Rb. Midden-Nederland, 29-01-2024, nr. C/16/567496 / FV RK 23-3094
ECLI:NL:RBMNE:2024:2164
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
29-01-2024
- Zaaknummer
C/16/567496 / FV RK 23-3094
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2024:2164, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 29‑01‑2024; (Beschikking)
Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 03‑01‑2024
Uitspraak 29‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Wvggz , zorgmachtiging , vervolgbehandeling na ontvangst nieuwe medische verklaring
Partij(en)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/567496 / FV RK 23-3094
Externe referentie: [externe referentie]
Machtiging tot verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 29 januari 2024, naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [1991] in [geboorteplaats] ,
wonende en verblijvende bij [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. A.S. Kamphuis.
1. Procesverloop
1.1.
In de (tussen)beschikking van 3 januari 2024 heeft de rechtbank het verzoek
voor een maand toegewezen, tot en met 3 februari 2024, en de beslissing voor het overige
aangehouden in afwachting van een nieuwe medische verklaring.
1.2.
Voor het procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 3 januari 2024.
1.3.
Op 16 januari 2024 heeft de griffie van de rechtbank een nieuwe medische verklaring ontvangen.
1.4.
De mondelinge behandeling van het verzoek is hervat op 29 januari 2024 op de locatie [locatie] . Daarbij heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene en haar advocaat;
- [psychiater] , psychiater;
- [mentor] , mentor van betrokkene.
1.5.
De officier van justitie heeft van tevoren laten weten dat hij niet voornemens is bij de
mondelinge behandeling te verschijnen.
1.6.
De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en een kennisgeving mondelinge uitspraak aan de advocaat van betrokkene, de zorgaanbieder en de officier van justitie toegestuurd.
2. Beoordeling
Het verzoek
2.1.
In het verzoekschrift is, op grond van het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, verzocht om aan betrokkene de volgende vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz te mogen verlenen. Het gaat dan om:
a. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
b. beperken van de bewegingsvrijheid;
c. insluiten;
d. uitoefenen van toezicht op betrokkene;
e. onderzoek aan kleding of lichaam;
f. onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende
middelen en gevaarlijke voorwerpen;
g. controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
h. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die
tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het
gebruik van communicatiemiddelen;
i. beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
j. opnemen in een accommodatie.
De officier verzoekt de zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden. Van deze termijn is al één maand verleend.
De standpunten
2.2.
De advocaat concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Verplichte zorg is niet nodig want betrokkene is bereid om vrijwillig in de kliniek te blijven. Het gaat nu een stuk beter met betrokkene. Haar stemming is stabieler en zij voelt zich goed. Zij gebruikt geen medicijnen. Zij ziet in dat ze begeleiding nodig heeft; zij wil samenwerken, om te zoeken naar een goede woonplek.
De advocaat concludeert subsidiair tot beperking van de termijn van de machtiging tot maximaal zes maanden. Tijdens de mondelinge behandeling van 3 januari jongstleden is een gebrek vastgesteld aan de oorspronkelijk overgelegde medische verklaring. Dat gebrek is niet hersteld vóór de expiratiedatum van de vorige zorgmachtiging. De advocaat is van mening dat de rechtbank geen overbruggingszorgmachtiging had mogen geven. Dat leidt volgens de advocaat tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging. De zorgmachtiging kan daarom niet worden verleend voor twaalf maanden. De advocaat verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2021:818.
Verder concludeert de advocaat subsidiair om ten aanzien van de verplichte zorgvormen ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ te bepalen dat die zorg telkens voor maximaal twee weken mag worden toegepast. Dit, in het kader van zorg op maat.
De advocaat refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Namens de zorgaanbieder is de volgende toelichting gegeven. Bij betrokkene is sprake van een combinatie van problemen. Deels een licht verstandelijke beperking, deels verslaving, deels ADHD en risico op psychoses. Op dit moment staat vooral de licht verstandelijke beperking en de emotieregulatieproblematiek op de voorgrond. Betrokkene heeft in de afgelopen jaren intensieve zorg gehad op verschillende locaties. Ook nu heeft zij intensieve zorg nodig hoewel zij een stuk stabieler is dan twee jaar geleden. Haar behandelmotivatie is nog pril. Zij is pas recent terug van een periode van ongeoorloofde afwezigheid. De kans op terugval is groot, gelet op ervaringen met betrokkene in het verleden. Een verblijf op vrijwillige basis is daarom niet reëel. Het is moeilijk om een goede vervolgplek voor betrokkene te vinden. De opname is onder andere bedoeld om betrokkene meer woonvaardigheden aan te leren zodat de kans op het vinden van een vervolgplek wordt vergroot.
De verplichte zorgvorm ‘insluiten’ is in het verleden nodig geweest in verband met de veiligheid van het personeel. De psychiater kan niet uitsluiten dat die zorg langer dan twee weken nodig zal zijn.
In reactie op het verzoek van de advocaat om de termijn van de machtiging te beperken tot zes maanden merkt de psychiater op dat naar verwachting de aandoeningen van betrokkene en de daaraan verbonden risico’s over zes maanden nog steeds aan de orde zullen zijn.
Overwegingen van de rechtbank
2.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan verschillende psychische stoornissen, waarvan een neurobiologische ontwikkelingsstoornis de belangrijkste diagnose is.
2.5.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, voornamelijk gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar.
2.6.
Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat zij haar autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.
2.7.
De rechtbank is op grond van de stukken en de toelichting van de psychiater tijdens de mondelinge behandeling tot de overtuiging gekomen dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. De advocaat stelt dat betrokkene vrijwillig meewerkt aan verblijf in de kliniek. De rechtbank stelt echter vast dat de psychiater nog geen vertrouwen heeft in zorg op vrijwillige basis. Betrokkene was onlangs nog weggelopen uit de kliniek. Daarom vindt de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk. De rechtbank verleent daarom een zorgmachtiging voor de verzochte vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de verplichte zorgvormen ‘insluiten’ (c.) en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ (d.) per keer te beperken tot maximaal twee weken, zoals door de advocaat subsidiair is verzocht. Deze zorg moet voor de veiligheid kunnen worden toegepast, altijd zo kort als mogelijk. Op voorhand is niet te zeggen dat een periode van twee weken genoeg is, gelet op de ervaringen met betrokkene.
2.8.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.9.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.10.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de resterende duur van elf maanden, en geldt dus tot en met 3 januari 2025. De rechtbank ziet geen reden om de termijn te beperken tot zes maanden, zoals subsidiair door de advocaat is verzocht. De advocaat stelt dat een termijn van twaalf maanden niet kan, omdat er geen sprake is van een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging. De overbruggingszorgmachtiging in de (tussen)beschikking van 3 januari jongstleden had volgens de advocaat niet gegeven mogen worden.
De rechtbank stelt vast dat in de (tussen)beschikking van 3 januari 2024 van deze rechtbank de zorgmachtiging is verleend voor de duur van een maand, met aanhouding van de beslissing op het verzoek voor het overige. De aansluiting op de vorige machtiging is met die beslissing gemaakt en niet met een rechtsmiddel aangetast. De rechtbank beslist nu over het resterende deel van het verzoek. Zowel feitelijk als juridisch sluit deze zorgmachtiging daarom aan op de vorige zorgmachtiging.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op [1991] in [geboorteplaats] , voor de volgende vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 lid 2 Wvggz:
a. toedienen van vocht voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
b. beperken van de bewegingsvrijheid;
c. insluiten;
d. uitoefenen van toezicht op betrokkene;
e. onderzoek aan kleding of lichaam;
f. onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende
middelen en gevaarlijke voorwerpen;
g. controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
h. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die
tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het
gebruik van communicatiemiddelen;
i. beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
j. opnemen in een accommodatie;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 3 januari 2025.
Deze beschikking is op 29 januari 2024 mondeling gegeven door mr. F.C. Burgers, rechter, en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door E. Berghuis als griffier, en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 16 februari 2024. | ||
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open. | ||
Uitspraak 03‑01‑2024
Mr. C.M.A.T. van der Geest
Partij(en)
Machtiging tot verlenen van verplichte zorg
(Tussen)beschikking van 3 januari 2024, naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verblijvende te [verblijfplaats] te [woonplaats],
hierna te noemen: betrokkene, advocaat: mr. A.S. Kamphuis.
1. Procesverloop
1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 14 december 2023, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 januari 2024 op de locatie [verblijfplaats] te [a-plaats]. Daarbij heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- —
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- —
mevrouw [mentor], mentor;
- —
mevrouw [psychiater], psychiater.
Bij de zitting waren ook een teammanager patiëntenzorg en een begeleider aanwezig.
1.3.
De officier van justitie heeft van tevoren laten weten dat hij niet voornemens is bij de mondelinge behandeling te verschijnen.
1.4.
De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en een kennisgeving mondelinge uitspraak aan de advocaat van betrokkene en aan de vertegenwoordiger van de zorgaanbieder verstrekt.
2. Verzoek en de standpunten
Het verzoek
2.1.
In het verzoekschrift is, op grond van het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, verzocht om aan betrokkene de volgende vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz te mogen verlenen. Het gaat dan om:
- a.
toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- b.
beperken van de bewegingsvrijheid;
- c.
insluiten;
- d.
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- e.
onderzoek aan kleding of lichaam;
- f.
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- g.
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- h.
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- i.
beperken van het recht op het ontvangen van bezoek; j. opnemen in een accommodatie.
De standpunten
2.2.
Betrokkene vertelt dat het heel goed met haar gaat. De afgelopen twee maanden is zij weg is geweest en heeft zij geen medicatie gehad. Een zorgmachtiging vindt betrokkene dan ook niet nodig. Zij is al heel lang in de zorg en vindt dat ze van het kastje naar de muur wordt gestuurd.
De advocaat verklaart dat betrokkene een jonge vrouw is die in haar leven al vele opnames heeft gehad. Betrokkene heeft een grote vrijheidsdrang en wil geen zorgmachtiging (meer). De advocaat merkt op dat betrokkene niet gezien of gehoord is door een onafhankelijk psychiater. Dit komt doordat betrokkene zich lange tijd heeft onttrokken aan haar behandeling. Sinds [datum] 2023 is betrokkene weer terug in de kliniek. De zorgaanbieder is vanaf dat moment in de gelegenheid geweest om een aanvulling op de medische verklaring op te stellen. Dit is echter niet gebeurd. De medische verklaring voldoet niet aan de wettelijke vereisten, omdat er geen sprake is van een beschrijving van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. Gelet op de jurisprudentie van ECLI:NL:HR:2023:191 kan het gebrek van het ontbreken van een medische verklaring over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene niet worden hersteld. De advocaat pleit primair om afwijzing van het verzoek, tenzij er voor 12 januari 2024 alsnog een juiste medische verklaring komt. Subsidiair vraagt de advocaat om nog geen beslissing te nemen op het verzoek, omdat er zonder medische verklaring geen ‘overbruggingsmachtiging’ kan komen. Tot slot merkt de advocaat dat het bijzonder is dat betrokkene nu een ander toestandsbeeld laat zien, terwijl zij twee maanden geen medicatie heeft gehad. De huidige situatie van betrokkene en vooral het gebrek aan perspectief voor betrokkene, maakt dat er twijfels zijn over de doelmatigheid van de behandeling. Mogelijk kan het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) meekijken in de casus van betrokkene en een nieuw inzicht bieden. De mentor verklaart dat ongeacht welke kant het ook opgaat, het belangrijk is dat betrokkene een zorgmachtiging heeft, omdat er momenten zijn dat betrokkene deze nodig heeft. Betrokkene staat al bijna vijf jaar ingeschreven bij verschillende gespecialiseerde instellingen, maar er zijn wachtlijsten. Dat er sprake is van middelengebruik en dat betrokkene telkens wegloopt maakt dat veel instellingen haar niet willen aannemen. De behandeling is nog niet ver genoeg gevorderd. De mentor staat achter het voorstel om het CCE te betrekken.
De psychiater verklaart dat betrokkene een lange voorgeschiedenis in de psychiatrie heeft. De diagnose van een bipolaire stemmingsstoornis is lang geleden bij betrokkene vastgesteld. Ook bestaat er een vermoeden van ADHD. Na twee maanden van ongeoorloofd verlof zonder medicatie is betrokkene niet psychotisch teruggekeerd. De komende maanden zal worden gekeken hoe het met betrokkene gaat zonder medicatie voor haar bipolaire stoornis. Het is mogelijk dat de psychotische- of verwardheidsklachten terugkeren. Dit kan ook maanden later pas gebeuren. Het is belangrijk dat betrokkene in de kliniek tot rust kan komen wanneer haar middelengebruik te ver gaat. Betrokkene heeft vrijheid nodig, maar er bestaat een risico dat zij met de verkeerde mensen omgaat. Er wordt bij betrokkene ingezet op een tweesporenbeleid. Er wordt gekeken naar een plek waar betrokkene kan wonen en waar middelengebruik is toegestaan (Leger des Heils) of naar gespecialiseerd begeleid wonen, waarbij betrokkene een eigen appartement krijgt en de mogelijkheid heeft om te gaan werken. Het bepalen van het vervolgtraject is lastig omdat betrokkene haar perspectief nu anders ziet dan eerder. Wat het ook lastig maakt is dat betrokkene bij vrijheden in de kliniek er vandoor gaat en er niet gesproken kan worden over het vervolgtraject. Als betrokkene op een open plek gaat wonen bestaat het risico dat zij in aanraking komt met verkeerde mensen en verkeerde middelen. In combinatie met haar hartafwijking kan dit somatisch gevaarlijk zijn voor betrokkene. Ongeacht hoe het vervolgtraject er voor betrokkene ook uit zal zien (klinisch of ambulant) een zorgmachtiging is in ieder geval nodig. Over de medische verklaring merkt de psychiater op dat de onafhankelijk psychiater veel moeite heeft gedaan om betrokkene te spreken. Zo is via de zus van betrokkene geprobeerd om in contact te komen met betrokkene.
3. Beoordeling
3.1.
De rechtbank is op basis van de stukken en de verklaring van de psychiater ter zitting van oordeel dat de onafhankelijk psychiater ten tijde van het opstellen van de medische verklaring al het mogelijke heeft gedaan om betrokkene te kunnen spreken ten tijde van het opstellen van de medische verklaring. Desondanks kleeft er naar het oordeel van de rechtbank een gebrek aan de medische verklaring. Tijdens de zitting is namelijk gebleken dat betrokkene sinds [datum] 2023 terug is in de kliniek. Dit maakt dat de zorgaanbieder volgens de rechtbank in de gelegenheid is geweest om in de tussentijd een (aanvulling op de) medische verklaring op te stellen. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek aan de medische verklaring hersteld kan worden. Uit de door de advocaat aangehaald jurisprudentie blijkt namelijk niet dat een gebrek aan een medische verklaring in het algemeen niet hersteld zou kunnen worden. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2021:885, waaruit volgt dat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, de verklaring kan actualiseren als zij niet meer actueel is. Naar het oordeel van de rechtbank kan er ook een nieuwe medische verklaring worden opgesteld. Deze dient zo concreet te zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene. De rechtbank zal de zorgaanbieder dan ook in de gelegenheid stellen om een nieuwe medische verklaring op te stellen over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.
3.2.
De rechtbank ziet ondanks voornoemd gebrek aan de medische verklaring aanleiding het verzoek voor korte duur toe te wijzen. De rechtbank constateert dat de huidige zorgmachtiging, gelet op het verstrijken van de uitspraaktermijn, op 4 januari 2024 af loopt. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene al jaren gedwongen zorg nodig heeft. In de afgelopen jaren hebben meerdere onafhankelijke psychiaters geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van verschillende psychische stoornissen, waarvan een bipolaire stemmingsstoornis de belangrijkste diagnose is.
3.3.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, voornamelijk gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstige psychische schade en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Om het ernstig nadeel af te wenden, heeft betrokkene zorg nodig. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
3.4.
Gelet op voorgaande en de aard en de ernst van het ernstig nadeel, alsmede het feit dat betrokkene recent gedurende langere periode ongeoorloofd afwezig is geweest acht de rechtbank te rechtvaardigen dat het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor korte duur wordt toegewezen. De rechtbank verleent daarom een zorgmachtiging voor de verzochte vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz voor de duur van een maand te weten tot en met 3 februari 2024, en zal de beslissing op het verzoek voor het overige aanhouden. De rechtbank stelt de zorgaanbieder daarmee in de gelegenheid om een nieuwe medische verklaring over te leggen.
3.5.
De rechtbank verzoekt de zorgaanbieder haar uiterlijk twee dagen voor de nieuwe zittingsdatum de nieuwe medische verklaring toe te zenden. De rechtbank wil in deze medische verklaring geïnformeerd worden over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en de doelmatigheid van de behandeling. Tevens wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over de mogelijke inzet van de expertise van het CCE.
4. Beslissing
De rechtbank:
- —
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1991 te [a-plaats], voor de volgende vormen van verplichte zorg:
- a.
toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- b.
beperken van de bewegingsvrijheid;
- c.
insluiten;
- d.
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- e.
onderzoek aan kleding of lichaam;
- ƒ.
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- g.
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- h.
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- i.
beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
- j.
opnemen in een accommodatie.
- —
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 3 februari 2024;
- —
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan;
- —
bepaalt dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op een nader te bepalen zittingsdatum;
- —
verzoekt de zorgaanbieder om de rechtbank schriftelijk uiterlijk twee dagen voor de zittingsdatum te informeren zoals hierboven is beschreven.
Deze beschikking is op 3 januari 2024 mondeling gegeven door mr. C.M.A.T. van der Geest, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door D. Hendriks als griffier, en op 16 januari 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.