Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/2.4.4.4
2.4.4.4 Tuchtrecht
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS302921:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CBb 10 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2017:84, in navolging van de accountantskamer 24 juli 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:81. E. Nass, Toepassingsbereik Tuchtrecht Voor Accountants, 26 september 2017, https://dirkzwagerondernemingsrecht.nl/2017/09/26/toepassingsbereik-tuchtrecht-voor-accountants/.
Zetteler & Pheijffer (2016), p.12.
CBb 7 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ3419, JOR 2013/196 m.nt. C.M. Harmsen. Zie tevens CBb 11 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:62 en Zetteler & Pheijffer (2016), p. 12.
Westra (2009a), p. 353.
Van den Berg (2012), p. 215.
CBb 6 november 2001 (AWB 00/763; LJN AD5526), CBb 5 september 2002 (AWB 00/920 en 00/ 921; LJN AE8805) en CBb 23 januari 2003 (LJN AF 3777).
CBb 30 januari 2003 (AWB 01/906; LJN AF4455).
Bosman & Vergoossen (2008), p. 105.
Eijkelenboom/Hijink (2014), p. 88.
Kamerstukken 2005/2006, 30 397, nr. 3, p. 3 en 4.
Wet aanvullende maatregelen accountantsberoep.
Artikel 12 Wtra en Waardenburg (2005), p. 25.
Verordening op de klachtbehandeling, toelichting.
Nass (2007), p. 429.
Nass (2007), p. 427-428.
Zie Hijink & In ’t Veld (2018) voor een annotatie bij de CBb uitspraak inzake Weyl over onder andere ontvankelijkheid van de AFM en voortzetting van de klacht en het gebruik van informatie uit een intern onderzoek van de AFM naar de vraag of de controle van de jaarrekening van Weyl over het boekjaar 2009 toereikend is geweest.
Klachten die betrekking hebben op het beroepsmatig handelen (of nalaten) van een accountant kan men bij de accountantskamer indienen (hierna te noemen: ‘tuchtklacht(en)’(artikel 22 lid 1 Wtra)). Het dient dan te gaan om het beroepsmatig handelen (of nalaten) van de accountant in strijd met de gedrags- en beroepsregels en om het beroepsmatig handelen van de accountant in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.
Indien sprake is van een gedraging buiten het accountantsberoep kan deze gedraging desondanks tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn wanneer de gedraging van invloed is op de uitoefening van het beroep. Het CBb1 heeft geoordeeld dat een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar kan hebben gehandeld indien hij (naar eigen zeggen) buiten de uitoefening van zijn beroep als bestuurslid en penningmeester van een CV exploitatieverslagen heeft opgesteld. Het handelen valt onder het tuchtrecht omdat de accountant geacht wordt zijn vakbekwaamheid als accountant te hebben aangewend voor het opstellen van die exploitatieverslagen.
Het draait bij een tuchtrechtzaak bijvoorbeeld om de vraag of de accountant zijn controlewerkzaamheden met een professioneel-kritische instelling en met voldoende diepgang heeft verricht en dit voldoende heeft gedocumenteerd. De procedure is niet gericht op de beoordeling van de inhoud van de jaarrekening en de vraag of de jaarrekening is opgesteld volgens de toepasselijke verslaggevingstechnische regels.2 In dat geval dient de jaarrekeningprocedure van artikel 2:447 BW te worden gevoerd. Toetsing aan regels van jaarverslaggeving kan echter ook een (belangrijke) rol spelen in een tuchtrechtprocedure.
In een uitspraak d.d. 7 maart 20133 overweegt het CBb hieromtrent het volgende: “Uit deze bepalingen (opm. AB: artikel 2:393 lid 3 BW en 2:362 lid 1 BW) volgt dat bij de beoordeling van een tuchtrechtelijke klacht over een accountant in het kader van het afgeven van een verklaring bij een jaarrekening, in voorkomend geval betrokken moet worden of deze jaarrekening voldoet aan het inzichtvereiste en de overige bij en krachtens de wet gestelde voorschriften. Bij de beantwoording van de vraag of daaraan is voldaan kunnen de RJ worden betrokken”.
Een klacht kan worden ingediend door middel van een klaagschrift. In de tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop. Het is de bedoeling dat het tuchtrecht bijdraagt aan het herstel van het vertrouwen van het publiek in de beroepsuitoefening.
Klachten kunnen bij de accountantskamer worden ingediend bij een vermoeden van handelen of nalaten (artikel 22 Wtra):
in strijd met de regels ter zake vakbekwaamheid, objectiviteit, integriteit, onafhankelijkheid, geheimhouding, het ondertekenen van de controleverklaring en het onverwijld aan een cliënt vermelden dat hij in een tuchtrechtsgeding is betrokken terzake een aangelegenheid van hem,
als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wab door een accountant.
Het tuchtrecht is zeer laagdrempelig: iedereen (‘een ieder’) mag een tuchtklacht indienen (artikel 22 lid 1 Wtra). De klager hoeft geen aantoonbaar belang te hebben, hoeft zelf niet gedupeerd te zijn en hoeft zich niet te laten vertegenwoordigen door een advocaat.4 De belanghebbende-eis wordt niet gesteld aan de indiener van een klacht omdat tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in het algemeen belang. Hierom wordt van belang geacht dat een ieder door middel van een klacht een bezwaar tegen een accountant aanhangig kan maken.5
Volgens vaste jurisprudentie van het CBb met betrekking tot het tuchtrecht ten aanzien van accountants is het niet relevant of de klager een persoonlijk belang heeft bij het indienen van een klacht, terwijl de (gestelde) motieven voor het indienen van de klacht evenmin ter zake doen.6 Het is niet de verwachting dat snel misbruik zal worden gemaakt van het klachtrecht.7
De AFM en de NBA kunnen (eveneens) als klager optreden (artikel 31 Wta jo. 22 Wtra).8 De bevoegdheid van de AFM is van belang omdat zij bij overtreding van een voorschrift uit de Wta door de bij een wettelijke controle betrokken individuele externe accountant een tuchtzaak tegen deze accountant aanhangig moet kunnen maken. De voorzitter van de NBA kan tevens een klacht indienen tegen een accountant bij de accountantskamer, indien de accountant in kwestie is veroordeeld voor een strafbaar feit en dit feit raakt aan de werkzaamheden die een accountant verricht, doch niet tot de kerntaken van de accountant wordt gerekend (artikel 22 lid 2 Wtra).9
Sinds de invoering van de Wta tot aan de evaluatie in 2014 heeft de AFM vier tuchtklachten jegens accountants ingediend bij de Accountantskamer, aldus het rapport Bouwen aan vertrouwen. Evaluatie van de Wet toezicht accountantsorganisaties (‘Wta’).10 De door de AFM ingediende klachten zijn allen (deels) gegrond verklaard en hebben geleid tot een berisping dan wel waarschuwing. Het relatief kleine aantal klachten hangt naar alle waarschijnlijkheid samen met het feit dat handhaving door de AFM van de eisen die worden gesteld aan de externe accountant een ultimum remedium is.11 Dat de AFM niet lichtvaardig klachten indient, blijkt ook uit het feit dat alle vier de ingediende klachten (deels) gegrond zijn verklaard en tot een maatregel hebben geleid.
Indien een accountant wordt veroordeeld voor een strafbaar feit dat raakt aan de kerntaak van een accountant, kan de voorzitter van de NBA reeds op grond van het eerste lid van artikel 22 Wtra (net als ‘een ieder’) een zaak bij de accountantskamer aanhangig maken. Voor de werkzaamheden van accountants die niet tot de kerntaken worden gerekend maar ten aanzien waarvan een accountant wel strafrechtelijk veroordeeld is, biedt het tweede lid van artikel 22 Wtra de mogelijkheid de accountant voor de accountantskamer te brengen.12 Onder ‘kerntaken’ wordt in dit verband verstaan: wettelijke en vrijwillige controle, beoordeling van financiële verantwoordingen en werkzaamheden waarbij inschakeling van een AA of RA bij wet is voorgeschreven.13
De accountantskamer neemt een klacht niet in behandeling indien tussen het moment van het handelen of nalaten en het moment van indiening van de klacht een periode van tien jaar is verstreken (artikel 22 lid 1 Wtra).14 De klager dient een griffierecht van EUR 70,- te betalen (artikel 23 lid 1 Wtra).
Indien de klacht wordt ingetrokken omdat betrokkene geheel of gedeeltelijk aan de klacht van de klager tegemoet is gekomen, wordt het door de klager betaalde griffierecht vergoed door betrokkene. Indien de klacht gegrond wordt verklaard, wordt het door de klager betaalde griffierecht tevens vergoed door betrokkene (artikel 23 lid 3 Wtra). In afwijking van het eerste lid, wordt geen griffierecht geheven indien een klaagschrift wordt ingediend door de AFM of de voorzitter van de NBA (artikel 23 lid 4 Wtra).
De tuchtklacht wordt in behandeling genomen door de accountantskamer. De accountantskamer heeft een voorzitter, ten hoogste tien leden, ten hoogste twintig plaatsvervangende leden en een secretaris (artikel 11 Wtra). Per tuchtklacht wordt een kamer vastgesteld die de zaak behandelt. Hierbij geldt dat de voorzitter en ten minste één lid rechter zijn, het andere lid is accountant. De rechters zijn dus in de meerderheid.15
Bij de opening van de accountantskamer signaleerde de voorzitter van deze kamer, mr. Werkhoven, dat naar zijn mening de samenstelling van de accountantskamer een knelpunt zal worden. De reden hiervoor is dat de kamer per zitting gedomineerd zal worden door leden van de rechterlijke macht en niet door accountants. Volgens mr. Werkhoven kan ‘aan het normaaltype van een rechter niet enige wijsheid ontzegd worden’ doch ‘rekent het systeem van de accountantskamer teveel op enige hoogbegaafdheid van de rechterlijke leden’.. Dit laatste zal mijns inziens afhangen van de soort klachten. De tijd zal leren of hij gelijk heeft/krijgt, maar opmerkelijk is het wel dat dit al bij de opening van de accountantskamer als knelpunt is gesignaleerd.
Uit het klaagschrift moet blijken of de klacht is voorgelegd aan de binnen een accountantskantoor met klachtbehandeling belaste functionaris of commissie of aan de klachtencommissie NBA. Is dit niet gebeurd, dan moeten de redenen daarvoor worden vermeld. Indien niet eerst de route van het klachtrecht is gevolgd, kan de voorzitter van de accountantskamer klachten die zich lenen voor behandeling door de klachteninstantie doorsturen naar de betreffende instantie (artikel 38a lid 1 Wtra). Het zal in dergelijke gevallen merendeels gaan om bejegeningsklachten; de klager zoekt genoegdoening. Voor bejegeningsklachten is een klachtenprocedure doorgaans effectiever dan een tuchtrechtelijke procedure.16 De klachteninstantie fungeert daarmee in die gevallen als een instantie achter de accountantskamer.17 Na behandeling door de klachteninstantie kan een klager dan alsnog zijn tuchtklacht voorleggen aan de accountantskamer.
Oorspronkelijk werd voorgesteld dat klachten die zien op wettelijke (en vrijwillige) controle- en beoordelingsopdrachten en andere bij of krachtens wet aan een accountant opgedragen taken voorgelegd dienden te worden aan de accountantskamer. Andere klachten zouden bij een door de beroepsorganisatie in te stellen klachtencommissie dienen te worden neergelegd. Dit onderscheid is in de loop van het wetgevingsproces komen te vervallen.18
De gebruikelijke procesgang ter zake tuchtklachten ziet er in het kort als volgt uit: allereerst zal de betrokkene in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk binnen vier weken op de klacht te reageren (artikel 25 lid 1 Wtra), waarna de klager de gelegenheid krijgt binnen vier weken van repliek te dienen (artikel 25 lid 2 Wtra). Hierna volgt een dupliek binnen twee weken (artikel 25 lid 23 Wtra). Vervolgens is er binnen tien weken nadat de zaak aanhangig is gemaakt een zitting (artikel 26 e.v. Wtra). Tot slot zal de accountantskamer schriftelijk uitspraak doen (artikel 38 Wtra).
Als naar het oordeel van de voorzitter van de accountantskamer een klacht kennelijk niet- ontvankelijk (artikel 38 lid 3 Wtra), kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan de voorzitter de zaak zonder zitting afdoen. Ook is het mogelijk dat als de voorzitter van oordeel is dat de klacht gegrond is, maar geen andere tuchtrechtmaatregel dan een waarschuwing, berisping of geldboete van ten hoogte EUR 225 dient te worden opgelegd, de zaak zonder zitting wordt afgedaan. De betrokkene moet echter wel worden gehoord (artikel 39 Wtra).
Volgens artikel 30 Wtra kan de klager zijn klacht intrekken. In beginsel wordt dan de behandeling van de klacht gestaakt, tenzij de accountantskamer beslist dat de behandeling om aan het algemeen belang ontleende redenen moet worden voortgezet. In dat laatste geval wordt de klacht voortgezet als ware de klacht door de AFM dan wel NBA ingediend. Dit is aan de orde geweest bij de klacht inzake Van Weyl Holding. Klager, SOBI, trok zijn klacht in. Echter, de klacht werd voortgezet door de AFM.19