type: SM 4183coll:
Rb. Midden-Nederland, 21-03-2018, nr. C/16/443156 / HA ZA 17-605
ECLI:NL:RBMNE:2018:1905
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
21-03-2018
- Zaaknummer
C/16/443156 / HA ZA 17-605
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2018:1905, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 21‑03‑2018; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBMNE:2017:6808, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 27‑12‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2018-0236
PS-Updates.nl 2018-0422
Uitspraak 21‑03‑2018
Inhoudsindicatie
artikel 7:457 BW Schending geheimhoudingsplicht huisarts.Geen aansprakelijkheid voor de gevorderde schade wegens ontbreken van relativiteit (artikel 6:163 BW) en ontbreken c.s.q.n. verband (artikel 6:74) . Immateriele schade is niet onderbouwd.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/443156 / HA ZA 17-605
Vonnis van 21 maart 2018
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A.J.T.M. Hendriks te Weert,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het incidenteel vonnis van 31 januari 2018,
- -
het proces-verbaal van comparitie van 5 februari 2018.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] was patiënt in de huisartsenpraktijk van [gedaagde] .
2.2.
[eiser] heeft een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: AOV) afgesloten met Movir N.V. (hierna: Movir). Voor de aanvraag voor de verzekering met polisnummers [polisnummer] en [polisnummer] heeft hij op 5 september 1990 een gezondheidsverklaring ingevuld en voor de aanvraag met polisnummer [polisnummer] op 22 maart 2004.
2.3.
Op 19 december 2013 heeft [eiser] bij Movir gemeld dat hij gedeeltelijk (75%) arbeidsongeschikt is.
2.4.
In verband met een onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid door Movir heeft [eiser] [gedaagde] gemachtigd informatie te verstrekken aan de medisch adviseur van Movir (hierna: de medisch adviseur). In de machtiging is vermeld dat [eiser] toestemming verleent om aan de medisch adviseur informatie te verstrekken:
“die van belang kan zijn voor de beoordeling van zijn gezondheidstoestand, respectievelijk arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van psychische klachten en alcoholgebruik. Van belang zijnde informatie betreft onder andere de ziektegeschiedenis vanaf 2013, de bevindingen van de behandelend arts, medisch specialist of andere behandelaar, de gestelde diagnose, de ingestelde behandeling en het beloop”
De brief van de medisch adviseur aan [gedaagde] luidt als volgt:
“(…).
Als medisch adviseur geef ik advies over de arbeidsongeschiktheid van de hierboven genoemde verzekerde. De heer [eiser] is arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en alcoholgebruik.
Graag ontvang ik van u informatie over de uitslag en het resultaat van uw laatste onderzoek, de diagnose(s), de behandeling en het beloop tot heden.
Deze gegevens zijn van belang voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid.
(…).”
2.5.
Bij brief van 24 februari 2014 heeft [gedaagde] informatie verstrekt aan de medisch adviseur. [gedaagde] schreef onder meer:
“Patiënt is bekend met RA en DM waarvoor reeds jaren specialistische behandeling en controle door reumatoloog. Voor DM begeleiding alhier POH (sinds 2012). Start Metformine sinds september 2013.
Daarnaast bekend met alcohol abusis.
(…)”
Verder heeft [gedaagde] ter informatie van de medisch adviseur een afschrift van het dossier van [eiser] van de medische consulten van 6 december 2013 tot en met 24 januari 2014 overgelegd waarin onder meer genoteerd staat:
“Verdenking burnout. E.e.a. na verkoop zakelijke panden/afkoop van zakelijke schulden. Terugval in alcohol (..) Eerder ook al eens bij [naam kliniek] geweest. Beviel niet (…) VG: sex. misbruik”
Bij drie van de vijf consulten was de code P15.00 (chronisch alcohol misbruik) vermeld. Voorts heeft [gedaagde] de medische historie van [eiser] van 1989 tot en met april 2012 aan de medisch adviseur verstrekt. Daarin is - onder meer - vermeld:
“ […] [afkorting voor instelling] /alcoholabusis (in behandeling t/m medio ’92)”
2.6.
Bij brief van 24 maart 2014 heeft Movir aan [eiser] geschreven dat diens verzekeringen met onmiddellijk ingang worden beëindigd. Tevens werd de begeleiding bij re-integratie die hij van Movir kreeg gestopt. Als reden gaf Movir het niet nakomen van de mededelingsplicht op grond van artikel 7:928 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] had op de gezondheidsverklaringen bij de aanvraag van zijn verzekeringen op 5 september 1990 en 22 maart 2004 geen melding gemaakt van de behandeling bij het [afkorting voor instelling] van 1 november tot en met medio 1992 . Movir heeft toegelicht dat haar medisch adviseur, indien zij destijds over deze informatie zou hebben beschikt, zou hebben geadviseerd de aanvragen van [eiser] niet te accepteren.
2.7.
Bij brief van 2 januari 2015 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de aan de medisch adviseur verstrekte informatie.
2.8.
[eiser] heeft bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle (hierna: het tuchtcollege) een klacht ingediend tegen [gedaagde] . De klachten kwamen er kort gezegd op neer dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in zijn zorgplicht omdat hij meer medische informatie heeft prijsgegeven aan de medisch adviseur dan waar die medisch adviseur in zijn brief om had verzocht. De tweede klacht was dat [gedaagde] de afspraak die was gemaakt met [eiser] en met zijn echtgenote om voorafgaand aan de informatieverstrekking met hem te overleggen, heeft genegeerd. Bij uitspraak van 11 december 2015 heeft het tuchtcollege de klachten gegrond verklaard en [gedaagde] de maatregel van waarschuwing opgelegd.
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. voor recht verklaart dat de gedragingen van [gedaagde] als vermeld in de dagvaarding en gesanctioneerd door het medisch tuchtcollege, een verwijtbare tekortkoming, dan wel een onrechtmatige daad vormen.
en [gedaagde] :
2. veroordeelt tot vergoeding van de materiele schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de aan de dag der algehele voldoening;
3. veroordeelt tot vergoeding van de immateriële schade nader op te maken bij staat, subsidiair de immateriële schade bepaalt,
4. veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] aan Movir informatie heeft verstrekt die veel verder strekte dan hetgeen Movir had gevraagd en waarvoor [eiser] [gedaagde] had gemachtigd. Daarmee is [gedaagde] tekortgeschoten en/of heeft hij onrechtmatig gehandeld ten opzichte van [eiser] . Door het handelen van [gedaagde] heeft Movir de beschikking gekregen over informatie over de gezondheidstoestand van [eiser] voorafgaand zijn AOV aanvraag. Op grond van die informatie heeft Movir de AOV van [eiser] beëindigd wegens het niet nakomen van zijn inlichtingenplicht. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden. Het gaat om de uitkering die Movir aan [eiser] zou hebben betaald indien de AOV niet zou zijn beëindigd en de omzetderving die [eiser] heeft gehad in de periode dat hij als gevolg van zijn ziekte niet in staat was zijn werkzaamheden volledig te verrichten. Verder stelt [eiser] dat hij schade heeft geleden vanwege het feit dat hij niet langer aanspraak had op ondersteuning bij zijn re-integratie, als gevolg waarvan zijn herstel langer heeft geduurd.
3.3.
[gedaagde] betwist primair dat hij door het verstrekken van de medische informatie onrechtmatig heeft gehandeld. Hij stelt daartoe dat hij niet buiten de machtiging en de vraagstelling is getreden. Volgens [gedaagde] heeft hij ook niet zijn beroepsgeheim geschonden. Hij heeft de informatie verstrekt aan de medisch adviseur van Movir die zelf ook een beroepsgeheim heeft, zodat geen sprake kan zijn van schending van de privacy van [eiser] . Subsidiair stelt [gedaagde] dat hij niet aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de beëindiging van de AOV door Movir. [gedaagde] stelt daartoe dat [eiser] de informatie die [gedaagde] aan Movir heeft verstrekt, destijds bij aanvang van de verzekering zelf aan Movir had moeten verstrekken. De gevolgen van het eigen verzuim van [eiser] kunnen volgens [gedaagde] niet op hem worden afgewenteld. Volgens [gedaagde] is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste, omdat de geheimhoudingsplicht van de arts er uitsluitend toe strekt de privacy van [eiser] te beschermen en niet om te voorkomen dat hij wordt beschermd tegen de beëindiging van een verzekering die ten onrechte aan hem is toegekend. Bovendien ontbreekt volgens [gedaagde] het causaal verband, omdat Movir de verzekering niet heeft beëindigd vanwege de door [gedaagde] verstrekte medische gegevens, maar vanwege de schending van de mededelingsplicht door [eiser] . Indien [eiser] Movir destijds naar waarheid had geïnformeerd was de AOV niet tot stand gekomen.
4. De beoordeling
4.1.
Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd verduidelijkt dat met de onder punt 1 in het petitum genoemde gedragingen wordt bedoeld:
- het treden buiten de machtiging die [eiser] aan [gedaagde] heeft verstrekt,
- het treden buiten de vraagstelling van Movir,
- het bij de informatieverstrekking niet handelen conform de richtlijnen van de KNMG,
- het zonder reden verschaffen van de historische informatie over het alcoholgebruik en de behandeling bij het [afkorting voor instelling] en
- het zich niet houden aan de afspraak dat [gedaagde] zou overleggen met [eiser] voordat hij de informatie aan Movir verschafte.
4.2.
[gedaagde] heeft erkend dat hij een fout heeft gemaakt door in strijd met hetgeen was afgesproken de aan de medisch adviseur verstrekte informatie niet eerst aan [eiser] voor te leggen. Over de overige verwijten van [eiser] stelt [gedaagde] dat het gelet op de vraag van de medisch adviseur over de burn-out en het alcoholgebruik passend was om ook de historische gegevens te verstrekken, omdat daaruit een medisch relevante terugval bleek. Ook de machtiging waarin informatie wordt gevraagd over “onder andere” de ziektegeschiedenis vanaf 2013” bood volgens hem de ruimte voor de door hem verstrekte informatie uit het verleden.
4.3.
Destijds was sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] . In artikel 7:457 Burgerlijk Wetboek is de geheimhoudingsplicht in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst neergelegd. Dit artikel bepaalt, voor zover hiervan belang, dat de hulpverlener ervoor zorg draagt dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 7:454 BW (het patiëntendossier), worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet worden geschaad. Het beroepsgeheim is uitgewerkt in de richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (hierna: KNMG-Richtlijn). In dit geval is van toepassing de KNMG-Richtlijn 2010. In deze richtlijn is onder meer bepaald dat bij gegevensverstrekking op verzoek van derden in algemene zin het volgende geldt:
- vooraf is gerichte toestemming van de patiënt vereist.
- de vragende partij geeft zo veel mogelijk aan over welke gegevens hij al beschikt en welke aanvullende informatie hij van de verstrekkende arts wil vernemen.
- de arts die informatie levert, geeft uitsluitend de gevraagde informatie en beperkt zich tot feitelijke gegevens en bevindingen over de gezondheid van de patiënt.
- (…).
4.4.
Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren, zoals medici, heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. In een tuchtrechtprocedure wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met de door de beroepsgroep gestelde normen heeft gehandeld. Indien dit niet het geval is kan een maatregel worden opgelegd. Het tuchtrecht heeft niet tot doel de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar vast te stellen. Dat neemt niet weg dat het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsbeoefenaar in een civiele procedure een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is.
4.5.
De tuchtrechter heeft toetsend aan de KNMG-Richtlijn 2010 overwogen - kort samengevat en voor zover hier van belang - dat:
- de vraagstelling van de medisch adviseur niet voldoende gericht was,
- deze vraagstelling voor [gedaagde] aanleiding had behoren te zijn om een meer concrete vraagstelling te verzoeken en
- het verzoek in elk geval niet kon worden opgevat als een vraag naar de historie vanaf 1989. Over de verstrekte informatie heeft het Medisch Tuchtcollege verder overwogen ( [eiser] wordt aangeduid als “klager” en [gedaagde] als “verweerder”):
“het (college) plaatst vraagtekens bij de relevantie van deze vermelding (rechtbank: de historie vanaf 1989) voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van klager in 2013. Hetzelfde geldt onder meer ook voor informatie over het gebruik van vitamine B12 in 2000, een operatie aan een hamerteen en sexueel misbruik in de voorgeschiedenis. Ook de door verweerder overgenomen vermeldingen van mededelingen van klager, over bijvoorbeeld de zakelijke transacties als mogelijke verklaring voor de burnout, of al dan niet eerder verblijf in een kliniek, betreffen niet zonder meer objectieve door de arts vastgestelde of waargenomen gegevens en zijn daarmee niet voldoende feitelijk. Een diagnose wordt over het algemeen niet gezien als een waardeoordeel en derhalve mocht verweerder melding maken van ‘chronisch alcoholmisbruik’. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, is het klachtonderdeel over de door verweerder verstrekte informatie voor het overige gegrond.” aanvrager stelt gerichte vragen
4.6.
De rechtbank overweegt dat uit de inleiding van de brief van de medisch adviseur aan [gedaagde] blijkt dat de vraagstelling tot doel had de arbeidsongeschiktheid van [eiser] vast te stellen. De mededeling dat [eiser] “bekend is met alcohol abusis” is, zoals de tuchtrechter heeft overwogen, een objectieve diagnose. Deze informatie valt onder de vraagstelling waarin gericht is gevraagd welke diagnose door de behandelaar(s) is gesteld. De inhoudelijke vraagstelling naar “het resultaat van het laatste onderzoek de diagnoses en de beloop van de behandeling” duidt op een onderzoek naar de huidige gezondheidssituatie van [eiser] en die in het recente verleden, vanaf zijn ziekmelding in 2013. Ook de machtiging die [eiser] heeft verstrekt is in tijd beperkt doordat daarin “de ziektegeschiedenis vanaf 2013” is vermeld. Onder deze omstandigheden is het overleggen van een afschrift van de historische medische kaart vanaf 1998 niet in overeenstemming met de eisen van de KNMG-Richtlijn waarin is bepaald dat het moet gaan om “gerichte toestemming” van de patiënt en dat “uitsluitend de gevraagde informatie wordt verstrekt”. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te oordelen dan de tuchtrechter heeft gedaan.
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] in strijd met zijn geheimhoudingsplicht van artikel 7:457 BW heeft gehandeld door meer informatie aan de medisch adviseur te verstrekken dan waarvoor [eiser] toestemming had gegeven. Het betoog van [gedaagde] dat geen sprake is van schending van zijn geheimhoudingsplicht, omdat hij de informatie heeft verstrekt aan de medisch adviseur die ook een geheimhoudingsplicht heeft, gaat niet op. De uitzondering van artikel 7:457 lid 2 geldt slechts voor degenen die rechtstreeks bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst zijn betrokken. Die situatie was hier niet aan de orde.
4.8.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] , wegens schending van artikel 7:454 BW tekort is geschoten in de behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] .
Materiele schade
4.9.
Niet elke onrechtmatige daad waardoor aan een ander schade wordt toegebracht is grond voor schadevergoeding. Op grond van artikel 6:163 BW is voor aansprakelijkheid vereist dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (het vereiste van relativiteit).
4.10.
[eiser] stelt schade te hebben geleden omdat, als gevolg van de onrechtmatige gegevensverstrekking door [gedaagde] , bij Movir bekend is geworden dat hij in het verleden een behandeling heeft ondergaan in verband met zijn alcoholgebruik. [eiser] heeft weliswaar de ernst van zijn alcoholgebruik in 1998 en de behandeling die hij daarvoor bij het [afkorting voor instelling] heeft ondergaan gerelativeerd, maar hij heeft niet betwist dat hij deze feiten niet heeft vermeld op de gezondheidsverklaringen en dat hij dat wel had moeten doen. Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat [eiser] bij het aangaan van de AOV heeft verzuimd deze behandeling te melden en dus de op hem rustende mededelingsplicht jegens Movir heeft geschonden. Het niet vermelden van deze - volgens Movir relevante - informatie, is de reden dat de AOV is beëindigd. De vraag of Movir bij bekendheid met deze gegevens destijds de AOV al of niet en/of onder andere voorwaarden zou zijn aangegaan, kan in het midden blijven. Het feit dat dit thans niet met zekerheid kan worden vastgesteld moet voor risico van [eiser] blijven. Enerzijds omdat hij destijds deze gegevens niet heeft vermeld en anderzijds omdat hij er na beëindiging van de AOV om hem moverende redenen voor heeft gekozen om geen bezwaar te maken tegen deze beëindiging. Ter zitting heeft van [eiser] daarover naar voren gebracht dat een dergelijk bezwaar gelet op de jurisprudentie kansloos zou zijn.
4.11.
Artikel 7:457 BW strekt er toe de privacy van de patiënt te beschermen en om te waarborgen dat medische gegevens niet openbaar worden gemaakt, waardoor een zieke ervan zou kunnen worden weerhouden geneeskundige hulp te zoeken. Dit artikel strekt er echter niet toe een verzekerde te beschermen tegen de gevolgen van de schending van zijn mededelingsplicht door het verzwijgen van relevante gegevens bij het aangaan van een AOV. Het betoog van [gedaagde] dat in dit geval niet is voldaan aan het vereiste van relativiteit gaat dan ook op.
4.12
Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin een grond voor schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW. Voor toewijzing van schade op grond van dit artikel is vereist dat de tekortkoming “condicio sine qua non is” voor de geleden schade, hetgeen wil zeggen dat vast moet staan dat zonder de gemaakte fout de schade niet zou zijn geleden. Op [eiser] rust de last te bewijzen dat aan dit vereiste is voldaan. De beëindiging van de AOV is niet het gevolg van de door [gedaagde] verstrekte informatie, maar het gevolg van de schending van de mededelingsplicht van [eiser] . De enkele stelling van [eiser] dat Movir in haar beëindigingsbrief verwijst naar de door [gedaagde] verstrekte informatie is daarom onvoldoende om het hiervoor bedoelde causaal verband aan te kunnen nemen. Het is niet onaannemelijk dat Movir - zoals [gedaagde] naar voren heeft gebracht - in het kader van nader door haar te verrichten onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid (bijvoorbeeld door middel van een expertise) bekend zou zijn geworden met de medische informatie uit het verleden. Dat dit thans niet vast kan worden gesteld, omdat vanwege de beëindiging van de AOV geen nader onderzoek door Movir is gedaan, moet in de gegeven omstandigheden voor rekening van [eiser] komen
Immateriële schade
4.13.
Het zonder toestemming en noodzaak verstrekken van medische gegevens aan een derde, is aan te merken als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en daarmee een aantasting in de persoon, waarvoor artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW grondslag biedt voor vergoeding van immateriële schade. [eiser] heeft dit echter niet aan zijn vordering tot immateriële schadevergoeding ten grondslag gelegd. Ook overigens heeft hij op dit punt geen relevante argumenten naar voren gebracht. De stelling van [eiser] dat hij immateriële schade heeft geleden omdat hem als gevolg van de beëindiging verdere begeleiding bij zijn re-integratie is onthouden, waardoor zijn burn-out langer heeft geduurd, heeft betrekking op materiele schade. Dit nog daargelaten dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de beëindiging van de AOV waarover hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] daarvoor niet aansprakelijk is. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade zal daarom wegens onvoldoende onderbouwing eveneens worden afgewezen.
Conclusie
4.14.
Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de vorderingen in zoverre kunnen worden toegewezen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [gedaagde] tekort is geschoten in de behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] door:
- buiten de machtiging te treden die [eiser] aan hem heeft verstrekt,
- buiten de vraagstelling van Movir te treden,
- zich niet te houden aan de afspraak dat hij zou overleggen met [eiser] voordat hij de informatie aan Movir verschafte.
De vorderingen zullen voor het overige worden afgewezen.
4.15.
Aangezien elk van partijen op enig punt in het ongelijk is gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna vermelden wijzen.
5. De beslissing
De rechtbank,
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] tekort is geschoten in de behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] door:
- buiten de machtiging te treden die [eiser] aan hem heeft verstrekt,
- buiten de vraagstelling van Movir te treden,
- zich niet te houden aan de afspraak dat hij zou overleggen met [eiser] voordat hij de informatie aan Movir verschafte,
5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑03‑2018
Uitspraak 27‑12‑2017
Inhoudsindicatie
Incident tot vrijwaring afgewezen
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/443156 / HA ZA 17-605
Vonnis in incident van 27 december 2017
in de zaak van
[eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. A.J.T.M. Hendriks te Weert,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding,
- -
de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring,
- -
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1.
[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] vordert dat hem wordt toegestaan [bedrijfsnaam] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: [bedrijfsnaam] ) in vrijwaring op te roepen. [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2.
[eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] was patiënt in de huisartsenpraktijk van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] . [bedrijfsnaam] was de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] . In de hoofdzaak vordert [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] een verklaring voor recht dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] tekort is geschoten dan wel onrechtmatig ten opzichte van hem heeft gehandeld door zijn gehele medisch dossier vanaf 1989 aan [bedrijfsnaam] ter beschikking te stellen, zonder dat [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] daarvoor toestemming had gegeven en zonder dat dit naar aanleiding van de vraagstelling van [bedrijfsnaam] noodzakelijk was.
2.3.
In de hoofdzaak betwist [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] dat hij tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] . In de vrijwaring stelt [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] dat (de medisch adviseur van) [bedrijfsnaam] de medische informatie van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze was verstrekt. Deze handelwijze levert volgens [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] (ook) een tekortkoming en een onrechtmatige daad van [bedrijfsnaam] op ten opzichte van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] . In het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aansprakelijk is voor de door [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] gestelde schade als gevolg van het verstrekken van deze informatie, is [bedrijfsnaam] daarom daarvoor (mede) aansprakelijk. [bedrijfsnaam] dient dan de schadevergoeding waartoe [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de hoofdzaak wordt veroordeeld geheel of gedeeltelijk aan [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] te vergoeden. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] beroept zich daartoe op artikel 6:10 lid 1 BW (hoofdelijke verbondenheid) voor de schuld.
2.4.
[eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] betoogt dat de vordering tot vrijwaring moet worden afgewezen, omdat in dit geschil het onzorgvuldig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan de orde is en het niet aan [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] is om te oordelen over de vraag of [bedrijfsnaam] onjuist heeft gehandeld.
2.5.
De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot vrijwaring in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt indien uit feiten en omstandigheden die aan die vordering ten grondslag worden gelegd, voortvloeit dat de verzoeker tot vrijwaring in geval van een ongunstige afloop van de hoofdzaak, krachtens zijn onderlinge rechtsverhouding, een verhaalsrecht kan hebben op degene die hij in vrijwaring wenst op te roepen.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] stelt weliswaar dat het handelen van [bedrijfsnaam] jegens hem een tekortkoming oplevert, maar heeft niet toegelicht op grond van welke contractuele relatie tussen hem en [bedrijfsnaam] hij deze stelling baseert. Voorts valt zonder nadere toelichting niet in te zien op welke feiten en gronden het gestelde gebruik van de gegevens voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, onrechtmatig zou zijn ten opzichte van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] als verstrekker van de gegevens.
2.7.
[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
In de hoofdzaak
2.8.
De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.9.
Elk van partijen wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum aan de rechter (t.a.v. de roladministratie) en aan de wederpartij toe te zenden (kopieën van) de bescheiden (voor zover nog niet in het geding gebracht) waarop zij ter comparitie een beroep wenst te doen (zie artikel 2.9 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken).
2.10.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
2.11.
De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.
2.12.
Ter comparitie zal niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.
2.13.
Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn.
2.14.
Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen.
2.15.
Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.
2.16.
De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.
2.17.
Indien partijen, zonder dat daaraan voorafgaand een comparitie wordt gehouden, gebruik willen maken van de mogelijkheid de zaak door te verwijzen naar een mediator, dienen zij dat binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan de griffie te berichten.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering in het incident af,
3.2.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.M. Willems in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op maandag 5 februari 2018 van 13.30 uur tot 15.00 uur,
3.5.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
3.6.
bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk (dan wel per e-mail gericht aan: […] . […] . […] . […] @rechtspraak.nl aan de rechtbank (ter attentie van de roladministratie van de sector civiel) om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de reden(en) van uitstel en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op het uitstelverzoek,
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑12‑2017
type: SM/4183coll: