Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.4.2
4.4.4.2 Historische ontwikkeling en opvatting wetgever
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367271:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.4.3.1. Zie ook Meinema (Diss.), p. 23 t/m 27 en Nowak en Van Duuren, p. 302 en 303.
Dit was een geleidelijk proces dat werd voltooid door de invoering van Boek 2 BW, waarin de institutionele benadering werd gecodificeerd. Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa, nr. 13. Vgl. ook De Jongh 2011, par. 2.2, die het verlaten van de contractuele opvatting afleidt uit de arresten HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43 (Forumbank) en HR 30 oktober 1964, NJ 1965, 107 (Mante). Zie voorts Nowak en Van Duuren, p. 302 t/m 304.
Zie bijvoorbeeld Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, nr. 1 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa, nr. 13.
Zie par. 4.4.3.
Kamerstukken 10751, nr. 10, p. 14.
Klaassen (Diss.), par. 3.3.
Zie Klaassen 2010, p. 71, 74 en 75 ook voor verdere vindplaatsen, alsmede Nowak en Van Duuren, p. 304.
Voluit: Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen.
Voluit: Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regeling voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid.
Zie par. 4.4.4.1.
Kamerstukken 26 277, nr. 5 (Nnav), p. 2.
Vgl. echter Kamerstukken 26 277, nr. 5 (NnavV), p. 3: “Naar mijn overtuiging behoren rechten en verplichtingen van degenen die rechtstreeks bij de inrichting van de rechtspersoon betrokken zijn, te worden neergelegd in de formele wet.”
Zie de inleiding bij de Memories van Toelichting bij de Wet Bestuur en Toezicht en Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), respectievelijk Kamerstukken 31 763, nr. 3 (MvT).
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 1 en 3.
De inrichtingsvrijheid heeft oudere papieren dan het dwingende recht. Het vennootschapsrecht heeft een contractuele oorsprong en de contractsvrijheid speelde daarin lange tijd een belangrijke rol.1 Gaandeweg is er echter meer dwingend recht in geslopen.
De contractsvrijheid werd ook minder vanzelfsprekend doordat de contractuele benadering van kapitaalvennootschappen gaandeweg is verlaten ten faveure van de institutionele benadering.2 In de institutionele opvatting3 wordt de rechtspersoon gezien als een rechtsverhouding sui generis en wordt in de wettelijke regeling daarvan het uitgangspunt gehanteerd “dwingend recht tenzij”.
De ratio van de ingevoerde dwingendrechtelijke bepalingen4 waarborgde veelal de belangen van anderen dan de (meerderheids)aandeelhouders, zoals de werknemers, crediteuren en minderheidsaandeelhouders. Het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap werd daardoor minder bepaald door de wil van de (meerderheids)aandeelhouders.
Met de invoering van Boek 2 BW is (de hierboven genoemde gedaante van) de contractvrijheid niet helemaal verdwenen uit het rechtspersonenrecht. Zo merkte de wetgever op bij het invoeren van de structuurregeling, een toonbeeld van de institutionele benadering, dat de bevoegdheid tot statutenwijziging moeilijk aan de autonomie van de aandeelhoudersvergadering kan worden onttrokken.5 Wat vroeger onder de contractsvrijheid werd verstaan, gaat thans door het leven als de “vrijheid van inrichting” of “inrichtingsvrijheid”.6
Vanaf de jaren negentig van de twintigste eeuw is in de literatuur gepleit voor meer inrichtingsvrijheid, of voor meer “flexibiliteit” (om de in dat kader gebruikte term te gebruiken).7 Uiteindelijk leidde dit eerst tot de afschaffing van het preventieve toezicht op de inhoud van de statuten en vervolgens tot een tweetal wetten die de inrichtingsvrijheid in het rechtspersonenrecht vergrootten. Het gaat om de Wet Bestuur en Toezicht8 (die wijzigingen ten aanzien van NV en BV inhield, met name ten aanzien van de verdeling van bestuurstaken) en de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (de naam zegt het al).9
Principiële redenen, zoals verwoord door Blanco Fernandez,10 leek de wetgever daarbij niet te hebben. Het afschaffing van het preventieve toezicht motiveerde de wetgever vooral door de wensen van de praktijk, al kwam de partijautonomie ook aan bod:11
“Ik meen dat hier een onderscheid moet worden gemaakt tussen vermindering van de administratieve lasten – de kosten die (burgers en) ondernemingen maken om aan de administratieve en procedurele verplichtingen van regelgeving te voldoen, zoals het aanleveren van gegevens door het invullen van formulieren – en vermindering van het werk dat het drijven van een onderneming in de vorm van een bepaalde rechtspersoon met zich meebrengt. Besluitvorming over de inrichting van de statuten is bij uitstek een zaak van de ondernemer. De overheid dient zich in dergelijke aangelegenheden terughoudend op te stellen. Inmenging moet worden beperkt tot die gevallen waarbij de belangen van andere betrokkenen uitsluitend door actief interveniëren van de overheid kunnen worden gewaarborgd.”12
Bij de daarop volgende wetgevingsoperaties ging het alleen nog maar over de wensen van de praktijk. De praktijk ervoer de toenmalige wet als te star en belastend.13 Als daar niet iets aan gedaan zou worden, zouden gebruikers van rechtspersonen wel eens kunnen uitwijken naar buitenlandse rechtsvormen. Om dat te voorkomen liet de wetgever de teugels wat vieren. Dat dit niet van harte ging, blijkt uit het feit dat de inrichtingsvrijheid vaak in één adem werd genoemd met de noodzaak om paal en perk te stellen aan deze vrijheid (en wel ten einde andere belangen dan die van de (meerderheids)aandeelhouder(s) te beschermen). De volgende citaten zijn illustratief:14
“De hoofdlijnen van het wetsvoorstel zijn: meer vrijheid van inrichting en een evenwichtig systeem van crediteurenbescherming. Bij de vrijheid van inrichting speelt de bescherming van minderheidsaandeelhouders een belangrijke rol.”
en
“Meer in het bijzonder gelden bij dit wetsvoorstel de volgende uitgangspunten, die ook ten grondslag lagen aan de aanbevelingen van de expertgroep:
minder dwingend en meer regelend recht;
meer vrijheid voor aandeelhouders om de onderneming naar eigen inzicht en wensen vorm te geven met voldoende waarborgen voor de belangen van andere partijen (in het bijzonder minderheidsaandeelhouders);”
Wat de redenen voor de wetgever ook waren om inrichtingsvrijheid te scheppen, feit is dat Boek 2 BW een aanzienlijke inrichtingsvrijheid biedt. In ieder geval in die zin bestaat de door Blanco Fernandez genoemde autonomie van de mens bij de invulling van zijn rechtsbetrekkingen ook in de context van de rechtspersoon.