van de kinderen, maakt evenmin dat het onrechtmatig handelen haar niet kan worden toegerekend. De Politie heeft immers met de wetenschap van die factoren, behoudens de onjuistheid van het advies, gehandeld zoals zij heeft gedaan, terwijl zij de mogelijkheid had om de kinderen over te dragen aan Veilig Thuis door een melding te doen. Dat de Politie er op 15 september 2016 voor heeft gekozen om slechts advies te vragen, komt volledig voor haar rekening en risico, nu zij geacht kan worden bekend te zijn met het verschil tussen een advies en een melding en haar eigen rol en verantwoordelijkheden daarbij (zie rov. 4.14).
Causaal verband
4.43.
Met betrekking tot het causaal verband overweegt de rechtbank het volgende. Voor het bestaan van de verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is vereist dat sprake is van causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van de Politie en de Stichting. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het causaal verband in de vestigingsfase en anderzijds de kwestie van de omvang van de schadevergoedingsverbintenis. Voor de vestiging van aansprakelijkheid is voldoende dat tussen de onrechtmatige daad en de geleden schade een conditio sine qua non verband bestaat. Beoordeeld dient te worden of de schade ook zou zijn ontstaan indien de schadeveroorzakende gebeurtenis(sen) wordt(en) weggedacht.
4.44.
De Politie en de Stichting betwisten dat het causaal verband aanwezig is. De Stichting voert aan dat de rechter in een geschil over de hoofdverblijfplaats zou hebben beslist dat de hoofdverblijfplaats gewijzigd dient te worden naar de VS en dat de kinderen mogen terugkeren, zodat wanneer het optreden van de Politie wordt weggedacht per saldo hetzelfde resultaat zou zijn gerealiseerd. Daartoe acht de Stichting de volgende omstandigheden van belang: de leeftijd van de kinderen, hun wens om naar hun moeder in de VS terug te keren, hun uiterst geringe worteling in de Nederlandse samenleving, het gebrek aan communicatie tussen [eiser] en de moeder, het geringe contact tussen [eiser] en de kinderen voordat zij naar Nederland kwamen en de melding van kindermishandeling. Ook de Politie beroept zich op dit argument en stelt verder dat, los van de uitkomst van een dergelijke procedure, moet worden aangenomen dat de kinderen ook zonder tussenkomst van de Politie en de Stichting naar de VS zouden zijn teruggegaan, omdat alles er op wijst dat zij niet langer in Nederland wilden blijven. De kinderen stonden immers op het punt om bij [eiser] weg te gaan en de situatie werd onhoudbaar door de melding van kindermishandeling, aldus de Politie. De Stichting betoogt op haar beurt dat het causaal verband ontbreekt, omdat het advies van Veilig Thuis geen invloed heeft gehad op het besluitvormingsproces van de Politie. De Politie had namelijk overdag al verschillende malen contact met de moeder en de zoon en was al vergevorderd met de uitvoering van het plan om de kinderen naar een hotel te laten gaan en te laten terugvliegen naar de VS toen om advies werd gevraagd. Bovendien, zo stelt de Stichting, is de adviesvrager zelf verantwoordelijk voor de aanpak en het zetten van vervolgstappen.
4.45.
[eiser] heeft dit alles betwist.
4.46.
De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van causaliteit in de zin van een conditio sine qua non verband. Indien Veilig Thuis onrechtmatig heeft gehandeld door een onjuist advies te geven aan de Politie en de Politie vervolgens op basis van dat advies op onrechtmatige wijze de kinderen heeft overgebracht naar een hotel om vanuit daar Nederland te verlaten, wordt het oorzakelijk verband tussen dat onrechtmatig handelen en de schade die [eiser] als gevolg hiervan heeft geleden niet verbroken doordat de kinderen mogelijk op een ander moment ook zouden zijn vertrokken. Het bestaan van de enkele mogelijkheid is daartoe onvoldoende. Bovendien hebben de Politie en de Stichting die mogelijkheid onvoldoende onderbouwd, laat staan dat die terugkeer ook op 16 september 2016 zou hebben plaatsgevonden. Daartoe acht de rechtbank van belang dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat een terugkeer van de kinderen voor het eerst aan de orde is geweest op 15 september 2016 tijdens het ontbijt en dat de verdere dag zonder bijzonderheden is verlopen en dat de kinderen gewoon naar school en naar hun sportverenigingen zijn gegaan. De rechtbank kan er op basis van hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht niet vanuit gaan dat de situatie in de nacht van 15 september 2016, ook nadat [eiser] zijn zoon had aangeraakt, dermate onhoudbaar was dat de kinderen hoe dan ook zouden vertrekken. Gedaagden kunnen ook niet worden gevolgd in hun stelling dat de kinderrechter zou hebben beslist dat de kinderen naar de VS mochten vertrekken. Bij de beoordeling door de kinderrechter komt niet alleen gewicht toe aan de door de Stichting en de Politie genoemde omstandigheden, maar vooral ook hun motieven om naar Nederland te willen komen (waaronder de mogelijkheden voor de zoon om zich te laten behandelen voor zijn psychische problemen) en hun situatie in de VS. Daarbij komt dat wennen in een ander land (en in dit geval ook aan een andere gezinssituatie) tijd kost. Doorgaans is hiermee (veel) meer tijd gemoeid dan de omstreeks twee weken die in dit geval zijn verstreken. Bovendien gaat zo’n wenperiode dikwijls gepaard met positieve en met negatieve ervaringen. Zeker in het geval van kinderen van zestien jaar, die in hun land van herkomst al een eigen sociale kring zullen hebben opgebouwd, zal het wennen in een ander land de nodige tijd en moeite kosten. Een ouder behoeft, zeker in zo’n situatie, niet op het eerste het beste verzoek van het kind een ticket terug te boeken. Veel meer voor de hand liggend is om met het kind in gesprek gaan en nadere afspraken te maken over de periode waarin aan het wennen in het andere land wordt gewerkt. Daarbij zou in een geval als dit een periode van een schooljaar voor de hand liggen, omdat de kinderen bij eerdere terugkeer naar de VS ook veel van het schooljaar daar zouden hebben gemist. Bovendien is niet gezegd dat die beoordeling er toe zou leiden dat beide kinderen zouden vertrekken. Met hun stellingen miskennen de Stichting en de Politie tevens dat het onrechtmatige van hun handelen met name ook zit in de wijze waarop de kinderen zijn vertrokken: abrupt, binnen een zeer kort tijdsbestek, zonder dat [eiser] wist wat gaande was en zonder dat hij de gelegenheid heeft gekregen om afscheid te nemen van zijn kinderen.
4.47.
Nu vaststaat dat sprake is van een conditio sine qua non verband is daarmee de aansprakelijkheid van de Politie en de Stichting gegeven.
4.48.
De vraag of alle door [eiser] gestelde schadeposten aan de Politie en de Stichting kunnen worden toegerekend als gevolg van het onrechtmatig handelen (artikel 6:98 BW) komt aan de orde bij de behandeling van de omvang van de schade.
Hoofdelijkheid
4.49.
De Politie en de Stichting betwisten dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. De Politie voert aan de schade gelet op het foutieve advies van de Stichting ook zonder haar optreden zou zijn ingetreden en dat dus de schade deelbaar is. Omdat de Stichting en de Politie ieder een eigen taak en verantwoordelijkheid hebben en er geen sprake is geweest van een ondeelbare verplichting of gebeurtenis, kunnen zij ieder slechts voor een eigen deel worden aangesproken, aldus de Stichting.
4.50.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat sprake is van een samenloop van oorzaken in de zin van artikel 6:102 BW, en daarmee van hoofdelijke aansprakelijkheid van twee of meer personen, als schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer (rechts)personen, terwijl voor elk van deze gedragingen geldt dat de(zelfde) schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden (zie HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4004). Het is niet vereist dat de gedraging van elke afzonderlijke (rechts)persoon de gehele schade zelfstandig heeft of kan hebben teweeggebracht. Voldoende is dat zij dat in samenloop (in samenwerking) met andere oorzaken heeft gedaan.
4.51.
Wordt ofwel het onjuiste advies van Veilig Thuis ofwel het optreden van de Politie op basis van dat advies weggedacht dan had geen schade bij [eiser] kunnen intreden. In deze zaak is derhalve sprake van een situatie van samenlopende oorzaken die tezamen de schade hebben veroorzaakt en waarbij de veroorzaker hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schade. Dat de Politie en Veilig Thuis ieder hun eigen taak en verantwoordelijkheid hadden, maakt dit niet anders. Dit betekent dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] als gevolg van hun onrechtmatig handelen heeft geleden en lijdt.
Conclusie
4.52.
Gelet op het voorgaande zijn de Politie en de Stichting hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van hun onrechtmatig handelen heeft geleden en lijdt. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht is dus in beginsel toewijsbaar.
Schade en eigen schuld
4.53.
Ter comparitie van partijen is met partijen afgesproken dat [eiser] , mocht de rechtbank de Politie en/of de Stichting aansprakelijk achten, nog de gelegenheid krijgt zich over de omvang van de schade uit te laten en zo nodig zijn eis aan te passen. In verband daarmee zal de rechtbank de zaak daarom verwijzen naar de rol voor aktewisseling uitlaten over de omvang van de schade, eerst [eiser] en dan de Politie en de Stichting.
4.54.
In het kader van de beoordeling van de schade zal de rechtbank een beslissing nemen over het beroep van de Politie en de Stichting op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van zijn gestelde schade.
4.55.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak voor akte uitlating als bedoeld in r.o. 4.53 aan de zijde van [eiser] naar de rolzitting van 7 augustus 2019;
5.2.
bepaalt dat de Politie en de Stichting daarop ter rolle van 4 september 2019 bij antwoordakte mogen reageren;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, bijgestaan door mr. A.N. Kikkert als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019.