Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.1.b.ii
9.2.1.b.ii De bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW: het wettelijk prijsvermoeden
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS602314:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het bijvoeglijk naamwoord ‘billijk’ ontbreekt bij de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW. Deze toevoeging in art. 2:359c lid 6 BW volgt uit de dertiende EG-richtlijn. Er is mijns inziens echter geen verschil in uitgangspunt bij de prijsvaststelling tussen beide uitkoopregelingen. Tijdens de parlementaire behandeling van art. 2:92a/201a BW benadrukt de wetgever dat de door de OK vast te stellen prijs redelijk moet zijn, Kamerstukken I 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 3. Zie in kritische zin over de algemene term ‘billijke prijs’, Nieuwe Weme (2004), p. 197.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 8, p. 25. Evenzo Bartman onder JOR 2008/336 (Grolsch); Kuijpers (2009), p. 417; Thissen (2012), p. 92.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49.
Voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW geldt dat de OK een ‘billijke prijs’ voor de over te dragen aandelen moet vaststellen.1 Hoewel de wet geen definitie hiervan geeft, bevat zij in art. 2:359c lid 6 BW wel een vermoeden van wanneer sprake is van een billijke prijs:
“Wanneer een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:74 van de Wet op het financieel toezicht is uitgebracht, wordt de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie, mits ten minste 90% van de aandelen is verworven waarop het bod betrekking had, geacht een billijke prijs te zijn. Wanneer een openbaar als bedoeld in artikel 5:70 van de Wet op het financieel toezicht is uitgebracht, wordt de waarde van de bij het bod geboden tegenprestatie geacht een billijke prijs te zijn (art. 2:359c lid 6 BW).”
Het gaat om een weerlegbaar vermoeden.2 De OK kan in afwijking van het prijsvermoeden – op verzoek van partijen, maar ook ambtshalve – zelfstandig een andere prijs vaststellen.3 Voor deze zelfstandige prijsvaststelling bevat de wet, net als bij de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW, geen voorschriften. Zie over het wettelijk prijsvermoeden uitgebreid § 9.3.4.
Voorts kan de OK één of drie deskundigen benoemen die haar berichten over de waarde van de aandelen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW.4