Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.4.3.8
11.4.3.8 Afdracht van het geïnde
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585960:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Daaruit volgt bijvoorbeeld dat een lager gerangschikte pandhouder het geïnde bedrag bijvoorbeeld dient af te dragen aan de eerste pandhouder. Zie Rb. Leeuwarden 28 oktober 2009, JOR 2010/209.
Vgl. voor de executele, art. 4:150 lid 1 en lid 2 sub a jo 4:146 lid 2 BW.
Zie hiervóór nr. 260.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 751. Vgl. pand: art. 3:227 lid 1 eerste zin BW, dat spreekt van 'tot voldoening van een geldsom'; faillissement: art. 108 e.v. Fw, en art. 128 en 129-133 Fw; vereffening: art. 4:218 lid 4 en 5 BW.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN), m.nt. WMK.
Vgl. Biemans 2008, par. 4.1.
Zie HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ ABN Amro ), m.nt. F .M.J. Verstijlen.
Zie voor de teruggave van vorderingen op naam, hiervoor.
Zie voor bewind: art. 1:446 lid 1 BW, art. 3.6.1.8a lid 1 Ontw.BW en art. 4:162 lid 1 BW. Vgl. ook art. 1:446 lid 3 BW en art. 1:376 BW.
Zie voor bewind: art. 1:446 lid 2 BW, art. 3.6.1.8a lid 2 Ontw.BW, art. 4:165 lid 1 BW; executie: art. 4:150 lid 1 BW; vruchtgebruik: art. 3:225 BW en zie ook art. 3:215 lid 1 BW; kwaliteitsrekening: art. 25 lid 4 Wn.
Zie L.v. Antw. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1204; HR 31 mei 1974, NJ 1976,309, m.nt. BW; HR 24 maart 1995, NJ 1996,447 (Jahn/Nask), m.nt. HJS. Vgl. ten aanzien van de afdracht van schadevergoeding ex art. 7:419 BW, Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 254.
Vgl. HR 2 april1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly I), m.nt. WK; en HR 16 maart 1984, NJ 1984,556 (Modehuis Nolly II).
Vgl. Abendroth 2006, p 61, l.k. Anders: Kamerstukken II 2003-2004,28 878, nr. 5, p. 13 (onder nr. 10).
Zie T.M. en N.v.W, Parl. Gesch. Boek 6, p. 164 en 168; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 229.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 13; Biemans 2008, par. 4.1 en 4.3, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 13; De Serière 2003, p. 377, r.k.; Reehuis 2004, nr. 87; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269; Biemans 2008, par. 4.1 en 4.3, met verdere literatuurverwijzingen.
709. De inningsbevoegde derde die de vordering int in andermans belang, dient de opbrengst uit te keren aan degenen ten behoeve van wie hij de vordering geïnd heeft. Deze belanghebbenden zijn bijvoorbeeld de rechthebbende(n), de beperkt gerechtigde(n) en/of de schuldeiser(s).
In twee gevallen kan de inningsbevoegde derde het geïnde behouden. De pandhouder int de vordering in zijn eigen belang. Overeenkomstig is hij bevoegd om, als het pand uit geld bestaat en zodra zijn vordering opeisbaar is geworden, zonder voorafgaande aanzegging zich uit het pand te voldoen overeenkomstig art. 3:253 BW (art. 3:255 BW). De vruchtgebruiker mag zich uit de opbrengst van de rentevorderingen voldoen; hij is daarvan immers de schuldeiser. In de overige gevallen is de derde verplicht om het geïnde aan andere personen uit te keren.
De pandhouder, de deurwaarder, de curator en de vereffenaar dienen het geïnde uit te keren, eerst aan de schuldeisers overeenkomstig hun rangorde,1 en vervolgens het eventuele overschot aan de rechthebbende. Voor pand volgt dit uit art. 3:253 BW; voor derdenbeslag uit art. 480 lid 1 Rv; voor faillissement uit art. 179 e.v. Fw; en voor vereffening uit art. 4:220 en 4:226 BW. 2Vindt uitkering plaats aan meer dan een schuldeiser, dan is ten aanzien van hun gerechtigdheid tot de opbrengst hun voorrang van belang.3 De uitkering aan de schuldeiser(s) is alleen mogelijk in geld. Strekt de vordering tot overdracht van een goed, dan zal dit goed eerst te gelde moeten worden gemaakt voordat verdeling kan plaatsvinden.4 Gaat de curator in het faillissement van de pandgever over tot inning van een stil verpande vordering, dan komt op het geïnde geen pandrecht te rusten, maar behoudt de pandhouder zijn voorrang ten aanzien van de opbrengst. De pandhouder dient zijn vordering bij de curator ter verificatie in te dienen en deelt mee in de algemene faillissementskosten (art. 182 Fw).5 Uit deze in het arrest Mulder q.q./CLBN gekozen benadering volgt dat de curator met de betaling geen verplichting tot afdracht voldoet zoals die voor de pandhouder bestaat op grond van art. 3:253 lid 1 BW of voor de deurwaarder op grond van art. 480 lid 1 Rv jegens de (overige) pandhouders en beslagleggende schuldeiser. De curator voldoet met de betaling aan de pandhouder diens vordering jegens de pandgever.6 In faillissement rust op de curator die een stil verpande vordering heeft geïnd derhalve jegens de stil pandhouder niet een vergelijkbare verplichting tot afdracht als die op de pandhouder of de deurwaarder rust jegens de ( overige) schuldeisers. Dit is anders als de curator een betaling onbevoegd heeft ontvangen, en uit dien hoofde tot afdracht aan de pandhouder verplicht is. De pandhouder heeft in dat geval een preferente boedelvordering tot afdracht van het ontvangene.7
De bewindvoerder, de vruchtgebruiker, de beheersbevoegde deelgenoot, de executeur en de rekeninghouder van een kwaliteitsrekening zijn gehouden om het geïnde of de goederen die daarvoor krachtens substitutie in de plaats zijn getreden af te dragen aan de rechthebbende(n).8 Dit kan tussentijds gebeuren (zoals bij bewind ten aanzien van vruchten),9 of aan na het einde van het beheer.10 Bij gemeenschap rust op de beheersbevoegde deelgenoot de verplichting tot afdracht van het geïnde jegens de gezamenlijke deelgenoten, waaronder hijzelf. Alleen als de deelgenoten overgaan tot verdeling van de opbrengst (art. 3:177 e.v. BW), rust op hem de verplichting tot afdracht van de geïnde hoofdsom en rente aan de deelgenoten afzonderlijk overeenkomstig hun aandeel in de gemeenschappelijke vordering (art. 3:166 lid 2 en 3:172 BW). Op de lasthebber rust de verplichting tot afdracht aan de lastgever. De verplichting kent geen wettelijke regeling in afdeling 7.7.2 BW (lastgeving), maar het bestaan daarvan wordt in de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak wel aangenomen.11
710. Op de stille cedent rust de verplichting tot het afdragen van het geïnde, derhalve de verplichting tot doorlevering van de goederen dan wel doorbetaling van de gelden.12 Een bepaling omtrent deze verplichting ontbreekt in de regeling van lastgeving. Zonder nadere regeling rust deze verplichting evenwel op de stille cedent als lasthebber. De grondslag voor deze verplichting is de onderlinge rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris, en meer in het bijzonder de rechtsverhouding uit lastgeving. Bij lastgeving is de grondslag is nietart. 6:36 BW.13 Deze bepaling ziet op een betaling aan een inningsonbevoegde derde. Daarvan is bij een inningsbevoegde stille cedent geen sprake. Om dezelfde reden is de grondslag voor de verplichting tot afdracht evenmin onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Zou de stille cedent niet inningsbevoegd zijn, en betaalt de schuldenaar bevrijdend aan hem op grond van art. 3:94 lid 3 tweede zin BW, dan is art. 6:36 BW wel van toepassing. Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW vervult dan dezelfde functie als art. 6:34 BW. Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW is in dit geval als een lex specialis van art. 6:34 BW. Ook een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) of onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) kan in een dergelijk geval als grondslag dienen voor de verhaalsvordering als aan de vereisten van deze bepalingen is voldaan.14 Het bedrag van de schadevergoeding op grond van de onrechtmatige daad of de ongerechtvaardigde verrijking zal vergelijkbaar zijn met het bedrag dat aan de inningsonbevoegde stille cedent is betaald.
Zijn vóór het faillissement van de stille cedent betalingen verricht, dan heeft de stille cessionaris een concurrente vordering tot afdracht die hij ter verificatie dient in te dienen bij de curator.15 Worden mi datum faillissement aan de curator van de gefailleerde stille cedent betalingen verricht, dan heeft de stille cessionaris een concurrente boedelvordering tot afdracht jegens de curator.16