Het beslagrecht verzet zich niet tegen een dergelijke vervreemding. Daarbij merk ik op dat indien sprake is van conservatoir beslag op de voet van art. 94a Sv, de schakelbepaling van art. 94c Sv meebrengt dat het conservatoir beslag de vervreemder relatief beschikkingsonbevoegd maakt. Vervreemding heeft tegenover de beslaglegger geen werking. Vgl. onder meer HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729, NJ 2009/376 m.nt. Van Mierlo, rov. 3.4 en HR 10 april 1953, ECLI:NL:HR:1953:77, NJ 1953/587 m.nt. Houwing. Zie ook M.J. Borgers, ‘Beslagformaliteiten’, DD 2008, 10, p. 1066 en R.M. Vennix, Boef en beslag. De strafvorderlijke inbeslagneming van voorwerpen (diss. Nijmegen), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1998, p. 82.
HR, 25-06-2019, nr. 18/01597
ECLI:NL:HR:2019:1017
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2019
- Zaaknummer
18/01597
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1017, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑06‑2019; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:204
ECLI:NL:PHR:2019:204, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑04‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1017
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0279
NbSr 2019/233
Uitspraak 25‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder ander (A), die auto heeft gekocht van B maar niet heeft betaald, t.z.v. verdenking van verduistering, waarna A auto (hangende het beslag) heeft verkocht aan klager en OvJ auto vervolgens heeft teruggegeven aan oorspronkelijke eigenaar (B). Rb heeft klager n-o verklaard in zijn beklag. Had Rb art. 116.3 Sv moeten toepassen? V.zv. middel berust op opvatting dat Rb, niettegenstaande teruggave van auto aan oorspronkelijke eigenaar, klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat klaagschrift mede moet worden opgevat als beklag in de zin van art. 116.3 Sv, kan het niet tot cassatie leiden. Die bepaling ziet immers op beklag van degene bij wie voorwerp in beslag is genomen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3106). In deze zaak is, zoals Rb - in het licht van processtukken niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, auto in beslag genomen onder A en niet onder klager. Rb heeft klaagschrift terecht n-o verklaard. Volgt n-o verklaring in cassatieberoep. CAG (strekking): verwerping beroep.
Partij(en)
25 juni 2019
Strafkamer
nr. S 18/01597 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 27 maart 2018, nummer RK 18/447, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992 dan wel [geboortedatum] 1992.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft H. Oldenhof, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.
2.2.
De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag strekkende tot opheffing van het beslag op een auto en teruggave van deze auto aan de klager. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
- Op 22 november 2017 heeft [betrokkene 1] een zwarte BMW met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de auto) verkocht aan [betrokkene 2] , via Marktplaats.nl. De auto is op diezelfde dag in het register van de RDW overgeschreven op naam van [betrokkene 2] . Achteraf bleek de betaling van de koopsom, die zou hebben plaatsgevonden via internetbankieren, niet daadwerkelijk te zijn verricht.
- Op 24 november 2017 werd de auto te koop aangeboden aan [betrokkene 3] , eigenaar van een autobedrijf in Rotterdam. Toen [betrokkene 3] doorvroeg naar de herkomst van de auto, is de persoon die de auto te koop aanbood op enig moment weggerend, waarbij hij de auto achterliet. [betrokkene 3] heeft vervolgens de politie gebeld, die de auto vervolgens op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen heeft vanwege het feit dat de auto mogelijk afkomstig zou zijn van verduistering.
- [betrokkene 2] heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.
- Op 3 december 2017, hangende het beslag, is de auto in het register van de RDW van [betrokkene 2] overgeschreven naar klager.
Overwegingen
De eerste vraag die ter beoordeling voor ligt is of klager ontvankelijk is in zijn beklag.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag, nu er geen beslag meer op de auto rust. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat de auto reeds is teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar van de auto, [betrokkene 1] , omdat er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig was om het beslag op de auto te laten voortduren en omdat [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt.
Klager stelt dat hij de rechtmatige eigenaar van de auto is. Hij voert daartoe aan dat hij de auto op 3 december 2017 [betrokkene 2] heeft gekocht voor een bedrag van EUR 20.000,=. Hij wist op dat moment dat de auto in beslag genomen was en zich bij de politie bevond, maar betoogt dat hij het nodige onderzoek heeft verricht alvorens tot aankoop van de auto over te gaan en heeft te gelden als koper te goeder trouw.
Volgens klager had de officier van justitie hem ingevolge artikel 116 Sv op de hoogte moeten stellen van zijn voornemen om de auto aan [betrokkene 1] terug te geven, zodat hij (klager) de mogelijkheid zou hebben gehad zich over dat voornemen te beklagen. Klager heeft er in dat verband op gewezen dat hij zijn klaagschrift reeds had ingediend op het moment dat de officier van justitie overging tot teruggave van de auto aan [betrokkene 1] , en dat hij dus reeds als belanghebbende in beeld was bij de officier van justitie. Gelet daarop had de officier van justitie niet mogen overgaan tot teruggave aan een ander zonder hem van het voornemen daartoe op de hoogte te stellen, aldus klager. Nu de procedure van artikel 116 Sv niet correct is gevolgd, moet volgens klager worden uitgegaan van de fictie van een nog niet uitgevoerd voornemen van de officier van justitie, zodat het beklag ontvankelijk is.
De rechtbank overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 116 lid 1 Sv beslist de officier van justitie over het voortduren van het beslag op voorwerpen die op grond van artikel 94 Sv in beslag zijn genomen. Indien het belang van strafvordering niet of niet meer aanwezig is, beëindigt de officier het beslag en doet hij het voorwerp in beginsel teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag genomen is.
Indien de officier van justitie meent dat een ander dan de beslagene is aan te merken als redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken en voornemens is om het in beslaggenomen voorwerp aan die ander terug te geven, dient de officier van justitie (indien de beslagene geen afstand van het voorwerp heeft gedaan) ingevolge artikel 116 lid 3 Sv de beslagene vooraf schriftelijk van zijn voornemen op de hoogte te stellen, teneinde de beslagene de mogelijkheid te geven zich over dat voornemen te beklagen.
Het betoog van klager dat de officier van justitie hem op de hoogte had moeten stellen van zijn voornemen wordt verworpen, nu klager niet de beslagene is.
Nu de auto reeds is teruggegeven aan [betrokkene 1] en nu de situatie van artikel 116 lid 3 Sv niet aan de orde is, zal klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag."
2.3.
Art. 116 Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"1. De hulpofficier van justitie of de officier van justitie die op grond van artikel 94, derde lid, in kennis is gesteld van de kennisgeving van inbeslagneming, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering. Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp onverwijld teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. (...)
2. Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie:
a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;
b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;
c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing."
2.4.1.
Voor zover het middel berust op de opvatting dat de Rechtbank, niettegenstaande de hiervoor vermelde teruggave van de auto aan de oorspronkelijke eigenaar [betrokkene 1] , het klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat het klaagschrift mede moet worden opgevat als een beklag in de zin van art. 116, derde lid, Sv, kan het niet tot cassatie leiden. Die bepaling ziet immers op een beklag van degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (vgl. o.a. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106). In deze zaak is, zoals de Rechtbank - in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, de auto in beslag genomen onder [betrokkene 2] en niet onder de klager.
2.4.2.
De Rechtbank heeft het klaagschrift dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat brengt mee dat de klager niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2019.
Conclusie 09‑04‑2019
Inhoudsindicatie
CAG over de vraag of uit art. 116 lid 3 Sv voortvloeit dat naast de beslagene ook andere belanghebbenden in kennis moeten worden gesteld van teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander.
Nr. 18/01597 B Zitting: 9 april 2019 | Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [klager] |
Bij beschikking van 27 maart 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, het klaagschrift op grond van art. 552a Sv van de klager ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. H. Oldenhof, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt, in samenhang bezien met de toelichting daarop, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de situatie als genoemd in art. 116 lid 3 Sv niet aan de orde zou zijn en dat de rechtbank is uitgegaan van een te enge uitleg van de term ‘beslagene’ als bedoeld in het voornoemde artikel.
3.1. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Op 22 november 2017 heeft [betrokkene 1] een auto (merk BMW) verkocht aan [betrokkene 2] . Op diezelfde dag is de auto in het register van de RDW overgeschreven op de naam [betrokkene 2] . Achteraf bleek dat de koopsom niet is betaald. Op 24 november van dat jaar is de betreffende auto te koop aangeboden aan een autobedrijf. Toen de potentiële koper argwaan kreeg, is de verkoper er te voet vandoor gegaan en heeft de politie de auto op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen. Op 3 december 2017 heeft, hangende het beslag, [betrokkene 2] de auto aan de klager, [klager] verkocht voor een bedrag van € 20.000,-.1.Op diezelfde dag is de auto in het register van de RDW op naam van [klager] gezet. De koper heeft verklaard dat hij op de hoogte was van het beslag op de auto, maar dat de verkoper hem verteld had dat het beslag verband hield met openstaande boetes. [klager] heeft op 12 januari 2018 op de voet van art. 552a Sv2.een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam, strekkende tot teruggave aan hem. Omdat de zaak was overgedragen aan de rechtbank Midden-Nederland, is het klaagschrift doorgezonden naar die rechtbank en zij heeft het klaagschrift op 22 februari 2018 ontvangen.3.Tussen het moment van indienen en doorzenden, te weten op 2 februari 2018, heeft de officier van justitie Nitrauw besloten tot teruggave van de auto aan [betrokkene 1] .
3.2. Op de raadkamer van 20 maart 2018 is het door [klager] ingediende klaagschrift behandeld. Het proces-verbaal van de zitting houdt hierover het volgende in:
“De officier van justitie verklaart -zakelijk weergegeven-:
Er is reeds op 2 februari 2018 beslist tot teruggave van de auto aan [betrokkene 1] .
Het beslag is geëindigd, nu de auto reeds is teruggegeven. Klager is mijns inziens niet- ontvankelijk.
De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven -:
De beslissing tot teruggave is genomen nadat het klaagschrift door cliënt reeds was ingediend. Daarmee heeft de officier van justitie een voorsprong genomen op de beslissing op het klaagschrift. De officier van justitie had cliënt als belanghebbende van het voornemen van die beslissing op de hoogte moeten stellen. Nu dat niet gebeurd is, is gehandeld in strijd met artikel 116 Sv en moet het ervoor worden gehouden dat de voorgenomen beslissing tot teruggave niet is uitgevoerd. Om die reden ben ik ontvankelijk in het klaagschrift.
Cliënt is rechthebbende van de auto en het klaagschrift dient gegrond te worden verklaard.
Ik heb de redenen daarvoor uiteengezet in een pleitnota, die ik hierbij overleg aan de rechtbank. Ik hoor u zeggen dat u deze aan het proces-verbaal zult hechten.
Klager verklaart - zakelijk weergegeven
Ik heb de auto op 3 december 2017 gekocht van ene [betrokkene 2] . Ik kende hem niet. Ik was hem in een bar tegengekomen en toen bood hij mij de auto te koop aan. Ik heb de auto toen gekocht zonder hem te zien. Ik heb de auto wel betaald, contant. Ik heb de auto gekocht maar niet geleverd gekregen. [betrokkene 2] had mij verteld dat de auto bij de politie stond maar ik dacht dat dat verband hield met openstaande boetes.
De raadsman van klager verklaart - zakelijk weergegeven -:
Cliënt heeft het nodige onderzoek verricht dat van hem als koper verwacht mocht worden.
Hij is eigenaar van de auto geworden. De auto is door cliënt betaald, hij kreeg de kentekenpapieren en op het moment dat die [betrokkene 2] zijn openstaande boetes zou hebben betaald, zou cliënt de auto bij de politie ophalen.
Die [betrokkene 1] heeft kennelijk zijn kentekenbewijs al eerder aan [betrokkene 2] meegegeven, die het op zijn beurt weer aan cliënt heeft afgegeven. Cliënt heeft vervolgens met dat kentekenbewijs de auto op zijn naam gezet.
Uit gegevens van de RDW blijkt dat cliënt nog steeds eigenaar is van de auto. Ik wijs daartoe op het feit dat de RDW toestemming heeft gegeven om de auto over te schrijven op naam van cliënt.
De officier van justitie reageert - zakelijk weergegeven -:
Primair stel ik mij op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag, nu het beslag ingevolge artikel 116 Sv geëindigd door de teruggave van de auto aan [betrokkene 1] . Gevolg van het niet versturen van een kennisgeving met betrekking tot de teruggave, is niet dat klager daardoor wel ontvankelijk zou zijn.
Subsidiair, indien en voorzover de rechtbank klager wel ontvankelijk zou achten, ben ik van oordeel dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De vraag is wie het sterkste recht heeft op de auto. Klager heeft de auto ongezien gekocht van iemand die hij in een bar heeft ontmoet. De prijs was ook zeer aantrekkelijk. Ik zet mijn vraagtekens daarbij en dat had klager ook moeten doen. Ik ben van mening dat [betrokkene 1] het sterkste recht heeft op de auto.
Klager verklaart - zakelijk weergegeven -:
Ik ben niet direct tot de koop van de auto overgegaan. Ik heb eerst onderzoek gedaan naar de auto en de verkoper.
De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven -:
Ik wijs op twee uitspraken van de Hoge Raad die zien op artikel 116 Sv. Het gaat om de nummers ECLI:HR:2011:BP0455 en BQ3661. Er was op het moment van het voornemen tot teruggave al een klaagschrift ingediend. De officier van justitie moet dan ook onderzoeken of er belanghebbenden zijn. Wellicht is dat over het hoofd gezien.”
3.3. De bestreden beschikking houdt onder het hoofd ‘overwegingen’ het volgende in:
“De eerste vraag die ter beoordeling voor ligt is of klager ontvankelijk is in zijn beklag.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag, nu er geen beslag meer op de auto rust. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat de auto reeds is teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar van de auto, [betrokkene 1] , omdat er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig was om het beslag op de auto te laten voortduren en omdat [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt.
Klager stelt dat hij de rechtmatige eigenaar van de auto is. Hij voert daartoe aan dat hij de auto op 3 december 2017 van [betrokkene 2] heeft gekocht voor een bedrag van EUR 20.000,=. Hij wist op dat moment dat de auto in beslag genomen was en zich bij de politie bevond, maar betoogt dat hij het nodige onderzoek heeft verricht alvorens tot aankoop van de auto over te gaan en heeft te gelden als koper te goeder trouw.
Volgens klager had de officier van justitie hem ingevolge artikel 116 Sv op de hoogte moeten stellen van zijn voornemen om de auto aan [betrokkene 1] terug te geven, zodat hij (klager) de mogelijkheid zou hebben gehad zich over dat voornemen te beklagen. Klager heeft er in dat verband op gewezen dat hij zijn klaagschrift reeds had ingediend op het moment dat de officier van justitie overging tot teruggave van de auto aan [betrokkene 1] , en dat hij dus reeds als belanghebbende in beeld was bij de officier van justitie. Gelet daarop had de officier van justitie niet mogen overgaan tot teruggave aan een ander zonder hem van het voornemen daartoe op de hoogte te stellen, aldus klager. Nu de procedure van artikel 116 Sv niet correct is gevolgd, moet volgens klager worden uitgegaan van de fictie van een nog niet uitgevoerd voornemen van de officier van justitie, zodat het beklag ontvankelijk is.
De rechtbank overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 116 lid 1 Sv beslist de officier van justitie over het voortduren van het beslag op voorwerpen die op grond van artikel 94 Sv in beslag zijn genomen. Indien het belang van strafvordering niet of niet meer aanwezig is, beëindigt de officier het beslag en doet hij het voorwerp in beginsel teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag genomen is.
Indien de officier van justitie meent dat een ander dan de beslagene is aan te merken als redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken en voornemens is om het in beslaggenomen voorwerp aan die ander terug te geven, dient de officier van justitie (indien de beslagene geen afstand van het voorwerp heeft gedaan) ingevolge artikel 116 lid 3 Sv de beslagene vooraf schriftelijk van zijn voornemen op de hoogte te stellen, teneinde de beslagene de mogelijkheid te geven zich over dat voornemen te beklagen.
Het betoog van klager dat de officier van justitie hem op de hoogte had moeten stellen van zijn voornemen wordt verworpen, nu klager niet de beslagene is.
Nu de auto reeds is teruggegeven aan [betrokkene 1] en nu de situatie van artikel 116 lid 3 Sv niet aan de orde is, zal klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag.”
3.4. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat de situatie als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv niet aan de orde is, onjuist is. Over deze klacht kan ik kort zijn, omdat deze berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Door te overwegen dat art. 116 lid 3 Sv niet aan de orde is, heeft de rechtbank slechts vastgesteld dat – in reactie op een daartoe strekkend verweer – de klager niet als beslagene in de zin van art. 116 lid 3 Sv kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft dus niet geoordeeld dat deze bepaling in haar geheel geen toepassing zou kunnen vinden. Deze klacht faalt dan ook.
3.5. Daarnaast wordt geklaagd dat de rechtbank is uitgegaan van een te enge uitleg van de term ‘beslagene’ als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv. Hieronder zouden ook anderen die menen de rechtmatige eigenaar dan wel rechthebbende van het in beslag genomen goed te scharen zijn, inclusief de bij de RDW geregistreerde eigenaar van een auto. Over deze klacht kan het volgende worden opgemerkt.
3.6. Art. 116 lid 3 Sv schrijft, voor zover hier van belang, voor dat het Openbaar Ministerie de persoon onder wie het voorwerp in beslag is genomen, schriftelijk in kennis stelt van het voornemen om een voorwerp aan een ander terug te geven. Hiermee wordt de beslagene de mogelijkheid geboden om binnen veertien dagen na die schriftelijke in kennis stelling, een klaagschrift in te dienen tegen het voornemen van het Openbaar Ministerie om het voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven. Een dergelijk klaagschrift schort in principe de teruggave op, al kan wel onder bepaalde voorwaarden het voorwerp op grond van art. 116 lid 4 Sv in bewaring worden gegeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
3.7. Het kan echter voorkomen dat verzuimd wordt de beslagene op de hoogte te stellen van het voornemen om het voorwerp terug te geven aan een derde. Indien de beslagene alsnog een klaagschrift indient, wordt uitgegaan van de fictie dat deze teruggave nog niet heeft plaatsgevonden. Het beklag krijgt in dat geval het rechtskarakter van een beklag omtrent het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene (de klager) te doen teruggeven.4.In dat geval zal de rechter de teruggave gelasten aan de beslagene,5.tenzij hij onder de gegeven omstandigheden de overtuiging heeft gekregen dat een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende op dat voorwerp kan worden aangemerkt.6.Indien de beslagene in het gelijk wordt gesteld, dient vergoeding van de schade die hij lijdt te geschieden op de voet van het bepaalde in (thans) art. 6:162 BW, hetzij in onderling overleg tussen de beslagene en de Staat, hetzij in een procedure bij de burgerlijke rechter.7.
3.8. In de schriftuur wordt nu betoogd dat de in art. 116 lid 3 Sv voorgeschreven schriftelijke kennisgeving ook aan de ‘redelijkerwijs rechthebbende’, daaronder begrepen de eigenaar van het voorwerp, moet geschieden. Het is de vraag of die opvatting steun vindt in het recht. Eerder oordeelde de Hoge Raad dat de zoon van de persoon bij wie een auto in beslag is genomen, niet tevens de beslagene is en de regeling van art. 116, derde lid, Sv dan ook niet van toepassing is.8.Daarnaast wijs ik op HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135. In die zaak bestond onduidelijkheid over de vraag of de klaagster als beslagene, van een auto, moest worden aangemerkt. Op grond van een pandrecht was hangende het beslag de auto verkocht en het resterende bedrag overgemaakt naar het Openbaar Ministerie. Dit geldbedrag was vervolgens door het Openbaar Ministerie overgemaakt naar een curator vanwege een faillissement. Klaagster werd in de beschikking aangeduid als de persoon onder wie het beslag op de auto was gelegd. Aan haar was geen mededeling als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv gedaan. Mijn ambtgenoot Knigge wees erop dat de onderliggende stukken niet zonder meer steun gaven aan de vaststelling dat de klaagster de beslagene was. In zijn arrest overwoog de Hoge Raad het volgende:
“2.3.3. Onder de in 2.3.1 geschetste omstandigheden [zoals hiervoor weergegeven, AEH] en in aanmerking genomen dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld dat de auto niet aan de klaagster toebehoort, moet het er in deze zaak voor worden gehouden dat het beklag van de klaagster het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv (de opbrengst van) het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander (de curator) dan de beslagene (de klaagster) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480).”
In deze overweging betrekt de Hoge Raad bij de vraag of toepassing moet worden gegeven aan art. 116 lid 3 Sv, zij het a contrario, onder meer of de auto aan de klaagster toebehoort. Het is de vraag wat de Hoge Raad met de term ‘toebehoren’ tot uitdrukking heeft willen brengen. In ieder geval lijkt deze term ook de eigendom te omvatten.9.Iets anders is of hieruit moet worden afgeleid dat de beslagene als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv moet worden gelijkgeschakeld met de persoon aan wie het goed toebehoort op het moment van het voornemen van de officier van justitie om het goed terug te geven. Ik meen van niet. Van belang is dat in de voornoemde zaak de rechtbank de klaagster expliciet als beslagene had aangemerkt. Dit betreft een feitelijke vaststelling, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Binnen deze context speelde dus de vraag of de klaagster de beslagene was. Ik begrijp, dus nog steeds in die context, dat de (niet-ondenkbare) vaststelling dat het inbeslaggenomen goed niet aan haar toebehoorde aan de kwalificatie van de klaagster als beslagene in de weg had kunnen staan. Daarvan was echter geen sprake. Bovendien staat in de uitspraak nog steeds het moment van beslaglegging centraal en niet een later moment waarop de eigendom eventueel is overgegaan.
3.9. In de toelichting van het middel wordt desondanks steun gezocht voor een ruime lezing van art. 116 lid 3 Sv in de omstandigheid dat de kentekenhouder anders de strafrechtelijke weg ontnomen wordt te klagen over het voortduren van het beslag dan wel het teruggeven van het in beslag genomen goed aan een derde. Dat standpunt onderschrijf ik niet. Het staat een belanghebbende immers te allen tijde vrij om beklag te doen op de voet van art. 552a Sv. Art. 552ca voorziet daarbij in een regeling die moet verzekeren dat belanghebbenden op de hoogte worden gesteld van hem of haar toekomende bevoegdheden in het kader van een beslag. In zoverre is een rechthebbende niet afhankelijk van een kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv. Wel kan zich het geval voordoen, zoals zich in deze zaak ook heeft voorgedaan, dat het beslag inmiddels op de voet van art. 134 lid 2 aanhef en onder a Sv is beëindigd, omdat het voorwerp is teruggegeven. Bezwaarlijk hoeft dat niet te zijn. Art. 116 lid 6 Sv bepaalt immers dat de beslissingen uit dat artikel ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laten.10.Anders gezegd: teruggave betekent niet dat hiermee de civielrechtelijke positie van partijen in steen gebeiteld is. Dat zou ook niet passen bij het karakter van het beslagrecht. Zo valt in de wetsgeschiedenis te lezen:11.
“Intussen moet de strafrechtelijke autoriteit, die met de teruggave belast wordt, niet worden gedwongen bij de vervulling zijner taak op de stoel van de burgerlijke rechter te gaan zitten. Het strafproces is er uiteraard niet op berekend, na voldoende hoor en wederhoor der betrokken personen een uitspraak te geven in eigendoms- of bezitskwesties. Het gaat er slechts om dat de strafrechter (c.q. het openbaar ministerie), als hij in de noodzaak verkeert een inbeslaggenomen zaak terug te geven, zulks doet op een wijze, die op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.”
Dit uitgangspunt komt ook uitdrukkelijk terug in de rechtspraak van de Hoge Raad.12.
3.10. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om over te gaan tot een ruime lezing van art. 116 lid 3 Sv. Daarbij wijs ik allereerst op de wettekst, die expliciet spreekt over “degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen”. Daarnaast is er, tot het moment van teruggave, geen beletsel voor de klager om op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift in te dienen. Art. 552ca Sv biedt daarbij een waarborg dat een rechthebbende op de hoogte wordt gesteld van hem toekomende rechten. Bovendien is de teruggave door het Openbaar Ministerie niet gelijk te stellen met een beslechting van eigendoms- of bezitskwesties. De klager kan dan ook altijd nog via de burgerlijke rechter tot het bezit van de auto komen, indien de auto inderdaad zijn eigendom is. Daarbij teken ik tot slot nog aan dat, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, in de, in de toelichting genoemde beschikking van de rechtbank Overijssel van 4 maart 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1111, evenmin tot een ruimere uitleg van het begrip ‘beslagene’ in art. 116 lid 3 Sv is overgegaan – wat er ook zij van het voorts in die beschikking overwogene.
3.11. Het oordeel van de rechtbank dat de klager niet-ontvankelijk is nu de auto reeds is teruggegeven aan [betrokkene 1] en de situatie van art. 116 lid 3 Sv niet aan de orde is, acht ik niet onjuist en is toereikend gemotiveerd.
3.12. Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑04‑2019
Vgl. HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9285, NJ 1994/264 m.nt. Van Veen.
HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480, NJ 1996/526 m.nt. Schalken, rov. 4.2.
HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3661, rov. 3.4.
HR 25 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8663, NJ 1991/823 m.nt. Corstens, rov. 4.9.
HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:756.
Vgl. in de context van art. 33a Sr Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 18: “Onder «toebehoren aan» wordt, in overeenstemming met de in het Nieuw Burgerlijk Wetboek gebruikelijke terminologie, geduid op een rechtsbetrekking volgens welke een voorwerp (goed) tot het vermogen van een persoon behoort.”
HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6983, rov. 3.6.