Artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb. Noord-Nederland, 17-07-2025, nr. LEE 25/1234
ECLI:NL:RBNNE:2025:2832
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
17-07-2025
- Zaaknummer
LEE 25/1234
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2025:2832, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 17‑07‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/1652
NTFR 2025/1752 met annotatie van mr. J. Zandee-Dingemanse
Uitspraak 17‑07‑2025
Inhoudsindicatie
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met € 171 aan ingehouden loonheffing. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag uitgegaan van de gegevens die hij van de werkgever en uitkeringsinstanties heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank mag de inspecteur van die gegevens uitgaan. Eiser heeft niet gesteld dat die gegevens onjuist zijn. Voor zover eiser met zijn stelling dat de vooraf ingevulde aangifte verkeerde gegevens bevatte, heeft bedoeld een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen overweegt de rechtbank dat het aan eiser is om dan te bewijzen dat de vooraf ingevulde aangifte verkeerde gegevens bevatte. Dat heeft eiser niet gedaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1234
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Belastingdienst Particulieren / kantoor Den Haag, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van de inspecteur van 18 november 2024 op het verzoek van eiser om ambtshalve vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2022.
1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 19 januari 2024 een aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.921.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 61 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
Eiser heeft op 13 januari 2024 twee herziene aangiften IB/PVV 2022 ingediend.
1.4.
De inspecteur heeft de herziene aangiften aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2022.
1.5.
De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
1.6.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur bijgestaan mr. drs. [naam 2] . Eiser is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft eiser op 23 april 2024 per brief meegedeeld waar en wanneer de zitting zou plaatsvinden. De rechtbank heeft deze brief aangetekend verstuurd naar het adres van eiser. Uit informatie uit het Track & Trace-systeem van PostNL blijkt dat op 24 april 2024 is getekend voor de ontvangst van deze brief. Eiser is dus correct uitgenodigd voor de zitting.
Feiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2.1.
Eiser heeft op 1 en 6 maart 2023 in totaal drie aangiften IB/PVV 2022 ingediend. In de aangifte van 1 maart 2023 is het opgegeven inkomen uit werk en woning totaal € 9.328 en de ingehouden loonheffing € 161. In de als eerst ontvangen aangifte van 6 maart 2023 is het opgegeven inkomen uit werk en woning € 9.921 en de ingehouden loonheffing € 1010. In de als laatst ontvangen aangifte van 6 maart 2023 is het opgegeven inkomen uit werk en woning € 9.921 en de ingehouden loonheffing € 1.620.
2.2.
De inspecteur heeft op 9 mei 2023 een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd berekend conform de laatst ingediende aangifte. Uit de voorlopige aanslag volgt een te ontvangen bedrag van € 1.221.
2.3.
Bij brief van 9 november 2023 heeft de inspecteur eiser laten weten dat hij voornemens is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 af te wijken van de aangifte(n) van eiser. De afwijking betreft de opgegeven loonheffing. De inspecteur schrijft dat uit zijn informatie volgt dat de ingehouden loonheffing totaal € 171 bedraagt.
2.4.
De inspecteur heeft van eiser geen reactie ontvangen op zijn brief van 9 november 2023.
2.5.
De inspecteur heeft met dagtekening 19 januari 2024 de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Daarbij is hij afgeweken van de aangifte van eiser. De inspecteur heeft € 171 aan loonheffing verrekend in plaats van de in de laatste aangifte opgegeven € 1.620. Uit de definitieve aanslag volgt een te betalen bedrag van € 1.510, waarvan € 61 belastingrente is.
2.6.
Op de aanslag IB/PVV 2022 staat – voor zover hier van belang – de volgende tekst:
“Aangifte wijzigen
Wilt u uw aangifte wijzigen? Bijvoorbeeld omdat u niet alle bedragen van uw inkomsten of aftrekposten hebt ingevuld? Doe dan opnieuw aangifte. U kunt dit doen via Mijn Belastingdienst. Log in op Mijn Belastingdienst. Ga naar tabblad Inkomstenbelasting, kies Belastingjaar 2022 en klik op "Mijn aangifte inkomstenbelasting wijzigen".
Bezwaar maken
Bent u het niet eens met deze aanslag en wilt u bezwaar maken? Ga naar www.belastingdienst.nl/bezwaarcheck en kijk hoe u dit kunt doen. Maakt u bezwaar, doe dit dan tijdig. Verstuur het online bezwaarformulier uiterlijk 1 maart 2024. Kunt u alleen schriftelijk bezwaar maken? Dan moet uw bezwaarschrift op 1 maart 2024 binnen zijn bij de Belastingdienst. Vermeld altijd de reden van uw bezwaar en het aanslagnummer. Wilt u uitstel van betaling? Vermeld dan in uw bezwaar voor welk bedrag van de aanslag u uitstel aanvraagt.”
2.7.
Eiser heeft op 13 januari 2024 twee aangiften IB/PVV 2022 ingediend. In beide aangiften heeft eiser € 9.921 aan inkomen uit werk en woning opgegeven. De ingehouden loonheffing bedraagt volgens de eerste aangifte € 409 en volgens de tweede aangifte € 176.
2.8.
De inspecteur heeft de aangiften IB/PVV 2022 van 13 januari 2024 opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2022 van 19 januari 2024.
2.9.
Bij brief van 17 oktober 2024 heeft de inspecteur eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om het verzoek af te wijzen. De inspecteur heeft daarbij eiser tot 31 oktober 2024 gegeven om te reageren.
2.10.
De inspecteur heeft van eiser geen reactie ontvangen op zijn brief van 17 oktober 2024.
2.11.
Bij brief van 18 november 2024 heeft de inspecteur afwijzend beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering.
2.12.
Eiser heeft bij Rechtbank Den Haag beroep ingesteld tegen de beslissing in de brief van 18 november 2024. Omdat eiser woonachtig is in [woonplaats] is Rechtbank Noord- Nederland bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Rechtbank Den Haag heeft daarom het beroep doorgestuurd naar Rechtbank Noord-Nederland. Eiser is daarvan bij brief van 26 maart 2025 op de hoogte gesteld.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering. In beginsel moet voordat beroep bij de rechtbank wordt ingesteld eerst bezwaar worden gemaakt.1.Direct beroep instellen is enkel mogelijk als daartoe wordt verzocht in het bezwaarschrift en het bestuursorgaan daarmee instemt.2.De inspecteur heeft in zijn verweerschrift aangegeven in te stemmen met prorogatie (het overslaan van de bezwaarfase). Omdat eiser blijkens zijn beroepschrift een inhoudelijke beoordeling van de rechtbank wil, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser dat ook wil. Dat is immers de enige manier voor de rechtbank om in dit beroep tot een inhoudelijke beoordeling te komen. De rechtbank zal het beroep daarom behandelen als een rechtstreeks beroep gericht tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering.
4. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met € 171 aan ingehouden loonheffing. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Eiser stelt dat de terugbetaling is veroorzaakt doordat in de vooraf ingevulde aangifte verkeerde gegevens stonden. Eiser stelt enkel te hebben ingelogd op de app van de Belastingdienst en op verzenden te hebben geklikt.
7. De inspecteur stelt dat de gegevens in de vooraf ingevulde aangifte door eiser zijn aangepast. De inspecteur heeft daartoe gegevens uit zijn systemen overgelegd. De inspecteur heeft er verder op gewezen dat eiser verschillende aangiften heeft ingediend met verschillende bedragen aan ingehouden loonheffing.
8. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur te weinig loonheffing heeft verrekend overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag uitgegaan van de gegevens die hij van de werkgever en uitkeringsinstanties heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank mag de inspecteur van die gegevens uitgaan. Het is aan eiser om, als hij de juistheid van die gegevens betwist, daarvoor bewijs te leveren. Dat heeft eiser niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur bij het opleggen van de aanslag daarom van de juiste gegevens uitgegaan.
9. Voor zover eiser met zijn stelling dat de vooraf ingevulde aangifte verkeerde gegevens bevatte, heeft bedoeld een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen overweegt de rechtbank als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat een belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.3.Voor zijn stelling dat de vooraf ingevulde aangifte onjuiste gegevens bevatte heeft eiser geen bewijs geleverd. Gelet op de gemotiveerde betwisting van die stelling door de inspecteur maakt eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de vooraf ingevulde aangifte onjuiste gegevens bevatte. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Verzoek om kwijtschelding
11. Eiser heeft in zijn beroepschrift ook verzocht om kwijtschelding. Voor zover eiser heeft bedoeld de rechtbank te verzoeken om de belastingschuld kwijt te schelden overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is om te beslissen over een dergelijk kwijtscheldingsverzoek.4.Een verzoek om kwijtschelding kan bij de ontvanger van de Belastingdienst ingediend worden. De inspecteur heeft ter zitting toegezegd het verzoek van eiser onder de aandacht van de ontvanger te brengen zodra de aanslag onherroepelijk vaststaat.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag niet wordt verminderd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025.
w.g. griffier | w.g. rechter |
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑07‑2025
Artikel 7:1a van de Awb.
Zie Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
Zie artikel 8:5 van de Awb en bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak).