Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.2.3
3.4.2.3 Zaaksvorming
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS475618:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/508, 517 en 526.
Art. 5:16 lid 1 BW.
Art. 5:16 lid 1 jo. 5:14 lid 1 BW.
Art. 5:16 lid 1 jo. 5:14 lid 2 BW.
Art. 5:15 lid 2 BW.
Deze regel lijdt bijvoorbeeld uitzondering indien de kosten van de vorming vanwege hun geringe omvang deze toewijzing niet rechtvaardigen (art. 5:16 lid 2). Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/525, noemt daarnaast het geval dat de zaaksvormer handelt op grond van een vermeende, maar niet-bestaande opdracht. Zie echter ook Wichers 2002, p. 220-221, die ook zonder rechtsverhouding een vormen voor een ander door de feitelijke vervaardiger aanneemt.
Vgl. HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius). Wichers 2002, p. 215 en 229, koppelt deze maatstaf aan die uit art. 3:108 BW om te bepalen of een persoon een goed voor zichzelf of voor een ander houdt.
Zie HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius). Zie ook Wichers 2002, p. 216-220.
HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius).
Vgl. Wichers 2002, p. 190.
Art. 8:190 lid 2 (zeeschepen) en 8:780 lid 3 (binnenschepen). Zie ook HR 14 januari 1992, NJ 1993/623, m.nt. W.M. Kleijn (Hinck/Van der Werff).
HR 14 januari 1992, NJ 1993/623, m.nt. W.M. Kleijn (Hinck/Van der Werff). Overigens is voor de vraag wanneer een schip in aanbouw is ontstaan (en daarmee een schip) de verkeersopvatting bepalend. Zie Wichers 2002, p. 191.
Vgl. HR 5 december 1986, NJ 1987/745, m.nt. W.M. Kleijn (Gescheurde orchideeën) en HR 24 maart 1995, NJ 1996/158, m.nt.W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij). De Hoge Raad oordeelde in beide gevallen dat de genoemde maatstaf, zoals gehanteerd door de lagere rechter, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Zie ook Wichers 2002, p. 190-191. Vgl. ookHR 6 januari 1961, NJ 1962/19,m.nt. L.E.H. Rutten (Seneca/Forumbank) waar tot uitgangspunt werd genomen de vraag of sprake was van “dezelfde zaak”.
Wichers 2002, p. 191-192. Vgl. Meijers 1958, p. 102, waar wordt gewezen op het belang van een wijziging in de maatschappelijke functie.
Wichers 2002, p. 194-197.
Vgl. HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226, m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius) en HR 24 maart 1995, NJ 1996/158, m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij): platen staal tegenover “rompen, bochten en venturies” respectievelijk eieren tegenover kuikens/hennen. Zie echter ook HR 5 december 1986, NJ 1987/745, m.nt. W.M. Kleijn (Gescheurde orchideeën): zowel de nieuwe als de oorspronkelijke zaken werden aangeduid als een orchidee.
Vgl. HR 5 december 1986, NJ 1987/745, m.nt. W.M. Kleijn (Gescheurde orchideeën). Zie ook art. 5:16 lid 3BWdat de regels inzake zaaksvorming van toepassing verklaart op het kweken van planten.
Dit geldt alleen voor zover de vergroting van de economische waarde wordt ontleend aan het eigen gebruik, functie of bestemming van de zaak.
Vgl. HR 24 maart 1995, NJ 1996/158, m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij).
Chemische en fysische maatstaven zullen vaak uitgesproken helder zijn. Bij kunst zal het gaan om een artistiek oordeel of het geheel zich als kunst onderscheidt van de oorspronkelijke zaken.
77. Een belangrijke wijze waarop roerende zaken kunnen ontstaan, is door zaaksvorming. Bij zaaksvorming wordt uit een of meerdere zaken een nieuwe zaak gevormd (art. 5:16 lid 1 BW). De oorspronkelijke zaken en de daarop rustende rechten komen door zaaksvorming tot hun einde. Een nieuwe zaak met een nieuw eigendomsrecht ontstaat.1 De eigenaar van de nieuwe zaak wordt bepaald aan de hand van de eerste twee leden van art. 5:16 BW. Op grond daarvan wordt de eigenaar van de oorspronkelijke zaken eigenaar van de nieuwe zaak.2 Behoorden de zaken toe aan meerdere eigenaars, dan wordt de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar.3 Bij gebreke van een hoofdzaak zal de nieuwe zaak in gemeenschap toekomen aan de eigenaars van de oorspronkelijke zaken.4 De toewijzing van de eigendom ligt echter anders indien de zaaksvormer voor zichzelf vormt of (met tussenkomst van een andere persoon) doet vormen. In dat geval wordt de zaaksvormer eigenaar van de nieuwe zaak, ongeacht aan wie de oorspronkelijke zaken toebehoorden.5 Deze laatste regel is praktisch beschouwd de hoofdregel.6
Of een persoon voor zichzelf vormt of voor een ander is een feitelijk oordeel en moet in beginsel naar de verkeersopvatting worden beoordeeld.7 Wordt een nieuwe zaak gevormd ter uitvoering van een rechtsverhouding, dan is hetgeen naar verkeersopvatting uit deze rechtsverhouding voortvloeit van invloed.8 In het algemeen liggen aanwijzingen besloten in de omstandigheid voor wiens rekening en risico wordt gevormd en wie zeggenschap heeft over het vormingsproces.9 Bij industriële fabricage komt het volgens de Hoge Raad aan op de vraag wie beslissende invloed had op de wijze van productie en de definitieve vorm van het product en wie in het kader van die rechtsverhouding het risico droeg ter zake van verliezen wegens tegenvallende bruikbaarheid, verhandelbaarheid of winstgevendheid van het product.10
78. De eigendom van de nieuwe zaak wordt verkregen zodra de nieuwe zaak door vorming is ontstaan. Dit ontstaansmoment valt niet noodzakelijk samen met de voltooiing van een productieproces. Het feit dat een productieproces slechts gedeeltelijk is doorlopen, sluit niet uit dat een nieuwe zaak reeds is ontstaan. Zo zal ergens in het proces van de industriële assemblage van een auto uit vele onderdelen het punt worden bereikt dat het reeds geassembleerde deel kan worden aangemerkt als een nieuwe auto. De verdere toevoeging van onderdelen zal vanaf dat punt in principe niet leiden tot de vorming een nieuwe zaak, maar is aan te merken als een proces van (voortdurende) natrekking.11 Overigens is ook mogelijk dat gedurende een productieproces verscheidene keren een nieuwe zaak ontstaat.12
Of een nieuwe zaak is ontstaan, wordt eveneens bepaald aan de hand van de verkeersopvatting. De wet voorziet slechts voor schepen in enkele bijzondere bepalingen op dit punt. Zo bepaalt de wet uitdrukkelijk dat indien een schip in aanbouw een schip wordt in de zin van art 8:1 BW hierdoor niet een nieuw schip ontstaat.13 Deze bepalingen zijn te beschouwen als de weerslag van de op dit punt geldende verkeersopvatting.14 De nadere invulling van de maatstaf is of de zaak naar verkeersopvatting een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak of zaken te onderscheiden identiteit heeft.15 Volgens Wichers ligt een nieuwe identiteit in een van de oorspronkelijke zaak of zaken te onderscheiden gebruik, functie of bestemming. Bij het aannemen van het ontstaan van een nieuwe zaak moet, volgens Wichers, terughoudendheid worden betracht. Gelet op de gevolgen voor de bestaande rechten op de oorspronkelijke zaak of zaken, zou dit slechts gerechtvaardigd zijn indien ondubbelzinnige en voor derden in beginsel eenvoudig kenbare feiten en omstandigheden op het bestaan van een nieuwe zaak wijzen.16 Wichers heeft een vijftal factoren geformuleerd die als aanknopingpunten kunnen dienen ter beantwoording van de vraag of naar verkeersopvatting een nieuwe zaak is ontstaan.17 Relevant is of (i) de gevormde zaak een eigen afwijkende naam heeft;18 (ii) of de zaak, in het geval van planten of dieren, een eigen biologisch leven leidt;19 (iii) of de economische waarde is vermeerderd ten opzichte van de oorspronkelijke zaak of zaken;20 (iv) of de oorspronkelijke vorm is verloren gegaan;21 en, tot slot, zijn van belang (v) overwegingen ontleend aan de wetenschap of een vakgebied voor zover de zaak een bijzondere bestemming of functie vervult.22