Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174.
Rb. Amsterdam, 31-03-2025, nr. 24/5339
ECLI:NL:RBAMS:2025:2039
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
31-03-2025
- Zaaknummer
24/5339
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2025:2039, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 31‑03‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 31‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Naheffingsaanslag parkeren is op juiste wijze bekendgemaakt via berichtenbox MijnOverheid. Aanmaning blijft in stand.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5339
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. N.G.A Voorbach),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 augustus 2024.
2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 24 april 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag). Omdat deze niet door eiser werd betaald, heeft de heffingsambtenaar op 12 juni 2024 een aanmaning aan eiser gestuurd en daarbij aanmaningskosten in rekening gebracht. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard (de bestreden uitspraak).
3. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de aan eiser toegestuurde aanmaning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de aanmaning ten onrechte verstuurd?
7. Volgens eiser is er ten onrechte een aanmaning aan hem verstuurd, omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag nooit op de juiste wijze kenbaar heeft gemaakt. Volgens eiser blijkt uit de stukken niet dat de naheffingsaanslag in de digitale berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst en is ook niet duidelijk of die berichtenbox met terugwerkende kracht kan worden aangepast. Eiser stelt dat hij niet van de naheffingsaanslag op de hoogte is gebracht via een e-mailnotificatie of een vergelijkbare melding. Niet kan zonder meer worden volgehouden dat de naheffingsaanslag eiser heeft bereikt.1.Van eiser kan niet worden verwacht dat hij iedere dag inlogt. Dat niet meer te achterhalen is hoe het zit met de melding, moet volgens eiser in zijn voordeel uitpakken.2.
8. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank motiveert dat als volgt.
9. De vraag die hier aan de orde is, is of de naheffingsaanslag op de juiste wijze bekendgemaakt is en er vervolgens – bij het uitblijven van betaling – kan worden aangemaand. De twee uitspraken waar eiser naar verwijst gaan over de vraag of de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar moet worden geacht en zijn hier dus niet van toepassing.
10. Uit artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb volgt dat bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 2:14, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden, voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
11. De heffingsambtenaar heeft de verzendadministratie overgelegd en ter zitting toegelicht dat hieruit blijkt dat de naheffingsaanslag in de berichtenbox van eiser is geplaatst. De heffingsambtenaar heeft daarbij ook toegelicht dat eiser al meerdere aanslagen parkeerbelasting heeft ontvangen via de berichtenbox van MijnOverheid en deze telkens heeft betaald. Daaruit kan worden geconcludeerd dat eiser de eerdere naheffingsaanslagen dus heeft ontvangen.
12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser heeft aangegeven elektronisch bereikbaar te zijn via MijnOverheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting met vorderingsnummer [nummer] in de berichtenbox van eiser is geplaatst. Dit volgt uit de door de heffingsambtenaar ingebrachte screenprints van de verzendadministratie. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het vermoeden van de ontvangst van de naheffingsaanslag ontzenuwen. Het al dan niet ontvangen van een e-mailnotificatie, is niet van invloed op het tijdstip van bekendmaking van de naheffingsaanslag.3.Eiser dient zelf aan te geven of hij een e-mailnotificatie wil ontvangen. Als eiser zich daar niet voor heeft aangemeld, is hij er zelf verantwoordelijk voor om de berichtenbox van MijnOverheid regelmatig te checken. Dat eiser een bericht niet op tijd ziet bij het ontbreken van een notificatie, komt voor zijn risico.
13. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting op de juiste wijze bekend is gemaakt. De heffingsambtenaar heeft eiser vervolgens bij het uitblijven van betaling terecht een aanmaning gestuurd en de aanmaningskosten bij eiser in rekening gebracht.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep van eiser slaagt niet. Dit betekent dat de aanmaning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding voor zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025.
griffier | De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen pom een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑03‑2025
Met verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1273.
Zie ook de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4791 en van het gerechtshof Den Haag van 17 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:193.