Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.5.2.2
18.5.2.2 Bevel uitlevering aan de verdachte
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497093:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 oktober 1996, NJ 1997, 232 (m.nt. Schalken).
Nadien maakt de wetgever in art. 126nd Sv wel dit onderscheid. De daarin vastgelegde bevoegdheid van de OvJ om bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens te vorderen, kan niet worden uitgeoefend jegens de verdachte.
HR 29 oktober 1996, NJ 1997, 232 (m.nt. Schalken), r.o. 6.8. Zie voor de wetsgeschiedenis van art. 81 Vakstudie Alg. Deel, aant. 2a bij art. 81, en Rb. Amsterdam 17 oktober 1986, NJ 1988, 335.
Zie Jebbink 2009, met verwijzing naar EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas).
Reijntjes, noot onder HR 21 december 2010, NJ 2011, 42, pt. 1.
HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes), r.o. 6.5.2.
Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 81 AWR volgt niet dat de wetgever met dit artikel heeft beoogd een inbreuk op het nemo tenetur-beginsel te maken. Daaruit volgt evenmin dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken al naar gelang de vordering tot uitlevering is gericht tot de verdachte of tot een derde. Dit brengt de strafkamer van de HR in haar uitspraak van 29 oktober 1996, nr. 102966 (inzake de inbeslagneming van administratieve bescheiden door middel van een bevel tot uitlevering aan een persoon die werd verdacht van belastingfraude), ertoe te oordelen dat deze vordering ook tot de verdachte mag worden gericht.1art. 29 Sv strekt zich niet uit tot het afgeven van administratieve bescheiden, terwijl in art. 81 AWR en daarmee vergelijkbare bepalingen (zoals art. 18 WED en art. 52 Wwm) geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang de vordering is gericht tot de verdachte of tot een derde.2 Uit de overwegingen ter zake volgt dat het oordeel van de HR over (ook: de keuze van de raad voor) deze afwijking of nuancering van de regel dat verdachten niet kunnen worden gedwongen om actief aan het opsporingsonderzoek mee te werken, steunt op de bij de handhaving van de desbetreffende strafbepalingen betrokken belangen en de specifieke eisen en problemen van de waarheidsvinding in het bijzondere strafrecht.3
Publiek belang handhaving strafbepalingen
In de literatuur is erop gewezen dat de verwijzing naar de bij de handhaving van de desbetreffende strafbepalingen betrokken belangen, doet denken aan de (verkeers)zaken O’Halloran en Francis en Lückhof en Spanner.4 Daarin weegt het EHRM met betrekking tot de in die zaken spelende antwoordplicht mee, dat die is opgelegd in verband met potentieel schadelijk gedrag in een door de klagers gekozen bijzondere rol (te weten die van autobestuurder). Zie Reijntjes die in zijn noot onder de uitspraak van de strafkamer van 21 december 2010, nr. 08/04281 B, opmerkt dat zuinigheid met aan verdachten opgelegde meewerkverplichtingen geboden is en dat die verplichtingen door het betrokken maatschappelijke belang moeten worden gerechtvaardigd.5 Daarbij verwijst hij naar de uitspraak van de strafkamer van de HR van 19 september 2006, nr. 00895/05E, inzake het gebruik voor het punitief bewijs van door verdachte zelf in het kader van bestuurlijk toezicht verzamelde gegevens uit bedrijfsafvalwaterrapportage.6 In die uitspraak wijst de raad erop dat de belangen die de WVO beoogt te beschermen, rechtvaardigen dat de op grond van vergunningsvoorschriften verplicht verstrekte gegevens mogen worden gebruikt bij de vaststelling van een inbreuk op die wet.