Hof Den Haag, 10-07-2023, nr. 22-002301-21
ECLI:NL:GHDHA:2023:1508
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
10-07-2023
- Zaaknummer
22-002301-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:1508, Uitspraak, Hof Den Haag, 10‑07‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:50
Uitspraak 10‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging diefstal en diefstal d.m.v. braak. Gepubliceerd naar aanleiding van gepubliceerd arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-002301-21
Parketnummers: 09-296609-20 (DV I),
10-262358-20 (DV II)
05-093992-20 (DV III),
Datum uitspraak: 10 juli 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1973,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding II (met parketnummer: 10-262358-20) tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 09-296609-20) en het bij dagvaarding III (met parketnummer: 05-093992-20) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tevens is beslist over het inbeslaggenomen geldbedrag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Den Haag vrijgesproken van het bij dagvaarding II tenlastegelegde. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Dagvaarding I:
1.hij op of omstreeks 20 november 2020 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een bedrijfspand (perceel [adres 1] ) één of meer goed(eren) en/of geldbedrag(en) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking
- naar het bedrijf [slachtoffer 1] is/zijn gereden en/of
- het hek/de poort heeft/hebben geforceerd en/of open gebroken en/of (vervolgens)
- de voordeur/centrale ingang heeft/hebben geforceerd en/of open gebroken met een koevoet en/of een breekijzer en/of (vervolgens)
- voornoemd bedrijfspand in is/zijn gegaan en/of het pand heeft/hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 20 november 2020 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een bedrijfspand (perceel [adres 2] ) één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat /die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Dagvaarding III (gevoegd):
1.hij op of omstreeks 3 april 2020 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere goederen en/of geldbedragen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen/geldbedragen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming naar het (bedrijfs)pand van voornoemde [slachtoffer 4] is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) eenmaal of meermalen een breekijzer/koevoet en/of schroevendraaiers, althans enig voorwerp, in de sluitnaad van een of meerdere deuren, kozijnen en/of kasten heeft gezet en/of heeft opengewrikt en/of een of meerdere deuren en/of kasten heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I tenlastegelegde en het bij dagvaarding III tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 156 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 (dagvaarding I) onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 05-093992-20 (dagvaarding III) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Dagvaarding I:
1. hij op of omstreeks 20 november 2020 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een bedrijfspand (perceel [adres 1] ) één of meer goed(eren) en/of geldbedrag(en) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking
- naar het bedrijf [slachtoffer 1] is/zijn gereden en/of
– het hek/de poort heeft/hebben geforceerd en/of open gebroken en/of (vervolgens)
- de voordeur/centrale ingang heeft/hebben geforceerd en/of open gebroken met een koevoet en/of een breekijzer en/of (vervolgens)
- voornoemd bedrijfspand in is/zijn gegaan en/of het pand heeft/hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op of omstreeks 20 november 2020 te Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een bedrijfspand (perceel [adres 2] ) een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat /die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Dagvaarding III(gevoegd):
1. hij op of omstreeks 3 april 2020 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere goederen en/of geldbedragen van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen/geldbedragen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming naar het (bedrijfs)pand van voornoemde [slachtoffer 4] is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) eenmaal of meermalen met een breekijzer/koevoet en/of schroevendraaiers, althans enig voorwerp, de sluitnaad van een of meerdere deuren en kozijnen en/of kasten hebben gezet en/of heeft opengewrikt en/of een of meerdere deuren en/of kasten heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bespreking verweren (dagvaarding I)
Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig de overlegde en in het strafdossier gevoegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de uitgeoefende controlebevoegdheden zonder een daartoe wettelijke grondslag zijn aangewend, oftewel dat de verbalisanten zich schuldig hebben gemaakt aan détournement de pouvoir. De verdediging komt tot de conclusie dat het voorgaande een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) oplevert, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Feiten en omstandigheden
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2020 volgt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 20 november 2020, omstreeks 20:50 uur een voertuig zagen rijden voorzien van kenteken [kenteken] . Dit voertuig reed op het industrieterrein [industrieterrein] in Schoonhoven en reed in de richting van Lopik. De verbalisanten hebben het voertuig met het bijbehorende kenteken vervolgens in het politiesysteem gecontroleerd. Hieruit volgde dat het voertuig vermeld stond bij verschillende registraties, waaronder Opiumwet-gerelateerde zaken. Op een gegeven moment verloren de verbalisanten het voertuig uit het oog, maar na enige tijd zagen de verbalisanten het voertuig weer rijden. Volgens de verbalisanten reed het voertuig een onlogische route.
Gezien de meerdere registraties en de onlogische route werd aan het voertuig een stopteken gegeven. Aan de bestuurder (het hof begrijpt: de verdachte) werd gevorderd zijn rijbewijs, dan wel zijn identiteitsbewijs te tonen. De verdachte kon zich niet identificeren, waarna hij aan een identiteitsfouillering werd onderworpen. Tijdens deze fouillering zag verbalisant [verbalisant 2] dat in de jaszak moersleutels zaten. Aan de overige drie inzittenden werd eveneens gevraagd of zij een identiteits- dan wel rijbewijs konden tonen, hieraan werd echter geen gehoor gegeven. De bijrijder werd vervolgens verzocht zijn zakken te legen, hieruit kwam onder meer zijn rijbewijs. De bijrijder bleek [medeverdachte] te zijn, die veelvuldig geregistreerd stond voor registraties voor bedrijfsinbraken.
Nadat alle inzittenden het voertuig waren uitgestapt, zag verbalisant [verbalisant 1] een koevoet in de auto liggen. De vier inzittenden werden vervolgens aangehouden terzake het overtreden van de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Krimpenerwaard, te weten het vervoeren van inbrekerswerktuigen, zoals omschreven in artikel 2:44 van de voornoemde APV. Tijdens rit naar het politiebureau kregen de verbalisanten door dat er kort daarvoor een inbraak was geweest bij een bedrijfspand in Bergambacht, waar de aangehouden inzittenden, gelet op de aanwezige camerabeelden, mogelijk aan te linken waren. De verdenking inzake de APV werd derhalve omgezet naar een verdenking inzake artikel 311 Sv.
Beoordeling
Het hof stelt voorop dat de verbalisanten bevoegd waren het voertuig met het bijbehorende kenteken te contoleren, immers voor de bevraging van een kenteken in het politie-systeem is geen verdenking in de zin van artikel 27 Sv vereist.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat ten behoeve van de controle van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) gegeven voorschriften de politie bevoegd is om controlebevoegdheden als bedoeld in artikel 160 lid 1 en 4 WVW uit te oefenen. Als daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160 lid 1 en 4 WVW zijn uitgeoefend ter controle van die naleving. Dan is die uitoefening in beginsel rechtmatig, ook indien die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop deze bepalingen niet zien (vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670).
Nu in onderhavige zaak de verdachte na het geven van het stopteken naar zijn rijbewijs is gevraagd, is het hof van oordeel dat het stopteken rechtmatig is gegeven. Omdat de verdachte zijn rijbewijs niet kon tonen, waren de verbalisanten bevoegd, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitvoering van de politietaak, om de inzage van een legitimatiebewijs te vorderen. Deze kon de verdachte evenmin overhandigen. Het hof merkt ten overvloede op dat voor het uitoefenen van deze bevoegdheid geen verdenking van enig strafbaar feit noodzakelijk is en dat het optreden van de verbalisanten dan ook uitsluitend ten behoeve van hun controlebevoegdheid werd uitgeoefend.
Ingevolge artikel 55b, eerste lid, Sv waren de verbalisanten vervolgens - ter vaststelling van de identiteit van de verdachte – bevoegd tot fouillering. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is het hof dan ook van oordeel dat van een onrechtmatige fouillering geen sprake is geweest.
Naar het oordeel van het hof is evenmin gebleken dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu de verbalisanten op grond van artikel 53, eerste lid, Sv bevoegd waren om de verdachte aan te houden. Er was immers sprake van een heterdaadsituatie wegens het aantreffen van de inbrekerswerktuigen in het betreffende voertuig. Het hof merkt hierbij ten overvloede op dat van een doorzoeking in de zin van artikel 96b Sv geen sprake is geweest. De koevoet bevond zich immers - nadat alle inzittenden het voertuig waren uitgestapt - in het zicht van verbalisant [verbalisant 1] .
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er geen sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
De gevoerde verweren hieromtrent worden derhalve verworpen.
Bespreking alternatief scenario
De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de zich in het dossier bevindende herkenning van de verdachte, zijnde ‘persoon 1’, onvoldoende specifiek onderscheidend is om op basis daarvan met zekerheid te kunnen vaststellen dat ‘persoon 1’ de verdachte is. In het kader hiervan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte pas later in het voertuig is ingestapt, waardoor de verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij de tenlastegelegde inbraken.
Het hof acht het door de verdediging geschetste scenario niet aannemelijk geworden en overweegt hieromtrent als volgt.
Op de zich in het dossier bevindende camerabeelden zijn vier personen te zien. Tussen de gepleegde inbraak en poging tot inbraak en het moment van aantreffen van de verdachte en de drie medeverdachten in het voertuig zit een zeer korte tijdsspanne. Uit de camerabeelden van het bedrijf ‘ [slachtoffer 1] ’ volgt immers dat de vier personen omstreeks 20:37 uur het bedrijfspand verlieten. Kort hierna, om 20:50 uur, zijn de vier verdachten in onderhavige strafzaak door de verbalisanten voor het eerst gezien op het industrieterrein [industrieterrein] in Schoonhoven. De locatie waar de verdachte en de drie medeverdachten zijn aangetroffen ligt op ongeveer 7 kilometer van de bedrijven [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] .
Gelet op het genoemde korte tijdsverloop en de afgelegde afstand acht het hof het niet aannemelijk geworden dat de verdachte op een later moment in het voertuig is ingestapt. Het hof neemt hierbij mede in beschouwing dat de verdachte desgevraagd geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het alternatieve scenario op enigerlei wijze enigszins aannemelijk kunnen maken. Zo heeft hij niet verklaard waar en wanneer hij in het betreffende voertuig is gestapt. De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de locatie waar hij van auto zou wisselen via Whatsapp had gekregen, maar deze verklaring kan -mede doordat de verdachte deze whatsapp niet kon achterhalen- niet meer geverifieerd worden.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, dat de verdachte op een later moment het voertuig is ingestapt, acht het hof aldus niet aannemelijk geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de tenlastegelegde inbraken heeft gepleegd. De enkele omstandigheid dat het in het dossier bevindende signalement van ‘persoon 1’, zijnde de verdachte, geen specifieke en onderscheidende kenmerken bevat, doet aan voornoemd oordeel niet af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Het in de zaak met parketnummer 05-093992-20 bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een voltooide bedrijfsinbraak en twee pogingen tot bedrijfsinbraken. Bij de inbraak bij [slachtoffer 3] is een geldbedrag weggenomen en bij alle drie de (pogingen tot) inbraken is flinke schade toegebracht. Door aldus te handelen heeft de verdachte een gebrek aan respect getoond voor andermans eigendommen. De verdachte en zijn mededaders hebben daar op geen enkele manier oog voor gehad, maar waren kennelijk uitsluitend uit op hun eigen financiële gewin.
Het hof heeft acht geslagen op onder meer het voortgangsverslag van de reclassering van 12 januari 2023 en het voortgangsverslag van Amsta van 19 juni 2023. Hieruit volgt dat de verdachte vanuit Amsta ondersteund wordt in zijn financiën, huisvesting en zijn psychosociaal functioneren. Ter terechtzitting in hoger beroep is eveneens naar voren gekomen dat de verdachte op verschillende leefgebieden orde op zaken aan het stellen is. Hij heeft twee banen en heeft – samen met zijn bewindvoerder - stappen gezet om zijn schuldenlast, die mede een aanleiding vormde voor het plegen van vermogensdelicten, te verlagen. Tevens is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen dat de verdachte weerbaarheidstherapie heeft gevolgd, hetgeen ertoe heeft geleid dat hij beter voor zichzelf kan opkomen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet alleen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten, maar dat de verdachte ook na 20 november 2020 nog is veroordeeld voor misdrijven.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijk gedeelte van gevangenisstraf, zal het
de hierna te noemen bijzondere voorwaarden verbinden, die minder uitgebreid zijn dan in eerste aanleg opgelegd en rekening houden met de vorderingen, die de verdachte in de afgelopen periode met behulp van Amsta heeft gemaakt.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.652,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.652,63.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 126,14, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 126,14 (de kostenpost ‘reparatie ramen en deuren’) aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal om die reden dan ook bepalen dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 126,14 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] .
Beslag
Ten aanzien van het inbeslaggenomen, en nog niet teruggegeven geldbedrag, beslist het hof als volgt.
Het hof gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag van
€ 120,00.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-262358-20 onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 05-093992-20 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 05-093992-20 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 156 (honderdzesenvijftig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland op het adres Wibaustraat 12, 1091 GM in Amsterdam. De veroordeelde blijft zich melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van stichting Amsta, zo frequent en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van € 120,00.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 126,14 (honderdzesentwintig euro en veertien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-296609-20 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 126,14 (honderdzesentwintig euro en veertien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 november 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge,
mr. H. Steenhuis en mr. E.A. Lensink, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2023.
mr. E.A. Lensink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.