Procestaal: Frans.
HvJ EU, 22-11-2018, nr. C-575/17
ECLI:EU:C:2018:943
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
22-11-2018
- Magistraten
K. Lenaerts, F. Biltgen, E. Levits
- Zaaknummer
C-575/17
- Conclusie
M. Wathelet
- Roepnaam
Sofina
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:943, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑11‑2018
ECLI:EU:C:2018:650, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑08‑2018
Uitspraak 22‑11‑2018
K. Lenaerts, F. Biltgen, E. Levits
Partij(en)
In zaak C-575/17,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissing van 20 september 2017, ingekomen bij het Hof op 28 september 2017, in de procedure
Sofina SA,
Rebelco SA,
Sidro SA
tegen
Ministre de l'Action et des Comptes publics,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, F. Biltgen en E. Levits (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: R. Schiano, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 juni 2018,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Sofina SA, vertegenwoordigd door C. Valentin, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, A. Alidière en E. de Moustier als gemachtigden,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin en J.-C. Halleux als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, M. H. S. Gijzen, J. Langer en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
- —
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, H. Shev, C. Meyer-Seitz, L. Zettergren en A. Alriksson als gemachtigden,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Z. Lavery als gemachtigde, bijgestaan door J. Rivett, barrister,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Gossement en W. Roels als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 augustus 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 63 en 65 VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Sofina SA, Rebelco SA en Sidro SA, vennootschappen naar Belgisch recht, enerzijds, en de ministre de l'Action et des Comptes publics (Frankrijk) anderzijds, over de weigering door laatstgenoemde om hun de bronbelasting terug te geven die was geheven over de dividenden die van 2008 tot en met 2011 aan hen waren uitgekeerd.
Toepasselijke bepalingen
Frans recht
3
Artikel 38, lid 1, van de code général des impôts (algemeen belastingwetboek; hierna: ‘CGI’) bepaalt:
‘[…] [D]e belastbare winst is de nettowinst, bepaald aan de hand van de resultaten van alle verrichtingen van welke aard dan ook van ondernemingen, daaronder begrepen de overdracht van enig onderdeel van de activa, tijdens of aan het eind van de exploitatie.’
4
Artikel 39, lid 1, CGI preciseert:
‘De nettowinst wordt vastgesteld onder aftrek van alle kosten […].’
5
Artikel 119 bis, lid 2, CGI bepaalt met name dat over de in de artikelen 108 tot en met 117 bis van dat wetboek bedoelde opbrengsten een bronbelasting wordt geheven tegen het in artikel 187 van dat wetboek bepaalde tarief, wanneer zij ten goede komen aan personen die hun fiscale woonplaats of zetel niet in Frankrijk hebben.
6
Tot de in de artikelen 108 tot en met 117 bis CGI bedoelde opbrengsten behoren ook de dividenden.
7
In de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie stelt artikel 187, lid 1, CGI het tarief van de bronbelasting vast op 25 %.
8
In de versie die van toepassing was tot 21 september 2011 bepaalde artikel 209, lid 1, derde alinea, CGI:
‘[…] [W]anneer in een boekjaar verlies wordt geleden, wordt dit verlies ten laste van het volgende boekjaar gebracht en in mindering gebracht op de in dat boekjaar gemaakte winst. Indien de omvang van de winst geen volledige aftrek toestaat, wordt het overschot van het verlies ten laste van de volgende boekjaren gebracht.’
9
Sinds 21 september 2011 luidt artikel 209, lid 1, derde alinea, CGI als volgt:
‘[…] [W]anneer in een boekjaar verlies wordt geleden, wordt dit verlies ten laste van het volgende boekjaar gebracht en in mindering gebracht op de in dat boekjaar gemaakte winst, met een maximum van 1 000 000 [EUR] vermeerderd met 60 % van het bedrag van de belastbare winst van dat boekjaar waarmee dit eerste bedrag wordt overschreden. Indien de omvang van de winst geen volledige aftrek toestaat, wordt het overschot van het verlies onder dezelfde voorwaarden ten laste van de volgende boekjaren gebracht. Hetzelfde geldt voor het deel van het verlies dat niet in mindering kon worden gebracht op grond van de eerste zin van deze alinea.’
Overeenkomst tussen België en Frankrijk
10
Artikel 15, §§ 1 en 2, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964, zoals gewijzigd bij de Avenanten van 15 februari 1971, 8 februari 1999, 12 december 2008 en 7 juli 2009 (hierna: ‘Overeenkomst tussen België en Frankrijk’), bepaalt het volgende:
- ‘1.
Dividenden die hun bron in een overeenkomstsluitende staat hebben en aan een verblijfhouder van de andere staat worden betaald, zijn in die andere staat belastbaar.
- 2.
Deze dividenden mogen evenwel onder voorbehoud van de bepalingen van § 3 in de overeenkomstsluitende staat, waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt verblijfhouder is, overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet hoger zijn dan:
- a)
10 [%] van het brutobedrag van de dividenden indien de genieter een vennootschap is die ten minste 10 [%] van het kapitaal van de uitdelende vennootschap sedert het begin van het laatste, voor de uitkering afgesloten, boekjaar van deze vennootschap in uitsluitende eigendom heeft;
- b)
15 [%] van het brutobedrag van de dividenden in andere gevallen.
Deze paragraaf laat onverlet de belastingheffing van de vennootschap ter zake van de winsten waaruit de dividenden worden betaald.’
11
Artikel 19, A, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk bepaalt met name:
‘Dubbele belasting wordt op de volgende wijze voorkomen:
- A.
Met betrekking tot België:
- 1.
De inkomsten en opbrengsten uit roerende kapitalen, ressorterend onder het in artikel 15, paragrafen 2 en 4, omschreven regime, die in Frankrijk werkelijk de inhouding bij de bron hebben ondergaan en die worden verkregen door vennootschappen, verblijfhouders van België, onderhevig uit dien hoofde aan de vennootschapsbelasting, worden mits de roerende voorheffing wordt geïnd tegen het normale tarief op hun bedrag netto van Franse belasting, vrijgesteld van de vennootschapsbelasting en van de belasting bij de uitkering, onder de voorwaarden bepaald bij de Belgische interne wetgeving.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12
Sofina, Rebelco en Sidro hebben van 2008 tot en met 2011 dividenden ontvangen op grond van hun deelnemingen in Franse vennootschappen.
13
Ingevolge artikel 119 bis, lid 2, CGI juncto artikel 15, § 2, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk is over die dividenden bronbelasting geheven tegen een tarief van 15 %.
14
Omdat verzoeksters in het hoofdgeding de boekjaren 2008 tot en met 2011 met een negatief resultaat hadden afgesloten, hebben zij bezwaren aangetekend bij de Franse belastingdienst, met als doel teruggaaf van de belasting die was geheven over de in die boekjaren uitgekeerde dividenden.
15
Aangezien die bezwaren werden afgewezen, hebben verzoeksters in het hoofdgeding zich gewend tot de bevoegde rechterlijke instanties, die hun verzoeken om teruggaaf zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet hebben ingewilligd.
16
Daarop hebben verzoeksters in het hoofdgeding beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter.
17
De Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) stelt in de eerste plaats vast dat een bronbelasting die enkel wordt toegepast op dividenden die worden uitgekeerd aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen op grond van hun deelnemingen in ingezeten vennootschappen, voor die vennootschappen een liquiditeitsnadeel doet ontstaan ten opzichte van verlieslatende ingezeten vennootschappen. Deze rechter wenst evenwel te vernemen of een dergelijke omstandigheid op zichzelf een verschil in behandeling vormt dat kan worden aangemerkt als een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal.
18
Gesteld dat de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is een dergelijke beperking inhoudt, dan vraagt de Conseil d'État in de tweede plaats of een dergelijke beperking, gelet op het doel van die regeling — te weten een doelmatige invordering van de belastingen te waarborgen — gerechtvaardigd zou kunnen zijn.
19
In de derde plaats, subsidiair en indien het in casu aan de orde zijnde beginsel van bronbelasting moet worden aanvaard, wenst deze rechterlijke instantie te vernemen, ten eerste, of de omstandigheid dat de verlieslatende ingezeten vennootschap die haar activiteiten beëindigt en daardoor de facto vrijstelling geniet van de belasting over de dividenden die zij heeft ontvangen tijdens de verlieslatende boekjaren, van invloed kan zijn op het onderzoek van de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met de artikelen 63 en 65 VWEU.
20
Ten tweede wijst de Conseil d'État erop dat ook de verschillen in de berekeningswijze van de grondslag voor de belasting ter zake van dividenden naargelang de vennootschap die de dividenduitkering ontvangt wel of niet ingezeten is, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kunnen opleveren. Terwijl de in artikel 119 bis CGI neergelegde bronbelasting wordt betaald over het brutobedrag van de dividenden, zijn de kosten die verband houden met de feitelijke inning van de dividenden namelijk aftrekbaar van de grondslag voor de berekening van de belasting die drukt op de dividenden die worden uitgekeerd aan een ingezeten vennootschap.
21
In die omstandigheden heeft de Conseil d'État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten de artikelen […] 63 en 65 [VWEU] aldus worden uitgelegd dat het liquiditeitsnadeel dat voortvloeit uit de omstandigheid dat over dividenden die aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd een bronbelasting wordt geheven, terwijl over het bedrag van de dividenden die verlieslatende ingezeten vennootschappen ontvangen pas belasting wordt geheven in het boekjaar waarin zij in voorkomend geval weer winstgevend worden, op zichzelf een verschil in behandeling vormt dat als een beperking van het vrije kapitaalverkeer kan worden aangemerkt?
- 2)
Kan de in de vorige vraag vermelde eventuele beperking van het vrije kapitaalverkeer in het licht van de vereisten die voortvloeien uit de artikelen […] 63 en 65 [VWEU] worden geacht te zijn gerechtvaardigd door de noodzaak om een doeltreffende invordering van de belastingen te waarborgen, aangezien niet-ingezeten vennootschappen niet onder toezicht staan van de Franse belastingautoriteiten, dan wel door de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven?
- 3)
Indien toepassing van de betwiste bronheffing vanuit de optiek van het vrije kapitaalverkeer in beginsel toelaatbaar kan worden geacht:
- —
staan die bepalingen eraan in de weg dat aan de bron belasting wordt ingehouden op dividenden die door een ingezeten vennootschap aan een in een andere lidstaat gevestigde verlieslatende vennootschap worden uitgekeerd, wanneer deze laatste haar activiteiten beëindigt en niet opnieuw winstgevend wordt, terwijl een ingezeten vennootschap in een dergelijke situatie over de dividenden feitelijk geen belasting verschuldigd is;
- —
moeten die bepalingen aldus worden uitgelegd dat wanneer sprake is van belastingregels die dividenden verschillend behandelen naargelang zij aan ingezetenen dan wel aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, de daadwerkelijke belastingdruk voor elk van hen in verband met die dividenden moet worden vergeleken, zodat een beperking van het vrije kapitaalverkeer die eruit voortvloeit dat deze regels enkel niet-ingezetenen de mogelijkheid ontzeggen rechtstreeks met de inning als zodanig van de dividenden verband houdende kosten af te trekken, zou kunnen worden geacht haar rechtvaardiging te vinden in het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd en de bronbelasting die op de aan niet-ingezetenen uitgekeerde dividenden wordt ingehouden, wanneer dit verschil, wat het bedrag van de betaalde belasting betreft, het verschil in belastinggrondslag compenseert?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag en eerste onderdeel van de derde vraag
22
Met zijn eerste en zijn tweede vraag en het eerste onderdeel van zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, krachtens welke over dividenden die worden uitgekeerd door een ingezeten vennootschap een bronbelasting wordt geheven wanneer zij worden ontvangen door een niet-ingezeten vennootschap, terwijl dividenden die worden ontvangen door een ingezeten vennootschap volgens de gemeenrechtelijke bepalingen inzake vennootschapsbelasting aan het einde van het boekjaar waarin zij zijn ontvangen enkel worden belast op voorwaarde dat de ingezeten vennootschap in dat boekjaar winstgevend is geweest, waarbij die belastingheffing in voorkomend geval nooit plaatsvindt indien die vennootschap haar activiteiten beëindigt zonder na ontvangst van die dividenden een positief resultaat te hebben geboekt.
Bestaan van een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU
23
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arresten van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a., C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 15; 17 september 2015, Miljoen e.a., C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punt 44, en 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C-252/14, EU:C:2016:402, punt 27).
24
In het bijzonder kan een ongunstige behandeling door een lidstaat van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen, in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in eerstbedoelde lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU (arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C-252/14, EU:C:2016:402, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Ingevolge de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, zijn vennootschappen die aandelen in een in Frankrijk gevestigde vennootschap hebben met betrekking tot dividenden die hun op grond daarvan worden uitgekeerd onderworpen aan twee verschillende belastingstelsels, waarbij de toepassing van hetzij het ene, hetzij het andere stelsel afhankelijk is van de vraag of zij al dan niet ingezetene zijn op het grondgebied van die lidstaat.
26
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat over dividenden die door een Franse vennootschap aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd ingevolge artikel 119 bis, lid 2, CGI een bronbelasting wordt geheven van 25 % over hun brutobedrag, doch dat dit tarief kan worden verlaagd op basis van een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting, ongeacht hun financiële resultaten. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, is over de door verzoeksters in het hoofdgeding ontvangen dividenden een bronbelasting van 15 % geheven op basis van een dergelijke overeenkomst, te weten de Overeenkomst tussen België en Frankrijk.
27
Daarentegen zijn dividenden die worden uitgekeerd aan een ingezeten vennootschap opgenomen in haar belastinggrondslag en onderworpen aan de gemeenrechtelijke belastingregeling, te weten, overeenkomstig artikel 38 CGI, aan de vennootschapsbelasting ten belope van 33,33 %. Wanneer aan het einde van het betrokken belastingjaar verlies wordt geleden, voorzag artikel 209, lid 1, derde alinea, CGI, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, in uitstel van die heffing tot een later, winstgevend jaar, waarbij de geregistreerde, naar dat volgende jaar overgedragen verliezen werden verrekend met het bedrag van de ontvangen dividenden.
28
Terwijl de aan een niet-ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden onderhevig zijn aan onmiddellijke en definitieve belastingheffing, hangt de heffing van belasting ter zake van dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, dus af van de vraag of deze vennootschap een positief dan wel een negatief nettoresultaat heeft geboekt. Wanneer dit resultaat negatief is, wordt de belastingheffing over die dividenden niet alleen uitgesteld tot een later, winstgevend jaar — waardoor de ingezeten vennootschap dus een financieel voordeel ontvangt — maar wordt deze heffing ook onzeker, omdat zij niet zal plaatsvinden als de ingezeten vennootschap haar activiteiten beëindigt voordat zij winstgevend wordt.
29
Ten eerste levert de uitsluiting van een financieel voordeel in een grensoverschrijdende situatie terwijl dat voordeel wel beschikbaar is in een vergelijkbare binnenlandse situatie een beperking van het vrije verkeer van kapitaal op (zie naar analogie arresten van 13 december 2005, Marks & Spencer, C-446/03, EU:C:2005:763, punt 33, en 12 juli 2012, Commissie/Spanje, C-269/09, EU:C:2012:439, punt 59).
30
Ten tweede moet het bestaan van een mogelijk ongunstige behandeling van de aan niet-ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden worden beoordeeld over elk belastingjaar afzonderlijk (arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C-252/14, EU:C:2016:402, punt 41).
31
Aangezien dividenden die een niet-ingezeten vennootschap ontvangt, worden belast op het moment van uitkering, moet rekening worden gehouden met het belastingjaar waarin de dividenden worden uitgekeerd om de belastingdruk op dergelijke dividenden te vergelijken met de belastingdruk op aan een ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden.
32
Vastgesteld moet worden dat een dergelijke heffing ontbreekt wanneer de ingezeten vennootschap een dergelijk boekjaar afsluit met een negatief resultaat.
33
Ten derde zal een dergelijk uitstel van belastingheffing het karakter aannemen van een definitieve vrijstelling van aan een ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden, indien deze vennootschap niet meer winstgevend wordt alvorens haar activiteiten te beëindigen.
34
Bijgevolg kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling ingezeten vennootschappen die zich in een verlieslatende situatie bevinden een voordeel verschaffen, aangezien uit die situatie op zijn minst een financieel voordeel en, in geval van beëindiging van de activiteiten, zelfs een vrijstelling voortvloeit, terwijl niet-ingezeten vennootschappen, ongeacht hun resultaat, onderworpen zijn aan onmiddellijke en definitieve belastingheffing.
35
De Franse regering wijst er in dit verband op dat dividenden die worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten vennootschap ingevolge artikel 119 bis, lid 2, CGI juncto artikel 15 van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk onderworpen zijn aan een belasting van 15 %, terwijl dividenden uitgekeerd aan een ingezeten vennootschap krachtens artikel 38 CGI onderworpen zijn aan een belasting van 33,33 %.
36
In dit verband moet echter worden beklemtoond dat het enkele feit dat dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd in Frankrijk aan een bronbelasting van 15 % zijn onderworpen, het Koninkrijk België niet belet om diezelfde dividenden uit hoofde van de hem krachtens artikel 15, § 1, van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk verleende fiscale bevoegdheid eveneens te belasten, binnen de grenzen die zijn vastgelegd in artikel 19, A, § 1, van die overeenkomst.
37
Bovendien kan de in punt 35 van dit arrest uiteengezette omstandigheid de minder gunstige behandeling van dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, hoe dan ook niet tenietdoen.
38
In de eerste plaats kan een ongunstige fiscale behandeling die indruist tegen een fundamentele vrijheid immers niet met het recht van de Unie verenigbaar worden geacht omdat er eventueel andere voordelen bestaan (arresten van 18 juli 2007, Lakebrink en Peters-Lakebrink, C-182/06, EU:C:2007:452, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C-18/15, EU:C:2016:549, punt 32).
39
In de tweede plaats is het minder gunstige belastingtarief dat door de Franse regering wordt aangevoerd met betrekking tot dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd in ieder geval niet relevant, aangezien dergelijke dividenden zijn vrijgesteld van de verschuldigde belasting wanneer de ingezeten vennootschap na het innen van die dividenden haar activiteiten beëindigt zonder winstgevend te zijn geweest. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de omstandigheid dat een nationale regeling nadelig is voor niet-ingezetenen, niet kan worden gecompenseerd door de omstandigheid dat die regeling in andere situaties niet-ingezetenen niet ongunstiger behandelt dan ingezetenen (arresten van 18 juli 2007, Lakebrink en Peters-Lakebrink, C-182/06, EU:C:2007:452, punt 23, en 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C-252/14, EU:C:2016:402, punt 38).
40
Een dergelijk verschil in fiscale behandeling van dividenden naargelang van de plaats waar de ontvangende vennootschappen zijn gevestigd, kan enerzijds niet-ingezeten vennootschappen ervan doen afzien te beleggen in vennootschappen die in Frankrijk zijn gevestigd en anderzijds de in Frankrijk wonende beleggers ervan doen afzien deelnemingen in niet-ingezeten vennootschappen te verwerven.
41
Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel door artikel 63, lid 1, VWEU wordt verboden.
42
Niettemin dient te worden onderzocht of deze beperking kan worden gerechtvaardigd in het licht van de bepalingen van het VWEU.
Rechtvaardiging voor de beperking van het vrije kapitaalverkeer uit hoofde van artikel 65 VWEU
43
De Franse regering betoogt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar een beperking vormt, maar dat, ten eerste, de situatie van ingezeten en niet-ingezeten vennootschappen objectief verschillend is, en, ten tweede, deze regeling wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de invordering van de belasting te waarborgen en strookt met de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaat van vestiging en de bronlidstaat.
44
Overeenkomstig artikel 65, lid 1, onder a), VWEU, ‘[doet] [h]et bepaalde in artikel 63 [VWEU] niets af aan het recht van de lidstaten […] [om] de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd’.
45
Deze bepaling vormt een uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van kapitaal en moet dus strikt worden uitgelegd. Bijgevolg kan zij niet aldus worden uitgelegd dat elke belastingwetgeving die tussen belastingplichtigen een onderscheid maakt naargelang van de plaats waar zij zijn gevestigd of van de lidstaat waar zij hun kapitaal beleggen, automatisch verenigbaar is met het Verdrag. De in artikel 65, lid 1, onder a), VWEU bepaalde afwijking wordt immers zelf beperkt door lid 3 van dat artikel, dat bepaalt dat de in lid 1 bedoelde nationale bepalingen ‘geen middel tot willekeurige discriminatie [mogen] vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer en betalingsverkeer als omschreven in artikel 63 [VWEU]’ (arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a., C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punt 63).
46
Bijgevolg moet onderscheid worden gemaakt tussen de door artikel 65, lid 1, onder a), VWEU toegestane verschillen in behandeling en de door artikel 65, lid 3, VWEU verboden gevallen van discriminatie. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een nationale belastingregeling enkel verenigbaar met de Verdragsbepalingen betreffende het vrije kapitaalverkeer worden geacht indien het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (arrest van 17 september 2005, Miljoen e.a., C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punt 64).
— Vergelijkbaarheid van de betrokken situaties
47
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer een lidstaat, unilateraal of door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten belastingplichtigen maar ook niet-ingezeten belastingplichtigen aan de inkomstenbelasting onderwerpt voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, de situatie van die niet-ingezeten belastingplichtigen vergelijkbaar is met die van de ingezeten belastingplichtigen (arresten van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland, C-284/09, EU:C:2011:670, punt 56, en 17 september 2015, Miljoen e.a., C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Op basis van het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C-282/07, EU:C:2008:762), betogen de Franse, de Belgische, de Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk echter dat een regeling die enkel bepaalt dat de belasting op verschillende wijzen wordt ingevorderd naargelang van de plaats van de zetel van de ontvangende vennootschap, gerechtvaardigd is vanwege het feit dat de situatie van ingezeten vennootschappen objectief verschilt van die van niet-ingezetenen vennootschappen.
49
Derhalve weerspiegelt de toepassing van belastinginvorderingstechnieken die verschillen naargelang van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dividenden het objectieve verschil van de situatie van niet-ingezeten vennootschappen ten opzichte van die van ingezeten vennootschappen, waarbij de Franse Staat ten opzichte van de niet-ingezeten vennootschappen optreedt als bronstaat van de dividenden en niet als vestigingsstaat van de ontvanger van die dividenden, hetgeen zijn invorderingsmogelijkheden wat niet-ingezeten vennootschappen betreft, vermindert en rechtvaardigt dat op dividenden die aan hen worden uitgekeerd, een bronbelasting wordt toegepast.
50
Dit betoog kan evenwel niet worden gevolgd.
51
Het Hof heeft weliswaar in punt 41 van het arrest van 22 december 2008, Truck Center (C-282/07, EU:C:2008:762), geoordeeld dat een verschillende behandeling die bestaat in de toepassing van verschillende belastingheffingstechnieken naargelang van de vestigingsplaats van de belastingplichtige, situaties betreft die niet objectief vergelijkbaar zijn, maar het heeft in de punten 43 en 44 van dat arrest ook gepreciseerd dat de inkomsten die aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot dat arrest hoe dan ook onderworpen waren aan belasting, ongeacht of deze werden ontvangen door een ingezeten of door een niet-ingezeten belastingplichtige.
52
Zoals blijkt uit punt 33 van het onderhavige arrest, schrijft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet alleen voor dat de wijze van belastinginvordering verschilt naargelang van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dividenden van nationale oorsprong, maar kan zij ook resulteren in uitstel van de belastingheffing over dividendinkomsten naar een later boekjaar, wanneer de ingezeten vennootschap verlieslatend is, en zelfs tot vrijstelling, wanneer zij haar activiteiten beëindigt zonder opnieuw winstgevend te zijn geworden (zie naar analogie arrest van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a., C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 43).
53
Aangezien deze regeling een aanzienlijk belastingvoordeel oplevert voor ingezeten vennootschappen in een verlieslatende situatie, welk voordeel niet wordt verleend aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen, kan niet worden gesteld dat het verschil in behandeling bij de belastingheffing over dividenden naargelang zij door een ingezeten vennootschap dan wel door een niet-ingezeten vennootschap worden ontvangen, beperkt is tot de wijze waarop de belasting wordt ingevorderd.
54
Hieruit volgt dat dit verschil in behandeling niet wordt gerechtvaardigd door een objectief verschil in situatie.
— Rechtvaardiging ontleend aan de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten
55
De Franse regering betoogt dat de bronbelasting waaraan alleen dividenden zijn onderworpen die worden ontvangen door een niet-ingezeten vennootschap, de enige techniek is waarmee de Franse Staat deze inkomsten kan belasten zonder zijn belastinginkomsten te verminderen vanwege een negatief resultaat dat is opgekomen in een andere lidstaat.
56
Dienaangaande heeft het Hof erkend dat de handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten een legitiem doel vormt, en dat bij gebreke van door de Europese Unie vastgestelde eenwordings- of harmonisatiemaatregelen de lidstaten bevoegd blijven om, door het sluiten van overeenkomsten of unilateraal, de criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen (arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C-18/15, EU:C:2016:549, punt 35).
57
Een dergelijke rechtvaardiging kan aanvaardbaar zijn, met name wanneer de betrokken regeling ertoe strekt gedragingen te vermijden die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden (arrest van 12 juli 2012, Commissie/Spanje, C-269/09, EU:C:2012:439, punt 77).
58
In casu heeft de Franse Staat ervoor gekozen de dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, te belasten door middel van een bronbelasting, tegen een tarief dat is vastgesteld in het kader van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting, terwijl die Staat een dergelijke belasting niet heft over dividenden die worden uitgekeerd aan een ingezeten vennootschap die verlieslatend is.
59
In het hoofdgeding betekent het uitstel van de belastingheffing over dividenden die een niet-ingezeten vennootschap in een verlieslatende situatie heeft ontvangen, echter niet dat de Franse Staat afstand moet doen van zijn recht om belasting te heffen over op zijn grondgebied gegenereerde inkomsten. De door de ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden zijn immers aan belasting onderworpen zodra de niet-ingezeten vennootschap in een volgend boekjaar een positief resultaat heeft geboekt, net als het geval is voor een ingezeten vennootschap die een vergelijkbare ontwikkeling doormaakt.
60
Als blijkt dat de niet-ingezeten vennootschap niet opnieuw winstgevend wordt alvorens haar activiteiten te beëindigen, zou hieruit daadwerkelijk een vrijstelling voortvloeien van inkomsten uit dividenden, hetgeen zou leiden tot belastingverliezen voor de lidstaat van belastingheffing.
61
Uit de rechtspraak van het Hof volgt evenwel, enerzijds, dat de derving van belastingopbrengsten niet kan worden aangemerkt als een dwingende reden van algemeen belang die kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van een maatregel die in beginsel in strijd is met een fundamentele vrijheid (arrest van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland, C-284/09, EU:C:2011:670, punt 83).
62
Anderzijds moeten de lidstaten, wanneer zij de op hun grondgebied gegenereerde inkomsten aan belastingheffing onderwerpen, het gelijkheidsbeginsel en de door het primaire Unierecht gewaarborgde vrijheden van verkeer eerbiedigen (zie in die zin arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C-18/15, EU:C:2016:549, punt 36).
63
De Franse regering kan echter niet stellen dat met het verlies van belastinginkomsten in verband met de belastingheffing over dividenden ontvangen door niet-ingezeten vennootschappen die hun activiteiten beëindigen, een bronbelasting over de inkomsten van enkel die vennootschappen kan worden gerechtvaardigd, terwijl de Franse Staat dergelijke verliezen tolereert in het geval van ingezeten vennootschappen die hun activiteiten staken zonder dat zij opnieuw winstgevend zijn geworden.
64
In deze omstandigheden kan een rechtvaardiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling die is ontleend aan de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven, niet worden aanvaard.
— Rechtvaardiging ontleend aan een doeltreffende invordering van de belasting
65
De Franse regering betoogt voorts dat het heffen van bronbelasting over dividenden die worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten vennootschap een wettig en passend middel vormt om de fiscale behandeling van inkomsten van een buiten de heffingsstaat gevestigde persoon te waarborgen en te voorkomen dat die inkomsten aan belasting in de bronstaat ontsnappen.
66
Volgens de Franse regering maakt de bronbelasting waaraan dividenden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen zijn onderworpen het mogelijk de administratieve formaliteiten te verminderen die voortvloeien uit de verplichting voor deze vennootschappen om aan het einde van het belastingjaar bij de Franse belastingdienst een belastingaangifte in te dienen.
67
Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de noodzaak om een doelmatige invordering van de belastingen te waarborgen een legitiem doel vormt dat een beperking van fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen, mits de toepassing van deze beperking geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie in die zin arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland, C-18/15, EU:C:2016:549, punt 39).
68
Verder heeft het Hof geoordeeld dat de bronheffingsprocedure een wettig en passend middel vormt voor de fiscale behandeling van de inkomsten van een buiten de heffingsstaat gevestigde belastingplichtige (arrest van 18 oktober 2012, X, C-498/10, EU:C:2012:635, punt 39).
69
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de beperking van het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeit uit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is gelegen in de omstandigheid dat niet-ingezeten verlieslatende vennootschappen, anders dan ingezeten verlieslatende vennootschappen, geen uitstel krijgen van de belastingheffing over de door hen ontvangen dividenden, zoals volgt uit punt 34 van het onderhavige arrest.
70
Toekenning van het voordeel van dit uitstel aan niet-ingezeten vennootschappen zou die beperking echter elimineren zonder af te doen aan de verwezenlijking van het doel van effectieve invordering van de belasting die door die vennootschappen verschuldigd is wanneer zij dividenden ontvangen van een ingezeten vennootschap.
71
Ten eerste vormt de regeling inzake belastinguitstel in geval van verlies immers naar zijn aard een afwijking van het beginsel van belastingheffing tijdens het belastingjaar waarin de dividenden worden uitgekeerd, zodat die regeling op de meerderheid van vennootschappen die dividenden ontvangen geen toepassing vindt.
72
Ten tweede moet worden benadrukt dat het aan de niet-ingezeten vennootschappen is om de relevante informatie te verstrekken aan de hand waarvan de belastingautoriteiten van de heffingslidstaat kunnen vaststellen dat is voldaan aan de voorwaarden die bij wet voor een dergelijk uitstel zijn gesteld.
73
Ten derde zijn de bestaande regelingen inzake wederzijdse bijstand tussen de autoriteiten van de lidstaten toereikend om de bronlidstaat in staat te stellen te controleren of de informatie die naar voren is gebracht door niet-ingezeten vennootschappen die gebruik willen maken van uitstel van de belastingheffing over door hen ontvangen dividenden, waarheidsgetrouw is (zie in die zin arrest van 12 juli 2012, Commissie/Spanje, C-269/09, EU:C:2012:439, punt 68).
74
Dienaangaande staat richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies (PB 1977, L 336, blz. 15), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/106/EG van de Raad van 16 november 2004 (PB 2004, L 359, blz. 30), ingetrokken en vervangen door richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG (PB 2011, L 64, blz. 1), een lidstaat toe om bij de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat alle informatie op te vragen die hem in staat kan stellen om inkomstenbelastingen correct vast te stellen.
75
Verder bepaalt artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/55/EG van de Raad van 26 mei 2008 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen (PB 2008, L 150, blz. 28), ingetrokken en vervangen door richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PB 2010, L 84, blz. 1), dat ‘[de aangezochte autoriteit] [o]p verzoek van de verzoekende autoriteit […] haar de inlichtingen [verstrekt] die haar van nut zijn voor de invordering van een schuldvordering’. Die richtlijn biedt de bronlidstaat derhalve de mogelijkheid om van de bevoegde autoriteit van de vestigingslidstaat de informatie te verkrijgen die nodig is om een belastingschuld die uit de uitkering van dividenden voortvloeit, te kunnen invorderen.
76
Aldus biedt richtlijn 2008/55 de autoriteiten van de bronlidstaat een kader voor samenwerking en bijstand op grond waarvan zij de belastingschuld ook daadwerkelijk in de vestigingslidstaat kunnen invorderen (zie in die zin arresten van 29 november 2011, National Grid Indus, C-371/10, EU:C:2011:785, punt 78, en 12 juli 2012, Commissie/Spanje, C-269/09, EU:C:2012:439, punten 70 en 71).
77
Bijgevolg zou toekenning van het voordeel van het uitstel van de belastingheffing over uitgekeerde dividenden aan ook niet-ingezeten verlieslatende vennootschappen ertoe leiden dat elke beperking van het vrije verkeer van kapitaal wordt opgeheven, zonder dat dit een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van het doel dat door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt nagestreefd.
78
In die omstandigheden kan de aan de doeltreffende invordering van belasting ontleende rechtvaardiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet worden aanvaard.
79
Gelet op het voorgaande dient op de eerste en de tweede vraag en op het eerste onderdeel van de derde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, krachtens welke over dividenden die worden uitgekeerd door een ingezeten vennootschap een bronbelasting wordt geheven wanneer zij worden ontvangen door een niet-ingezeten vennootschap, terwijl dividenden die worden ontvangen door een ingezeten vennootschap volgens de gemeenrechtelijke bepalingen inzake vennootschapsbelasting aan het einde van het boekjaar waarin zij zijn ontvangen enkel worden belast op voorwaarde dat de ingezeten vennootschap in dat boekjaar winstgevend is geweest, waarbij die belastingheffing in voorkomend geval nooit plaatsvindt indien die vennootschap haar activiteiten beëindigt zonder dat zij na ontvangst van die dividenden een positief resultaat heeft geboekt.
Tweede onderdeel van de derde vraag
80
Gelet op het antwoord op de eerste en de tweede vraag en op het eerste onderdeel van de derde vraag behoeft het tweede onderdeel van de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
81
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 63 en 65 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, krachtens welke over dividenden die worden uitgekeerd door een ingezeten vennootschap een bronbelasting wordt geheven wanneer zij worden ontvangen door een niet-ingezeten vennootschap, terwijl dividenden die worden ontvangen door een ingezeten vennootschap volgens de gemeenrechtelijke bepalingen inzake vennootschapsbelasting aan het einde van het boekjaar waarin zij zijn ontvangen enkel worden belast op voorwaarde dat de ingezeten vennootschap in dat boekjaar winstgevend is geweest, waarbij die belastingheffing in voorkomend geval nooit plaatsvindt indien die vennootschap haar activiteiten beëindigt zonder dat zij na ontvangst van die dividenden een positief resultaat heeft geboekt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑11‑2018
Conclusie 07‑08‑2018
M. Wathelet
Partij(en)
Zaak C-575/171.
Sofina SA,
Rebelco SA,
Sidro SA
tegen
Ministre de l'Action et des Comptes publics
[verzoek van de Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
‘Prejudiciële verwijzing — Vrij verkeer van kapitaal — Bronheffing over het brutobedrag van dividenden van nationale oorsprong die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd — Andere belastingheffing, op basis van het nettoresultaat, over dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd’
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 63 en 65 VWEU tegen de achtergrond van de Franse wettelijke bepalingen die voorzien in een bronheffing die wordt berekend over het brutobedrag voor de dividenden die door een ingezeten vennootschap aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, terwijl over de dividenden die aan een verlieslatende ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, uit hoofde van de gemeenrechtelijke regeling pas belasting wordt geheven, over het nettobedrag ervan, wanneer haar resultaat positief wordt.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Frans recht
2.
Artikel 38 van de Code général des impôts (algemeen belastingwetboek, hierna: ‘CGI’) bepaalt:
‘[…] de belastbare winst is de nettowinst, bepaald aan de hand van de resultaten van alle verrichtingen van welke aard dan ook van ondernemingen, daaronder begrepen de overdracht van enig onderdeel van de activa, tijdens of aan het eind van de exploitatie’.
3.
Artikel 39-1 CGI voegt hieraan toe:
‘De nettowinst wordt vastgesteld onder aftrek van alle kosten […]’.
4.
Artikel 119 bis, lid 2, CGI bepaalt dat over de in de artikelen 108 tot en met 117 bis CGI bedoelde opbrengsten, waaronder dividenden, een bronbelasting wordt geheven tegen het in artikel 187-1 bepaalde tarief, wanneer zij ten goede komen aan personen die hun fiscale woonplaats of zetel niet in Frankrijk hebben.
5.
In de versie die van toepassing is op de feiten van de onderhavige zaak, stelt artikel 187-1 CGI het tarief van de bronbelasting vast op 25 %.
6.
In de versie die gold tot 21 september 2011, bepaalde artikel 209-1 CGI:
‘[…] [W]anneer in een boekjaar verlies wordt geleden, wordt dit verlies ten laste van het volgende boekjaar gebracht en in mindering gebracht op de in dat boekjaar gemaakte winst. Indien de omvang van de winst geen volledige aftrek toestaat, wordt het overschot van het verlies ten laste van de volgende boekjaren gebracht.’
7.
Sinds 21 september 2011 luidt artikel 209-1 CGI als volgt:
‘[…] [W]anneer in een boekjaar verlies wordt geleden, wordt dit verlies ten laste van het volgende boekjaar gebracht en in mindering gebracht op de in dat boekjaar gemaakte winst, met een maximum van 1 000 000 [EUR] vermeerderd met 60 % van het bedrag van de belastbare winst van dat boekjaar waarmee dit eerste bedrag wordt overschreden. Indien de omvang van de winst geen volledige aftrek toestaat, wordt het overschot van het verlies onder dezelfde voorwaarden ten laste van de volgende boekjaren gebracht. Hetzelfde geldt voor het deel van het verlies dat niet in mindering kon worden gebracht op grond van de eerste zin van deze alinea.’
B. Belastingovereenkomst van 10 maart 1964 tussen Frankrijk en België
8.
Artikel 15 van de Belastingovereenkomst van 10 maart 1964 tussen Frankrijk en België, zoals nadien gewijzigd (hierna: ‘overeenkomst tussen Frankrijk en België’), bepaalt het volgende:
- ‘1.
Dividenden die hun bron in een Overeenkomstsluitende Staat hebben en aan een verblijfhouder van de andere Staat worden betaald, zijn in die andere Staat belastbaar.
- 2.
Deze dividenden mogen evenwel onder voorbehoud van de bepalingen van § 3 in de Overeenkomstsluitende Staat, waarvan de vennootschap die de dividenden betaalt verblijfhouder is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet hoger zijn dan:
- a)
10 pct van het brutobedrag van de dividenden indien de genieter een vennootschap is die ten minste 10 pct. van het kapitaal van de uitdelende vennootschap sedert het begin van het laatste, voor de uitkering afgesloten, boekjaar van deze vennootschap in uitsluitende eigendom heeft;
- b)
15 pct van het brutobedrag van de dividenden in andere gevallen.
Deze paragraaf laat onverlet de belastingheffing van de vennootschap ter zake van de winsten waaruit de dividenden worden betaald.
[…]’
III. Feitelijke context
9.
Sofina SA, Rebelco SA en Sidro SA zijn in België gevestigde vennootschappen naar Belgisch recht die in de periode 2008-2011 dividenden hebben ontvangen van Franse vennootschappen waarin zij minderheidsdeelnemingen hielden die geen recht gaven op toepassing van de regeling voor moedermaatschappijen als voorzien in de CGI en in richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten2. (hierna: ‘moeder-dochterrichtlijn’).
10.
Ingevolge artikel 119 bis CGI juncto artikel 15, lid 2, van de overeenkomst tussen Frankrijk en België is over die dividenden bronbelasting geheven tegen een tarief van 15 %.
11.
Omdat de betrokken Belgische vennootschappen de boekjaren 2008-2011 met een negatief resultaat hadden afgesloten, hebben zij bezwaar aangetekend bij de Franse belastingdienst met als doel teruggaaf van de geheven belasting. Aangezien een verlieslatende onderneming met zetel in Frankrijk pas daadwerkelijk wordt belast over dividenden uit Franse bron wanneer haar belastbaar resultaat weer winstgevend wordt, waren de betrokken Belgische vennootschappen van mening dat zij minder goed behandeld werden dan hun Franse tegenhangers.
12.
Nadat het bezwaar was afgewezen, hebben de betrokken Belgische vennootschappen de zaak voorgelegd aan de bevoegde rechterlijke instanties die, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, hun verzoeken om teruggaaf hebben afgewezen.
13.
Daarop hebben zij cassatieberoep ingesteld bij de Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk).
14.
Deze rechter heeft in de eerste plaats vastgesteld dat een bronbelasting die alleen wordt toegepast op verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen die dividenden ontvangen uit hun deelnemingen in Franse vennootschappen, voor eerstgenoemde vennootschappen een liquiditeitsnadeel kan veroorzaken ten opzichte van verlieslatende ingezeten vennootschappen die dividenden ontvangen uit hun deelnemingen in Franse vennootschappen. Hij wenst evenwel te vernemen of een dergelijke omstandigheid op zichzelf een verschil in behandeling vormt dat als beperking in de zin van artikel 63 VWEU kan worden aangemerkt.
15.
Gesteld dat de aan de orde zijnde wettelijke regeling een dergelijke beperking vormt, vraagt de Conseil d'État zich in de tweede plaats af of deze beperking, gelet op het doel van deze bepalingen, te weten het waarborgen van een doeltreffende invordering van de belasting, gerechtvaardigd kan zijn.
16.
In de derde plaats merkt de Conseil d'État op dat de verschillende wijze waarop de belastinggrondslag van dividenden wordt berekend naargelang deze worden uitgekeerd aan ingezeten respectievelijk niet-ingezeten vennootschappen, eveneens een beperking kan vormen. De kosten die verband houden met de inning als zodanig van de dividenden worden immers in mindering gebracht op de heffingsgrondslag voor de berekening van de belasting over de dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, terwijl een dergelijke aftrek niet mogelijk is wanneer de dividenden aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, omdat de bronbelasting van artikel 119 bis CGI wordt berekend over het brutobedrag van de dividenden.
17.
Daarop heeft de Conseil d'État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten de artikelen […] 63 en 65 [VWEU] aldus worden uitgelegd dat het liquiditeitsnadeel dat voortvloeit uit de omstandigheid dat op dividenden die aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd een bronheffing wordt toegepast, terwijl over het bedrag van de dividenden die verlieslatende ingezeten vennootschappen ontvangen pas belasting wordt geheven in het boekjaar waarin zij in voorkomend geval weer winstgevend worden, op zichzelf een verschil in behandeling vormt dat als een beperking van het vrije kapitaalverkeer kan worden aangemerkt?
- 2)
Kan de in de vorige vraag vermelde eventuele beperking van het vrije kapitaalverkeer in het licht van de vereisten die voortvloeien uit de artikelen […] 63 en 65 [VWEU] worden geacht te zijn gerechtvaardigd door de noodzaak om een doeltreffende invordering van de belastingen te waarborgen, aangezien niet-ingezeten vennootschappen niet onder toezicht staan van de Franse belastingautoriteiten, dan wel door de noodzaak om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven?
- 3)
Indien toepassing van de betwiste bronheffing vanuit de optiek van het vrije kapitaalverkeer in beginsel toelaatbaar kan worden geacht:
- —
Staan die bepalingen eraan in de weg dat aan de bron belasting wordt ingehouden op dividenden die door een ingezeten vennootschap aan een in een andere lidstaat gevestigde verlieslatende vennootschap worden uitgekeerd, wanneer deze laatste haar activiteiten beëindigt en niet opnieuw winstgevend wordt, terwijl een ingezeten vennootschap in een dergelijke situatie over de dividenden feitelijk geen belasting verschuldigd is?
- —
Moeten die bepalingen aldus worden uitgelegd dat wanneer sprake is van belastingregels die dividenden verschillend behandelen naargelang zij aan ingezetenen dan wel aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, de daadwerkelijke belastingdruk voor elk van hen in verband met die dividenden moet worden vergeleken, zodat een beperking van het vrije kapitaalverkeer die daaruit voortvloeit dat deze regels enkel niet-ingezetenen de mogelijkheid ontzeggen rechtstreeks met de inning als zodanig van de dividenden verband houdende kosten af te trekken, zou kunnen worden geacht haar rechtvaardiging te vinden in het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd en de bronbelasting die op de aan niet-ingezetenen uitgekeerde dividenden wordt ingehouden, wanneer dit verschil, wat het bedrag van de betaalde belasting betreft, het verschil in belastinggrondslag compenseert?’
IV. Procedure bij het Hof
18.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingekomen bij het Hof op 28 september 2017. Sofina, de Franse, de Belgische, de Duitse, de Nederlandse en de Zweedse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
19.
Ter terechtzitting van 25 juni 2018 hebben Sofina, de Franse, de Duitse en de Zweedse regering, alsook de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
V. Analyse
A. Inleidende opmerkingen
20.
De verwijzende rechter plaatst zijn vragen meteen binnen de context van het vrije verkeer van kapitaal en de artikelen 63 en 65 VWEU, aangezien de Belgische vennootschappen Sofina, Rebelco en Sidro dividenden hebben ontvangen uit minderheidsdeelnemingen in Franse vennootschappen die hen niet in staat stelden om een beslissende invloed in de onderneming uit te oefenen. De hiernavolgende redenering zou evenwel precies dezelfde zijn indien de vrijheid van vestiging in het geding zou zijn, want alle betrokken dividenduitkeringen hebben plaatsgevonden tussen in lidstaten gevestigde vennootschappen.
21.
De prejudiciële vragen van de verwijzende rechter vestigen de aandacht op twee verschillen die de Franse wettelijke regeling maakt in de fiscale behandeling van dividenden, naargelang zij door ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd aan andere ingezeten vennootschappen dan wel aan niet-ingezeten vennootschappen:
- —
dividenden die worden uitgekeerd aan verlieslatende ingezeten vennootschappen worden alleen belast indien en wanneer hun resultaat (opnieuw) winstgevend wordt, terwijl de Franse wettelijke regeling voorziet in een bronbelasting over dividenden die door ingezeten vennootschappen aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, zelfs als laatstgenoemde verlieslatend zijn. Het is derhalve mogelijk dat eerstgenoemde nooit worden belast, en wanneer zij wel worden belast, hebben zij in elk geval een liquiditeitsvoordeel, aangezien de bronbelasting over de dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd noodzakelijkerwijs wordt geheven, al dan niet in hetzelfde belastingjaar, voordat belasting wordt geheven over de dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd. Dit eerste verschil in behandeling is het voorwerp van de eerste en de tweede prejudiciële vraag en van het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag;
- —
de grondslag voor de berekening van de belasting over dividenden verschilt, omdat de bronbelasting over dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, wordt berekend over het brutobedrag ervan, terwijl dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, worden belast over de nettobedragen ervan, doordat de kosten voor de inning van deze dividenden daarop in mindering worden gebracht, hetgeen niet geldt voor dividenden die aan niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd. Dit verschil in behandeling is het voorwerp van het tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag.
22.
Ik zal derhalve eerst de eerste en de tweede prejudiciële vraag en het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag en vervolgens de rest van die laatste vraag behandelen.
B. Eerste en tweede prejudiciële vraag en eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag
1. Rechtspraak van het Hof inzake de heffing van belasting over zogeheten ‘uitgaande’ dividenden
23.
De rechtspraak van het Hof kent tal van arresten waarin is ingegaan op de problematiek van het verschil in de heffing van belasting over dividenden naargelang de uitkerende ingezeten vennootschap (bijvoorbeeld een dochteronderneming) deze dividenden uitkeerde aan een ingezeten aandeelhouder (bijvoorbeeld haar moedermaatschappij) dan wel aan een niet-ingezeten aandeelhouder. In dit laatste geval wordt gesproken van ‘uitgaande dividenden’ (outgoing dividends).
24.
Volgens het Hof ‘kan een ongunstige behandeling door een lidstaat van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten [belastingplichtigen] in vergelijking met de behandeling van dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten [belastingplichtigen], in een andere dan die lidstaat gevestigde vennootschappen ervan doen afzien in eerstbedoelde lidstaat te investeren, zodat zij een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU’.3.
25.
Zodra een lidstaat, hetzij unilateraal hetzij door het sluiten van overeenkomsten, niet alleen ingezeten aandeelhouders maar ook niet-ingezeten aandeelhouders belast voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap ontvangen, is de situatie van de niet-ingezeten aandeelhouders vergelijkbaar met die van de ingezeten aandeelhouders.4.
26.
Aangezien de respectieve situaties van de aandeelhouders dus vergelijkbaar zijn, ‘vormt [een] nationale wettelijke regeling een met het [VWEU] onverenigbare discriminerende maatregel, [wanneer] zij dividenden die door ingezeten dochtermaatschappijen aan [niet-ingezeten] moedermaatschappijen worden uitgekeerd zwaarder belast dan dezelfde dividenden die aan [ingezeten] moedermaatschappijen worden uitgekeerd’.5.
27.
Dit geldt a fortiori indien de dividenden die de lidstaat niet uitgaan later worden belast dan de uitgaande dividenden of volledig zijn vrijgesteld terwijl de uitgaande dividenden wel worden belast.6.
28.
Zeer vaak legt de staat waar de uitkerende vennootschap is gevestigd een bronbelasting over uitgaande dividenden op. Deze bronbelasting die uitsluitend wordt geheven over dividenden die aan niet-ingezeten aandeelhouders worden uitgekeerd, vormt evenwel niet als zodanig een beperking van het vrije verkeer van kapitaal; dit betreft immers enkel een wijze van belastingheffing.7. Waar het om gaat, is het verschil in de algehele fiscale behandeling van de twee categorieën van dividenden.
29.
In een aantal zaken kwam het Hof tot de slotsom dat er sprake was van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal terwijl de lidstaat van de uitkerende vennootschap bronbelasting hief over zowel uitgaande dividenden als dividenden die zijn grondgebied niet verlieten. Dit was het geval in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 oktober 2011, Commissie/Duitsland (C-284/09, EU:C:2011:670), waarin bronbelasting was geheven over alle dividenden die door een in Duitsland gevestigde vennootschap waren uitgekeerd, maar alleen ingezeten vennootschappen een belastingkrediet genoten, dat zelfs werd terugbetaald indien de definitieve inkomstenbelasting lager was dan dit krediet, terwijl de bronbelasting voor niet-ingezeten vennootschappen definitief was.
30.
Dit was ook het geval in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 12 juli 2012, Tate & Lyle Investments (C-384/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:463), waarin de ingezeten ontvanger van dividenden een verrekenbare en terugbetaalbare bronbelasting betaalde, terwijl de bronbelasting voor niet-ingezetenen definitief was.
31.
Dit was voorts het geval in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 september 2015, Miljoen e.a. (C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608), waarin ingezeten belastingplichtigen in aanmerking kwamen voor teruggaaf van de bronheffing of een mechanisme van aftrek, terwijl de heffing voor niet-ingezeten belastingplichtigen definitief was.
32.
Anders gezegd, zoals het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11—C-347/11, EU:C:2012:286): ‘[moeten] de artikelen 63 […] en 65 VWEU aldus […] worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die bepaalt dat dividenden van nationale oorsprong aan de bron worden belast wanneer zij worden uitgekeerd aan in een andere staat gevestigde [belastingplichtigen], terwijl in de eerstbedoelde staat gevestigde [belastingplichtigen] geen belasting over dergelijke dividenden hoeven te betalen’.8.
2. Toepassing van die rechtspraak op het hoofdgeding
a) Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
33.
De Franse regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, onderwerpt dividenden die aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd aan een bronbelasting, terwijl dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd alleen eventueel, en in elk geval later, worden belast via de vennootschapsbelasting, in het boekjaar waarin deze vennootschappen winstgevend worden.
34.
Ook al zijn de dividenden die aan verlieslatende ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd niet formeel vrijgesteld, de belastingheffing over die dividenden vindt alleen eventueel, en in elk geval later en misschien nooit plaats, omdat de ingezeten vennootschap die deze dividenden ontvangt mogelijk nooit winstgevend wordt of zelfs haar activiteiten staakt.9.
35.
Bijgevolg is in casu sprake van een kennelijk minder gunstige belastingheffing over dividenden die aan verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, omdat over dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd mogelijk nooit belasting wordt geheven en, indien dat wel het geval is, pas later, hetgeen leidt tot een liquiditeitsnadeel voor de verlieslatende niet-ingezeten vennootschappen. Deze laatste hypothese is uitdrukkelijk door de verwijzende rechter genoemd in zijn eerste vraag.
36.
Concluderend ben ik op dit punt van mening dat een bij een regeling van een lidstaat ingesteld systeem als dat in het hoofdgeding, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is door artikel 63 VWEU.
b) Vergelijkbaarheid van de situaties en het bestaan van een dwingende reden van algemeen belang die de beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan rechtvaardigen
37.
Volgens artikel 65, lid 1, onder a), VWEU doet het bepaalde in artikel 63 VWEU niets af aan het recht van de lidstaten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd.
38.
Zoals ik in punt 26 van deze conclusie heb aangegeven, is de rechtspraak van het Hof duidelijk: wanneer een lidstaat niet alleen ingezeten aandeelhouders, maar ook niet-ingezeten aandeelhouders belast voor de dividenden die zij van een ingezeten vennootschap hebben ontvangen, is de situatie van de niet-ingezeten aandeelhouders vergelijkbaar met die van de ingezeten aandeelhouders.
39.
Het verschil in behandeling dat door de Franse regeling in het leven is geroepen kan derhalve ‘niet worden gerechtvaardigd door een relevant verschil in situatie’.10.
c) Rechtvaardiging
40.
De Franse regering heeft voor het Hof twee rechtvaardigingsgronden aangevoerd, namelijk de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven en de noodzaak om de doeltreffende invordering van de belasting te waarborgen.
41.
Hoewel de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven, als rechtvaardigingsgrond met name kan worden aanvaard wanneer de betrokken regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden11., stel ik allereerst vast dat, aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Franse regeling leidt tot een belastingheffing over uitgaande dividenden die minder gunstig is dan die over dividenden die aan ingezetenen worden uitgekeerd (op zijn minst een liquiditeitsnadeel), moet worden benadrukt dat de Franse regering niet uitlegt in welk opzicht een dergelijke belastingheffing noodzakelijk is voor het handhaven van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, terwijl dit doel kan worden bereikt door middel van niet-discriminerende maatregelen zoals bijvoorbeeld een bronbelasting over zowel dividenden die aan ingezetenen worden uitgekeerd, als dividenden die aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd.
42.
Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Franse regeling kan leiden tot vrijstelling van de dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, zij er bovendien aan herinnerd dat wanneer een lidstaat ervoor heeft gekozen om bij ingezetenen geen belasting te heffen over de dividenden van nationale oorsprong die zij ontvangen, hij zich ter rechtvaardiging van het feit dat niet-ingezetenen die dergelijke inkomsten ontvangen wel worden belast, niet kan beroepen op de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen.12.
43.
Tot slot merk ik op dat de Franse Republiek haar heffingsbevoegdheid wel degelijk heeft uitgeoefend ten aanzien van dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten vennootschappen, die bovendien niet konden kiezen voor een ander nationaal belastingstelsel met een gunstigere belastingregeling voor dezelfde dividenden.
44.
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde Franse regeling kan evenmin worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de doeltreffende invordering van de belasting te waarborgen, omdat deze rechtvaardigheidsgrond geen rechtvaardigheid kan bieden voor een belasting die in essentie uitsluitend niet-ingezetenen treft.13.
45.
Derhalve geef ik het Hof in overweging om op de eerste en de tweede prejudiciële vraag en het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat de artikelen 63 en 65 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat die op dividenden die aan een verlieslatende niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd een bronheffing toepast, terwijl vergelijkbare ingezeten vennootschappen niet over het bedrag van de dividenden van nationale oorsprong worden belast voor zover zij verlieslatend blijven.
C. Tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag
46.
Met het tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, rekening houdend met de daadwerkelijke belastingdruk op dividenden die aan ingezetenen worden uitgekeerd en die op dividenden die aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeit uit een nationale regeling die alleen voor niet-ingezetenen de aftrek van rechtstreeks met de inning van de dividenden verband houdende kosten uitsluit, kan worden gerechtvaardigd door het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting (33,33 %) die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd14. en de bronbelasting (15 %) die over de aan niet-ingezetenen uitgekeerde dividenden wordt geheven, wanneer dit verschil, gelet op het bedrag van de betaalde belasting, het verschil in belastinggrondslag compenseert.
1. Ontvankelijkheid
47.
Volgens vaste rechtspraak worden door een rechterlijke instantie van een lidstaat gestelde prejudiciële vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn, zodat het Hof slechts kan weigeren erop te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging of toetsing van de geldigheid van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de hem gestelde vragen.15.
48.
Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk is deze vraag hypothetisch omdat de in het hoofdgeding betrokken Belgische vennootschappen geen rechtstreeks met de inning van de dividenden verband houdende kosten hebben vermeld die zij niet in mindering hebben mogen brengen bij de berekening van het bedrag van de bronbelasting. Het tweede onderdeel van de derde vraag is dus irrelevant voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding.
49.
Ter terechtzitting heeft Sofina aangevoerd dat zijzelf, Rebelco en Sidro wel degelijk hebben verzocht om vermindering van de belastinggrondslag met alle kosten die verband houden met het beheer van hun portefeuille, te weten alle kosten die noodzakelijk zijn voor de verwerving, het behoud, en het beheer van hun deelnemingen in Franse vennootschappen, en die van alle lasten die noodzakelijkerwijs uit het houden van die deelnemingen voortvloeien.
50.
Aangezien er om aftrek is verzocht, ben ik van mening dat het tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag niet irrelevant is.
51.
Het staat daarentegen aan de verwijzende rechter om na te gaan of de kosten waarvan om aftrek is verzocht, kosten zijn die aftrekbaar zijn voor ingezeten vennootschappen die dividenden van nationale oorsprong ontvangen16. en rechtstreeks verband houden met de inning als zodanig van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde inkomsten17..
2. Ten gronde
a) Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
52.
Zoals de Commissie opmerkt, gaat de verwijzende rechter terecht uit van de stelling dat de weigering om de aftrek toe te staan van kosten die rechtstreeks met de inning van uitgaande dividenden verband houden, terwijl een dergelijke aftrek mogelijk is voor dividenden die aan ingezeten vennootschappen worden uitgekeerd, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt.18. Een dergelijk verschil in behandeling kan in andere lidstaten gevestigde ondernemingen immers ervan doen afzien in Franse vennootschappen te investeren.
b) Rechtvaardiging
1) Vergelijkbaarheid van de situaties
53.
Er zij opgemerkt dat ‘het Hof met betrekking tot beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, reeds heeft geoordeeld dat ingezetenen en niet-ingezetenen van deze lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren’.19.
54.
In die zin heeft het geoordeeld dat indien de belastingvorm die wordt toegepast op ingezetenen de aftrek van rechtstreeks met de inning van dividenden verband houdende kosten toestaat, ‘dergelijke kosten ook in aanmerking [moeten] worden genomen voor [niet-ingezetenen]’.20.
55.
In deze context kan een dergelijke beperking van het vrije verkeer van kapitaal ‘niet […] worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat voor [niet-ingezetenen] een minder hoog belastingtarief geldt dan voor [ingezetenen]’.21. Het heeft dus geen zin om de daadwerkelijke belastingdruk op dividenden die aan ingezetenen worden uitgekeerd te vergelijken met die op dividenden die aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, want zelfs als het belastingtarief voor niet-ingezetenen lager is dan dat voor ingezetenen, is het bedrag van de aftrekbare kosten waarop ingezetenen recht hebben onzeker en niets wijst erop dat het gelijk is aan het verschil dat voortvloeit uit de belasting van ingezetenen ten opzichte van die van niet-ingezetenen.
2) Dwingende redenen van algemeen belang
56.
De Franse regering voert aan dat de belastingheffing over het brutobedrag van de dividenden die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, zonder mogelijkheid om de rechtstreeks met de inning ervan verbonden kosten af te trekken (anders dan bij dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd, die over het nettobedrag ervan worden belast), haar rechtvaardiging vindt in de noodzaak om de doeltreffendheid van de invordering van de belasting te waarborgen.22.
57.
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof weliswaar heeft geoordeeld dat deze doelstelling een dwingende reden van algemeen belang is die een door een belastingregeling van een lidstaat gecreëerde beperking van de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen23., maar in dat geval is tevens vereist dat de toepassing van deze beperking geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken24.. Deze beginselen zijn vanzelfsprekend toepasbaar op de onderhavige zaak die betrekking heeft op het vrije verkeer van kapitaal.
58.
In casu betoogt de Franse regering op basis van de punten 46 en 47 van het arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765), dat de weigering om de aftrek van kosten toe te kennen, moet worden aanvaard als een aan de regeling voor de bronbelasting inherent bestanddeel, aangezien deze regeling zowel strekt tot vereenvoudiging van de taak van de belastingdienst van de lidstaat als tot verlichting van de last van niet-ingezeten belastingplichtigen. Volgens de Franse regering is de belastingdienst dus ontheven van de taak bij de niet-ingezetene belasting te heffen en geldt er voor laatstgenoemde geen verplichting tot medewerking, in die zin dat hij zich niet vertrouwd hoeft te maken met het Franse belastingstelsel om bij de Franse belastingdienst een belastingaangifte te kunnen indienen voor de inkomsten die hij in Frankrijk ontvangt. Tot slot druist de aftrek van kosten in verband met de inning van dividenden volgens de Franse regering in tegen de met de bronbelastingregeling beoogde vereenvoudiging, omdat die belasting wordt geheven bij de uitkerende vennootschap die niet kan weten welke met de inning van dividenden verband houdende kosten door de niet-ingezetene worden gemaakt.
59.
Mijns inziens is dit argument niet steekhoudend.
60.
In de eerste plaats, afgezien van het feit dat het arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765), afweek van de arresten van 18 maart 2010, Gielen (C-440/08, EU:C:2010:148), en 28 februari 2013, Beker en Beker (C-168/11, EU:C:2013:117), waarin het Hof had geweigerd om het feit dat een nationale regeling niet-ingezeten belastingplichtigen op hun verzoek een alternatieve, met het Unierecht verenigbare belastingregeling bood, als rechtvaardiging van discriminatie te aanvaarden, betrof de daarin beslechte zaak een geheel andere situatie dan de onderhavige.25.
61.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765), was een Zweedse wet aan de orde die tot doel had de beperking ten aanzien van niet-ingezeten belastingplichtigen die in het arrest van 1 juli 2004, Wallentin (C-169/03, EU:C:2004:403), was vastgesteld, op te heffen door hun de mogelijkheid te bieden om te kiezen voor hetzij de gewone belastingregeling voor ingezetenen, hetzij de bronbelastingregeling voor niet-ingezetenen.
62.
Het Hof heeft, na te hebben geoordeeld dat laatstgenoemde regeling uiteindelijk in zijn geheel gunstiger was voor niet-ingezetenen26., geoordeeld dat ‘de weigering om in de inkomstenbelasting niet-ingezeten belastingplichtigen die hun inkomsten voor het grootste deel in de bronstaat verwerven en hebben gekozen voor de bronbelasting, dezelfde persoonlijke aftrekken als ingezeten belastingplichtigen in de algemene belasting toe te kennen, geen met artikel 21 VWEU strijdige discriminatie vormt, wanneer niet-ingezeten belastingplichtigen niet zijn onderworpen aan een in totaal hogere belasting dan ingezeten belastingplichtigen en gelijkgestelden die in een vergelijkbare situatie als deze niet-ingezeten belastingplichtigen verkeren’.27.
63.
Mijns inziens dient de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 18 maart 2010, Gielen (C-440/08, EU:C:2010:148), en 28 februari 2013, Beker en Beker (C-168/11, EU:C:2013:117), te worden gehandhaafd. Bovendien lijkt de redenering van het Hof in het arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765), mij voor discussie vatbaar, aangezien het al dan niet bestaan van discriminatie niet afhangt van het totale resultaat voor de belastingplichtige en ‘een verschil in behandeling tussen deze twee categorieën van belastingplichtigen kan worden aangemerkt als discriminatie in de zin van het [VWEU], wanneer er geen objectief verschil bestaat dat grond kan opleveren voor een verschillende behandeling van de twee categorieën belastingplichtigen op dit punt’.28.
64.
Dit gezegd zijnde, veronderstel ik dat het standpunt van het Hof in zijn arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765), waarschijnlijk is ingegeven door het streven om niet-ingezeten belastingplichtigen niet de mogelijkheid tot ‘cherry-picking’ te bieden, dat wil zeggen de voordeligste elementen uit twee afzonderlijke belastingregelingen voor zich op te eisen. Dat het Hof zich heeft gebaseerd op het feit dat de belastingregeling die op niet-ingezetenen van toepassing was in haar geheel gunstiger was dan de regeling die in beginsel aan ingezetenen was voorbehouden, kwam doordat het Zweedse recht aan niet-ingezeten belastingplichtigen de mogelijkheid bood om volledig te kiezen voor de belastingregeling die op ingezetenen van toepassing was.29.
65.
De Franse regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, biedt evenwel geen enkele keuze aan niet-ingezetenen. Bijgevolg doen niet-ingezetenen die om toepassing van de aan ingezetenen geboden aftrek van rechtstreeks met de inning van de dividenden verband houdende kosten verzoeken niet aan ‘cherry-picking’, maar wensen zij juist gelijk te worden behandeld.
66.
In de tweede plaats, indien de aftrek door niet-ingezetenen van de rechtstreeks met de inning van dividenden verbonden kosten gepaard gaat met een administratieve last voor de Franse belastingdienst, geldt dat mutatis mutandis ook voor ingezetenen.30.
67.
In de derde plaats staat het, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in punt 43 van zijn arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549), aan de niet-ingezeten belastingplichtige die dividenden ontvangt ‘om te beslissen of hij het opportuun acht middelen te investeren in het opstellen en vertalen van documenten die moeten aantonen dat de bedrijfskosten die hij wenst af te trekken, reëel zijn en hoeveel zij effectief bedragen’.
68.
In de vierde en laatste plaats, ook al erken ik dat het niet erg doeltreffend zou zijn om aan de uitkerende vennootschap te vragen de kosten af te trekken die rechtstreeks verband houden met de inning van de dividenden door de niet-ingezeten belastingplichtige, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het recht op aftrek ook, na de heffing van de bronbelasting, concreet kan worden omgezet in een terugbetaling van een deel van de geheven belasting.31.
69.
Derhalve geef ik het Hof in overweging op het tweede onderdeel van de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeit uit een nationale regeling als in de onderhavige zaak aan de orde, die alleen voor niet-ingezetenen de aftrek van rechtstreeks met de inning van de dividenden verband houdende kosten uitsluit, niet kan worden gerechtvaardigd door het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd en de bronbelasting die wordt geheven over dividenden die aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, en evenmin door de noodzaak om de doeltreffendheid van de invordering van de belasting te waarborgen.
VI. Conclusie
70.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Conseil d'État als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
De artikelen 63 en 65 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat die op dividenden die aan een verlieslatende niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd een bronheffing toepast, terwijl vergelijkbare ingezeten vennootschappen niet over dividenden van nationale oorsprong worden belast voor zover zij verlieslatend blijven.
- 2)
Een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeit uit een nationale regeling die alleen voor niet-ingezetenen de aftrek van rechtstreeks met de inning van de dividenden verband houdende kosten uitsluit, kan niet worden gerechtvaardigd door het tariefverschil tussen de gemeenrechtelijke belasting die ingezetenen in een later boekjaar wordt opgelegd en de bronbelasting die wordt geheven over dividenden die aan niet-ingezetenen worden uitgekeerd, en evenmin door de noodzaak om de doeltreffendheid van de invordering van de belasting te waarborgen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑08‑2018
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2011, L 345, blz. 8.
Arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C-252/14, EU:C:2016:402, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 12 december 2006, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation (C-374/04, EU:C:2006:773, punt 68); 14 december 2006, Denkavit Internationaal en Denkavit France (C-170/05, EU:C:2006:783, punt 35); 8 november 2007, Amurta (C-379/05, EU:C:2007:655, punt 38); 20 mei 2008, Orange European Smallcap Fund (C-194/06, EU:C:2008:289, punten 78 en 79), en 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 44).
Arrest van 14 december 2006, Denkavit Internationaal en Denkavit France (C-170/05, EU:C:2006:783, punt 39).
Zie arresten van 8 november 2007, Amurta (C-379/05, EU:C:2007:655, punt 61), en 18 juni 2009, Aberdeen Property Fininvest Alpha (C-303/07, EU:C:2009:377, punt 76).
Zie arresten van 22 december 2008, Truck Center (C-282/07, EU:C:2008:762, punten 38-50), en 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 43).
Punt 55 van dat arrest, cursivering van mij.
Het is juist dat het Hof heeft geoordeeld dat ook indien de door de moedermaatschappij ontvangen dividenden niet aan belasting worden onderworpen in het belastingjaar waarin zij zijn uitgekeerd, ‘[de] vermindering van de verliezen van de moedermaatschappij [ten belope van de ontvangen dividenden] ertoe kan leiden dat deze moedermaatschappij op deze dividenden indirect wordt belast in latere belastingjaren, wanneer haar resultaat positief is’ (zie arrest van 12 februari 2009, Cobelfret, C-138/07, EU:C:2009:82, punt 40). Door het bestaan van de mogelijkheid van belastingheffing in een later belastingjaar te erkennen, heeft het Hof evenwel een geheel andere problematiek behandeld, namelijk die van de mogelijkheid van een economische dubbele belasting in het geval van door een niet-ingezeten vennootschap uitgekeerde en door een ingezeten vennootschap ontvangen dividenden waarover bij de uitkering ervan reeds belasting is geheven (zie arrest van 10 februari 2011, Haribo Lakritzen Hans Riegel en Österreichische Salinen, C-436/08 en C-437/08, EU:C:2011:61, punt 158). Een dergelijke mogelijkheid is in strijd met de moeder-dochterrichtlijn geoordeeld.
Arrest van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 44).
Zie arrest van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 10 mei 2012, Santander Asset Management SGIIC e.a. (C-338/11-C-347/11, EU:C:2012:286, punt 49).
Ik herinner eraan dat de belastingheffing mogelijk nooit plaatsvindt.
Zie arresten van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400, punt 25).
Zie arresten van 31 maart 2011, Schröder (C-450/09, EU:C:2011:198, punt 40); 17 september 2015, Miljoen e.a. (C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punt 57), en 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punten 44 en 45).
Zie arresten van 22 november 2012, Commissie/Duitsland (C-600/10, niet gepubliceerd, EU:C:2012:737, punt 20); 17 september 2015, Miljoen e.a. (C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punten 58 en 59), en 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punt 46).
Zie arresten van 31 maart 2011, Schröder (C-450/09, EU:C:2011:198, punt 40), en 17 september 2015, Miljoen e.a. (C-10/14, C-14/14 en C-17/14, EU:C:2015:608, punt 57).
Arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C-252/14, EU:C:2016:402, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C-252/14, EU:C:2016:402, punt 65). Zie in die zin ook arresten van 12 juni 2003, Gerritse (C-234/01, EU:C:2003:340, punten 27 en 28); 15 februari 2007, Centro Equestre da Lezíria Grande (C-345/04, EU:C:2007:96, punt 23); 8 november 2012, Commissie/Finland [C-342/10, EU:C:2012:688, punt 37 (dit arrest betreft dividenden)], en 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punt 45).
Zie arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punt 33).
Deze rechtvaardiging leunt dicht aan bij die welke verband houdt met de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen, een dwingende reden van algemeen belang die al vaak door het Hof is beoordeeld in zaken waarin het vrije verkeer van kapitaal in het geding was. Met betrekking tot het kapitaalverkeer tussen lidstaten is deze rechtvaardiging altijd geweigerd sinds richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen (PB 1977, L 336, blz. 15) van toepassing was (zie in die zin arresten van 23 januari 2014, Commissie/België, C-296/12, EU:C:2014:24, punten 42-45, en 6 juni 2013, Commissie/België, C-383/10, EU:C:2013:364, punten 50-60). Hetzelfde geldt thans voor richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG (PB 2011, L 64, blz. 1).
Zie met name arresten van 3 oktober 2006, FKP Scorpio Konzertproductionen (C-290/04, EU:C:2006:630, punten 35 en 36), en 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punt 39).
Zie arrest van 18 oktober 2012, X (C-498/10, EU:C:2012:635, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765, punten 37-40).
Zie arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765, punt 43).
Arrest van 19 november 2015, Hirvonen (C-632/13, EU:C:2015:765, punt 49).
Zie arrest van 18 maart 2010, Gielen (C-440/08, EU:C:2010:148, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin punten 40-43 van mijn conclusie in de zaak Hünnebeck (C-479/14, EU:C:2016:100).
Zie in die zin arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punt 41).
Zie arrest van 13 juli 2016, Brisal en KBC Finance Ireland (C-18/15, EU:C:2016:549, punt 42).