Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2509.
HR, 13-01-2023, nr. 22/02809
ECLI:NL:HR:2023:29
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2023
- Zaaknummer
22/02809
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:29, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:969, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2022:969, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑10‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:29, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑09‑2022
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0003
Sdu Nieuws Insolventierecht 2023/51
JBPr 2023/27 met annotatie van Mr. P.W. den Hollander
BPR-Updates.nl 2023-0003
JBPr 2023/27 met annotatie van Mr. P.W. den Hollander
Uitspraak 13‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Insolventierecht; Wsnp. Beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling (art. 354 Fw). Mag 'schone lei' worden verleend onder bepaling dat schuldenaar binnen bepaalde termijn een bedrag aan niet-geïnde alimentatie moet afdragen aan de boedel? Ontvankelijkheid beschermingsbewindvoerder in hoger beroep tegen die beslissing. Reformatio in peius.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02809
Datum 13 januari 2023
ARREST
In de zaak van
1. [de schuldenaar],
wonende te [woonplaats],
hierna: de schuldenaar,
2. [de bescherminsbewindvoerder],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
hierna: de beschermingsbewindvoerder,
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: de schuldenaar c.s.,
advocaat: J. van Weerden,
tegen
[de bewindvoerder],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de bewindvoerder,
niet verschenen.
1. Procesverloop in cassatie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/03/18/445 R van de rechtbank Limburg van 14 juni 2022;
b. het arrest in de zaak 200.312.098/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juli 2022.
De schuldenaar c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de advocaat-generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met afdoening als voorgesteld in de conclusie onder 3.43-3.44.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 16 juli 2014 zijn de goederen die aan de schuldenaar (zullen) toebehoren onder bewind gesteld. De huidige beschermingsbewindvoerder is bij beschikking van 24 februari 2016 als zodanig benoemd.
(ii) Bij vonnis van 20 november 2018 is ten aanzien van de schuldenaar de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
(iii) Bij vonnis van 2 februari 2021 is de schuldsaneringsregeling verlengd voor de duur van zes maanden, tot 20 mei 2022, om de schuldenaar alsnog in de gelegenheid te stellen de schuldsaneringsregeling met een ‘schone lei’ af te sluiten. De reden voor de verlenging was niet-nakoming van de sollicitatie- en arbeidsplicht alsmede de informatieplicht. In het verlengingsvonnis is tevens vermeld dat een kwestie ten aanzien van te innen alimentatie door omstandigheden te lang was blijven liggen.
2.2
In dit geding heeft de rechtbank op de voet van art. 354 Fw onder meer bepaald dat
- de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer van haar verplichtingen maar dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft;
- aan de schuldenaar de ‘schone lei’ wordt verleend;
- een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn;
- de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
De rechtbank heeft daarbij in rov. 2.5 van haar vonnis bepaald dat de schuldenaar zelf verantwoordelijk is voor het storten van de achterstallige alimentatie en dat, indien zij uiteindelijk toch niet overgaat tot het tijdig storten van de achterstallige alimentatiebetalingen in de boedel, dit kan resulteren in ontneming van de verleende schone lei.
2.3
De schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder hebben in hoger beroep het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen voor zover daarin is beslist dat de schuldenaar uiterlijk 20 november 2023 de achterstallige alimentatie aan de boedel moet hebben afgedragen en dat, indien zij dit nalaat, haar de bij het bestreden vonnis verleende schone lei kan worden ontnomen.
2.4
Het hof1.heeft de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep en op het hoger beroep van de schuldenaar het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat aan de schuldenaar een schone lei wordt verleend, dat de schuldsaneringsregeling is beëindigd en dat de huidige omvang van de boedelachterstand € 2.132,31 bedraagt. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, de duur van de schuldsaneringsregeling verlengd tot uiterlijk 20 november 2023 dan wel zoveel eerder als de schuldenaar het boedeltekort van € 2.132,31 volledig heeft voldaan.
Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
De beschermingsbewindvoerder dient in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu noch het indienen van een toelatingsverzoek noch het opkomen door middel van een rechtsmiddel tegen beslissingen betreffende de duur van de schuldsanering of het verlenen van een schone lei als een daad van beschikking over de onder bewind staande goederen moet worden beschouwd. (rov. 3.1.1)
De rechtbank heeft kennelijk willen bewerkstelligen dat voor de schuldenaar de (reguliere) verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet meer (volledig) van kracht zijn en dat zij tot aan de laatste dag van een daartoe maximaal verlengde looptijd van haar schuldsaneringsregeling in de gelegenheid is om de niet door haar ontvangen alimentatiegelden van ruim € 2.000,-- alsnog aan de boedel over te maken zodat haar alsdan (alsnog) een (definitieve) schone lei kan worden verleend.
De letterlijke tekst van de beslissing van de rechtbank dat aan de schuldenaar in de tussenliggende periode van 14 juni 2022 tot 20 november 2023 alvast een schone lei wordt verleend, impliceert echter dat sprake is van een voorlopige dan wel voorwaardelijke schone leiverlening. Een dergelijke beslissing vindt geen steun in het recht. De grief van de schuldenaar slaagt in dat opzicht en het vonnis moet worden vernietigd. Dit betekent dat het hof opnieuw – ex nunc – moet beoordelen of de schuldsaneringsregeling met een schone lei moet worden beëindigd of dat er termen aanwezig zijn voor verlenging van de regeling, zoals de rechtbank kennelijk beoogde. (rov. 3.10.2)
De schuldenaar is de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en informatieverplichting niet steeds naar behoren nagekomen. Hierbij komt dat de rechter-commissaris de achterstallige alimentatiebetalingen heeft vastgesteld op € 2.132,31 en deze heeft gekwalificeerd als boedelachterstand. Deze inkomsten zouden, indien zij wel zouden zijn geïncasseerd, immers op grond van art. 295 Fw extra in de boedel zijn gevloeid. (3.10.3)
De vraag of juist is de vaststelling van de rechter-commissaris dat sprake is van een boedelachterstand, kan het hof in het kader van het hoger beroep van de eindzitting niet beantwoorden, althans daartoe is het hof niet bevoegd. De boedelachterstand – en de diverse componenten in dat kader – is voor het hof aldus een gegeven. (rov. 3.10.4-3.10.5)
Door het niet inlopen van de boedelachterstand is de schuldenaar naar het oordeel van het
hof toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor haar uit de
schuldsaneringsregeling voortvloeien. Geen sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing moet blijven. (rov. 3.10.6)
Het hof acht termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar maximaal te verlengen, althans tot het moment waarop de schuldenaar de volledige boedelachterstand van thans € 2.132,31 volledig heeft voldaan. Gedurende deze verlenging zal de schuldenaar zijn vrijgesteld van alle uit hoofde van de schuldsaneringsregeling voortvloeiende (reguliere) verplichtingen, met uitzondering van de verplichting tot de maandelijkse voldoening van het salaris gemachtigde en afdracht van in de betreffende periode te ontvangen of opgekomen bijzondere baten (giften, erfenissen en dergelijke). (rov. 3.10.7-3.11)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen de verlenging door het hof van de duur van de schuldsaneringsregeling. Het onderdeel klaagt onder meer dat deze beslissing in strijd is met het beginsel dat een appellant niet slechter mag worden van zijn hoger beroep.
3.2
Deze klacht slaagt. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder in hoger beroep uitsluitend zijn opgekomen tegen het dictum onder 3.4 van het vonnis van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de schuldenaar uiterlijk op 20 november 2023 een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 aan de boedel moet hebben afgedragen en heeft overwogen dat het niet-voldoen aan die verplichting kan resulteren in ontneming van de verleende schone lei. De omvang van het hoger beroep was daarmee beperkt tot de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de nog af te dragen achterstallige alimentatie en de ontneming van de verleende schone lei bij niet-voldoening aan die verplichting. Het stond het hof daarom niet vrij de – voor de schuldenaar gunstige en door haar niet bestreden – beslissing van de rechtbank dat aan de schuldenaar de schone lei wordt verleend, in haar nadeel te wijzigen.2.
3.3
Onderdeel 1 is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de beschermings-bewindvoerder in hoger beroep. Het onderdeel betoogt dat het bestrijden van verlening van een schone lei op voorwaarden die niet op de wet zijn gebaseerd, kan bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de schuldenaar.
3.4
Dit onderdeel slaagt eveneens. Het hof heeft in rov. 3.1.1 tot uitgangspunt genomen dat in hoger beroep wordt opgekomen tegen de duur van de schuldsaneringsregeling en/of het verlenen van een schone lei. Het hoger beroep van de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder was echter uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de schuldenaar uiterlijk op 20 november 2023 een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 aan de boedel moet hebben afgedragen en dat het niet-voldoen aan die verplichting kan resulteren in ontneming van de verleende schone lei (zie hiervoor in 3.2). De beschermingsbewindvoerder vertegenwoordigt in procedures die de vraag betreffen welk deel van het inkomen in het kader van de schuldsaneringsregeling aan de boedel dient te worden afgedragen, op grond van art. 1:441 lid 1 BW de rechthebbende in rechte.3.De beschermingsbewindvoerder was dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen die beslissing.
3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.6
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het stond de rechtbank niet vrij, naast verlening van de schone lei, tegelijkertijd te bepalen dat de schuldenaar een bedrag aan achterstallige alimentatie aan de boedel diende te voldoen en te overwegen dat bij niet-betaling daarvan, de verleende schone lei zou kunnen worden ingetrokken. Voor een dergelijke beslissing ontbreekt een rechtsgrond. De daartegen gerichte grieven van de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder slagen derhalve. De Hoge Raad zal het vonnis van de rechtbank in zoverre vernietigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2022;
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg van 14 juni 2022 voor zover daarin in het dictum onder 3.4 is beslist dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 13 januari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑01‑2023
Conclusie 21‑10‑2022
Inhoudsindicatie
WSNP. Verlenging looptijd en alvast verlenen schone lei (art. 349a en 354 Fw). Omvang van het hoger beroep. Ontvankelijkheid beschermingsbewindvoerder in hoger beroep. Achterstallige alimentatiebetalingen van ex-partner leveren geen boedelachterstand op maar kwalificeren als onzekere baten van de boedel. Samenhang met HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02809
Zitting 21 oktober 2022
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
1. [de schuldenaar] (hierna: de schuldenaar)
2. [de beschermingsbewindvoerder] (hierna: de beschermingsbewindvoerder)
tegen
[de bewindvoerder] (hierna: de bewindvoerder)
1. Inleiding en samenvatting
1.1
De toepassing van de schuldsaneringsregeling op deze schuldenaar is eerder aanleiding geweest voor een procedure bij de Hoge Raad. Toen ging het om de niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in een verzoek aan de rechter-commissaris op de voet van art. 317 Fw. Dat verzoek was gericht op het herzien van een beslissing over het vrijlaten van inkomen dat de schuldenaar vlak voor toelating tot de schuldsaneringsregeling had ontvangen. Bij beschikking van 21 november 2021 heeft de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak verwezen naar het hof ‘s-Hertogenbosch.1.
1.2
1.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat aan de schuldenaar de schone lei kan worden verleend, en dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn. De beschermingsbewindvoerder en de schuldenaar hebben hoger beroep ingesteld, maar alleen tegen de beslissing over de alimentatie. Het hof heeft de uitspraak van rechtbank vernietigd en onder meer de looptijd van de schuldsaneringsregeling verlengd tot (uiterlijk) 20 november 2023, dan wel zoveel korter tot aan de dag dat de schuldenaar het volledige boedeltekort van € 2.132,31 volledig heeft voldaan. Deze beslissing komt erop neer dat het hof, net als de rechtbank, het debiteurenrisico ter zake van het niet kunnen innen van de achterstallige alimentatie op de schuldenaar heeft afgewenteld.
1.4
In cassatie wordt terecht geklaagd dat het hof buiten de omvang van het hoger beroep is getreden met zijn oordeel dat de schone lei nog niet zal kunnen worden verleend en dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd. Ook de beslissing van het hof ten aanzien van de achterstallige alimentatie kan geen stand houden. Verder wordt terecht geklaagd dat het hof de beschermingsbewindvoerder ontvankelijk had moeten achten in zijn hoger beroep.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2.
2.2
Bij beschikking van 16 juli 2014 zijn de goederen die aan de schuldenaar (zullen) toebehoren onder bewind gesteld. De huidige beschermingsbewindvoerder is bij beschikking van 24 februari 2016 als zodanig benoemd.
2.3
Bij vonnis van 20 november 2018 is ten aanzien van de schuldenaar de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
2.4
Kort na de aanvang van schuldsaneringsregeling heeft de beschermingsbewindvoerder bij de rechter-commissaris bezwaar gemaakt tegen de ‘afroming’ van het beginsaldo op de rekening van de schuldenaar bij aanvang van de schuldsaneringsregeling. Daardoor kon de schuldenaar de vaste lasten op de lopende maand niet voldoen en was van aanvang af sprake van een tekort op de boedelrekening. Bij beschikking van 5 oktober 2020 heeft de rechter-commissaris vastgehouden aan de afroming. De rechtbank heeft het hoger beroep tegen die beschikking bij uitspraak van 15 december 2020 verworpen.
2.5
Tegen de beschikking van 15 december 2020 is cassatieberoep ingesteld door de beschermingsbewindvoerder en de schuldenaar. Bij beschikking van 12 november 2021 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd. Overwogen is onder meer dat gelet op de onwenselijkheid dat de schuldenaar zich in de periode direct na toelating tot de schuldsaneringsregeling genoodzaakt ziet nieuwe schulden aan te gaan, ervan moet worden uitgegaan dat de bewindvoerder kan bepalen dat de schuldenaar een deel van de bij aanvang van de schuldsanering tot de boedel behorende financiële middelen niet hoeft af te dragen, voor zover dat noodzakelijk kan worden geacht om, zo lang de schuldenaar nog niet beschikt over het eerste vrij te laten bedrag, de kosten van levensonderhoud en vaste lasten te voldoen.3.
2.6
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het hof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing, maar de schuldenaar en beschermingsbewindvoerder hebben er vanwege de kosten vanaf gezien de zaak daar na verwijzing aan te brengen.4.Uit het vonnis van 14 juni 2022 blijkt dat de rechtbank het verzoek van de advocaat van de schuldenaar om het aanvangssaldo bij toelating buiten de boedel te laten, alsnog heeft gehonoreerd (rov. 2.2.).5.
2.7
Bij vonnis van 2 februari 20216.is de schuldsaneringsregeling verlengd voor de duur van zes maanden, tot 20 mei 2022, om de schuldenaar alsnog in de gelegenheid te stellen de schuldsaneringsregeling met een schone lei af te sluiten. De reden voor de verlenging was gelegen in het niet-nakomen van de sollicitatie- en arbeidsplicht alsmede de informatieplicht. Het verlengingsvonnis vermeldt tevens dat een kwestie ten aanzien van te innen alimentatie door omstandigheden te lang was blijven liggen.
2.8
De rechtbank heeft conform art. 352 Fw een zitting bepaald waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.7.
2.9
Bij vonnis van 14 juni 2022 heeft de rechtbank als volgt beslist:8.
"De rechtbank
3.1.
stelt vast dat de saniet toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;
3.2.
bepaalt dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft;
3.3.
verstaat dat door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling het rechtsgevolg van artikel 358 lid 1 Fw intreedt, inhoudende dat vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsanering werkte, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn; aldus wordt aan de saniet de zogenaamde "schone lei” verleend;
3.4.
bepaalt dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn;
3.5.
verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;
3.6.
berekent de vergoeding op € 3.702,72, (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting en overige kosten ) en stelt het salaris van de bewindvoerder vast overeenkomstig de vergoeding, te weten € 3.702,72, (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting).”
2.10
Bij beroepschrift van 20 juni 2022 hebben de beschermingsbewindvoerder en de schuldenaar het hof verzocht om het vonnis te vernietigen voor zover daarbij is overwogen dat de schuldenaar uiterlijk 20 november 2023 zelf een bedrag van € 2.132,31 achterstallige alimentatie aan de boedel moet afdragen en, indien zij dat niet doet, dit kan resulteren in ontneming van de bij vonnis waarvan beroep verleende schone lei.
2.11
Op 13 juli 2022 heeft een mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.12
Bij arrest van 21 juli 2022 heeft het hof ‘s-Hertogenbosch als volgt beslist:9.
“Het hof:
verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover hierin is bepaald dat aan [de schuldenaar] reeds nu al een (voorlopige/voorwaardelijke) schone lei wordt verleend, de schuldsaneringsregeling van [de schuldenaar] is beëindigd en dat de huidige omvang van de boedelachterstand € 2.132,31 bedraagt;
verlengt de duur van de schuldsaneringsregeling van [de schuldenaar] tot (uiterlijk) 20 november 2023 dan wel dan wel zoveel korter tot aan de dag dat [de schuldenaar] het volledige boedeltekort van € 2.132,31 volledig heeft voldaan;
wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;
wijst af het meer of anders verzochte.”
2.13
De schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder hebben op 26 juli 2022 tijdig cassatieberoep ingesteld en daarbij een voorbehoud gemaakt met betrekking tot het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 13 juli 2022. Naar aanleiding van dat proces-verbaal, dat op 12 augustus 2022 is verstrekt, hebben de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder op 22 augustus 2022 aanvullende opmerkingen gemaakt (inclusief een aanvullende klacht10.).
2.14
De bewindvoerder is niet verschenen in cassatie.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in zijn hoger beroep. Het tweede onderdeel richt zich tegen de inhoudelijke beslissing van het hof om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen en om de achterstallige alimentatie als boedeltekort te beschouwen.
3.2
De klachten uit onderdeel 1 bouwen voort op onderdeel 2.11.Om die reden zal eerst het tweede onderdeel worden behandeld.
3.3
Onderdeel 2 richt zich tegen de beslissing van het hof om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen, en tegen de daaraan ten grondslag liggende overwegingen (rov. 3.10.2-3.11 en 3.13).
3.4
Geklaagd wordt dat het hof:12.
a. in strijd heeft gehandeld met het beginsel dat de appellant niet slechter mag worden van zijn hoger beroep;
b. ten onrechte is uitgegaan van de door het hof beschreven beslissing van de rechter-commissaris, dat oordeel en op dit punt een verrassingsoordeel heeft gegeven;
c. de grenzen van wat aan zijn beoordeling voorlag te nauw heeft getrokken;
d. ten onrechte heeft gemeend een boedelachterstand tot uitgangspunt te nemen;
e. ten onrechte is voorbijgegaan aan het beroep van de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder op gezag van gewijsde; en
f. kennelijk en op onbegrijpelijke wijze heeft gemeend dat de vertraging als gevolg van de ziekte van de behandelend advocaat, voor risico van de schuldenaar komt.
Verlenging van de looptijd, verlening schone lei en omvang van het hoger beroep
3.5
Subonderdeel 2(a) klaagt dat het hof in strijd heeft gehandeld met het beginsel dat de appellant niet slechter mag worden van zijn hoger beroep. Het hof diende zich te beperken tot beoordeling van de zaak voor zover deze door het slagen van de grief weer open was gevallen en diende daarbij de niet-aangevallen/niet-aangetaste onderdelen van het vonnis tot uitgangspunt te nemen. Het stond het hof niet vrij te beslissen dat de schuldenaar – toch – geen schone lei zou worden verleend en dat de wettelijke schuldsaneringsregeling jegens haar – toch – niet zou worden beëindigd, maar wel maximaal zou worden verlengd. Door desondanks wel zo te beslissen, is het hof buiten de omvang van het hoger beroep getreden en is daarmee het verbod van reformatio in peius geschonden (par. 2.1-2.11 van de procesinleiding).
3.6
Voorop valt te stellen dat het hof het vonnis van de rechtbank zó heeft uitgelegd, dat de rechtbank enerzijds de looptijd van de schuldsaneringsregeling maximaal heeft verlengd zodat de schuldenaar alsdan (alsnog) een definitieve schone lei kan worden verleend, waarbij de rechtbank heeft willen bewerkstelligen dat de (reguliere) verplichtingen niet meer (volledig) van kracht zijn (eerste volzin rov. 3.10.2); en anderzijds alvast heeft geoordeeld dat de schuldenaar een schone lei kan worden verleend vanaf de datum van uitspraak van het vonnis (derde volzin rov. 3.10.2).
3.7
Het hof constateert terecht, en dat staat in cassatie niet ter discussie, dat een dergelijke beslissing geen steun vindt in het recht (rov. 3.10.2, vierde volzin). Dit is als volgt toe te lichten.
3.8
Uiterlijk drie maanden voor het einde van de looptijd brengt de bewindvoerder verslag uit aan de rechter-commissaris over de wijze waarop de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan (art. 351a Fw). Vervolgens bepaalt de rechtbank uiterlijk een maand voor het einde van de looptijd, een zitting ‘waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld’ (art. 352 lid 1 Fw). Op deze zitting, of kort daarna, doet de rechtbank uitspraak over de vraag of de schuldenaar, kort gezegd, aan de op hem rustende schuldsaneringsverplichtingen heeft voldaan en of een eventuele toerekenbare tekortkoming van de schuldenaar buiten beschouwing blijft (art. 354 Fw). Dat is bepalend voor het later verkrijgen van de ‘schone lei’ als bedoeld in art. 358 Fw.
3.9
De rechterlijke beoordeling van de inspanningen van de schuldenaar kan ertoe leiden dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd tot in totaal maximaal vijf jaar; zo’n verlenging is eveneens mogelijk indien de driejaarstermijn op dat moment al is verstreken.13.Met de mogelijkheid tot verlenging van de looptijd is met name beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting gerechtvaardigd is dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn.14.
3.10
Het is echter het één of het ander: als de looptijd wordt verlengd, dan is de schuldsaneringsregeling nog (of: wederom) van toepassing. Tijdens de verlenging blijven ook de verplichtingen gelden en vallen de goederen die worden verkregen nog steeds in de boedel (art. 295 Fw). Bij die stand van zaken kan niet reeds op de voet van art. 354 Fw worden beslist of de schuldenaar aan de op hem rustende schuldsaneringsverplichtingen heeft voldaan en aldus te zijner tijd de schone lei wordt verleend; die beoordeling kan pas plaatsvinden tegen het einde van de (al dan niet verlengde) looptijd. Om die reden kon de rechtbank niet tegelijkertijd én alvast een schone lei verlenen én de looptijd van de toepassing van de schuldsaneringsregeling verlengen.
3.11
Voor de bespreking van het cassatieberoep is van belang dat het hier gaat om een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in art. 349a Fw (voor wat betreft de verlenging van de looptijd) en art. 354 Fw (voor wat betreft de beoordeling van de inspanningen van de schuldenaar). Ook het hof is hiervan uitgegaan, zo blijkt uit rov. 3.10.2.
3.12
Dergelijke uitspraken kunnen in hoger beroep niet worden bestreden door de bewindvoerder. Hoger beroep tegen een verlenging van de termijn op de voet van art. 349a Fw in het kader van de zitting als bedoeld in art. 352 Fw kan immers alleen worden ingesteld door de schuldeisers die om de wijziging van de termijn gevraagd hebben (hier niet aan de orde) en door de schuldenaar (art. 360 jo. 349a lid 3 Fw). Hoger beroep tegen een uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw kan alleen worden ingesteld door de schuldeisers en door de schuldenaar (art. 360 jo. 355 Fw).
3.13
Overigens blijkt uit de gedingstukken dat de bewindvoerder in hoger beroep wel verweer heeft gevoerd (bij brief van 6 juli 2022), maar dat zij geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Aan het slot van haar verweerschrift schrijft de bewindvoerder namelijk: ‘Ik verzoek het Hof het vonnis van de rechtbank Limburg te bekrachtigen.’ Het is dus terecht dat het hof de bewindvoerder niet als incidenteel appellant heeft aangemerkt.15.
3.14
In cassatie wordt aangevoerd dat in hoger beroep alleen is opgekomen tegen rov. 3.4 van het dictum (en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en beslissingen). Op die plaats is opgenomen dat de rechtbank:
“bepaalt dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn;”
En in rov. 2.5 valt onder meer te lezen dat de rechtbank van oordeel is dat de achterstallige alimentatie uiterlijk op 20 november 2023 door de boedel moet zijn ontvangen, en dat de rechtbank:
“bepaalt dat:
(…)- indien de saniet uiteindelijk toch niet overgaat tot het tijdig storten van de achterstallige alimentatiebetalingen in de boedel, dit kan resulteren in ontneming van de bij dit vonnis verleende schone lei.”
3.15
In het beroepsschrift onder het afsluitende kopje ‘Redenen waarom’ (p. 4) is opgenomen (mijn onderstreping):
“het gerechtshof wordt verzocht het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg te vernietigen voor zover daarbij is overwogen en geoordeeld dat [de schuldenaar] uiterlijk 20 november 2023 zelf een bedrag van € 2.132,31 achterstallige alimentatie aan de boedel moet afdragen en, indien [de schuldenaar] dat niet doet, dit kan resulteren in ontneming van de bij het vonnis verleende schone lei.”
Ook in het beroepsschrift onder ‘Grief’ (p. 3) en onder ‘Toelichting’ (p. 3-4) is tot uitdrukking gebracht dat de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder hun hoger beroep hebben beperkt tot de beslissing ten aanzien van de achterstallige alimentatie.
3.16
Daarmee laten de gedingstukken geen andere conclusie toe dan dat de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder alleen deze beslissing hebben bestreden. Nu geen sprake is (en evenmin kan zijn) van incidenteel beroep van de bewindvoerder, was de omvang van het hoger beroep dus beperkt tot de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de achterstallige alimentatie. De regels over de omvang van het hoger beroep gelden immers ook in schuldsaneringszaken.16.
3.17
De overige beslissingen van de rechtbank lagen dus buiten het beoordelingsbereik van het hof en hadden dan ook door het hof moeten worden geëerbiedigd.17.Het hof was niet bevoegd om te oordelen over de beslissing van de rechtbank dat de tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (rov. 3.1 en 3.2 van het dictum) en over de beslissing dat aan haar de schone lei wordt verleend (rov. 3.3 van het dictum). Dat de rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (rov. 3.5 van het dictum) en de berekening van het salaris van de bewindvoerder (rov. 3.6 van het dictum), lag eveneens buiten het beoordelingsbereik van het hof.
3.18
Het hof heeft echter het gehele vonnis van de rechtbank vernietigd, of in elk geval – het dictum van het hof is niet consistent18.– ook oordelen vernietigd die zich buiten zijn beoordelingsbereik bevonden. Hiermee heeft het hof zich begeven in kwesties die niet aan zijn beslissing onderworpen waren, waarmee het de grenzen van het zijn beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden.
3.19
Als gevolg van deze overschrijding doet zich bovendien de situatie voor dat de schuldenaar slechter is geworden van haar hoger beroep (‘reformatio in peius’). Zij ziet zich immers in hoger beroep geconfronteerd met een arrest waarin haar níet de schone lei is toegekend, en bovendien de looptijd van de schuldsaneringsregeling (opnieuw) is verlengd. Een dergelijke verslechtering van de positie van appellant in hoger beroep is niet toegestaan.19.
3.20
Subonderdeel 2(a) slaagt dus.
De achterstallige alimentatie
3.21
De subonderdelen 2(b) t/m 2(f) hebben betrekking op de beslissingen van het hof ten aanzien van de achterstallige alimentatie. De situatie is als volgt: de schuldenaar heeft recht op een bedrag aan achterstallige alimentatie van in totaal € 2.132,31; deze vordering valt in de boedel, maar is nog niet geïnd bij de betreffende ex-partners van de schuldenaar, en het is onzeker of volledige inning mogelijk is.
3.22
De achtergrond van de discussie over de achterstallige alimentatie is te lezen in het vonnis van 2 februari 2021, waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zes maanden is verlengd (zie onder 2.7).20.Uit die uitspraak blijkt dat de bewindvoerder ten aanzien van de achterstallige alimentatie de schuldenaar verwijt dat zij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld met het innen hiervan.21.De schuldenaar heeft aangevoerd dat het zo lang is blijven liggen door ernstige ziekte van de advocaat die hiertoe was ingeschakeld.22.De rechtbank heeft in het verlengingsvonnis overwogen dat het grootste struikelblok in deze schuldsaneringsregeling het bijna twee jaar uitblijven van actie en informatie over de alimentatie is, samen met het niet-aanvullend solliciteren volgens de regels, en dat de rechtbank met de termijnverlenging de schuldenaar een extra kans heeft gegeven.23.
3.23
Ten tijde van het wijzen van het eindvonnis als bedoeld in art. 354 Fw, op 14 juni 2022, was nog steeds sprake van achterstallige alimentatie, zo volgt uit dat vonnis. De rechtbank overweegt dat ten tijde van de behandeling ter zitting sprake was van ‘een boedelachterstand, deels veroorzaakt door achterstallige alimentatiebetalingen’. Kennelijk is dit echter geen aanleiding geweest voor de rechtbank om de looptijd van de schuldsaneringsregeling nogmaals te verlengen en evenmin om de schuldenaar de schone lei te onthouden. Wel heeft de rechtbank in rov. 3.4 van het dictum bepaald dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn. Volgens de rechtbank kan namelijk pas financieel afgewikkeld worden als de boedel volledig op peil is (rov. 2.4).
3.24
De kern van het betoog van de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder in hoger beroep is dat de rechtbank ten onrechte het debiteurenrisico ter zake van de achterstallige alimentatie op de schuldenaar heeft afgewenteld. Aangevoerd is dat een boedelachterstand iets anders is dan een boedelvordering en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schuldenaar het bedrag van € 2.132,31 ook moet betalen indien zij dat niet of niet geheel weet te incasseren (vgl. rov. 3.5 en 3.6 van het bestreden arrest).
3.25
De bewindvoerder heeft in hoger beroep aangevoerd dat ter eindzitting nog boedelgeld mistte omdat de schuldenaar niet voortvarend te werk is gegaan om met spoed (ten gunste van de schuldeisers) onderhoudsbijdrage voor twee van de drie kinderen te verkrijgen (rov. 3.7.1).
3.26
Het hof heeft overwogen dat de rechter-commissaris de achterstallige alimentatiebetalingen heeft vastgesteld op € 2.132,31 en heeft gekwalificeerd als boedelachterstand. Deze inkomsten zouden immers op grond van art. 295 Fw extra in de boedel zijn gevloeid, indien zij wel zouden zijn geïncasseerd (rov. 3.10.3). Vervolgens overweegt het hof dat het in het kader van het hoger beroep van de eindzitting niet kan beoordelen of het juist is dat sprake is van een boedelachterstand of dat de bezwaren van de schuldenaar tegen de eerdere vaststelling door de rechter-commissaris ter zake doel treffen, althans dat het hof daartoe niet bevoegd is. Het hof overweegt dat de discussie over het te laat innen van alimentatie en de (uiteindelijke) beslissing van de rechter-commissaris dit aan de schuldenaar toe te rekenen als achterstand, op een eerdere beslissing ziet in het kader van art. 295 Fw over (de omvang van en afdracht aan) de boedel, als door de bewindvoerder voorgesteld en door de rechter-commissaris (impliciet of expliciet) geaccordeerd; dergelijke beslissingen hebben hun eigen – beperkte – toetsingsmogelijkheden (rov. 3.10.4). De boedelachterstand is voor het hof aldus een gegeven en het hof meent dat er geen taak op het hof rust, dan wel dat het niet bevoegd is, om ter zake enige beslissing te nemen (rov. 3.10.5).
3.27
In cassatie klagen de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder onder meer erover dat geen sprake is van een impliciete of expliciete beslissing van de rechter-commissaris op dit punt. Niet om de achterstallige alimentatiebetalingen als boedelachterstand te kwalificeren en op een bedrag van € 2.132,31 vast te stellen, en evenmin om een door de bewindvoerder voorgestelde omvang van (en afdracht aan) de boedel te accorderen. Van dergelijke beslissingen blijkt in elk geval niet in het procesdossier. Zie par. 2.12-2.13 van de procesinleiding.
3.28
Deze klacht slaagt: het procesdossier biedt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de rechter-commissaris dergelijke beslissingen heeft genomen. De redenering van het hof is dus niet steekhoudend. Hiermee slaagt ook de klacht uit subonderdeel 2(b).
3.29
Het slagen van die klacht betekent dat ook ’s hofs oordeel dat ‘de boedelachterstand voor het hof aldus een gegeven is’ geen stand houdt. Overigens hád de rechtbank ook niet geoordeeld dat sprake is van een boedelachterstand van € 2.132,31. De rechtbank heeft immers overwogen dat de geconstateerde boedelachterstand € 2.494,81 bedroeg, en dat die achterstand volledig is voldaan door de schuldenaar (rov. 2.2 en 2.3 van het in hoger beroep bestreden vonnis van 14 juni 2022). Van een boedelachterstand is dus geen sprake.
3.30
De alimentatievorderingen van de schuldenaar kwalificeren niet als boedelachterstand (ook niet in de visie van de rechtbank), maar als onzekere baten van de boedel. In een uitspraak uit 201424.heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bewindvoerder ervoor kan kiezen om dergelijke baten voorwaardelijk in de slotuitdelingslijst op te nemen, in die zin dat als die baten worden gerealiseerd dat leidt tot een aanvullende uitkering aan de schuldeisers.25.De bewindvoerder kan er ook voor kiezen om op redelijke gronden af te zien van het (trachten te) realiseren van dergelijke baten, al dan niet voorlopig, en zulke baten niet in de slotuitdeling te betrekken en, indien dergelijke baten nadien alsnog worden gerealiseerd of realiseerbaar blijken, deze te behandelen als bate in de zin van art. 194 Fw (de zogenaamde ‘nagekomen bate’).
3.31
De wet biedt dus inderdaad geen grondslag om het debiteurenrisico (het risico dat de baten nooit geïnd kunnen worden) af te wentelen op de schuldenaar. Ook in zoverre slagen de klachten.
3.32
Bij deze stand van zaken kunnen de overige klachten uit het tweede onderdeel onbesproken blijven.
De niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in hoger beroep
3.33
Onderdeel 1 is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in hoger beroep (zie rov. 3.1.1, 3.1.2, 3.1.4 en 3.12). De klachten van dit onderdeel bouwen voort op het zojuist besproken onderdeel 2.
3.34
Ten aanzien van de positie van de beschermingsbewindvoerder heeft het hof vastgesteld dat hij, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in de gelegenheid is gesteld om zijn visie te geven over het verzoek van de schuldenaar (rov. 3.1.1).
3.35
Aan de niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in zijn hoger beroep legt het hof ten grondslag dat:
- het opkomen door middel van een rechtsmiddel tegen beslissingen betreffende de duur van de schuldsanering en/of het verlenen van een schone lei, niet moet worden beschouwd als, kort samengevat, een daad van beschikking (of daarmee samenhangend) over de onder bewind staande goederen (rov. 3.1.1), en
- de schuldenaar in deze procedure zelfstandig kan optreden en de beschermingsbewindvoerder vertegenwoordigt haar niet (rov. 3.1.4).
3.36
De schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder klagen in cassatie over de juistheid en de begrijpelijkheid van deze beslissingen en overwegingen, omdat:26.
a. deze procedure niet het opkomen door middel van een rechtsmiddel tegen beslissingen betreffende het verlenen van een schone lei betreft; en
b. de onderhavige procedure geen, of niet in overwegende mate, betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank omtrent de schone lei in het kader van de eindzitting als bedoeld in art. 354 Fw.
Het middel vervolgt dat de rechtsstrijd in hoger beroep daarentegen wel betrof, zoals het hof in rov. 3.10.2 heeft onderkend, kort gezegd, de vraag of de voorwaarden die de rechtbank aan de schone lei had verbonden, juridisch door de beugel kunnen. Het hof had de beschermingsbewindvoerder daarom wel ontvankelijk moeten verklaren, temeer omdat het verkrijgen van de schone lei op voorwaarden die wel op de wet zijn gebaseerd, onmiskenbaar kan bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de schuldenaar. Ook wordt gesteld dat de beschermingsbewindvoerder belang in en bij cassatie heeft, omdat het oordeel van het hof ziet op een bedrag ter zake van een vermeende boedelachterstand zodat dit oordeel het vermogen van de schuldenaar betreft en daarmee ziet op een aan de beschermingsbewindvoerder toevertrouwd belang van de schuldenaar.27.
3.37
Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat niet juist is wat het hof blijkens rov. 3.1.1 veronderstelt in verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de beschermingsbewindvoerder, namelijk dat in hoger beroep wordt opgekomen tegen de duur van de schuldsanering en of het verlenen van een schone lei. Zoals gezegd (zie onder 3.14-3.16), was het hoger beroep uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de schuldenaar uiterlijk op 20 november 2023 een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 aan de boedel moet hebben afgedragen.
3.38
In een eerdere conclusie28.heb ik besproken dat art. 1:441 lid 1 BW bepaalt dat de beschermingsbewindvoerder voor de rechthebbende ‘alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen’, en dat hiermee door de wetgever tot uitdrukking is gebracht dat de beschermingsbewindvoerder een ruime taakstelling heeft.29.De bewindvoerder moet proactief zijn, nagaan voor welke voorzieningen de rechthebbende in aanmerking kan komen en in geval van beslag ervoor zorgen dat de beslagvrije voet in acht wordt genomen. Dit alles om de financiële situatie van de rechthebbende te stabiliseren.30.
3.39
Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). De beschermingsbewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende dus niet in het algemeen, maar alleen in het kader van de vervulling van zijn taak. Om te kunnen vaststellen wanneer de bewindvoerder de rechthebbende wel en niet in rechte vertegenwoordigt, moet dus worden vastgesteld of de bewindvoerder handelt bij de vervulling van zijn taak.31.
3.40
Het aanvechten van een rechterlijke beslissing waarin de rechthebbende is veroordeeld om uiterlijk op 20 november 2023 een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 aan de boedel af te dragen, is onmiskenbaar een handeling die bijdraagt aan een goed bewind. De rechterlijke beslissing raakt immers rechtstreeks aan (de omvang van) de onder bewind staande goederen. Afdracht van dit bedrag aan de boedel zou tot gevolg hebben dat de onder bewind staande goederen met een gelijk bedrag verminderen.
3.41
Hiermee slaagt ook de klacht van onderdeel 1.
Vervolg
3.42
De Hoge Raad zou de zaak zelf kunnen afdoen. Daarmee kan de schuldenaar een nieuwe rechtsgang worden bespaard in deze bepaald onverkwikkelijk verlopen rechterlijke procedure.
3.43
Het gevolg van de vernietiging van het bestreden arrest is dat de beslissingen van de rechtbank herleven en kracht van gewijsde verkrijgen. Daarmee staat vast, kort gezegd, dat de schuldenaar de schone lei zal kunnen worden verleend en de schuldsaneringsregeling formeel zal kunnen worden beëindigd. Hierbij ga ik ervan uit dat de vermelding in het dictum, ‘vernietigt het vonnis waarvan beroep’, een verschrijving is, en dat het hof bedoeld heeft te beslissen conform hetgeen daarna is vermeld (‘vernietigt (…) voor zover’). Voor het overige was het vonnis immers niet onderworpen aan het oordeel van het hof.
3.44
Aanvullend zal door de Hoge Raad moeten worden bepaald dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarin is bepaald (onder 3.4) dat een bedrag aan achterstallige alimentatie van € 2.132,31 uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moet zijn. Voor een dergelijke beslissing ontbreekt een rechtsgrond.
3.45
De bewindvoerder dient vervolgens op de voet van art. 356 lid 1 Fw onverwijld over te gaan tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. Zodra die slotuitdelingslijst verbindend is geworden, is de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege beëindigd (art. 356 lid 2 Fw) en ontvangt de schuldenaar de schone lei (art. 358 lid 1 Fw).
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met afdoening als voorgesteld onder 3.43-3.44.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑10‑2022
HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670, NJ 2022/38, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JBPr 2022/17, m.nt. G.J. Harryvan.
Zie Rb. Maastricht 14 juni 2022, insolventienr. C/03/18/445 R (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 1.1; Hof Den Bosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2509, rov. 3.2; HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670, NJ 2022/38, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 2.1(i) en (ii).
HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670, NJ 2022/38, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 4.2.4.
In het arrest van het hof van 21 juli 2022 is daarover het volgende vermeld in rov. 3.1.3: “Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg blijkt dat de advocaat van [appellante] bewust heeft afgezien van een dergelijk aanbrengen, vanwege de kosten die dit voor [appellante] blijkbaar met zich zou brengen in relatie tot het aan de orde zijnde belang (€ 987,00) alsook vanwege de belasting van de rechterlijke macht (drie raadsheren plus griffier) door deze extra procedure. In ieder geval is gesteld noch gebleken dat de onderhavige procedure geheel of deels bedoeld is om alsnog uitvoering te geven aan het genoemde beschikking van de Hoge Raad.”
Zie de discussie hierover ter zitting bij de rechtbank, proces-verbaal p. 2 (bijlage 6 bij het beroepschrift).
Rb. Maastricht 2 februari 2021, insolventienr. C/03/18/445 R (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dit vonnis is één van de zes stukken uit bijlage 2 bij het verweerschrift in hoger beroep van de bewindvoerder van 6 juli 2022.
Bijlage 6 bij het beroepschrift.
Rb. Maastricht 14 juni 2022, insolventienr. C/03/18/445 R (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Hof Den Bosch 21 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2509.
Die klacht is opgenomen in par. 9 van de brief van 22 augustus 2022.
Zie ook uitdrukkelijk p. 2 van de procesinleiding: ‘zoals uit klacht 2 en haar toelichting blijkt’.
Voornamelijk ontleend aan de opsomming op p. 4 van de procesinleiding en aan par. 9 van de aanvullende opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal in hoger beroep.
Zie HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.5.6.
Zie HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:316, NJ 2018/130, rov. 3.3.2.
Die indruk zou kunnen ontstaan bij lezing van het slot van rov. 3.10.2: ‘Het hof acht hierbij [bij de nieuwe beoordeling, A-G] van belang dat uit hetgeen door de bewindvoerder in haar brief van 6 juli 2022 onder het kopje grief is aangevoerd. Uit hetgeen zij daar ter zitting aan heeft toegevoegd volgt dat zij beoogt een verlenging van de schuldsaneringsregeling op de door de rechtbank kennelijk (zie de eerste alinea van deze rechtsoverweging) beoogde wijze.’ Dat kopje ‘grief’ in de brief van de bewindvoerder is echter slechts een reactie op de grief van de schuldenaar en de beschermingsbewindvoerder, zowel gelet op de structuur als op de inhoud van haar brief.
Zie ook HR 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9099, RvdW 2008/989, rov. 3.4, waarnaar de schuldenaar in cassatie verwijst (par. 2.1 van de procesinleiding). Daar overweegt de Hoge Raad: ‘Terecht klaagt middel II dat het het hof niet vrijstond aldus ten nadele van [saniet] het vonnis van de rechtbank te vernietigen op een onderdeel waartegen de grieven van [saniet] niet waren gericht.’ Zie bijv. ook Hof Den Bosch 10 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1779, rov. 3.9, waarnaar de schuldenaar in cassatie eveneens verwijst (par. 2.2 van de procesinleiding). Zie voorts F.J.P. Lock, ‘Devolutieve werking en grievenstelsel in hoger beroep in wettelijke schuldsaneringszaken’, WSNP Periodiek 2015/2.
Vgl. ook F.J.P. Lock, ‘Ambtshalve toetsing in hoger beroep. Over de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied’, TCR 2014/2, par. 5.
Eerst wordt het vonnis waarvan beroep vernietigd, en vervolgens wordt ‘opnieuw rechtdoende’ het vonnis vernietigd ‘voor zover hierin is bepaald dat aan [de schuldenaar] reeds nu al een (voorlopige/voorwaardelijke) schone lei wordt verleend, de schuldsaneringsregeling van [de schuldenaar] is beëindigd en dat de huidige omvang van de boedelachterstand € 2.132,31 bedraagt’, waarna het hof de duur van de schuldsaneringsregeling verlengt.
HR 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9099, RvdW 2008/959, rov. 3.4
Volledigheidshalve: deze uitspraak is dus niet gewezen in het kader van de procedure die tot het nu voorliggende cassatieberoep heeft geleid.
Rb. Maastricht 2 februari 2021, insolventienr. C/03/18/445 R (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 2.2. Dit vonnis is één van de zes stukken uit bijlage 2 bij het verweerschrift in hoger beroep van de bewindvoerder van 6 juli 2022.
Idem, rov. 2.4.
Idem, rov. 2.6.
Zie HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3678, NJ 2015/168, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.5.2-3.5.7.
Zie over deze optie overigens kritisch Verstijlen in zijn noot bij het arrest, onder punt 12.
Procesinleiding, p. 2.
Procesinleiding, p. 2-3.
Zie mijn conclusie voor HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, NJ 2020/171, TvI 2020/46, m.nt. B.J. Engberts, onder 3.9-3.16.
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 054, nr. 3, p. 34-35 (MvT).
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 054, nr. 3, p. 35 (MvT).
Zie bijv. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, NJ 2020/171, TvI 2020/46, m.nt. B.J. Engberts, rov. 3.1.2.
Beroepschrift 08‑09‑2022
Procesinleiding terzake een verzoekprocedure in cassatie ex artikel 426a Rv
Toevoeging is aangevraagd
Verzoekster en verzoeker
Verzoekster is mevrouw [de schuldenaar] (‘[de schuldenaar]’) en verzoeker is de heer [beschermingsbewindvoerder] handelend onder de naam [beschermingsbewindvoerder], kantoorhoudende te [vestigingsplaats], in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [de schuldenaar] (‘[beschermingsbewindvoerder]’), die beiden voor deze cassatieprocedure woonplaats kiezen aan het Louis Couperusplein 2 te 2514 HP Den Haag, wat het kantooradres is van de advocaat bij de Hoge Raad mr. J. van Weerden, die door [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] is aangewezen hen in deze cassatieprocedure te vertegenwoordigen en die deze procesinleiding op * heeft ondertekend en ingediend.
Verweerster
Verweerster is mevrouw [bewindvoerder], die per post te bereiken is via [postadres], in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling waartoe de rechtbank Limburg [de schuldenaar] bij vonnis van 20 november 2018 heeft toegelaten en waarbij die rechtbank tot rechter-commissaris heeft benoemd het lid van die rechtbank mr. J.J. Groen, waarna per 3 maart 2020 het lid van de rechtbank mr. J. Schreurs van de Langemheen tot rechter-commissaris is benoemd (‘de rechter-commissaris’) die per post te bereiken is via postbus 1988, 6201 BZ Maastricht.
Cassatieberoep
[de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] stellen hierbij, tijdig, beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd aan het Korte Voorhout 8 te 2511 EK Den Haag, die bevoegd is van dit cassatieberoep kennis te nemen, tegen het arrest van 21 juli 2022 met kenmerk 200.312.098/01 (‘het arrest’) dat het gerechtshof 's‑Hertogenbosch (‘het gerechtshof’) in hoger beroep ten aanzien van [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] heeft gewezen.
Verschijnen verweerster
Verweerster kan, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ten laatste als verweerster in cassatie verschijnen op 8 (acht) september 2022 (tweeduizend tweeëntwintig).
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk I van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (Stcrt. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 te 2511 EK Den Haag.
Cassatiemiddel, verzoek
Het gerechtshof heeft het recht geschonden en/of op straffe van nietigheid voorschreven vormen verzuimd in acht te nemen, zoals blijkt uit de hierna genoemde, in hun onderlinge samenhang te beschouwen klachten met toelichting.
Op grond hiervan verzoeken [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] de Hoge Raad het arrest te vernietigen en zodanige verdere uitspraak te geven als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, ook omtrent de kosten.
Klacht 1
Onder 3.1.1., 3.1.2. en 3.1.4. (zie ook 3.12.) heeft het gerechtshof [beschermingsbewindvoerder] niet ontvankelijk verklaard omdat volgens het gerechtshof, kort gevat:
- a.
het opkomen door middel van een rechtsmiddel tegen beslissingen betreffende het verlenen van een schone lei niet als daad van beschikking (of daarmee samenhangend) over de onder bewind staande goederen moet worden beschouwd en kennelijk volgens het gerechtshof daarvan in deze zaak sprake is,
- b.
kennelijk in deze procedures de beschermingsbewindvoerder niet kan bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van [de schuldenaar] als de rechthebbende,
- c.
de onderhavige procedure betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank omtrent de schone lei in het kader van de eindzitting als bedoeld in artikel 354 Fw.
Deze beslissing en de overwegingen waarop zij berust zijn rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Zoals uit klacht 2 en haar toelichting blijkt namelijk,
- a.
betreft deze procedure niet het opkomen door middel van een rechtsmiddel tegen beslissingen betreffende het verlenen van een schone lei
en
- b.
heeft de onderhavige procedure geen betrekking of niet in overwegende mate, op de beslissing van de rechtbank omtrent de schone lei in het kader van de eindzitting als bedoeld in artikel 354 Fw.
De rechtsstrijd in hoger beroep betrof wel, zoals het gerechtshof onder 3.10.2 heeft onderkend, kort gezegd, de vraag of de voorwaarden die de rechtbank Limburg (‘de rechtbank’) in haar in hoger beroep bestreden vonnis aan de schone lei had verbonden, juridisch door de beugel kunnen.
Hierom had het gerechtshof de beschermingsbewindvoerder wel ontvankelijk moeten verklaren, temeer omdat het verkrijgen van een schone lei op voorwaarden die wel op de wet zijn gebaseerd, onmiskenbaar wel kan bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van [de schuldenaar].
De beschermingsbewindvoerder heeft ook belang in en bij cassatie omdat het oordeel van het gerechtshof ziet op een bedrag ter zake van een vermeende boedelachterstand zodat dit oordeel het vermogen van [de schuldenaar] betreft en daarmee ziet op een aan de beschermingsbewindvoerder toevertrouwd belang van [de schuldenaar].
Klacht 2
Het gerechtshof heeft onder ten onrechte althans op onbegrijpelijke dan wel onvoldoende gemotiveerde wijze overwogen en beslist als hierna met gewijzigde opmaak geciteerd.
3.10.2
(…) Dit betekent dat het hof opnieuw — ex nunc — moet oordelen over de vraag of de schuldsaneringsregeling met een schone lei moet worden beëindigd of dat er termen aanwezig zijn voor verlenging van de regeling zoals door de rechtbank kennelijk werd beoogd. Het hof acht hierbij van belang dat uit hetgeen door de bewindvoerder in haar brief van 6 juli 2022 onder het kopje grief is aangevoerd. Uit hetgeen zij daar ter zitting aan heeft toegevoegd volgt dat zij beoogt een verlenging van de schuldsaneringsregeling op de door de rechtbank kennelijk (zie de eerste alinea van deze rechtsoverweging) beoogde wijze.
3.10.3.
Hierbij komt dat door de rechter-commissaris de achterstallige alimentatiebetalingen zijn vastgesteld op € 2.132,31 en gekwalificeerd als boedelachterstand. Deze inkomsten zouden, indien zij wel zouden zijn geïncasseerd, immers op grond van artikel 295 F W extra in de boedel zijn toegevloeid.
3.10.4.
De vraag of het juist is dat er sprake is van een boedelachterstand of dat de bezwaren van [de schuldenaar] tegen de eerdere vaststelling door de rechtercommissaris ter zake doel treffen, kan het hof in het kader van het hoger beroep van de eindzitting niet beantwoorden, althans daartoe is zij niet bevoegd.
(…)
De discussie over het te laat innen van alimentatie en de (uiteindelijke) beslissing van de rechter-commissaris dit aan [de schuldenaar] toe te rekenen als achterstand ziet op een eerdere beslissing in het kader van artikel 295 Fw over (de omvang van en afdracht aan) de boedel, als door de bewindvoerder voorgesteld en door de rechter-commissaris (impliciet of expliciet) geaccordeerd.
(…)
Dergelijke beslissingen hebben hun eigen — beperkte — toetsingsmogelijkheden.
3.10.5.
De boedelachterstand — en de diverse componenten in dat kader — is voor het hof aldus een gegeven. Indien de boedelachterstand (bij het hoger beroep van) de eindzitting opnieuw ter discussie zou kunnen worden gesteld, zou dit (een) extra rechtsmiddel(en) opleveren (hoger beroep en cassatieberoep). Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit niet mogelijk is gezien het gesloten systeem van rechtsmiddelen in de Faillissementswet. Er rust dan ook geen taak op het hof dan wel is zij (sic) niet bevoegd ter zake enige beslissing te nemen.
3.10.6.
Door het niet inlopen van de boedelachterstand is [de schuldenaar] naar het oordeel van het hof toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien (artikel 354 lid 1 BW).
Hieraan doet niet af dat volgens [de schuldenaar] de procedure ter zake het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage van de vaders van haar kinderen vertraging heeft opgelopen als gevolg van ziekte van de behandelend advocaat.
[de schuldenaar] had naar aanleiding de opdracht die zij in dit verband van de bewindvoerder in november 2018 had gekregen, direct in actie moeten komen door het inschakelen van een advocaat en niet pas op of kort voor 10 mei 2019 respectievelijk 13 januari 2020 (data toevoegingsaanvragen) en voorts, toen duidelijk werd dat de procedure vertraging zou oplopen door ziekte van de advocaat, een andere advocaat moeten inschakelen of andere maatregelen moeten treffen om de voortgang te bewaken.
Tenslotte geldt dat gezien deze gang van zaken en de omvang van de boedelachterstand geen sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing moet blijven (artikel 354 lid 2 Fw).
Gelet op het voorgaande kan van een (definitieve dan wel voorlopige/voorwaardelijke) schone lei op dit moment naar het oordeel van het hof dan ook geenenkele sprake zijn, daargelaten nog dat de constructie waarbij een voorlopige/voorwaardelijke schone lei wordt verleend, zoals reeds eerder opgemerkt, geen grondslag heeft in het recht.
3.10.7.
Nu [de schuldenaar] inmiddels wel (juridische) stappen ondernomen heeft om de achterstallige alimentatiegelden alsnog te incasseren en de beschermingsbewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk heeft gesteld dat [de schuldenaar], indien zij deze gelden toch niet voor 20 november 2023 (geheel) zou weten te incasseren, zij in staat is om deze gelden zelf bijeen te sparen acht het hof voldoende termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [de schuldenaar] maximaal te verlengen.
3.11.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [de schuldenaar] voortgezet dient te worden en dient te worden verlengd tot uiterlijk 20 november 2023, dan wel zoveel korter tot aan de dag dat [de schuldenaar] de volledige boedelachterstand van thans € 2.132,3 1 volledig heeft voldaan.
Door aldus te overwegen en beslissen:
- a.
heeft het gerechtshof in strijd gehandeld met het beginsel dat de appellant niet slechter mag worden van zijn hoger beroep,
- b.
is het gerechtshof ten onrechte uitgegaan van de door het gerechtshof beschreven beslissing van de rechter-commissaris,
- c.
heeft het gerechtshof de grenzen van wat aan zijn beoordeling voorlag te nauw getrokken,
- d.
heeft het gerechtshof ten onrechte gemeend een boedelachterstand tot uitgangspunt te moeten nemen,
- e.
is het gerechtshof ten onrechte voorbijgegaan aan het beroep van [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] op gezag van gewijsde,
- f.
heeft het gerechtshof kennelijk en op onbegrijpelijke wijze gemeend dat de vertraging als gevolg van de ziekte van de behandelend advocaat, voor risico van [de schuldenaar] komt.
[de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] lichten deze klacht als volgt toe.
Toelichting
Reformatio in peius
2.1.
Uit Hoge Raad 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9099, 3.4 blijkt dat, kort gezegd, het verbod van reformatio in peius ook geldt in WSNP-zaken.
2.2.
Uit gerechtshof Den Bosch 10 juni 2021, ECLI:NL:GHSE:2021:1779, 3.9 blijkt dat het gerechtshof, nota bene onder voorzitterschap van de raadsheer die in de onderhavige combinatie de voorzitter was, er blijk van heeft gegeven die gelding te onderkennen.
2.3.
De rechtbank heeft bij haar in hoger beroep bestreden vonnis van 14 juni 2022 (‘het vonnis’), onder 3.3. de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [de schuldenaar] beëindigd en daarbij onder 3.2. vastgesteld dat de vastgestelde tekortkoming gezien haar bijzondere aard of betekenis buiten beschouwing blijft en dat het rechtsgevolg van artikel 358 lid 1 Fw intreedt (de ‘schone lei’).
2.4.
[de schuldenaar], [beschermingsbewindvoerder] noch de bewindvoerder heeft tegen deze beslissingen gegriefd.
2.5.
De grief van [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] was namelijk alleen gericht tegen onderdeel 3.4 van het dictum van het vonnis waarin de rechtbank had bepaald dat de achterstallige alimentatie uiterlijk op 20 november 2023 aan de boedel afgedragen moest zijn, ongeacht of die alimentatie zou zijn geïnd.
2.6.
Volgens [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] berust dat deel van het dictum (en dit deel alleen) niet op de wet, zoals zij in de toelichting op de grief hebben uitgelegd.
2.7.
[de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] merken op dat de bewindvoerder kennelijk niet heeft gegriefd; wat de bewindvoerder heeft gesteld bij verweerschrift in hoger beroep onder ‘grief’ ziet overduidelijk alleen op een reactie op wat [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] als grief hebben aangevoerd en toegelicht. Het gerechtshof heeft de bewindvoerder dan ook met recht niet als incidenteel appellante gekenmerkt.
2.8.
Het gerechtshof moest zich hierom beperken tot beoordeling van de zaak voor zover deze door het slagen van de grief weer open was gevallen en diende daarbij de niet aangevallen of aangetaste onderdelen van het vonnis tot uitgangspunt te nemen.
2.9.
Het stond het gerechtshof dan ook niet vrij te beslissen dat [de schuldenaar] — toch — geen schone lei zou worden verleend, dat de wettelijke schuldsaneringsregeling jegens haar — toch — niet zou worden beëindigd, maar wel maximaal zou worden verlengd.
2.10.
Door desondanks wel zo te beslissen, is het gerechtshof buiten de omvang van het beroep getreden en is daarmee het verbod van reformatio in peius geschonden.
2.11.
Daarom is ook de laatste alinea van 3.10.2 van het arrest rechtens onjuist: het gerechtshof had niet ex nunc te oordelen over de vraag of de schuldsaneringsregeling met een schone lei moet worden beëindigd, omdat daartegen niet was gegriefd.
Geen beslissing rechter-commissaris
2.12.
Deze overwegingen en oordelen zijn feitelijk onjuist daar waar zij uitgaan van een impliciete of expliciete beslissing van de rechter-commissaris om de achterstallige alimentatiebetalingen op een bedrag van € 2.132,31 vast te stellen en als boedelachterstand te kwalificeren en/of van een impliciete of expliciete accordering door de rechter-commissaris van een door de bewindvoerder voorgestelde omvang van (en afdracht aan) de boedel.
2.13.
Van dergelijke beslissingen van de rechter-commissaris blijkt namelijk niet in het procesdossier. Het gerechtshof heeft zijn vaststellingen terzake bovendien onvoldoende gespecificeerd zodat zij oncontroleerbaar zijn.
2.14.
De rechtbank heeft in haar in hoger beroep bestreden vonnis, onder 2.4., onder meer, vastgesteld dat [de schuldenaar] (ertoe gehouden is) de achterstallige alimentatie van € 2.132,31, alsnog aan de boedel toe laten komen.
2.15.
Onder 2.5. aldaar heeft de rechtbank geoordeeld dat de achterstallige alimentatie uiterlijk op 20 november 2023 door de boedel moet zijn ontvangen.
2.16.
Met de in de beide voorgaande alinea's weergegeven overwegingen heeft de rechtbank klaarblijkelijk haar oordeel gegeven dat geen sprake is van een boedelachterstand maar wel van bedragen die [de schuldenaar] na ontvangst aan de boedel zal hebben af te dragen.
2.17.
Zie ook het proces verbaal van de eindzitting bij de rechtbank (laatste pagina onderaan) waar de rechtbank een onderscheid maakt tussen de echte boedelachterstand op basis van de afdrachten en de achterstallige alimentatie die later wordt betaald.
2.18.
Ook partijen zijn van die interpretatie van het vonnis dan wel van kwalificatie in de onder 2.16. hiervoor bedoelde zin van de op [de schuldenaar] rustende verplichting uitgegaan.
2.19.
De bewindvoerder is (verweerschrift in hoger beroep pagina 2, 3.2) er namelijk — terecht — met [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] (arrest 3.6) van uitgegaan dat de achterstallige alimentatiebedragen weliswaar aan de boedel toebehoren maar geen boedelachterstand betreffen.
2.20.
Dat betekent dat het gerechtshof gehouden was het onder 2.18. hiervoor beschreven, gezamenlijke standpunt van partijen tot uitgangspunt te nemen.
2.21.
Het gerechtshof mocht aldus niet, wat hij wel heeft gedaan, van zijn met het in de vorige alinea benoemde partijstandpunt strijdige opvatting uitgaan, ook al zou een beslissing van de rechter-commissaris als door het gerechtshof omschreven hebben voorgelegen.
Wel beoordelingsvrijheid gerechtshof
2.22.
Anders dan het gerechtshof kennelijk heeft gemeend vormt het gesloten systeem van rechtsmiddelen in de Faillissementswet geen beletsel op dit punt.
2.23.
Aan beslissingen van de rechter-commissaris zoals het gerechtshof die heeft omschreven komt namelijk geen gezag van gewijsde toe, gelet op de steeds aanwezige mogelijkheid opnieuw om een oordeel terzake te vragen (Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670, 4.1.2).
2.24.
Aldus zijn dergelijke beslissingen in voldoende mate vergelijkbaar met beslissingen bij voorraad in kort geding ex artikel 257 Rv. Hierom en omdat de eindzitting in WSNP-zaken in voldoende mate vergelijkbaar is met de zaak ten principale als bedoeld in artikel 257 Rv, brengen dergelijke beslissingen geen nadeel toe aan de beslissing in de eindzitting.
2.25.
Om de onder 2.23. en 2.24. hiervoor genoemde reden is ook het kennelijke rechtsoordeel van het gerechtshof onjuist dat alleen de rechter-commissaris (in eerste aanleg) en niet het gerechtshof (in hoger beroep) terzake een oordeel mag geven.
2.26.
In elk geval is het zo dat partijen er klaarblijkelijk voor gekozen hebben (zie 2.18. hierboven) aan een eventueel gezag van gewijsde voorbij te gaan en het gerechtshof niet bevoegd was dat ambtshalve bij te brengen, zodat ook hierom de benadering van het gerechtshof niet kan worden nagevolgd.
Boedelachterstand was geen feit
2.27.
Anders dan het gerechtshof heeft gemeend mocht het gerechtshof de vermeende boedelachterstand — en de diverse componenten in dat kader om de hiervoor genoemde redenen niet als een gegeven beschouwen en diende het gerechtshof in het kader van het hoger beroep van de eindzitting de vraag of het juist is dat er sprake is van een boedelachterstand, wel degelijk en in aansluiting op het gelijkluidende standpunt van partijen, negatief te beantwoorden.
Gezag van gewijsde
2.28.
Anders dan het gerechtshof heeft gemeend had het gerechtshof zich om de voornoemde redenen ook behoren te onthouden van een discussie over het te laat innen van alimentatie.
2.29.
Het gerechtshof had zich voorts van beschouwingen terzake moeten onthouden omdat de rechtbank in haar vonnis van 2 februari 2021 (beroepschrift bijlage 2) al had geoordeeld dat [de schuldenaar] te laat om alimentatie had verzocht en dat het daaraan te verbinden rechtsgevolg verlenging van 6 maanden was, omdat deze beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen en omdat [de schuldenaar] zich onmiskenbaar op het gezag van het gewijsde heeft beroepen (zie 2.34. hierna).
2.30.
Dat in het door de rechtbank gekozen rechtsgevolg eventuele vertraging in de inning van alimentatie ‘ingebakken’ is, blijkt ook uit de overweging van het gerechtshof onder 3.2., dat de rechtbank bij vonnis van 2 februari 2021 de duur van de schuldsaneringsregeling waartoe [de schuldenaar] was toegelaten met een periode van zes maanden heeft verlengd om [de schuldenaar] alsnog in de gelegenheid te stellen de schuldsaneringsregeling met een schone lei af te sluiten, dat de reden voor de verlenging was gelegen in het niet nakomen van de sollicitatie- en arbeidsplicht en de informatieplicht ter zake de alimentatie, alsmede dat ten aanzien van de alimentatie nog werd vermeld dat actie twee jaar was uitgebleven maar dat de verzoekschriften ten tijde van het vonnis van 2 februari 2021 waren ingediend.
2.31.
Uit deze overwegingen van het gerechtshof blijkt namelijk dat [de schuldenaar] terzake van haar verplichting om rechterlijke vaststelling van alimentatieverplichtingen te verzoeken had voldaan en terzake alleen haar voortdurende informatieverplichting richting de bewindvoerder resteerde voor de bij vonnis van 2 februari 2021 verlengde duur van de schuldsaneringsregeling.
2.32.
Zie in dit licht ook de vaststelling van het gerechtshof onder 3.10.7. dat [de schuldenaar] inmiddels wel (juridische) stappen ondernomen heeft om de achterstallige alimentatiegelden alsnog te incasseren.
2.33.
Omdat [de schuldenaar], zoals het gerechtshof kennelijk had vastgesteld, terzake de alimentatie de stappen had gezet die zij op grond van het vonnis van 2 februari 2021 moest zetten, had het gerechtshof alleen te beoordelen of [de schuldenaar] haar verplichting afdoende was nagekomen (zie het vonnis van 2 februari 2021, 2.6.) om aanvullend te solliciteren en de bewindvoerder daarover en over de voortgang ten aanzien van de inning van alimentatie te informeren.
2.34.
Ten aanzien van het onder 2.29. hierboven bedoelde beroep van [de schuldenaar] wijst [de schuldenaar] op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang te beschouwen vindplaatsen.
Beroepschrift: 2., 4. en de toelichting op de grief, (zoals hier geciteerd):
‘De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [de schuldenaar] het bedrag van € 2.132,31 ook moet betalen indien zij dit bedrag niet of niet geheel weet te incasseren. Het risico is immers aanwezig dat deze alimentatievorderingen geheel of gedeeltelijk oninbaar zijn. [de schuldenaar] heeft LBIO al moeten inschakelen om de achterstallige alimentatie te innen.
(…)
Het enige dat [de schuldenaar] kan doen om de achterstallige alimentatie te ontvangen, is haar vorderingen dienaangaande ter incasso en executie in handen geven aan LBIO. Dat heeft [de schuldenaar] gedaan en staat niet ter discussie. Indien LBIO er vervolgens niet in slaagt de alimentatie uiterlijk 20 november 2023 daadwerkelijk te incasseren, kan en mag [de schuldenaar] daarvoor niet verantwoordelijk worden gehouden en mag dit niet leiden tot het ontnemen van de haar verleende schone lei.
Het is dus onterecht geweest dat de rechtbank [de schuldenaar] de verplichting heeft opgelegd tot het uiterlijk 20 november 2023, aan de boedel betalen van € 2.132,31 met als sanctie dat de schone lei zal/kan worden ontnomen. Deze verplichting komt de facto neer op een maximale verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling en is daarmee (bovendien) tegenstrijdig met 3.3 van het dictum waarin aan [de schuldenaar] de schone lei wordt verleend.’
Arrest:
‘3.6.
Hieraan is door en namens [de schuldenaar] ter zitting in hoger beroep — zakelijk weergegeven — het volgende toegevoegd. [de schuldenaar] stelt al een sanctie te hebben gekregen voor het te laat aanvragen van de alimentatie, de looptijd van haar schuldsaneringsregeling is hiertoe immers verlengd. (…)’
2.35.
Het gerechtshof heeft dit beroep van [de schuldenaar] niet, of niet zonder meer, mogen passeren, wat het gerechtshof echter wel heeft gedaan.
2.36.
Het gerechtshof heeft aldus niet met recht kunnen oordelen dat [de schuldenaar] door het niet inlopen van de boedelachterstand toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de verplichtingen die voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien.
Onbegrijpelijk: ziekte van advocaat is [de schuldenaars] risico
2.37.
Voor zover het gerechtshof zich over de discussie over het te laat innen van alimentatie had mogen buigen, heeft het gerechtshof die discussie niet of niet zonder nadere motivering mogen afdoen op de manier die het gerechtshof daartoe heeft gehanteerd.
2.38.
Kennelijk heeft het gerechtshof geoordeeld dat, kort gezegd, de vertraging in de procedure terzake het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage van de vaders van de kinderen van [de schuldenaar] als gevolg van ziekte van de behandelend advocaat, voor haar risico komt, omdat [de schuldenaar] niet eerder een advocaat heeft ingeschakeld, zij haar zieke advocaat niet heeft vervangen en geen andere maatregelen moeten treffen om de voortgang te bewaken.
2.39.
Dat oordeel is onbegrijpelijk omdat uit het arrest niet blijkt dat een vervangende advocaat tijdig en op toegevoegde basis beschikbaar zou zijn geweest noch dat de desbetreffende vaders van de kinderen van [de schuldenaar] binnen de met het vonnis van 2 februari 2021 verlengde termijn de tot dan toe verschuldigde bedragen zouden hebben betaald als [de schuldenaar] zou hebben gedaan wat zij volgens het gerechtshof zou hebben moeten doen.
Slotsom
Op grond van de voorgaande klachten kunnen de overige vaststellingen en beslissingen niet in stand blijven en dient het arrest te worden vernietigd.
[de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] menen dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door vast te stellen dat [de schuldenaar] aan haar verplichtingen heeft voldaan en door [de schuldenaar] de schone lei te verlenen.
Voorbehoud proces-verbaal
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft op 13 juli 2022 plaatsgevonden (arrest 2.2.). [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] beschikken nog niet over het proces-verbaal van die terechtzitting en hebben dit opgevraagd.
Hierom maken [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] het voorbehoud dat het cassatiemiddel aangevuld wordt indien het proces-verbaal, zodra dit aan [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] ter beschikking is gesteld, daartoe aanleiding geeft. [de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] verzoeken de Hoge Raad hen daartoe een termijn te verlenen.
Verzoek
[de schuldenaar] en [beschermingsbewindvoerder] verzoeken de Hoge Raad het arrest te vernietigen en zodanige verdere uitspraak te geven als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
Advocaat bij de Hoge Raad