Rb. Almelo, 18-11-2009, nr. 90398 HA ZA 07-1091
ECLI:NL:RBALM:2009:BM4936
- Instantie
Rechtbank Almelo
- Datum
18-11-2009
- Magistraten
Mrs. W.K.F. Hangelbroek, M.H.H.A. Moes, A.A.J. Lemain
- Zaaknummer
90398 HA ZA 07-1091
- LJN
BM4936
- Roepnaam
Von Bönninghausen tot Herinckhave
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBALM:2009:BM4936, Uitspraak, Rechtbank Almelo, 18‑11‑2009
Uitspraak 18‑11‑2009
Mrs. W.K.F. Hangelbroek, M.H.H.A. Moes, A.A.J. Lemain
Partij(en)
Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:
- 1.
[eiseres 1],
wonende te [woonplaats],
- 2.
[eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
- 3.
[eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
- 4.
[eiser 4],
wonende te [woonplaats],
- 5.
[eiser 5],
wonende te [woonplaats],
eisers,
procesadvocaat: mr. Ph.C. Kleyn van Willigen te Almelo,
behandelend advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen te 's‑Hertogenbosch,
tegen
- 1.
de Stichting [de Stichting] Stichting waarvan één der bestuurders is Jonkheer [gedaagde 1],
statutair gevestigd te [vestigingsplaats],
- 2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats],
- 3.
Jonkheer [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats],
- 4.
Jonkheer [gedaagde 4],
wonende te [woonplaats],
- 5.
[gedaagde 5],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
procesadvocaat: mr. E.M.M, van de Loo te Enschede,
behandelend advocaat: mr. I.M. Jebbink te Utrecht.
1. Het procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- —
de dagvaarding,
- —
de conclusie van antwoord,
- —
de conclusie van repliek, tevens houdende akte tot wijziging van de eis,
- —
de conclusie van dupliek.
1.2
Partijen hebben hun standpunten door hun advocaten op 6 maart 2009 doen bepleiten. Beide advocaten hebben een pleitnota overgelegd. Vervolgens is vonnis gevraagd.
2. De feiten
2.1
De volgende feiten kunnen, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, als vaststaand worden aangenomen.
2.2
Mr. Dr. [oprichter] was eigenaar van de [A] Haus (verder: het [A] Haus), met daarbij behorende landerijen, gelegen te [a-plaats] in Duitsland. Teneinde het behoud en de restauratie van het [A] Haus te realiseren heeft Mr. Dr. [oprichter] op 2 december 1953 gedaagde sub 1, verder aan te duiden als de Stichting, opgericht.
2.3
De oorspronkelijke statuten van deze Stichting van 2 december 1953 luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
- ‘—
Artikel 2: De Stichting stelt zich ten doel het herstellen van het kasteel [A]-Haus te [a-plaats], Duitsland en het opsporen en verkrijgen van alle tot genoemd kasteel en/of tot het geslacht van de stichter betrekkelijke zaken, van welke aard ook.
- —
Artikel 5: (…) Het Bestuur is mede gerechtigd besluiten te nemen tot wijziging der Stichtingsakte (statuten), alsmede de wijzigingen tot stand te brengen door het ondertekenen der desbetreffende akte(n) in notariële vorm. Voor de eerste maal wordt tot bestuurder der Stichting benoemd de stichter, de Hoogwelgeboren Heer Meester Doctor [oprichter] voornoemd, die, zolang door hem niet anders besloten wordt als enig bestuurder in functie zal zijn.
- —
Artikel 6: Vindt ontbinding der Stichting plaats ná het overlijden van de stichter, doch gedurende het leven van zijn zoon de Hoogwelgeboren heer Jonkheer [zoon oprichter], thans burgemeester van [b-plaats], dan gaan alle hare eigendommen, rechten, bezittingen en verplichtingen over naar het vermogen van laatstgenoemde zoon.
- —
Artikel 8: Is het herstel van voormeld kasteel op één October negentienhonderd drie en zestig niet voltooid, dan wordt de Stichting met ingang van die datum van rechtswege ontbonden en gaan al hare eigendommen, rechten, bezittingen en verplichtingen over op degenen, die alsdan de erfgenamen of rechtverkrijgenden onder algemenen titel zijn van de stichter, en zulks tussen hen onderling in gelijke verhouding, als waarin zij alsdan als rechtverkrijgenden onder algemenen titel gerechtigd zijn tot de zaken, afkomstig van de nalatenschap van de stichter.’
2.4.
De laatste statutenwijziging door de oprichter zelf vond plaats op 9 maart 1965. De relevante bepalingen en wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke statuten waren:
- ‘—
Artikel 1: De Stichting draagt de naam ‘[de Stichting]’.
- —
Artikel 2: De Stichting stelt zich ten doel:
- I.
het herstellen, onderhouden en exploiteren van:
- a.
de vijftiende eeuwse burcht ‘[A] Huis’ met bijgebouwen te, [a-plaats], Duitsland.
- b.
het in voormelde percelen te brengen meubilair en andere roerende lichamelijke goederen;
- II.
het opsporen, verkrijgen en onderhouden van alle tot voormelde gebouwen betrekkelijke zaken, van welke aard ook.
Onder exploiteren wordt mede verstaan het gratis en in onderling overleg ter bewoning afstaan aan de erfgenamen van de stichter.
- —
Artikel 5: (…)Het Bestuur is tevens gerechtigd besluiten te nemen tot wijziging der Stichtingsakte (statuten), alsmede de wijzigingen tot stand te brengen door het ondertekenen der desbetreffende akte(n) in notariële vorm, met dien verstande evenwel: dat het bestuur niet bevoegd is wijziging te brengen in het doel der Stichting, in de bestemming van het saldo der Stichting bij ontbinding, in de voorschriften omtrent de belegging van de bezittingen der Stichting en in het tijdstip van ontbinding der Stichting of tot vervreemding of bezwaring van goederen der Stichting; (…)
Als opvolgend bestuurders zijn met ingang van de dag van het overlijden van de lastgever benoemd, al diens alsdan in leven zijnde kinderen, voor zover een benoeming aanvaarden, welke kinderen gezamenlijk de bestuursmacht zullen uitoefenen, terwijl bij overlijden van één hunner de bestuursmacht zal overgaan op de overblijvenden of overblijvende. Degene van zijn kinderen, die als laatst overblijvende het bestuur zal uitoefenen, zal verplicht zijn zorg te dragen voor de voorziening in het bestuur na haar overlijden, en wel door benoeming van een bestuurslid uit de thans aanwezige vier zonen, geboren uit het huwelijk van [vader van te benoemen bestuurslid] en [moeder van te benoemen bestuurslid] te [c-plaats], en door als mede-bestuurslid te benoemen de zoon, geboren uit het huwelijk van [vader van te benoemen mede-bestuurslid] en Baronesse [moeder van te benoemen mede-bestuurslid]. In alle gevallen waarin onverhoopt alle bestuurders mochten komen te ontbreken zonder dat op andere wijze in de opvolging in het bestuur is voorzien, zullen alle rechten, dus ook het recht tot het benoemen of ontslaan van bestuursleden der Stichting, toekomen aan de rechtbank binnen welker rechtsgebied de Stichting is gevestigd. Bij benoeming van bestuursleden zal dan zo mogelijk een lid van de familie van de lastgever tot bestuurder moeten worden benoemd, met dien verstande, dat tot bestuurslid slechts kunnen worden benoemd personen van Nederlandse nationaliteit of Nederlandse rechtspersonen.
- —
Artikel 9: Vindt ontbinding der Stichting plaats dan zal het saldo van het kapitaal der Stichting door de ten tijde van ontbinding fungerende bestuurder of bestuurders, die met de vereffening belast is of zijn, zoveel mogelijk moeten worden aangewend tot het doel der Stichting of, indien zulks niet mogelijk is, aan de afkomelingen van genoemde [zoon oprichter] en bij gebreke van deze afkomelingen, aan de wettelijke erfgenamen van de lastgever vervallen.’
2.5
De bevoegdheden van de bestuurder(s) van de Stichting zijn bij bovengenoemde wijziging beperkt. Zo was het volgens de statuten aan de bestuursleden niet toegestaan het doel van de Stichting of de bestemming van het saldo bij ontbinding te wijzigen. In artikel 9 is de bestemming van het saldo bij ontbinding vervat. Indien het niet mogelijk is om dit saldo aan te wenden tot het doel van de Stichting moet dit saldo, bij gebreke aan afstammelingen van genoemde Jonkheer [zoon oprichter], vervallen aan de wettelijke erfgenamen van de lastgever. Die lastgever was de oprichter van de Stichting, namelijk Mr. Dr. [oprichter].
2.6
Op [overlijdensdatum] 1965 is de oprichter van de Stichting, Mr. Dr. [oprichter], overleden. Zijn vrouw was reeds overleden, maar al zijn kinderen waren nog in leven. De oprichter had één zoon en vier dochters, namelijk: Mevrouw [oudste dochter oprichter], Jonkheer [zoon oprichter], Mevrouw [eiseres 1], Mevrouw [dochter 2 oprichter] en Mevrouw [eiseres 2].
2.7
Van deze vijf kinderen zijn momenteel nog twee dochters in leven. Dat zijn eiseres onder 1, mevrouw [eiseres 1] en eiseres onder 2, mevrouw [eiseres 2]. Eiseres onder 3, mevrouw Louisa [eiseres 3] is de dochter van mevrouw [oudste dochter oprichter], de oudste dochter van de oprichter. Eisers onder 4 en 5, de heer [eiser 4] en de heer [eiser 5] zijn de kleinzonen van de andere dochter van de oprichter, mevrouw [dochter 2 oprichter].
2.8
Tussen enerzijds de zussen en anderzijds hun broer is in 1965 een geschil gerezen. Ter beëindiging daarvan de zussen met hun broer Jonkheer [zoon oprichter] in 1974 twee dadingsakten gesloten. De eerste dadingsakte, geregistreerd d.d. 27 maart 1974 werd gesloten tussen de 4 zussen aan de ene kant en de broer aan de andere kant. De tweede dadingsakte, die op dezelfde datum werd geregistreerd geregistreerd, werd gesloten tussen enerzijds de zussen en de broer, en anderzijds de Stichting.
2.9
In de eerste dadingsakte is een regeling neergelegd met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap van de vader / oprichter tussen de broer en zussen. Tevens verplichtte de broer zich daarbij tot de restauratie van het [A] Haus, en traden zijn zussen af als bestuurslid van de Stichting. Verder werd in art. 10 overeengekomen: ‘In verband met het in de overeenkomst met de Stichting door partijen overeen te komen verblijfsrecht van de nakomelingen des erflaters overeenkomstig diens wens komen partijen onderling overeen, dat dit verblijfsrecht voor de duur van het leven van de broer beperkt zal blijven tot maximaal een maand per staak per kalenderjaar en dat over een gewenst verblijf tenminste twee maanden tevoren overleg met de broer zal worden gepleegd.’ In de tweede dadingsakte wordt opgenomen in artikel 8: ‘Konform de toezegging van de oprichter-erflater zullen diens kinderen en verdere nakomelingen (waaronder mede te begrijpen de behuwden) het recht op gratis verblijf in het [A] Haus te[a-plaats] hebben, zullende degenen, die van dit verblijfsrecht gebruik wensen te maken daarvan tijdig aan het bestuur kennisgeven. Zij zullen tijdens het verblijf hun eigen levensmiddelen dienen te bekostigen.’
2.10
De statuten zijn gewijzigd op 10 juli 1972. Deze statutenwijziging is niet geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
2.11
De broer heeft vervolgens op 25 april 1975, als toenmalige bestuurder van de Stichting, de statuten gewijzigd als volgt. Uit artikel 2 van de statuten (doelstelling) werd de zinsnede ‘Onder exploiteren wordt mede verstaan het gratis en in onderling overleg ter bewoning afstaan aan de erfgenamen van de stichter’ verwijderd. Het verblijfsrecht voor de nakomelingen van de oprichter was echter wel vastgelegd in beide dadingsakten.
2.12
De andere bepalingen die toen zijn gewijzigd luiden:
- ‘—
Artikel 5, lid 2: Vanaf het tijdstip dat de Heer Jhr. [zoon oprichter], voornoemd, geen lid meer is van het bestuur van de Stichting, moet het bestuur van de Stichting bestaan uit tenminste 3 leden, waarvan zo mogelijk de meerderheid moet behoren tot de familie [familie oprichter] en ook die naam draagt.
- —
Artikel 11: De bestuurder of het bestuur van de Stichting is bevoegd de statuten van de Stichting te wijzigen, behoudens dat geen wijziging aangebracht mag worden:
- a.
in het doel der Stichting;
- b.
in de bestemming van het saldo van de Stichting bij ontbinding.
- —
Artikel 12:
- 1.
De bestuurder of het bestuur van de Stichting is bevoegd de Stichting te ontbinden, indien het doel van de Stichting niet meer uitvoerbaar is.
- 2.
Ingeval van ontbinding geschiedt de vereffening door de bestuurder of het bestuur en blijven de bepalingen van de statuten voor zoveel mogelijk en nodig van kracht;
- 3.
Na ontbinding van de Stichting zullen de overgebleven bezittingen van de Stichting na voldoening van alle schulden aangewend worden voor een doel, dat het doel van de ontbonden Stichting zoveel mogelijk nabij komt, of indien zulks niet mogelijk is voor vier/vijfde gedeelte uitgekeerd moeten worden aan de vier zusters van de heer Jhr. [zoon oprichter] tezamen of hun rechtverkrijgenden en voor een/vijfde gedeelte aan de heer Jhr. [zoon oprichter] of zijn rechtverkrijgenden.’
2.13
Ten tijde van het aantreden van de huidige bestuursleden (gedaagden sub 2–5) tot het bestuur van de Stichting op 24 december 1999 heeft er nog een statutenwijziging plaatsgevonden. De relevante bepalingen van deze gewijzigde statuten zijn:
- ‘—
Artikel 4, lid 1: De Stichting heeft een bestuur, bestaande uit een door het bestuur te bepalen aantal van tenminste drie leden en ten hoogste zeven leden. De bestuursleden worden door het bestuur benoemd. De meerderheid van het bestuur moet, zo mogelijk behoren tot de kring van afstammelingen van Jonkheer Mr. [voorvader oprichter], geboren [geboortedatum] achttienhonderd achtentwintig, en de naam [familienaam oprichter]) dragen. Op het daartoe te nemen besluit is artikel 11 lid 1 van overeenkomstige toepassing.
- —
Artikel 11:
- 1.
Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen, mits met twee/derde meerderheid van stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
- 2.
Artikel 2 lid 1 alsmede artikel 12 lid 6 kunnen niet bij statutenwijziging worden gewijzigd.
- 3.
Elke statutenwijziging moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen.
Artikel 12, lid 6: Na ontbinding van de Stichting wordt het liquidatiesaldo van de Stichting aangewend voor een doel, inhoudende het herstel, onderhoud en exploitatie van middeleeuwse of laat-middeleeuwse burchten, landgoederen of buitenplaatsen, of een doel dat daarmee zoveel mogelijk nabij komt, of indien zulks niet mogelijk is, aan een algemeen nut beogende instelling met een cultureel of charitatief doel bij voorkeur ten behoeve van de Havezate [familienaam oprichter] Stichting, gevestigd te [d-plaats], één en ander ter beoordeling van het bestuur voor ontbinding.’
2.14
Tenslotte is een statutenwijziging doorgevoerd op 8 november 2004. In de akte, waarin deze statutenwijziging is vastgelegd, wordt het doel van de wijziging aangegeven. Hierover wordt vermeld: ‘bij besluit genomen door het voltallig bestuur van deze Stichting, gehouden in de maand mei tweeduizend vier te [a-plaats] (Duitsland), is met algemene stemmen besloten de Stichting partieel te wijzigen in verband met de gewenste rangschikking in de zin van art. 24 Successiewet 1956’.
2.15
De wijzigingen, die bij deze statutenwijziging zijn doorgevoerd luiden voorts als volgt:
- ‘—
Artikel 4, lid 1: De Stichting heeft een bestuur, bestaande uit een door het bestuur te bepalen aantal van tenminste drie en ten hoogste zeven leden. De bestuursleden worden door het bestuur benoemd. De meerderheid van het bestuur moet, zo mogelijk, met inachtneming van de op de Stichting van toepassing zijnde fiscale bepalingen, behoren tot de kring van afstammelingen van Jonkheer Mr. [voorvader oprichter], geboren [geboortedatum] achttienhonderd achtentwintig, en de naam [familienaam oprichter] dragen, met dien verstande dat de meerderheid van het bestuur voor zover het familieleden betreft, slechts in de vijfde (5e) graad of hoger verwant aan elkaar mogen zijn. Op het daartoe te nemen besluit is het bepaalde in artikel 11. lid 1 van overeenkomstige toepassing.’
2.16
In een brief van de Stichting van 9 januari 2006 gericht tot de afstammelingen van de oprichter heeft het bestuur onder meer vermeld: ‘De Stichting voldoet op dit moment aan de wettelijke eisen behorende bij een art. 24-4 Stichting’. Een rangschikking onder art. 24, lid 4 SW heeft onder meer als effect dat een verlaagd belastingtarief geldt over verkrijgingen krachtens erfrecht of schenkingen. Deze mogelijkheid tot rangschikking is in het leven is geroepen voor algemeen nut beogende instellingen. Een Stichting dient aan bepaalde voorwaarden te voldoen om van deze fiscale voordelen te mogen genieten. Buiten de vereisten met betrekking tot de administratie, het eigen vermogen en de bezoldiging van bestuurders, dient tevens uit de statuten te blijken dat als er bij opheffing een positief saldo is, dat saldo moet worden besteed aan een soortgelijk doel als dat van de opgeheven instelling. Het Stichtingsbestuur had de bestemming van het saldo bij ontbinding reeds in die zin gewijzigd in de statutenwijziging van 24 december 1999.
2.17
De Stichting had en heeft bij de voormalige BBL (nu ING) in Antwerpen een bankrekening. Ook bestond naast deze rekening van de Stichting bij deze bank een andere rekening bij die bank, met gelden die behoorden tot de nalatenschappen van mevrouw [echtegenote oprichter] en de heer mr. Dr. [oprichter]. Dit zijn de oprichter van de Stichting en zijn echtgenote. Dit vermogen behoort echter tot de nalatenschappen van bovengenoemde personen en komt dus toe aan de afstammelingen van de erflaters, waartoe eisers behoren. Het saldo van deze tweede rekening bij de ING bank in Antwerpen is overgeheveld naar de rekening van de Stichting bij diezelfde bank.
2.18
De Stichting heeft besloten om een bijgebouw van het [A] Haus, het zogenaamde ‘Wachtmeisterhaus’ te gaan exploiteren als Bed & Breakfast accommodatie. Voormeld besluit is inmiddels in uitvoering genomen.
3. De (gewijzigde) vorderingen
3.1
Eisers vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- a.
voor recht te verklaren dat het besluit tot de statutenwijziging van 25 april 1975, voor zover het betrekking heeft op de wijziging van de doelomschrijving, de wijziging van de liquidatiebepaling, de wijziging van de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling en de bevoegdheid van het bestuur de Stichting te ontbinden — nietig is.
- b.
gedaagden hoofdelijk te bevelen tot herstel van de bepaling in artikel 5 van de statuten van 1965 met betrekking tot de bevoegdheden die het bestuur toekomen, zulks door middel van een statutenwijziging bij notariële akte, binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven;
- c.
voor recht te verklaren dat artikel 5 lid 2 van de statuten d.d. 25 april 1975 met betrekking tot het naamsvereiste, niet van toepassing is;
- d.
voor recht te verklaren dat het besluit tot de statutenwijziging van 24 december 1999, voor zover het betrekking heeft op de wijziging van de liquidatiebepaling, de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling, alsmede de bepaling met betrekking tot de bestuurssamenstelling, nietig is;
- e.
primair gedaagden hoofdelijk te bevelen het herstel van de doelomschrijving en de liquidatiebepaling van 1972 door middel van een statutenwijziging bij notariële akte, zulks binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis; subsidiair gedaagden hoofdelijk te bevelen tot herstel van de liquidatiebepaling van 1975 door middel van een statutenwijziging bij notariële akte, zulks binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, primair en subsidiair: een en ander op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven;
- f.
voor recht te verklaren dat artikel 4, lid 1 van de statuten d.d. 24 december 1999 met betrekking tot de bestuurssamenstelling, niet van toepassing is;
- g.
primair voor recht te verklaren dat het besluit tot de statutenwijziging van 8 november 2004, voor zover dat betrekking heeft op de bestuurssamenstelling, nietig is en gedaagden hoofdelijk te bevelen middels een statutenwijziging bij notariële akte artikel 4, lid 1 van de statuten d.d. 8 november 2004 met betrekking tot de bestuurssamenstelling ongedaan te maken binnen één maand na betrekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven; subsidiair voor recht te verklaren dat art. 4, lid 1 van de statuten d.d. 8 november 2004 met betrekking tot de bestuurssamenstelling niet van toepassing is;
- h.
primair voor recht te verklaren dat het besluit tot het verzoek tot de rangschikking ex art. 24, lid 4 SW nietig is en gedaagden hoofdelijk te bevelen het verzoek tot de rangschikking ongedaan te maken, subsidiair gedaagden hoofdelijk te bevelen de rangschikking van art. 24, lid 4 SW ongedaan te maken; primair en subsidiair: een en ander binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven;
- i.
gedaagden hoofdelijk te bevelen inzage te verlenen in en medewerking te verlenen tot een onderzoek naar de herkomst en mutaties van de rekeningen die werden aangehouden in Antwerpen, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven;
- j.
primair voor recht te verklaren dat het besluit tot exploitatie van het Wachtmeisterhaus als Bed & Breakfast accommodatie nietig is en gedaagden hoofdelijk te verbieden tot (verdere) uitvoering van dit besluit over te gaan en hoofdelijk te bevelen de uitvoering die aan dit besluit is gegeven ongedaan te maken; subsidiair het besluit tot exploitatie van het Wachtmeisterhaus als Bed & Breakfast accommodatie te vernietigen en gedaagden hoofdelijk te verbieden tot (verdere) uitvoering van dit besluit over te gaan en hoofdelijk te bevelen de uitvoering die aan dit besluit is gegeven ongedaan te maken, primair en subsidiair: een en ander binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven;
- k.
voor recht te verklaren dat de Stichting, alsmede de bestuursleden (gedaagden sub 1–5) onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden en hen hoofdelijk te veroordelen tot de vergoeding van de daardoor door eisers geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- l.
gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede in de daadwerkelijke buitengerechtelijke kosten zijnde € 34.276,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.
4. Het standpunt van eisers
4.1.
Eisers zijn afstammelingen van de oprichter van de Stichting, Mr. Dr. [oprichter]. Het voortbestaan van het [A] Haus als familiehuis voor alle afstammelingen van de oprichter gaat hen daarom na aan het hart. Met name eiseressen onder 1 en 2 zijn — als nog enige levende kinderen van de oprichter — precies op de hoogte van de bedoeling van de oprichter ten aanzien van het [A] Haus en de door hem opgerichte Stichting. Vanaf het moment dat het eisers bekend was dat de opvolgend bestuurder, namelijk de zoon van de oprichter, Jonkheer [zoon oprichter], nieuwe bestuursleden had aangezocht, hebben eisers de toenmalige bestuurder en ook de aangezochte bestuursleden gewezen op de gesloten dadingsaktes en op de statuten met de daarin opgenomen doelstelling van de Stichting, zoals deze door de oprichter was beoogd. De bezwaren van eisers hebben betrekking op de naleving van de dadingsaktes, de doelstelling van de Stichting en de uitwerking daarvan, de samenstelling van het bestuur, de wijziging van de statuten en het zogenaamde ‘Vermogen in Antwerpen’, alsmede het feit dat het bestuur in strijd met de doelstelling van de Stichting het besluit heeft genomen om een bijgebouw van het [A] Haus, het zogenaamde ‘Wachtmeisterhaus’ te gaan exploiteren als Bed & Breakfast accommodatie.
4.2.
Gedurende de tijd dat de oprichter het bestuur van de Stichting vormde, gaven de statuten uitdrukkelijk weer dat het bestuur onder meer niet bevoegd was de in de statuten opgenomen doelomschrijving, noch de liquidatiebepaling (bestemming van het saldo van de Stichting bij ontbinding) te wijzigen. Eisers zijn daarom van mening dat de bestuursbesluiten die ná 1965 zijn genomen en die betrekking hebben op een wijziging van de doelomschrijving, de liquidatiebepaling en de bepaling betreffende de bevoegdheden die het bestuur toekomen, nietig zijn op grond van artikel 2:14 BW.
Daarnaast zijn eisers van mening dat de bestuursbesluiten die betrekking hebben op de bestuurssamenstelling nietig zijn, dan wel op grond van art. 2:8, lid 2 BW buiten toepassing dienen te blijven. Bovendien zijn eisers van mening dat de rangschikking van de Stichting onder artikel 24, lid 4 Successiewet (SW — algemeen nut beogende instelling) een gevolg is van een nietig besluit waardoor deze evenzeer nietig is, althans ongedaan gemaakt dient te worden.
4.3.
Uit art. 2:293 BW volgt dat de statuten van een Stichting slechts kunnen worden gewijzigd indien de statuten daartoe de mogelijkheid openen. Een bepaling die de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen van de statuten uitsluit, kan niet worden gewijzigd. Een statutenwijziging die buiten de rechter om geschiedt, dient te berusten op een door de statuten verstrekte bevoegdheid. Iedere belanghebbende zal een vordering kunnen instellen tot verklaring voor recht, dat het (wijzigings)besluit nietig is. Een besluit is nietig, indien dit is genomen in strijd met de wet en/of de statuten.
4.4.
De bevoegdheden die de statuten van 1965 boden met betrekking tot het wijzigen van de statuten waren beperkt. In de toenmalige statuten was het volgende opgenomen:
‘Artikel 5: (…)Het Bestuur is tevens gerechtigd besluiten te nemen tot wijziging der Stichtingsakte (statuten), alsmede de wijzigingen tot stand te brengen door het ondertekenen der desbetreffende akte(n) in notariële vorm, met dien verstande evenwel: dat het bestuur niet bevoegd is wijziging te brengen in het doel der Stichting, in de bestemming van het saldo der Stichting bij ontbinding (…).’
Op 25 april 1975 heeft de broer een statutenwijziging doorgevoerd. Uit de doelomschrijving — opgenomen in artikel 2 van de statuten van 1965 — heeft de broer de zinsnede ‘Onder exploiteren wordt mede verstaan het gratis en in onderling overleg ter bewoning afstaan aan de erfgenamen van de stichter’ geschrapt. Deze schrapping houdt een wijziging in van de doelomschrijving, zoals deze was opgenomen in de statuten van 1965. Het besluit tot schrapping van deze zinsnede is daardoor in strijd met de statuten. Immers, de statuten boden geen mogelijkheid om de doelomschrijving te wijzigen. Om die reden is het besluit tot deze wijziging nietig.
4.5.
De liquidatiebepaling luidde in de statuten van 1965 (artikel 9): ‘Vindt ontbinding der Stichting plaats dan zal het saldo van het kapitaal der Stichting door de ten tijde van ontbinding fungerende bestuurder of bestuurders, die met de vereffening belast is of zijn, zoveel mogelijk moeten worden aangewend tot het doel der Stichting of indien zulks niet mogelijk is, aan de afkomelingen van genoemde [zoon oprichter] en bij gebreke van deze afkomelingen, aan de wettelijke erfgenamen van de lastgever vervallen.’ Het bestuur was op grond van artikel 5 van de statuten van 1965 niet bevoegd tot wijziging van deze bepaling.
4.6.
De broer heeft op 25 april 1975 de liquidatiebepaling als volgt gewijzigd: ‘Na ontbinding van de Stichting zullen de overgebleven bezittingen van de Stichting na voldoening van alle schulden aangewend worden voor een doel, dat het doel van de ontbonden Stichting zoveel mogelijk nabij komt, of indien zulks niet mogelijk is voor vier/vijfde gedeelte uitgekeerd moeten worden aan de vier zusters van de heer Jhr. [zoon oprichter] tezamen of hun rechtverkrijgenden en voor een/vijfde gedeelte aan de heer Jhr. [zoon oprichter] of zijn rechtverkrijgenden.’ Het besluit tot deze wijziging is in strijd met de statuten en daarmee tevens in strijd met art. 2:293 BW genomen. Omdat het de broer de bevoegdheid ontbrak om het besluit tot deze statutenwijziging te nemen, is deze wijziging — voor zover die ziet op de wijziging van de zogenaamde liquidatiebepaling nietig. In de gewijzigde statuten is bovendien in artikel 11 de wijzigingsbevoegdheid voor het bestuur opgenomen ten aanzien van de statuten. Deze bepaling is gewijzigd ten opzichte van de bepaling in artikel 5 van de statuten van 1965. Zoals aangegeven kan een bepaling, die de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen van de statuten uitsluit, niet worden gewijzigd. De gewijzigde bepaling is dus in strijd met art. 2:293 BW en daardoor nietig.
4.7.
In de gewijzigde statuten van 25 april 1975 is in art. 12, lid 1 opgenomen: ‘De bestuurder of het bestuur van de Stichting is bevoegd de Stichting te ontbinden, indien het doel van de Stichting niet meer uitvoerbaar is.’ In artikel 5 van de statuten van 1965 was opgenomen dat het bestuur niet bevoegd is wijziging te brengen in het tijdstip van ontbinding van de Stichting. Zoals hierboven vermeld kan een bepaling die de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen van de statuten uitsluit, niet worden gewijzigd. Deze gewijzigde bepaling is dus tevens in strijd met art. 2:293 BW en daardoor nietig.
4.8.
In het op 25 april 1975 gewijzigde artikel 5 van de statuten heeft het bestuur opgenomen dat zo mogelijk de meerderheid van het bestuur moet behoren tot de familie [familienaam oprichter], en tevens dat de meerderheid ook die naam behoort te dragen. De oprichter van de Stichting was de vader van vier dochters en een zoon. De zoon had geen kinderen. De eis dat de meerderheid van het bestuur de naam [familienaam oprichter] dient te dragen impliceert dus dat de afstammelingen van de oprichter niet de meerderheid van het bestuur zouden kunnen uitmaken. Dit is in strijd met hetgeen de oprichter beoogde; in artikel 5 van de statuten van 1965 heeft de oprichter immers bepaald dat al zijn kinderen als opvolgend bestuurder worden benoemd. Uit de doelstelling, zoals door de oprichter beoogd en de statuten die daarbij door hem zijn opgemaakt blijkt dat de oprichter de zeggenschap over de Stichting zoveel mogelijk voor zijn afstammelingen wilde voorbehouden. Dit strookt ook met de doelstelling van de Stichting, die strekt tot het behoud van het [A] Haus voor die afstammelingen van de oprichter. Het bestuur dient de doelstelling van de Stichting, zoals beoogd door de oprichter, te behartigen. Daartoe dient de samenstelling van het bestuur ook overeen te komen met een samenstelling zoals deze door de oprichter is beoogd. Het bestuur had daarom in redelijkheid niet mogen besluiten tot de toevoeging in de statuten dat de meerderheid van het bestuur de naam [familienaam oprichter] dient te dragen. De toepassing van deze, krachtens het besluit van 25 april 1975 ingevoerde, regel terzake de bestuurssamenstelling zou naar maatstaven van redelijkheid ex art. 2:8, lid 2 BW en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
4.9.
De wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 11 van de statuten van de Stichting d.d. 25 april 1975 luidde:
‘De bestuurder of het bestuur van de Stichting is bevoegd de statuten van de Stichting te wijzigen, behoudens dat geen wijziging aangebracht mag worden:
- (a)
in het doel der Stichting,
- (b)
in de bestemming van het saldo van de Stichting bij ontbinding.’
Het bestuur heeft echter de liquidatiebepaling, in strijd met de statutaire bevoegdheid, als volgt gewijzigd: ‘Na ontbinding van de Stichting wordt het liquidatiesaldo van de Stichting aangewend voor een doel, inhoudende het herstel, onderhoud en exploitatie van middeleeuwse of laat-middeleeuwse burchten, landgoederen of buitenplaatsen, of een doel dat daarmee zoveel mogelijk nabij komt, of indien zulks niet mogelijk is, aan een algemeen nut beogende instelling met een cultureel of charitatief doel bij voorkeur ten behoeve van de Havezate [familienaam oprichter] Stichting, gevestigd te [d-plaats], één en ander ter beoordeling van het bestuur voor ontbinding.’
4.10
Zoals blijkt uit art. 2:14 BW is een besluit van het bestuur dat in strijd is met de wet of de statuten nietig. Deze nietigheid treedt van rechtswege in en op deze nietigheid kan door een ieder beroep worden gedaan. Tevens kan gevorderd worden dat de nietigheid in rechte wordt uitgesproken. Deze vordering verjaart niet. Het onderhavige besluit van het bestuur van de Stichting tot wijziging van de liquidatiebepaling is zowel in strijd met de wet, namelijk art. 2:293 BW, als met de statuten, namelijk artikel 11 van de toen geldende statuten. Het bestuur kwam de bevoegdheid niet toe tot deze wijziging te besluiten, waardoor het betreffende besluit — voor zover het betrekking heeft op de wijziging van de liquidatiebepaling — van rechtswege nietig is. Bovendien heeft het bestuur in artikel 11, lid 2 van de statuten de bepaling opgenomen op grond waarvan de gewijzigde liquidatiebepaling niet meer kan worden gewijzigd. Zoals reeds aangegeven kan een bepaling die de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen van de statuten uitsluit, niet worden gewijzigd. De gewijzigde bepaling is dus in strijd met art. 2:293 BW en daardoor nietig.
4.11
In het gewijzigde artikel 4, lid 1 heeft het bestuur opgenomen dat zo mogelijk de meerderheid van het bestuur moet behoren tot de kring van afstammelingen van Jonkheer Mr. [voorvader oprichter]. Dit heeft tot gevolg dat de meerderheid van het bestuur niet kan worden vervuld door de afstammelingen van de oprichter, en dat is in strijd met de door de oprichter beoogde doelstelling dat de Stichting moet waarborgen dat het [A] Haus behouden blijft als familiehuis voor zijn afstammelingen. Daarom zou de toepassing van de, krachtens dit bestuursbesluit gewijzigde bepaling in artikel 4, lid 1 van de statuten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8, lid 2 BW onaanvaardbaar zijn.
4.12
Het huidige bestuur van de Stichting had kennelijk de wens om de Stichting gerangschikt te krijgen onder art. 24, lid 4 SW. Eisers verwijzen hiervoor naar punten 25–28, die hier als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Eisers zijn primair van mening dat het besluit tot het verzoek tot deze rangschikking nietig is. Deze rangschikking is niet verenigbaar met de liquidatiebepaling, zoals deze in de statuten van 1965, dan wel de statuten van 1975 was opgenomen. Om te kunnen voldoen aan de vereisten voor deze rangschikking was het noodzakelijk de liquidatiebepaling te wijzigen. Zoals aangegeven, boden de statuten echter niet de ruimte om deze bepaling te wijzigen. Het besluit tot het verzoek tot deze rangschikking is daarom zonder rechtsgrond geschied, waardoor dit besluit in strijd met art. 2:293 BW en de statuten is geschied en dit besluit tevens nietig is.
4.13
Eisers zijn subsidiair van mening dat de rangschikking onder art. 24, lid 4 SW een gevolg is van een nietig besluit. Om aan de vereisten voor een dergelijke rangschikking te kunnen voldoen, was het namelijk onder meer noodzakelijk om in de statuten op te nemen dat bij ontbinding het positief saldo zal worden besteed aan een soortgelijk doel als dat van de opgeheven instelling. Daartoe diende — in strijd met de door de statuten verleende bevoegdheid — de liquidatiebepaling te worden gewijzigd. Zoals in punt 2.2 betoogd, is het besluit tot deze wijziging van rechtswege nietig op grond van art. 2:14 BW. De gevolgen van een nietig besluit zijn zonder rechtsgrond en dienen daarom ongedaan te worden gemaakt. Nu het besluit tot wijziging van de liquidatiebepaling nietig is en de rangschikking onder art. 24, lid 4 SW een gevolg daarvan is, dient deze rangschikking ongedaan gemaakt worden.
4.14
Het besluit dat door het bestuur is genomen om het Wachtmeisterhaus als Bed & Breakfast accommodatie te gaan exploiteren en daartoe te verbouwen is volgens eisers in strijd met de genoemde statutaire doelstelling van de Stichting en daarom op grond van art. 2:14 BW nietig. Het exploiteren van een bijgebouw van het [A] Haus als Bed & Breakfast accommodatie brengt met zich mee dat het [A] Haus wordt opengesteld voor derden en daardoor niet meer als een familiehuis kan fungeren. Het besluit daartoe is daardoor in strijd met de doelstelling van art. 2 van de statuten. De nog levende erfgenamen van de oprichter hebben daar ook meermaals op gewezen, zoals onder meer tijdens de vergadering van 2 april 2006. In de notulen van deze vergadering (productie 14), staat dan ook vermeld Ad 4, eerste punt:
‘… Het voornemen (procureur: van het Stichtingsbestuur) om met derden samen te werken en het [A] Haus open te stellen voor derden is niet in lijn met het gedachtegoed en de statuten van de originele stichting. Om de zaak niet te frustreren willen de erfgenamen meedenken met alternatieven zonder dat dit betekent dat zij hiermee instemmen.’
4.15
De vertegenwoordigers van de afstammelingen van de oprichter hebben verzocht openheid te krijgen over de herkomst van de gelden op de genoemde tweede rekening, die werd aangehouden bij de ING bank in Antwerpen en de daarop uitgevoerde mutaties. De afstammelingen van de oprichter waren niet op de hoogte van het bestaan van deze tweede rekening tot 1998. Op dat moment is hen ook vanuit de ING bank meegedeeld dat dit vermogen behoort tot de nalatenschap van de oprichter en zijn vrouw. Dat betekent dus ook dat dit vermogen aan de erfgenamen van de oprichter en zijn vrouw toekomt. Het vermogen op deze tweede rekening is blijkbaar overgezet naar de Stichtingsrekening, die bij dezelfde bank in Antwerpen werd aangehouden. Eisers zijn van mening dat ter bevordering van de waarheidsvinding het noodzakelijk is openheid te krijgen, dan wel inzage te krijgen in de Stichtingsrekening(en) die in Antwerpen word(t)(en) aangehouden. Eisers vorderen op grond van de exhibitieplicht van art. 843a en 843b Rv inzage in en medewerking tot een onderzoek naar de herkomst en mutaties van de rekeningen, die werden aangehouden in Antwerpen.
4.16
Gelet op de houding van de Stichting waren eisers genoodzaakt juridische bijstand in te roepen. De daarmee gepaard gaande buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 1 sub c BW bedragen tot aan het concipiëren van de onderhavige dagvaarding € 34.276,51. De Stichting alsmede de bestuursleden zijn hoofdelijk ex art. 6:102 BW tot betaling van deze kosten gehouden.
4.17
De huidige bestuursleden waren reeds vóór hun aantreden op de hoogte van de bestaande statuten en dadingsaktes. Afgezien daarvan dienen zij zich uiteraard vóór hun aantreden te verdiepen in onder meer voormelde stukken en de achtergrond van de oprichting van de Stichting. De bestuursleden waren dus op de hoogte, althans dienden dat te zijn, van de bevoegdheden die het bestuur toekwam ten aanzien van de wijziging van de statuten en de afspraken die de Stichting was aangegaan met de erfgenamen van de oprichter. Ondanks deze wetenschap hebben de bestuursleden toch onder meer geen zorg gedragen voor het herstel van de liquidatiebepaling in de oorspronkelijke vorm en zijn zij een rangschikking onder artikel 24, lid 4 SW blijven nastreven. Daarnaast hebben de bestuursleden in strijd met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld door — in strijd met de doelstelling van de Stichting en de strekking en inhoud van de dadingsaktes — te besluiten tot het exploiteren van het Wachtmeisterhaus tot Bed & Breakfast accommodatie. Daarbij komt dat een deugdelijke administratie ontbreekt, er geen deugdelijke schriftelijke vastlegging is van bestuursbesluiten, het bestuur niet op de hoogte is van de exacte grootte van de tot het [A] Haus behorende grond en nota bene het onderhoud van het [A] Haus — ondanks voldoende middelen — niet deugdelijk is geschied. Bovendien leven de bestuursleden de huidige statuten niet correct na. Eisers zijn daarom van mening dat de bestuursleden een persoonlijk en ernstig verwijt treft en hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden op grond van art. 6:162 BW jo art. 6:102 BW. De schade die eisers door het onrechtmatig handelen van de bestuurders geleden hebben en nog steeds lijden bestaat onder meer uit:
- —
de omvangrijke buitengerechtelijke kosten voor juridische bijstand, tot aan het vervaardigen van deze dagvaarding, zijnde € 34.276,51 (productie 19);
- —
de uitholling van het Stichtingsvermogen door in strijd met de doelstelling (veel) geld te investeren in de verbouwing van het Wachtmeisterhaus, door onterechte kosten te maken voor de statutenwijzigingen die gebaseerd zijn op nietige besluiten en door kosten te maken die verbonden zijn aan het verzoek tot rangschikking onder art. 24, lid 4 SW;
- —
kosten voor een ander onderkomen, indien de afstammelingen ongestoord en alleen met de familie samen willen zijn;
- —
immateriële schade, die wordt gevormd door het verdriet en de dagelijkse zorgen van de afstammelingen van de oprichter, met name het verdriet van de nog levende dochters, die van zeer hoge leeftijd zijn en het verdriet van de kinderen van mevrouw [dochter 2 oprichter], aan wie haar wens, om haar laatste dagen te mogen slijten op het [A] Haus, door het bestuur werd ontzegd, de beperking van vrijheid en genot bij het gebruik van het [A] Haus door de afstammelingen en de overlast die daarbij wordt ondervonden door de aanwezigheid van derden op het terrein en
- —
de kosten voor het herstel van de nietige besluiten.
De volledige schade is thans nog niet geheel te becijferen en derhalve dient een schadestaatprocedure plaats te vinden.
5. Het standpunt van gedaagden
5.1.
Gedaagden hebben de vorderingen gemotiveerd betwist. Hun standpunten kunnen, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, worden samengevat als volgt.
5.2.
De strekking van de vorderingen is, dat eisers invloed willen uitoefenen in de Stichting, hoewel zij geen deel uitmaken van het Stichtingsbestuur. Eiseressen sub 1. en sub 2. zijn indertijd in het kader van een dading vrijwillig als bestuursleden afgetreden. Alle aanspraken van eisers op de Stichting zijn indertijd vastgesteld in de twee akten van dading. Elk vorderingsrecht van eisers jegens de Stichting is verjaard, althans vervallen.
5.3.
De vorderingen, die strekken tot ongedaanmaking van statutenwijzingen van meer dan 33 jaar geleden en van latere (daarop voortbouwende) statutenwijzigingen, zijn in strijd met de rechtsorde. Bovendien hebben eisers geen recht op, en geen rechtstreeks belang bij herstel van de huidige statuten in de door hen gewenste zin. Evenmin hebben zij recht op en belang bij de gevorderde verklaring dat artikel 4, lid 1 van de statuten (met betrekking tot de samenstelling van het bestuur van de Stichting) niet van toepassing is. Het benoemen van bestuursleden is immers voorbehouden aan het Stichtingsbestuur.
5.4.
Eisers hebben ook geen rechtsgrond, noch enig belang bij hun vordering inzake de rangschikking als bedoeld in artikel 24 lid 4 van de Successiewet.
5.5.
Evenmin hebben eisers recht en belang bij hun vordering om gedaagden hoofdelijk te bevelen inzage te geven in de onderhavige bankrekening(en), die werd(en) aangehouden in Antwerpen, en om hun medewerking te verlenen aan een onderzoek naar de herkomst en mutaties van die rekeningen. Eventuele vorderingsrechten van eisers dienaangaande zijn reeds lang verjaard. Bovendien hebben eisers ook hier geen belang, nu het stichtingsbestuur aan eisers onverplicht heeft aangeboden om aan hen volmacht te verlenen om bij de bank onderzoek te doen naar het rekeningverloop van de onderhavige bankrekening(en).
5.6.
Eisers hebben geen recht en belang bij hun vordering, strekkende tot een verklaring voor recht dat het besluit tot exploitatie van het Wachtmeisterhaus als Bed&Breakfast-accomodatie nietig is en tot ongedaanmaking van de uitvoering van dat besluit. Deze bestemming van het Wachtmeisterhaus is in overeenstemming met de door de statuten toegestane exploitatie van het [A] Haus. Deze exploitatie doet ook geen afbreuk aan het recht van de erfgenamen van de oprichter van de Stichting op bewoning van het [A] Haus.
5.7.
Anders dan eisers hebben gesteld, hebben de in dit geding persoonlijk gedaagde bestuursleden van de Stichting niet jegens hen onrechtmatig gehandeld. Met name zijn zij niet persoonlijk aansprakelijk voor bestuursmededelingen uit de periode vóór hun bestuurslidmaatschap.
5.8.
Op het Stichtingsbestuur rust geen verplichting om de statuten te wijzigen in de door eisers beoogde zin.
5.9.
Gedaagden hebben de gestelde schadeposten bestreden. Met name betwisten zij de gevorderde buitengerechtelijke kosten, op grond dat eisers deze kosten niet hebben moeten maken, noch behoorlijk hebben gespecificeerd.
5.10
Gedaagden verzoeken om het vonnis, voor zover de vorderingen daarbij zullen worden toegewezen, niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6. De beoordeling
6.1.
De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de vordering tegen alle gedaagden, ten aanzien van de Stichting omdat deze statutair is gevestigd te [d-plaats], en ten aanzien van de andere gedaagden op grond van artikel 107 Rv..
6.2.
Voor zover de vorderingen strekken tot nietigverklaring van statutenwijzigingen zijn zij gebaseerd op de stelling, dat (zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 4.3.) de statuten van een Stichting slechts kunnen worden gewijzigd indien de statuten daartoe de mogelijkheid openen, en dat een bepaling die de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen van de statuten uitsluit, niet kan worden gewijzigd. Een statutenwijziging die buiten de rechter om geschiedt, dient te berusten op een door de statuten verstrekte bevoegdheid. Iedere belanghebbende zal een vordering kunnen instellen tot verklaring voor recht, dat het (wijzigings)besluit nietig is. Een besluit is nietig, indien dit is genomen in strijd met de wet en/of de statuten.
6.3.
Dit standpunt van eisers is juist. Een vordering tot verklaring voor recht, dat een statutenbepaling nietig is, verjaart niet, en is in beginsel voor toewijzing vatbaar wanneer de eisende partij bij de gevorderde uitspraak voldoende belang heeft. Dat geldt echter niet voor een vordering tot herstel van een statutenbepaling, waarvan de nietigheid is ingeroepen. Immers, een nietige statutenwijziging heeft geen rechtsgevolg, zodat uit de nietigverklaring van een statutenwijziging volgt dat de oorspronkelijke bepaling ongewijzigd van kracht is gebleven. Een veroordeling tot herstel van een nietige statutenwijziging is dus niet nodig en daarom niet voor toewijzing vatbaar.
6.4.
Eisers vorderen in de eerste plaats (zie rechtsoverweging 3.1. sub a.) om voor recht te verklaren dat het besluit tot de statutenwijziging van 25 april 1975, voor zover het betrekking heeft op de wijziging van de doelomschrijving, de wijziging van de liquidatiebepaling, de wijziging van de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling en de bevoegdheid van het bestuur de Stichting te ontbinden — nietig is, met bevel aan gedaagden tot herstel van de bepaling in artikel 5 van de statuten van 1965 met betrekking tot de bevoegdheden die het bestuur toekomen, zulks door middel van een statutenwijziging bij notariële akte, binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom.
6.5.
Deze vordering is in zoverre toewijsbaar, dat het besluit tot de statutenwijziging van 25 april 1975, voor zover het betrekking heeft op de wijziging van de doelomschrijving, de wijziging van de liquidatiebepaling, en de wijziging van de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling, nietig moet worden verklaard, omdat het in strijd is met artikel 5 van de statuten, zoals dit (voor zover hier van belang) op 20 april 1965 werd vastgesteld als volgt: ‘(…)Het Bestuur is tevens gerechtigd besluiten te nemen tot wijziging der Stichtingsakte (statuten), alsmede de wijzigingen tot stand te brengen door het ondertekenen der desbetreffende akte(n) in notariële vorm, met dien verstande evenwel: dat het bestuur niet bevoegd is wijziging te brengen in het doel der Stichting, in de bestemming van het saldo der Stichting bij ontbinding (…)’.
6.6.
Eisers hebben als afkomelingen van [zoon oprichter] het vereiste belang bij toewijzing van deze vordering, omdat in artikel 9 van de in 1965 gewijzigde statuten onder meer is bepaald, dat bij ontbinding van de Stichting het saldo zoveel mogelijk moet worden aangewend tot het doel der Stichting of, indien zulks niet mogelijk is, aan de afkomelingen van genoemde [zoon oprichter] en bij gebreke van deze afkomelingen, aan de wettelijke erfgenamen van de lastgever moet vervallen.
6.7.
Dit onderdeel van de vordering is echter niet toewijsbaar voor zover dit betrekking heeft op de bevoegdheid van het bestuur om de Stichting te ontbinden. Van nietigheid is hier geen sprake, nu wijziging van de statuten op dit punt niet valt onder het op 20 april 1965 in de statuten opgenomen verbod tot wijziging van de statuten inzake het doel van de Stichting en de liquidatiebepaling.
6.8.
Evenmin is toewijsbaar de (r.o. 3.1. sub b.) tevens gevorderde veroordeling tot herstel van de statuten; zoals hiervoor reeds werd overwogen is naast een declaratoire uitspraak, dat een bepaalde statutenwijziging nietig is, geen handeling tot herstel nodig, nu de nietige statutenwijziging reeds van rechtswege geen gevolg heeft.
6.9.
Eisers vorderen voorts (sub c.) om voor recht te verklaren dat artikel 5 lid 2 van de statuten d.d. 25 april 1975 met betrekking tot het naamsvereiste, niet van toepassing is. Deze vordering is echter niet toewijsbaar. Artikel 5 lid 2 van de statuten is weliswaar door het toenmalige stichtingsbestuur gewijzigd, maar het bestuur was tot die wijziging bevoegd krachtens artikel 11 van de statuten, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 4.9., en deze wijziging valt niet onder het in 1965 vastgestelde wijzigingsverbod, dat slechts betrekking heeft op (kort samengevat) het doel van de Stichting en de liquidatie van het saldo bij ontbinding.
6.10
Eisers vorderen (sub d.) om voor recht te verklaren dat het besluit tot de statutenwijziging van 24 december 1999 nietig is, voor zover dit betrekking heeft op de wijziging van de liquidatiebepaling, de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling, alsmede de bepaling met betrekking tot de bestuurssamenstelling. Deze vordering is echter slechts toewijsbaar voor zover deze betrekking heeft op de wijziging van de liquidatiebepaling en de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling, nu alleen deze wijzigingen worden getroffen door het in 1965 in de statuten neergelegde verbod tot wijzing van de statuten betreffende het doel van de Stichting en de liquidatiebepaling. Ook bij dit onderdeel van de vordering hebben eisers het vereiste belang, zoals hiervoor omschreven in rechtsoverweging 6.6..
6.11
De (sub e.) tevens gevorderde veroordeling tot herstel van de statuten is niet toewijsbaar. Zoals hiervoor reeds werd overwogen is naast een declaratoire uitspraak, dat een bepaalde statutenwijziging nietig is, geen handeling tot herstel nodig, nu de nietige statutenwijziging reeds van rechtswege geen gevolg heeft.
6.12
Eisers vorderen (sub f.) om voor recht te verklaren dat artikel 4, lid 1 van de statuten d.d. 24 december 1999 met betrekking tot de bestuurssamenstelling, niet van toepassing is. Deze vordering is niet toewijsbaar. Het stichtingsbestuur was tot deze wijziging bevoegd op grond van artikel 11 van de statuten, zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 4.9., en deze wijziging valt niet onder enig in de statuten neergelegd wijzigingsverbod. Ook de (sub g.) gevorderde wijziging van genoemd artikel 4, lid 1, van de statuten van 24 december 1999 is dus niet voor toewijzing vatbaar.
6.13
Eisers vorderen (sub h.) primair om voor recht te verklaren dat het besluit tot het verzoek tot de rangschikking ex art. 24, lid 4 SW nietig is, en om gedaagden hoofdelijk te bevelen het verzoek tot de rangschikking ongedaan te maken, en subsidiair om gedaagden hoofdelijk te bevelen de rangschikking van art. 24, lid 4 SW ongedaan te maken, een en ander binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, en op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven.
6.14
Deze vordering is gebaseerd op de stelling, dat het hier bedoelde verzoek tot rangschikking in strijd is met, kort gezegd, de liquidatiebepaling. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat het verzoek van het bestuur tot die rangschikking op zichzelf niet nietig is wegens strijd met de statuten. De gerealiseerde rangschikking was het gevolg van de desbetreffende beschikking van de belastingdienst. Deze betreft echter slechts de rechtsverhouding tussen de Stichting en de belastingdienst. Partijen in dit geding staan daar buiten. Indien de beschikking van de belastingdienst, achteraf bezien, zal blijken te zijn gegeven op onjuiste gronden, dan zullen eisers de Stichting daarvoor wellicht aansprakelijk kunnen stellen, op grond dat de rangschikking zoals hier bedoeld niet verenigbaar is met verdeling van het saldo bij ontbinding van de Stichting overeenkomstig de geldende liquidatiebepaling, die het saldo immers toekent aan de afkomelingen van [zoon oprichter] (en bij gebreke van deze afkomelingen, aan diens wettelijke erfgenamen), terwijl rangschikking van de Stichting als bedoeld in artikel 24, lid 4 SW kan meebrengen dat een saldo bij ontbinding van de Stichting niet aan hen mag worden uitgekeerd, maar moet worden besteed aan ‘een soortgelijk doel als dat van de opgeheven instelling’.
6.15
Eisers vorderen voorts (r.o. 3.1. sub i) om gedaagden hoofdelijk te bevelen inzage te verlenen in en medewerking te verlenen tot een onderzoek naar de herkomst en mutaties van de rekeningen die werden aangehouden in Antwerpen, op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat gedaagden hiermee in gebreke blijven. Deze vordering is in beginsel toewijsbaar. Onbetwist is, dat het saldo op een bankrekening te Antwerpen ten name van [oprichter] senior en zijn echtgenote, erflaters van eisers, is overgeboekt naar een rekening van de Stichting bij diezelfde bank. Eveneens is onbetwist dat eisers de Stichting hebben verzocht om inzake die overboeking openheid van zaken te geven. In de vorm van een onderzoek naar de relevante mutaties op die rekeningen. Eisers hebben recht op en belang bij toewijzing van deze vordering als erfgenamen van [oprichter] senior en diens echtgenote, en de Stichting is op grond van artikel 843a Rv. verplicht om aan eisers inzage, afschriften en (desgewenst) uittreksels van de desbetreffende bescheiden te verstrekken, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor een onderzoek naar de het indertijd door de Stichting overgenomen saldo van de onderhavige bankrekening van [oprichter] senior en diens echtgenote in Antwerpen. Deze vordering is niet verjaard, omdat deze materieel strekt tot scheiding en deling van de nalatenschap van [oprichter] senior en diens echtgenote.
6.16
Deze vordering is echter slechts toewijsbaar jegens de Stichting, en niet jegens de overige gedaagden, zijnde de huidige leden van het stichtingsbestuur, omdat eisers niet per individueel bestuurslid concreet en feitelijk hebben onderbouwd dat en hoe elk bestuurslid in die hoedanigheid onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld. De vordering zal daarom slechts worden toegewezen jegens de Stichting. Ook de gevorderde dwangsom is voor toewijzing vatbaar, omdat onbetwist is dat de Stichting tot nu toe heeft geweigerd om vrijwillig aan de vordering te voldoen. Het totaal der te verbeuren dwangsommen zal echter worden beperkt tot een maximum van € 100.000,-.
6.17
De vordering sub j. strekt tot vernietiging van het besluit van het stichtingsbestuur tot exploitatie van het Wachtmeisterhaus als Bed & Breakfast accommodatie. Eisers vorderen om gedaagden hoofdelijk te verbieden tot (verdere) uitvoering van dat besluit over te gaan en om hen hoofdelijk te bevelen om de uitvoering, die reeds aan dit besluit is gegeven, ongedaan te maken. Deze vordering is niet toewijsbaar omdat, anders dan eisers stellen, dit besluit en de reeds daaraan gegeven uitvoering niet in strijd zijn met enigerlei statutaire bepaling, en met name niet met de doelomschrijving in de statuten van 9 maart 1965 als volgt:
‘Artikel 2: De Stichting stelt zich ten doel: het herstellen, onderhouden en exploiteren van:
- —
de vijftiende eeuwse burcht ‘[A] Huis’ met bijgebouwen te [a-plaats], Duitsland.
- —
het in voormelde percelen te brengen meubilair en andere roerende lichamelijke goederen;
het opsporen, verkrijgen en onderhouden van alle tot voormelde gebouwen betrekkelijke zaken, van welke aard ook.
Onder exploiteren wordt mede verstaan het gratis en in onderling overleg ter bewoning afstaan aan de erfgenamen van de stichter.’
6.18
Exploiteren in de zin van deze statuten omvat het verwerven van inkomsten uit opbrengsten van het [A] Haus, teneinde uit die inkomsten de onvermijdelijke onderhoudskosten van het landgoed te voldoen. Uit voormelde doelomschrijving valt zelfs af te leiden dat het verwerven van zulke inkomsten één van de belangrijkste taken van het stichtingsbestuur is. Gezien die taak handelde het stichtingsbestuur alleszins redelijk door te besluiten tot verwerving van zulke inkomsten door een gedeelte van het landgoed, namelijk één van de bijgebouwen, het Wachtmeisterhaus, tegen betaling als Bed&Breakfast-accommodatie in gebruik te geven aan derden.
6.19
Daarbij diende het bestuur wel een redelijke afweging te maken tussen enerzijds de praktische consequenties van die wijze van inkomstenverwerving en anderzijds de belangen van de erfgenamen van de stichter, die in de statuten het recht kregen om het [A] Haus gratis en in onderling overleg te bewonen. Gebruik door derden mag de bewoning door de erfgenamen immers niet in ernstige mate schaden, hoewel als gevolg van de aanwezigheid van derden op het terrein enige hinder in de vorm van vermindering van de privacy waarschijnlijk onvermijdelijk is.
6.20
Eisers hebben geen of onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de voorgenomen exploitatie van het Wachtmeisterhaus een onredelijke inbreuk vormt of waarschijnlijk zal vormen op hun in de statuten neergelegde recht om het [A] Haus te bewonen. Met name hebben zij niet gemotiveerd dat de beschikbaarstelling aan derden van het Wachtmeisterhaus als Bed&Breakfast-accomodatie zo'n ernstige verstoring van hun woonrust en privacy zal opleveren dat zij dit redelijkerwijs niet hoeven te accepteren.
6.21
De vordering sub k. strekt ertoe om voor recht te verklaren dat de Stichting, alsmede de bestuursleden (gedaagden sub 1–5) onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden, en om hen hoofdelijk te veroordelen tot de vergoeding van de daardoor door eisers geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Deze vordering is jegens de gedaagden 2 tot en met 5 reeds hierom niet toewijsbaar, omdat (zoals ook hiervoor in rechtsoverweging 6.16 reeds werd overwogen) eisers niet per individueel bestuurslid concreet en feitelijk hebben onderbouwd dat en hoe elk bestuurslid in die hoedanigheid onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld.
6.22
Deze vordering tot betaling van schadevergoeding is ook niet toewijsbaar jegens de Stichting, omdat eisers (afgezien van buitengerechtelijke kosten) geen concrete schadebedragen hebben gesteld, noch onderbouwd. Voor een schadestaatprocedure is geen plaats, nu het onderhavige conflict al zo lang sleept dat eventuele schade reeds lang bekend had kunnen zijn.
6.23
Eisers vorderen tenslotte (sub 1.) om gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede in de daadwerkelijke buitengerechtelijke kosten, zijnde € 34.276,51 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Dit bedrag is echter niet toewijsbaar, omdat geen bedrag aan schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen zal worden toegewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, omdat beide partijen over en weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld.
7. De beslissing
De rechtbank:
- I.
Verklaart voor recht, dat het besluit tot de statutenwijziging van 25 april 1975 nietig is, voor zover dit betrekking heeft op de wijziging van de doelomschrijving, de wijziging van de liquidatiebepaling, en de wijziging van de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van de liquidatiebepaling.
- II.
Verklaart voor recht, dat het besluit tot de statutenwijziging van 24 december 1999 nietig is, voor zover dit betrekking heeft op de wijziging van de liquidatiebepaling en de bevoegdheid van het bestuur ten aanzien van de wijziging van die liquidatiebepaling.
- III.
Beveelt de Stichting om aan eisers inzage te verlenen in de nodige documenten, en om aan eisers medewerking te verlenen aan een onderzoek, over de periode vanaf de datum van overlijden van [oprichter] senior, naar de herkomst en mutaties van de saldi op de bankrekening, die [oprichter] senior en diens echtgenote aanhielden in Antwerpen en waarvan (later) het saldo is overgeboekt naar een rekening van de Stichting bij dezelfde bank, één en ander op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag dat de Stichting hiermee in gebreke blijft.
- IV.
Beperkt het totaal der te verbeuren dwangsommen tot een maximum van € 100.000,-.
- V.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
- VI.
Compenseert de proceskosten zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
- VII.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. W.K.F. Hangelbroek, M.H.H.A. Moes en A.A.J. Lemain, en op 18 november 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.