Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VI.2.2.4.3
VI.2.2.4.3 Afgescheiden vermogen
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358778:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Het aanvaarden van een afgescheiden vermogen zou aansluiten bij de mogelijkheid die bijvoorbeeld naar Engels recht bestaat om krachtens beding niet-overdraagbare vorderingen door middel van een declaration of trust onder trustverband te plaatsen en zodoende af te scheiden van het overige voor verhaal vatbare vermogen van de schuldeiser (de trustee). Deze techniek is in de Engelse securitisationpraktijk toegepast voor de securitisation van krachtens beding niet-overdraagbare vorderingen. Zie nr. 124.
Voor het ontstaan van het afgescheiden vermogen is niet relevant of de cessionaris al dan niet op de hoogte was van het beding van niet-overdraagbaarheid. Indien de cessionaris daarvan niet op de hoogte was, zal hij de overeenkomst tot cessie (bijvoorbeeld een koopovereenkomst) kunnen ontbinden vanwege de tekortkoming in de nakoming door de cedent van zijn verplichting tot overdracht (art. 6:265, 7:9 BW). Indien de overeenkomst tot cessie wordt ontbonden, zal daarmee het afgescheiden vermogen – met daartoe behorend de onoverdraagbare vordering – eindigen.
Daarvan is in ieder geval sprake, indien de gelden door de cedent worden aangehouden op een afzonderlijke rekening.
Het is overigens mogelijk dat in de overeenkomst tot cessie (bijvoorbeeld een koopovereenkomst) met zoveel woorden is bepaald dat de opbrengsten van de vordering (hoofdsom en rente) vanaf de totstandkoming van de overeenkomst of een nader genoemde datum ten goede komen aan de cessionaris.
Zie o.a.: Faber 1996, p. 195 e.v. en vgl. Steneker 2005, hoofdstuk 4 en Eisma 1990, p. 338 e.v. Zie ook: W. Snijders 1997, p. 94 e.v. en vgl. nog Struycken 2007, p. 547-548.
Bovendien zij opgemerkt dat als de cessionaris in zijn verhouding tot de cedent met succes een beroep heeft gedaan op de bescherming van art. 3:36 BW (zie hierna: § VI.2.4.3), niet kan worden aanvaard dat de vordering een afgescheiden vermogen vormt. In dit geval dient de rechtsverhouding tussen de cedent (curator) en de cessionaris te worden afgewikkeld als ware de cessie rechtsgeldig. Dit betekent dat de vordering in dat geval rechtens wordt geacht niet tot de failliete boedel te behoren. De cessie is immers ‘relatief’ rechtsgeldig in de verhouding cedent – cessionaris. Door de cedent of diens curator van de schuldenaar ontvangen betalingen moeten aan de cessionaris worden afgedragen, zie hierna: nr. 614. Mogelijk kan wel een afgescheiden vermogen worden aanvaard met betrekking tot de ontvangen betalingen, mits deze nog individualiseerbaar in het vermogen van de cedent aanwezig zijn.
Zie HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196, m.nt. WMK (ProCall).
Zie r.o. 3.3.4.
Zie W. Snijders 1997, p. 95-96.
Zie nr. 410. Vgl. Uniken Venema 1991, p. 87; Steneker 2005, p. 139 e.v. en Aertsen 2004, p. 157 en p. 205-206. Naar mijn mening zou op deze grond in beginsel in alle gevallen van ‘eigendom ten titel van beheer’ een afgescheiden vermogen kunnen worden aanvaard. De Hoge Raad en de wetgever denken daar evenwel anders over, zoals kan worden afgeleid uit het arrest Procall (HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196, m.nt. WMK, r.o. 3.3.4) en uit de toelichting bij de Wet op het notarisambt (MvT, TK 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 28). Het gegeven dat schuldeisers van de fiduciair rechthebbende in feite worden bevoordeeld, indien zij verhaal zouden kunnen nemen op goederen die de rechthebbende economisch niet toebehoren, acht de Hoge Raad van onvoldoende gewicht om af te wijken van het uitgangspunt van art. 3:276 BW (zie r.o. 3.3.4 in samenhang met onderdeel IV van het cassatiemiddel). Naar mijn mening zou in geval van de cessie van krachtens beding niet-overdraagbare vorderingen de vereiste “goede grond” reeds gevonden kunnen worden in de financieringsblokkade die dergelijke bedingen opwerpen en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke bezwaren voor de financiering van ondernemingen.
In geval van een binnen de grenzen van art. 3:84 lid 3 BW toelaatbare fiduciaire cessie blijft de cedent het economische belang bij de vordering behouden.
Zie nr. 572.
Zie art. 25 Wet op het Notarisambt; art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet; HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196, m.nt. WMK (Procall); HR 12 januari 2001, NJ 2002, 371, m.nt. HJS (Koren q.q./Tekstra) en HR 3 februari 1984, NJ 1984, 752 m.nt. WMK (Slis- Stroom). Zie uitvoerig over de kwaliteitsrekening: Wolfert 2007 en Steneker 2005, alsmede de daar vermelde literatuur.
Zie nr. 569.
582. Een afgescheiden vermogen ten gunste van de cessionaris. Aan de belangen van de cessionaris kan ten dele recht worden gedaan indien in de jurisprudentie zou worden aanvaard dat een cessie van een onoverdraagbare vordering ertoe leidt dat de vordering deel gaat uitmaken van een van het overige vermogen van de cedent afgescheiden vermogen, zodat de vordering niet langer vatbaar is voor verhaal door schuldeisers van de cedent zowel binnen als buiten diens faillissement.1,2 Hetzelfde zou kunnen worden aangenomen ten aanzien van de opbrengsten van de vorderingen, mits deze (nog) individualiseerbaar in het vermogen van de cedent aanwezig zijn.3 Het beding van niet-overdraagbaarheid leidt er weliswaar toe dat de vordering niet door de cessionaris wordt verkregen, maar in veel gevallen zal niettemin op grond van de onderlinge rechtsverhouding tussen de cedent en de cessionaris het economische belang bij de vordering op de cessionaris overgaan. Dat wil zeggen dat de cessionaris gerechtigd is tot de opbrengst van de vordering.4 Hier doet zich de figuur van de ‘fiducia cum amico’ gelden. Er is sprake van een splitsing van de juridische en de economische gerechtigdheid. De cedent kan worden beschouwd als rechthebbende van de vordering ‘ten titel van beheer’ ten behoeve van de cessionaris. Dit kan een afgescheiden vermogen rechtvaardigen.
Hoewel er in de literatuur goede argumenten zijn aangedragen voor de opvatting dat het mogelijk is om ook zonder wettelijke grondslag in gevallen van eigendom ten titel van beheer een afgescheiden vermogen te aanvaarden,5 is het niettemin, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie, twijfelachtig of naar geldend recht in het hier besproken geval een afgescheiden vermogen kan worden aanvaard.6 Het uitgangspunt is immers dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden, tenzij de wet anders bepaalt (art. 3:276 BW). Uit het ProCall-arrest blijkt dat volgens de Hoge Raad, gelet op de rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer, terughoudendheid dient te worden betracht met het aanvaarden van buitenwettelijke uitzonderingen op de regel van art. 3:276 BW. 7 Daarvoor dienen volgens de Hoge Raad “goede gronden” aanwezig te zijn.8 Snijders heeft er in dit verband op gewezen dat, hoewel terughoudendheid geboden is, er niettemin ruimte is om buiten de wet om het bestaan van een afgescheiden vermogen te aanvaarden, indien dit past in het stelsel van de wet en aansluit bij de wel in de wet geregelde gevallen.9
Het is verdedigbaar dat er voor het hier besproken geval voldoende “goede gronden” aanwezig zijn om een afgescheiden vermogen te kunnen aanvaarden. De rechtvaardiging voor het aanvaarden van een afgescheiden vermogen zou in casu gelegen zijn in de hiervoor genoemde bezwaren van onoverdraagbaarheidsbedingen – in het bijzonder de financieringsblokkade die daardoor wordt opgeworpen – en in het feit dat door de cessie het economische belang ten aanzien van de vordering bij de cessionaris is komen te rusten. Alle voor- en nadelen van de vordering komen voor rekening van de cessionaris die daarvoor meestal ook een reële tegenprestatie (bv. koopprijs, financiering) zal hebben verricht.10 Schuldeisers van de cedent zouden in feite zonder goede grond ten laste van de cessionaris en diens schuldeisers worden bevoordeeld, indien zij verhaal zouden kunnen nemen op goederen die in economisch opzicht niet (meer) aan hun schuldenaar toebehoren.11,12 Zoals hiervoor al vermeld,13 valt het eigenlijk niet te rechtvaardigen waarom schuldeisers van de cedent zouden mogen profiteren van een beding dat niet is bedoeld te strekken tot bescherming van hun belangen. Daarbij moet worden bedacht dat de vordering(en) niet vrijwillig in het vermogen van de cedent worden gelaten. Dit is uitsluitend het gevolg van het feit dat de vordering krachtens beding met de schuldenaar onoverdraagbaar is gemaakt.
Lastiger te beoordelen is of het aanvaarden van een afgescheiden vermogen in dit geval als passend in het stelsel van de wet kan worden aangemerkt. Voor het aanvaarden van een afgescheiden vermogen zouden wellicht argumenten kunnen worden ontleend aan bepaalde in de wet geregelde gevallen, zoals de figuur van de kwaliteitsrekening,14 de regeling van art. 7:420 BW en de regeling van het wettelijke pandrecht van certificaathouders van art. 3:259 BW. Daarbij gaat het mede om regelingen of figuren waarbij de economisch belanghebbende van een vorderingsrecht op naam wordt beschermd tegen de insolventie (faillissement) van de juridisch rechthebbende van het vorderingsrecht. De cessionaris van een krachtens beding onoverdraagbare vordering verdient naar mijn mening een vergelijkbare bescherming tegen de insolventie van de cedent. Wat betreft het resultaat zou de aanvaarding van een afgescheiden vermogen het Nederlandse recht bovendien doen aansluiten bij de regelingen van de Principles of European Contract Law (art. 11:401 leden 3 en 4 PECL) en de Draft Common Frame of Reference (art. III-5:122 DCFR).15 Uit deze regelingen volgt dat aan de aanspraak van de cessionaris op het geïnde voorrang toekomt ten opzichte van de overige schuldeisers van de cedent.