Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.3
5.6.3 Het belang van verweermiddelen tegen de vordering uit onverschuldigde betaling
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498836:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Bij de voorvraag óf de prestatie heeft te gelden als de prestatie waar de ontvanger recht op heeft, kan goede trouw wel een rol spelen. Illustratief is de casus van het vonnis van de Rb. Amsterdam van 17 december 2008, JOR 2009/92 (Van Hees q.q./X). Een oplichter, Van den Berg, zette een beleggingssysteem op dat verwerd tot een (fraudeleus) ponzisysteem. Bij een ponzisysteem worden nieuw ingelegde gelden niet belegd, maar gebruikt voor uitkeringen aan eerdere deelnemers. Deelnemer X sloot een overeenkomst met Van den Berg, was verplicht om een bedrag in te leggen en had op grond van de overeenkomst recht op eventuele winst uit beleggingen. X was niet op de hoogte van het feit dat hij deelnam aan een ponzisysteem. Hij legde geld in en kreeg later een uitbetaling. De rechtbank oordeelde dat de uitbetaling niet kon worden aangemerkt als rendement op beleggingen. Daarmee stond vast dat X geen recht had op de uitbetaling en dat de uitbetaling onverschuldigd was. In dit geval was ook goed verdedigbaar dat de goede trouw van X meebracht dat (anders dan de rechtbank oordeelde) de uitbetaling wel als rendement op beleggingen had te gelden. In dat geval zou de uitbetaling niet onverschuldigd zijn geweest. Zie over de rol van goede trouw van de ontvanger bij de vraag of de ontvangen prestatie kan worden aangemerkt als een verschuldigde prestatie ook HR 29 mei 1981, NJ 1982/191 (ABN/Allectric); zie over dit arrest par. 6.4.4.5.
Kelly v Solari (1841) 9 M&W 54; 152 ER 24.
Zie hoofdstuk 4, par. 4.6.3 en 4.6.5.
Hoofdstuk 2, par. 2.7.1.
HR 28 februari 1997, NJ 1998/218.
Vgl. PG Boek 6, p. 804. Zie voor een analyse van de girale betaling par. 6.5.4 en 6.5.5.
Op de hierboven genoemde regels ten aanzien van de inhoud van de verplichting tot terugbetaling bestaan uitzonderingen. De ontvanger van een onverschuldigde betaling kan tegen de vordering uit onverschuldigde betaling namelijk verweermiddelen voeren. Deze verweermiddelen brengen een nuance aan op de regel dat een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat wanneer de ontvanger ongerechtvaardigd is verrijkt door de ontvangst van een prestatie waarvoor een rechtsgrond ontbreekt.
De ontvanger dient dan in beginsel de prestatie terug te geven die hij heeft ontvangen. Omdat de prestatie hem niet toekwam, raakt hij door deze regel niet in een slechtere positie dan waarin hij zonder de onverschuldigde betaling zou hebben verkeerd.1 Om die reden speelt gerechtvaardigd vertrouwen van de ontvanger van een onverschuldigde betaling geen rol; ook de ontvanger te goeder trouw moet de prestatie in beginsel teruggeven. Een voorbeeld ontleend aan de Engelse jurisprudentie maakt dit duidelijk.2 A sluit een levensverzekering af bij B, waarbij C wordt aangewezen als begunstigde. Als A overlijdt, verzoekt C aan B om uitbetaling van de verzekerde som. B controleert niet of A wel tijdig de premie heeft betaald en keert de som uit aan C. A ontdekt vervolgens dat B heeft verzuimd om de premie te betalen, zodat A niet verplicht was de som uit te keren aan C. Hij kan met succes terugbetaling vorderen van de uitkering aan C, zelfs als C mocht menen dat hij recht had op de uitbetaling van de verzekerde som. De verplichting brengt C immers niet in een nadeligere situatie dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de onverschuldigde betaling.
Toch hoeft iemand die zonder rechtsgrond heeft ontvangen, niet altijd zijn verrijking volledig af te dragen. Een nadere afweging is soms noodzakelijk, omdat zich bijzondere omstandigheden aan de zijde van de ontvanger kunnen voordoen tijdens of na de ontvangst van de prestatie waarmee geen rekening wordt gehouden in de afweging of een rechtsgrond ontbreekt. Een vergelijkbare afweging wordt gemaakt bij de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212).3 Bij deze nadere afweging speelt goede trouw soms wel een rol. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld dat de verrijking is verminderd op het moment waarop de ontvanger wordt aangesproken tot terugbetaling. Laten we opnieuw kijken naar het voorbeeld waarin de verzekeraar verzuimt te controleren of hij verplicht is om een verzekerde som uit te betalen. Begunstigde C heeft door de onverschuldigde uitkering van de verzekerde som uitgaven gedaan, die hij zonder de onverschuldigde betaling niet zou hebben gedaan, omdat hij te goeder trouw meende dat hij recht had op uitbetaling van de verzekerde som. Een verplichting tot terugbetaling zou hem in een nadeligere positie brengen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de onverschuldigde betaling. Of stel dat een ontvanger van een onverschuldigd verrichte dienst de prestatie niet waardeert. Een verplichting tot waardevergoeding zou hem in sommige gevallen een uitgave opdringen.
Of de ontvanger in deze gevallen de prestatie mag behouden, is een afweging van een andere aard dan de afweging of een rechtvaardiging voor de prestatie bestaat. Een vergelijking met het Engelse recht leidt hier tot belangrijke inzichten. Uit de Engelse rechtsontwikkeling blijkt dat verweermiddelen nodig zijn om te voorkomen dat de ontvanger van een prestatie in een nadeligere positie wordt gebracht dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de ontvangst van de onverschuldigde betaling. Zonder verweermiddelen zou het nodig zijn om de vereisten voor het ontstaan van de vordering uit onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking beperkter op te vatten. Dit heeft als nadeel dat een consequente toepassing van die beperktere vereisten ertoe zou leiden dat in sommige gevallen een verplichting tot terugbetaling niet zou ontstaan, terwijl dat wel wenselijk zou zijn.4
Een geval waarin de rechter een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de vereisten van artikel 6:203, omdat een toereikend verweer ontbrak, is het arrest Staat/Meijer.5 De casus van dit arrest is als volgt. De Staat betaalt op een bankrekening van Meijer ter nakoming van een geldschuld. Meijer heeft de bankrekening echter rechtsgeldig uitgesloten, zodat de Staat niet bevrijdend nakomt. De Staat moet daarom nogmaals betalen – op een bankrekening die niet is uitgesloten. De Staat betaalt nogmaals, maar vordert zijn eerste betaling terug. Meijer bestrijdt de vordering van de Staat. Hij voert aan dat hij niet door de betaling is gebaat, omdat de bankrekening een negatief saldo had en de bijschrijving geen invloed had op onderhandelingen die hij met de bank voerde over kwijtschelding van de schuld. Volgens Meijer zou een terugbetalingsverplichting hem in een nadeligere situatie brengen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de betaling van de Staat op de uitgesloten bankrekening. Meijer heeft dus behoefte aan een verweer dat hij de prestatie niet waardeert. Dit verweer is wel geregeld voor gevallen waarin de verrichte prestatie een dienst is, echter niet voor gevallen waarin geld is betaald.
De Hoge Raad komt Meijer tegemoet. Hij oordeelt dat de Staat geen vordering uit onverschuldigde betaling heeft. De Hoge Raad geeft als motivering voor dit oordeel dat de betaling van de Staat geen betaling is in de zin van artikel 6:203. Bovendien zou de Staat niet onverschuldigd hebben gehandeld. De argumentatie van de Hoge Raad is onjuist: de eerste betaling door de Staat kan naar haar objectieve strekking als een prestatie aangemerkt worden, dat wil zeggen een handeling van een persoon, welke handeling is gericht tot een bepaalde andere persoon. Bovendien was een andere prestatie verschuldigd, omdat de Staat op een andere bankrekening had moeten betalen; de verrichte prestatie was derhalve onverschuldigd.6 De oplossing van de Hoge Raad – bij gebreke van een toereikend verweer – is om te oordelen dat de vordering uit onverschuldigde betaling niet is ontstaan. In plaats daarvan zou de Staat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking hebben. Nadeel van deze oplossing is echter dat artikel 6:212 wordt betrokken op onverschuldigde betalingen, terwijl niet artikel 6:212 maar artikel 6:203 daarvoor bedoeld is. Het was mijns inziens een betere oplossing geweest om te oordelen dat de vordering uit onverschuldigde betaling wel was ontstaan, maar dat de ontvanger een verweer had kunnen voeren met betrekking tot de omvang van de verplichting tot terugbetaling.
In het Duitse en Engelse recht zijn twee verweermiddelen aanvaard die betrekking hebben op de omvang van de vordering. (i) Het eerste verweer betreft de omstandigheid dat de verrijking van de ontvanger is verminderd. (ii) Het tweede verweer betreft de subjectieve waardering van de prestatie door de ontvanger. Deze verweermiddelen leiden in het Duitse en Engelse recht tot genuanceerde en wenselijke uitkomsten. Ook in het Nederlandse recht zijn deze verweermiddelen tot op zekere hoogte aanvaard, zowel voor artikel 6:212 als voor artikel 6:203. Zij zijn echter (nog) niet zo genuanceerd als in het Duitse en Engelse recht. Bij de bespreking van deze verweermiddelen in de volgende paragrafen besteed ik daarom aandacht aan de Duitse en Engelse inzichten. Ook wijs ik op de samenhang van de verweermiddelen tegen een vordering uit onverschuldigde betaling met de verweermiddelen tegen de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.