De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/1.1
1.1 Probleemanalyse
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855331:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
IBO 2015, p. iii.
Impliciet Schelhaas 2018, p. 9, 19, 37 en 39; expliciet Schelhaas, AA 2018/0681.
Tjittes 1994, p. 243-244.
Schelhaas 2018, p. 20; Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2; Van der Neut, ArbeidsRecht 2023/29.
Zie bijv. HR 19 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4745 (Saladin/HBU), waarin de HR in zijn beoordeling of een bepaalde partij een beroep kon doen op een contractueel beding, o.a. ‘de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen’ betrok. Naast ‘hoedanigheid van partijen’ wordt in dit kader wel gesproken over ‘differentiatie’ (in de normstelling door de wetgever) en ‘subjectivering’ (door de rechter bij de toepassing van (open) normen) (Vranken 1989, p. 73).
In de arbeidsrechtpraktijk wordt ‘maatschappelijke positie’ als synoniem gebruikt voor ‘hoedanigheid van partijen’. De maatschappelijke positie heeft in de arbeidsrechtpraktijk dus een andere betekenis dan hoe Tjittes de maatschappelijke positie definieert, maar dezelfde betekenis als het kapstokbegrip ‘hoedanigheid van partijen’ (Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2).
Onder ‘particulieren’ versta ik in deze studie in wezen ‘consumenten’: personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Met deze definitie sluit ik aan bij de particuliere opdracht (art. 7:404, art. 7:405 lid 1 en art. 7:409 lid 3 BW).
Onder ‘ondernemers’ versta ik de partijen die niet kwalificeren als ‘particulier’ (zie vorige voetnoot). Minder voorzichtig gezegd: het gaat om commerciële partijen en contractanten; zij handelen immers in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
De eerste drie categorieën onderscheidt Tjittes in zijn dissertatie (Tjittes 1994, p. 1) en de laatste categorie voegt hij in zijn oratie toe (Tjittes 1996, p. 66).
Tjittes 1994, p. 1-2. Eerder schreef Vranken dat als partijen in financieel, sociaal, economisch of intellectueel opzicht ongelijk of ongelijkwaardig zijn, dit een reden kan zijn tot (wettelijk of rechterlijk) ingrijpen (Vranken 1989, p. 202-203).
Tjittes 1994, p. 2; Tjittes 1997, p. 376; Tjittes 2009, p. 39; De Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW nr. B54) 2016/1.18.
Vranken 1989, p. 72; Hartlief 1999a, p. 29; Jansen 2003, p. 143 e.v.; Houben, AA 2017/0600.
Bloembergen, WPNR 1992/6074; Tjittes 1994, p. 13, 44, 239, 244 en 245; De Vries, De overeenkomst in het algemeen (Mon. BW nr. B54) 2016/1.11 en 1.18. Zie specifiek t.a.v. het arbeidsrecht o.a. Levenbach 1977, p. 26; Van der Heijden & Noordam 2001, p. 85, volgens wie het begrip ‘ongelijkheidscompensatie’ is verbonden met bescherming; Verhulp 2003, p. 6; Houweling 2012, p. 14; Zekić, ArA 2019/2.1.
Tjittes 1994, p. 16, 44 en 239; Tjittes 1997, p. 376; Raaijmakers 2002, p. 60.
Zie bijv. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex), waarin de HR overwoog dat de maatstaf die bij de uitleg van de rechtsverhouding wordt gebruikt, mede van belang kan zijn ‘tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht’. Dat de hoedanigheid van de betrokken partijen een van de gezichtspunten is bij de uitleg volgens de Haviltex-maatstaf, overwoog de HR nog eens expliciet in HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 (Rotterdam/Eneco).
Zie bijv. HR 19 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4745 (Saladin/HBU), waarin de HR in zijn beoordeling of een bepaalde partij een beroep kon doen op een contractueel beding, o.a. ‘de maatschappelijke positie en de onderlinge verhouding van partijen’ betrok.
Hartkamp 1991, p. 101; Hartlief 1999a, p. 30.
Zo gaat achter het begrip ‘opdrachtnemer’ een breed spectrum schuil: van zzp’er tot multinational en van micro-bedrijf tot middenbedrijf (Schelhaas, AA 2018/0681). In de discussie over de opdrachtnemer is het daarom steeds belangrijk in ogenschouw te nemen vanuit welk perspectief wordt gekeken naar welke opdrachtnemer. Ik werk mijn focusgroep, de opdrachtnemer aan de onderkant, in par. 1.2 uitgebreider uit.
Schelhaas 2018, p. 8; Said, De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2022/4.4.1.
Brunner 1992, p. 87 e.v.; Tjittes 1994, p. 24 e.v.; Tjittes 1997, p. 377-382 en 387; Schelhaas, NTBR 2008/4; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/5.35.3; Tjittes 2022, p. 30, 649 en 650.
Tjittes 1994, p. 24-25; Tjittes 1997, p. 378; Tjittes 2022, p. 26. Het mededingingsrecht beschermt tegen kartelvorming en probeert een eventueel misbruik van een economische machtspositie te voorkomen. Hiermee maakt het mededingingsrecht inbreuk op de individuele contractsvrijheid, maar waarborgt het tegelijkertijd de contractsvrijheid van andere partijen (Mok 1975, p. 153 e.v.).
Tjittes 1994, p. 25-28 en 44; Tjittes 1997, p. 380; Tjittes, Contracteren 2001/2; Schelhaas 2016, p. 136-137; Schelhaas & Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. nr. 20) 2022/3.3.2; Tjittes 2022, p. 30. In dit kader wijzen de zojuist genoemde auteurs op de ondernemer als ‘repeat player’.
Tjittes 1994, p. 24 en 44; Tjittes 1997, p. 378; Schelhaas 2018, p. 18 en 33; Tjittes 2022, p. 30 e.v.
Schelhaas 2018, p. 8; Schelhaas, AA 2018/0681; Tjittes 2022, p. 22.
Met formele ongelijkheid bedoel ik dat titel 7.10 BW uitgaat van veronderstelde ongelijkheid. De vraag of er feitelijk een ongelijke verhouding tussen partijen bestaat, heeft de wetgever niet relevant geacht voor de toepassing van art. 7:610 BW (vgl. Grosheide & Van der Neut, TAC 2021/3; Van der Neut, ArbeidsRecht 2023/29). De werkende die voldoet aan de definitie-elementen van art. 7:610 BW, is een werknemer en wordt gezien als economisch onzelfstandige en juridisch ondergeschikte partij die bescherming behoeft (Bles 1907, p. 2, 4, 6 en 10 en – meer recent – Kamerstukken II 2013/14, 33 818, 3, p. 2).
De reden hiervan lijkt samen te hangen met de verscheidenheid aan opdrachten én met het feit dat de opdrachtnemer in de regel niet wordt beschouwd als economisch ondergeschikte partij. Vaak gaat de wetgever pas over tot dwingendrechtelijke voorschriften indien dit wenselijk is ter bescherming van de redelijke belangen van een van de partijen (of een derde) (Van der Grinten 1991, p. 88; Hartlief 1999a, p. 32; Loth 2009, p. 15).
Uit het IBO-rapport blijkt dat de kleine opdrachtnemer weinig wordt beschermd (IBO 2015, p. xiii en 72). In de rechtsliteratuur lopen de meningen uiteen over de mate waarin de opdrachtnemer bescherming geniet: van nagenoeg rechteloos tot enige bescherming op bepaalde terreinen. Zie bijv. Boot en Damsteegt, die stellen dat de civielrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer zeer beperkt is (Boot e.a., De zzp’er (MSR nr. 64) 2014/3.8). Doordat de wettelijke bescherming van de overeenkomst van opdracht meer lijkt te zijn gericht op de opdrachtgever, spreekt Trap over ‘omgekeerde ongelijkheidscompensatie’ (Trap 2007, p. 30). Zie genuanceerder Van Slooten, die de bescherming van de opdrachtnemer niet niets, maar ook niet veel noemt (Van Slooten 2018, p. 50).
Kamerstukken II 2018/19, 21 501-20, 1467, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 207, p. 1-2; Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 212, p. 1-2; concl. A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2020:698 voor HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam); ACM 2023, p. 6 en 23. De koppeling tussen de arbeidsovereenkomst en bescherming, waardoor de kleine opdrachtnemer in beginsel geen arbeidsovereenkomstrechtelijke bescherming geniet, wordt al langer erkend als probleem (Zekić, ArA 2019/2.1). Ook buiten Nederland speelt deze kwestie (Mundlak 2011, p. 315 e.v.). Naast de hierna te bespreken ‘individuele’ redenen waarom dit problematisch is, bestaan er collectieve redenen. Zo is het stelsel van sociale zekerheid gebouwd met als uitgangspunt dat arbeid wordt verricht op basis van de arbeidsovereenkomst (Verhulp 2019, p. 261). Als steeds minder werkenden de werkzaamheden verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst, heeft dat niet alleen gevolgen voor deze individuen, maar kan dat op de lange termijn ook nadelig uitpakken voor de solidariteit en financiële houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel (WRR 2020, p. 88).
Frenken e.a. 2017, p. 106.
IBO 2015, p. 17; CBS 2018, p. 59; SCP 2018, p. 29, 46, 91 en 174; CBS 2019b; WRR 2020, p. 97; Montebovi 2021, p. 46; CBS 2021b, p. 9 en 67.
SCP 2018, p. 46.
SCP 2018, p. 91.
Concl. A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2020:698 voor HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam).
Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 219, p. 3; Algemeen deel MvT Wmz (concept), p. 10.
IBO 2015, p. 45; Kösters, Van den Brakel & Loog, Sociaaleconomische trends 2016/07, p. 10.
De coronacrisis legde m.n. het laatste pijnpunt onder een vergrootglas (Kamerstukken II 2019/20, 31 311, 235, p. 2; Diris, Jongen & Van Vliet 2022).
Het ‘precariaat’ is van oorsprong een Britse term (‘precariat’) en houdt een samenvoeging van ‘precair’ en ‘proletariaat’ in. Dit is een groep werkenden die aangewezen is op tijdelijk en slecht betaald werk en daardoor langdurig of zelfs permanent in onzekerheid verkeert (Standing 2011; Savage e.a., Sociology 2013/47 (2); SCP 2014, p. 290-291), wat doorgaans leidt tot een onevenwichtige verdeling van de typische risico’s die verbonden zijn aan het werk of de arbeidsmarkt ten nadele van deze groep werkenden (Gerbrandy & Kreijger 2017, p. 7-8, onder verwijzing naar Frade & Darmon 2003).
COM/2022/621. Zie eerder COM/2018/418 en COM/2019/519.
Landverslag 2022 bij COM/2022/621, p. 45.
Regeerakkoord 2017-2021, p. 26.
Coalitieakkoord 2021-2025, p. 27.
Kamerstukken II 2018/19, 21 501-20, 1467, p. 5.
Kamerstukken II 2018/19, 21 501-20, 1467, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 207, p. 1-2; Kamerstukken II 2018/19, 31 311, 212, p. 1-2. Ook in het SER-MLT-advies van juni 2021 is oog voor de opdrachtnemer met een zwakke onderhandelingspositie (SER 2021, p. 10 en 28), terwijl de ACM in haar Leidraad tariefafspraken zzp’ers opmerkt dat er vooral maatschappelijke zorgen uitgaan naar de laagbetaalde opdrachtnemer die zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt begeeft (ACM 2023, p. 6 en 23).
Tot een vergelijkbare constatering kwamen Van Slooten & Westerveld 2018, p. 220.
IBO 2015, p. 17; CBS 2018, p. 59; SCP 2018, p. 29, 46, 91 en 174; CBS 2019b; WRR 2020, p. 97; Montebovi 2021, p. 46; CBS 2021b, p. 9 en 67.
Kamerstukken II 2019/20, 31 311, 235, p. 3; Kamerstukken II 2019/20, 35 074, T, p. 3.
Laagland, ArA 2020/3.2; Houweling 2021, p. 807; Houweling, TAC 2021/2 (zie uitgebreider par. 2.3.2.1).
Dit kan ook een open norm betreffen, zoals de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW).
De rechter heeft in dit kader verschillende interpretatiemethoden tot zijn beschikking, waaronder grammaticaal, historisch, systematisch en teleologisch.
Asser/Scholten Algemeen deel* 1974/1; Wiarda 1999, p. 21.
Rombach, WPNR 1974/5249-5250; Wiarda 1999, p. 22-23.
Dit verder denken mag niet afhankelijk zijn van het subjectieve inzicht van de rechter, maar moet zijn gebaseerd op een objectief gegeven, zoals de genoemde strekking van één of meerdere wettelijke bepalingen of algemene rechtsbeginselen.
Wiarda 1999, p. 23-24.
De recente sterke opkomst van de zelfstandige zonder personeel (zzp’er) is met gemengde gevoelens ontvangen. Dit heterogene onthaal blijkt onder andere uit het Interdepartementale Beleidsonderzoek zelfstandigen zonder personeel uit 2015: “Voor sommigen is de zzp’er de ‘kanarie in de kolenmijn’ – een signaal dat er iets grondig mis is met het functioneren van de Nederlandse arbeidsmarkt en het stelsel van sociale zekerheid. Anderen vergelijken de groei van het aantal zzp’ers met een ‘koekoeksjong’ en zien vooral oneerlijke concurrentie tussen zelfstandigen en werknemers, waarbij de laatsten het onderspit delven. En voor weer anderen vormt de zzp’er de ‘kip met de gouden eieren’, een belangrijke bron van flexibiliteit en nieuw ondernemerschap, waarmee Nederland zich in internationaal perspectief positief onderscheidt.”1 De zzp’er bevindt zich niet alleen maatschappelijk, maar ook juridisch in een kwetsbare positie. In deze context duidde Schelhaas de zzp’er als ‘de Calimero van het commerciële contractenrecht’ aan.2
Er kunnen verschillende soorten contracten ten grondslag liggen aan de werkzaamheden die de zzp’er verricht. De meest voorkomende overeenkomst is in dit verband de overeenkomst van opdracht. De wet spreekt in dit kader over de opdrachtnemer en niet van de zzp’er. Deze zzp’er als kleine opdrachtnemer is een zelfstandig ondernemer en wanneer hij een overeenkomst met een niet-particuliere opdrachtgever aangaat, is sprake van een business-to-business-relatie. Op deze verhouding zijn in principe geen specifieke beschermende rechtsregels van toepassing; het algemene verbintenissenrecht is van kracht. Het algemene verbintenissenrecht veronderstelt in business-to-business-relaties dat partijen een min of meer gelijkwaardige contractspositie innemen en ieder zijn wil in vrijheid kan vormen.3 De werkelijkheid laat echter een grote diversiteit zien en toont dat ook tussen commerciële partijen het verschil in machtspositie aanzienlijk kan zijn. Een grote ongelijkheid tussen partijen kan een gebrekkige, niet vrije wilsvorming van de zwakke(re) contractspartij meebrengen. Die partij doorziet dan de nadelige gevolgen van een overeenkomst bijvoorbeeld niet of kan niet anders dan deze aanvaarden.4 Of een ongelijkheid tussen partijen vooraf (via wetgeving) of achteraf (via bijvoorbeeld open normen zoals de redelijkheid en billijkheid) ‘correctie’ behoeft, is onder meer afhankelijk van de onderlinge hoedanigheid van partijen.5 Tjittes verstaat onder deze hoedanigheid de maatschappelijke positie én de individuele eigenschappen van partijen.6 Met maatschappelijke posities worden particulieren,7 ondernemers,8 overheden en verwanten bedoeld.9 Individuele eigenschappen zien op de specifieke relatie tussen contractspartijen. Concreet wordt dit door Tjittes gekoppeld aan het al dan niet juridisch deskundig zijn, het al dan niet deskundig worden bijgestaan en het al dan niet innemen van een (economische, financiële, sociale en psychische) machtspositie.10
De onderlinge hoedanigheid van partijen kleurt dus het toepasselijke verbintenisrechtelijke normenkader.11 Waar het verbintenissenrecht in beginsel en van oorsprong voor alle partijen gelijke gelding heeft, zijn in de loop der tijd steeds meer rechtsregels ontwikkeld om een partij die ten opzichte van haar wederpartij in een relatief ongelijke machtspositie verkeert, een zekere (dwingendrechtelijke) bescherming toe te kennen.12 Hierbij valt te denken aan de werknemer, de huurder van een woonruimte en de consument, ook wel de ‘particulier’, wiens positie in wetgeving, rechtspraak en literatuur als maatschappelijk en juridisch relevant wordt gezien. Ten grondslag aan de bescherming die aan deze particulieren wordt toegekend, ligt met name (het streven naar) ongelijkheidscompensatie en rechtvaardigheid.13 De hoedanigheid van partijen werkt niet alleen door in de toepasselijke wettelijke regels, maar kan ook een gewichtige omstandigheid zijn bij de invulling van open (verbintenisrechtelijke) normen,14 waarbij kan worden gedacht aan het uitlegleerstuk15 en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).16 Op deze manier vullen wettelijke en rechterlijke bescherming elkaar aan.17
De verhouding tussen de kleine opdrachtnemer en de niet-particuliere opdrachtgever wordt – vanwege het feit dat sprake is van ondernemers en de bestaande consumentenbescherming zodoende niet van toepassing is – beheerst door het algemene verbintenissenrecht; er geldt geen specifiek beschermingsmechanisme. Hoewel het palet aan opdrachtnemers zeer divers is,18 ligt aan deze verhouding immer het uitgangspunt ten grondslag dat ondernemers – groot of klein, machtig of relatief zwak – niet voor beschermende regels in aanmerking komen, omdat zij binnen de normale grenzen van het verbintenissenrecht worden geacht zich op eigen kracht te kunnen redden.19 De wetgever gaat ervan uit dat als ondernemers onderling een overeenkomst aangaan, zij in principe geen behoefte hebben aan dergelijke beschermende regels.20 Deze partijen kunnen zich doorgaans in abstracto identificeren met de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Ten eerste nemen ondernemers meestal een (vrijwel) gelijke of vergelijkbare (contracts)positie in, althans gelijkwaardiger dan een transactie tussen een particulier en ondernemer.21 Ten tweede zijn ondernemers in de regel gebaat bij harde en duidelijke regels (hard and fast-rules), zodat zij risico’s kunnen inschatten en contractueel kunnen verdelen.22 Op die inschatting en verdeling moeten zij bij hun ondernemersactiviteiten kunnen vertrouwen, aangezien beide ondernemers mede op basis daarvan beslissen of zij de opdracht aangaan en, zo ja, tegen welke voorwaarden, zoals de prijs. Kortom: de contractsvrijheid (en de daarmee gepaard gaande rechtszekerheid) staat in het handelsverkeer voorop.23
De zojuist geschetste ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat een tweedeling is ontstaan tussen het verbintenissenrecht dat van toepassing is op enerzijds particulieren tegenover professionele partijen met allerlei beschermende regels, zoals de werknemer jegens de werkgever, en anderzijds niet-particulieren onderling, zoals ondernemers (opdrachtgevers en opdrachtnemers), zonder specifieke bescherming.24 Als ik dit toepas op het onderwerp van deze studie, de zzp’er als kleine opdrachtnemer, dan is het startpunt van de kleine opdrachtnemer en de partij die daar dichtbij staat, de werknemer, verschillend: het arbeidsrecht biedt alle werknemers – zwak en sterk – een beschermende en veelal dwingendrechtelijke inhoud, die vaart op formele ongelijkheid,25 terwijl de verhouding tussen de niet-particuliere opdrachtgever en opdrachtnemer vertrekt vanuit het uitgangspunt van gelijkheid,26 waarbij de contractsvrijheid een groot goed is.
Het uitgangspunt van gelijkheid geldt voor alle opdrachtnemers: de opdrachtnemer die een hoog tarief in rekening brengt en de opdrachten – bij wijze van spreken – voor het oprapen heeft (en een sterke onderhandelingspositie heeft), de economisch afhankelijke opdrachtnemer met een laag tarief (en een zwakke onderhandelingspositie), en alles daartussenin. Dit uitgangspunt – en in het verlengde daarvan de veronderstelde rechtspositie van de opdrachtnemer,27 waarin bescherming in de regel ontbreekt – wordt ten aanzien van een aantal opdrachtnemers als een steeds urgenter maatschappelijk probleem gezien.28 Dit betreft de groeiende groep opdrachtnemers die qua positie in bepaalde mate lijkt op de groep werknemers en steeds vaker werkzaamheden verricht die vroeger (alleen) door werknemers werden verricht.29 Deze groep opdrachtnemers loopt van alle werkenden het meeste risico op feitelijke en juridische ongelijkheid en daarmee uiteindelijk op armoede.30 Een belangrijke reden hiervan is dat zij vanwege hun zwakkere positie doorgaans een laag tarief voor hun werkzaamheden in rekening brengen, gewoonlijk geen sociale zekerheid genieten en (lang) niet altijd zekerheid hebben op voldoende opdrachten.31 Zij zijn (mede hierdoor) kwetsbaar voor concurrentie, leegloop en een teruglopende vraag.32 Doordat de werkzaamheden van deze groep opdrachtnemers zich meestal kenmerken door een bepaalde laagdrempeligheid, kan dit werk door potentieel veel werkenden worden gedaan. Het concurreren op basis van het tarief is door de relatief eenvoudige aard van het werk vaak dé manier om de opdracht te verkrijgen met een race to the bottom als potentieel gevaar.33 Dit kan leiden tot een neerwaartse druk op de tarieven van deze opdrachtnemers, waardoor zij in de regel niet in de positie verkeren de kosten voor onder meer arbeidsongeschiktheid (volledig) door te berekenen in het tarief en wellicht onvoldoende verdienen om een verzekering af te sluiten,34 als zij überhaupt al voldoende verdienen om in hun noodzakelijke levensbehoefte te kunnen voorzien.35 Kortom: zij bevinden zich in een kwetsbare positie. Bovendien is de opdrachtgever – wettelijk gezien – bevoegd de overeenkomst direct op te zeggen (artikel 7:408 lid 1 BW). Hierdoor kan de mogelijk enige of hoofdzakelijke inkomstenbron van deze opdrachtnemer van het ene op het andere moment wegvallen, waarbij hij geen sociaal-financieel vangnet heeft en vermoedelijk geen reserves heeft kunnen opbouwen voor dit soort gevallen doordat zijn tarief (daarvoor) te laag is.36 Het voorgaande heeft geresulteerd in een groep van ‘precaire’ opdrachtnemers,37 die hoofdzakelijk door middel van hun eigen arbeid tegen een laag tarief zelf (in persoon) diensten verrichten en veelal economisch afhankelijk zijn van één opdrachtgever. Voor deze groep opdrachtnemers is de eerder geschetste tweedeling tussen het meer ‘beschermende’ verbintenissenrecht dat van toepassing is op particulieren (werknemers) en het algemene verbintenissenrecht voor niet-particulieren (ondernemers), uitmondend in het uitgangspunt waarin contractsvrijheid vooropstaat en bescherming in de regel ontbreekt, mogelijk te rigide.
De materiële rechtspositie van de kleine opdrachtnemer is in Europa niet onopgemerkt gebleven. Niet voor het eerst kwam vanuit Brussel de aanbeveling aan Nederland om in 2022 en 2023 adequate sociale bescherming voor zzp’ers, waaronder kleine opdrachtnemers, te bevorderen.38 Deze aanbeveling steunt op het landverslag, waaruit volgt dat het aantal kleine opdrachtnemers, dat de afgelopen tien jaar sterk is toegenomen, een punt van zorg blijft en verdere aandacht vereist omtrent de uitdagingen op het gebied van onder andere billijke arbeidsvoorwaarden en adequate sociale bescherming.39 Op nationaal terrein werd in het Regeerakkoord 2017-2021 een verkenning afgesproken hoe zelfstandig ondernemerschap een aparte plek in het BW kon krijgen, hetgeen de positie van opdrachtnemers zou kunnen verhelderen en verstevigen.40 Vier jaar later zette de regering in het Coalitieakkoord 2021-2025 als stip op de horizon het verkrijgen van helderheid voor opdrachtnemers, waaronder het ondersteunen en stimuleren van ondernemerschap en een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle zelfstandigen, die zo wordt vormgegeven dat zowel oneerlijke concurrentie als te grote inkomensrisico’s voor individuen wordt voorkomen.41 Daarmee werd de ingezette koers min of meer voortgezet, nu het kabinet in 2019 had aangegeven zich zorgen te maken over een groeiende groep schijnzelfstandigen en kwetsbare groep opdrachtnemers;42 het beschermen van deze kwetsbare groep opdrachtnemers, het voorkomen van schijnzelfstandigheid en het tegengaan van concurrentie op arbeidsvoorwaarden stond voorop.43
De politiek overweegt dus steeds vaker (een deel van de) opdrachtnemers te beschermen, maar heeft moeite om tot een oplossing te komen die recht doet aan de verscheidenheid aan opdrachtnemers.44 Hierdoor bestaat een spanningsveld tussen de wens tot bescherming en de beginselen die in het handelsverkeer hoog in het vaandel staan, in het bijzonder de contractsvrijheid. Enerzijds lijkt het niet passend deze beginselen te doorkruisen met (wellicht onnodige) bescherming ten aanzien van in ieder geval de economisch onafhankelijke opdrachtnemer die een relatief hoog tarief in rekening kan brengen. Anderzijds is daar de opdrachtnemer die economisch afhankelijk is van één opdrachtgever en (mede daarom) een laag tarief verdient met als gevolg dat hij het hoogste armoederisico van alle werkenden loopt.45 Tussen deze twee uitersten in bevindt zich ook nog een heel arsenaal aan opdrachtnemers. Dit krachtenveld – in combinatie met de vraag welke opdrachtnemer wanneer zou moeten worden beschermd, welk criterium daarvoor zou moeten worden gehanteerd en met behulp van welke instrumenten bescherming zou moeten worden gefaciliteerd – maakt regelgeving voor opdrachtnemers beslist geen sinecure. Illustratief is het conceptwetsvoorstel Wet minimumbeloning zelfstandigen (Wmz), dat uiteindelijk nooit is ingediend, omdat het volgens de minister niet mogelijk is gebleken eenvoudig toepasbare regels te bedenken die resulteren in zinvolle wijzigingen.46 Een extra complicerende factor daarbij was dat een bindend minimumtarief mogelijk strijdig zou zijn met het Europese recht, meer specifiek de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU), de vrijheid van diensten (artikel 56 VWEU) of het kartelverbod (artikel 101 VWEU).47 Oftewel: het is nog geenszins duidelijk hoe het recht zich kan of moet ontwikkelen als bescherming voor (een deel van de) opdrachtnemers (ten aanzien van één of meerdere specifieke thema’s) het streven wordt.
Uit de voorgaande analyse blijkt dat de materiële rechtspositie van de precaire opdrachtnemers onder druk staat. De vraag is of het huidige verbintenissenrecht deze opdrachtnemers niet meer bescherming kan bieden dan doorgaans wordt verondersteld zonder meteen al (te) politieke keuzes te moeten maken. Het komt immers zelden voor dat de wet voor een bepaalde rechtsvraag geen enkel aanknopingspunt biedt. Zo’n aanknopingspunt is vaak te vinden in (de tekst, de geschiedenis of het systeem van) één of meerdere wettelijke bepalingen of de strekking daarvan,48 die in het licht van een feitelijke situatie moeten worden geïnterpreteerd,49 omdat bijvoorbeeld de wettelijke bepaling onduidelijk of onvolledig is.50 Het doel van deze interpretatie is om in concreto tot een zo billijk mogelijke beslissing te komen van het concrete geschil en daarmee tevens in abstracto tot een – vanuit maatschappelijk oogpunt bezien – zo bevredigend mogelijke ontwikkeling van het recht.51 Het verder denken op basis van met name de aan de wettelijke bepalingen ten grondslag liggende ratio’s kan meebrengen dat een rechtsregel in een breder verband wordt toegepast dan waar het naar zijn bewoordingen wellicht op ziet, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de ruimte die open normen bieden.52 Dat lijkt vooral tot de mogelijkheden te behoren als de concrete situatie een trend betreft die de wetgever niet voor ogen heeft gestaan,53 zoals de (groeiende) groep precaire opdrachtnemers. Over de mogelijkheden die het huidige verbintenissenrecht biedt om deze groep opdrachtnemers te (kunnen) beschermen, gaat deze studie.