Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.6.3.3
11.6.3.3 Opschorting en beëindiging
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583673:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
De opschortingsbevoegdheid volgt reeds uit art. 6:52 BW en art. 3:290 BW, en bij (bijzondere) overeenkomsten, zoals lastgeving, uit art. 6:262 BW. Zie M.v.T., Pari. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 383-384. Zie voor lastgeving het niet ingevoerde art. 7.7.1.9. O.M., Pari. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 383.
Vgl. Hof Amsterdam 20 februari 1997, WPNR 6286 (1997), nr. 17/97 NOT en 57/97 NOT (afzetting notaris).
Vgl. ook M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 520.
Zie over het ontslag van de executeur wegens gewichtige redenen, Luijten & Meijer 2007a, p. 15-19. Vgl. ook Luijten & Meijer 2010.
De rechtbank kan in plaats van een executeur een vereffenaar benoemen op verzoek van een of meer schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden geschaad (art. 4:204 lid 1 sub c BW).
Vgl. voorvoogdij en minderjarigenbewind, o.a. art. 1:327 lid 1 BW en art. 1:367BW. Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 529.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 21 november 2006, LJN AZ4506, in Luijten & Meijer 2007a; en vgl. Luijten & Meijer 2007a, p. 19.
Vgl. Luijten & Meijer 2005, p. 39.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 1998, NJ 1999, 687.
Dit was het oude recht, zie art. 862 en 863 BW (oud) (vruchtgebruik) en art. 1205 BW (oud) (pand). Vgl. ook T.M., Pari. Gesch. Boek 3, p. 639.
Vgl. T.M., Pari. Gesch. Boek 3, p. 655: 'AI mag dan de vruchtgebruiker innen, dit neemt niet weg, dat de hoofdgerechtigde daarvan niet is uitgesloten, ingeval de vruchtgebruik[er] stil zit. Primair is de vruchtgebruiker, maar subsidiair de hoofdgerechtigde tot innen bevoegd.'
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 676. Dit heeft als voordeel dat het beheer uit hoofde van bewind meer waarborgen kent voor de hoofdgerechtigde.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 674; M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 675.
Zie V.V. II en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 675.
Zie M.v.A., Parl. Gesch. Boek 3, p. 676.
Of een lager gerangschikte openbaar pandhouder, vgl. Loesberg 2001, p. 247-248.
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 773; vgl. Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 3. Of als het faillissement voor de pandhouder dreigt, zonder dat hij de opbrengst op een afzonderlijk rekening stort. Zie Loesberg 2001, p. 248.
Over de lezing van art. 58 lid 1 BW met betrekking tot verpande vorderingen bestaat verschil van mening. Zie o.a. Winkel & Warringa 2005; Kraamwinkel2006; Verdonk 2006; en Beekhoven van den Boezem & Goosmann 2007, met reactie Verdonk 2007.
Zie Biemans 2009d, par. 6.2.
Vgl. art. 3.7.1.2 O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 581; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 585.
Zie over art. 3:174 BW in het kader van de verdeling van een nalatenschap, Luijten & Meijer 2007c, p. 60-63.
Zie HR 12 april1985, NJ 1986,808 (Ontvanger/NMB), m.nt. WHH. Vgl. HR 28 oktober 1988, NJ 1989,450 (Kuipers q.q./Ontvanger); HR 12 mei 1989, NJ 1990, 130 (Gerritse q.q./Ontvanger; Sigmacon I), m.nt. WHH; en HR 24 februari 1995, NJ 1996, 472 (Ontvanger/Gerritse; Sigmacon II). Vgl. o.a. Van Koppen 1998, p. 319 e.v.; MellemaKranenburg 1996, nr. 6 en 11.
Vgl. voor volmachtverlening, M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 520.
Zie voor de verschuldigdheid van loon bij het voortijdig beëindigen van de lastgeving, art. 7:411 BW.
Zie Reehuis 2004, nr. 86.
727. Bij niet-nakoming van een verplichting door de wederpartij kan de andere partij de nakoming van zijn verplichtingen opschorten als aan het vereiste van art. 3:290, 6:52 en/of 6:262-6:263 BW is voldaan. Bijvoorbeeld, de hoofdgerechtigde is bevoegd de levering en de afgifte van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen op te schorten, indien de vruchtgebruiker niet terzelfder tijd zijn verplichting tot boedelbeschrijving nakomt (art. 3:205 lid 3 BW). De bewindvoerder is bevoegd om de nakoming van zijn verplichting tot afdracht van alle goederen aan de rechthebbende op te schorten tot de voldoening van een aan hem toekomend saldo, bijvoorbeeld bestaande uit loon en kosten (art. 1:446 lid 2 tweede zin BW; art. 4:165 lid 1 tweede zin BW).1
Komt de derde zijn verplichtingen niet na, dan kan dit ook reden zijn om of de rechtsverhouding te beëindigen, bijvoorbeeld door de derde van zijn aanstelling te ontheffen ('removal from office'}, 2 of aan de derde bevoegdheden te ontnemen en deze aan een ander, zoals de rechthebbende of een bewindvoerder, toe te kennen zonder dat de rechtsverhouding wordt beëindigd. Voor de (eenzijdige) beëindiging van de rechtsverhouding of het ( eenzijdig) ontnemen van bevoegdheden is meer nodig dan alleen een toerekenbare tekortkoming.
De bewindvoerder, executeur, vereffenaar en curator zijn bevoegd krachtens hun aanstelling. De regelingen van bewind, executele en vereffening van nalatenschappen bevatten vrijwel gelijkluidende regelingen ten aanzien van de beëindiging van de aanstelling. Het ontslag van de bewindvoerder, de executeur en de vereffenaar wordt verleend door de rechter, en kan onder meer op verzoek van de rechthebbende of een schuldeiser worden verleend wegens gewichtige redenen. Zie voor bewind, art. 1:448 lid 1 sub e jo lid 2 BW, art. 3.6.1.13lid 1 sub d jo lid 2 Ontw.BW, art. 4:164 lid 1 sub e jo lid 2 BW;3 voor executele, art. 4:149 lid 1 sub e jo lid 2 BW;4 en voor vereffening, art. 4:206 lid 5 BW. 5 Onder een gewichtige red en wordt onder meer verstaan misbruik van bevoegdheid, de verwaarlozing van verplichtingen of de omstandigheid dat de bewindvoerder, executeur of vereffenaar niet staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn taak.6 Van dit laatste is bijvoorbeeld sprake als een ernstige mate van wantrouwen bij de erfgenamen jegens de executeur bestaat, alsmede moeilijkheden en wrijvingen, waardoor een ernstige vertraging bij de afwikkeling van de nalatenschap is ontstaan.7 Een voorbeeld van het verwaarlozen van verplichtingen is het niet-nakomen van de verplichting om aan de erfgenamen inlichtingen te verstrekken. 8 Ook als de executeur met de erfgenamen in een procedure over de afwikkeling van de nalatenschap is verwikkeld, is dit een grond voor zijn afzetting. 9 Bij faillissement heeft de rechtbank de bevoegdheid de curator te allen tijde, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen, of hem een of meer medecurators toe te voegen, een en ander hetzij op voordracht van de rechter-commissaris, hetzij op een met redenen omkleed verzoek van een of meer schuldeisers, de commissie uit hun midden, of de gefailleerde (art. 73 lid 1 Fw).
728. Bij pand, vruchtgebruik en gemeenschap wordt de rechtsverhouding bij een (emstige) tekortkoming in beginsel niet beeindigd, zoals in de hiervoor genoemde gevallen. De beëindiging van de rechtsverhouding zou de ontneming van het recht van de pandhouder, de vruchtgebruiker of de deelgenoot tot gevolg hebben, en dat is in beginsel niet ( eenzijdig) mogelijk.10 Beeindiging van hun recht is aileen met hun medewerking mogelijk. In de regeling van pand, vruchtgebruik en gemeenschap is wei voorzien in de ontneming van een of meer bevoegdheden van de pandhouder, vruchtgebruiker of deelgenoot. Hun recht komt daardoor niet te vervallen, maar zij verliezen wei hun zeggenschap over het desbetreffende goed.
Bij vruchtgebruik is sprake van een gedeeltelijke samenloop van twee bepalingen. De hoofdgerechtigde kan ten eerste de inningsbevoegdheid uitoefenen, indien hij daartoe toestemming van de vruchtgebruiker of machtiging van de kantonrechter heeft gekregen (art. 3:210 lid 3 BW). De hoofdgerechtigde kan bijvoorbeeld met machtiging tot inning overgaan als de vruchtgebruiker 'stil zit'.11 Het stilzitten van de vruchtgebruiker zal in de regel een schending van zijn zorgverplichting zijn. Indien de vruchtgebruiker in ernstige mate in de nakoming van zijn verplichtingen tekortschiet, kan de rechtbank op vordering van de hoofdgerechtigde voorts aan de hoofdgerechtigde het beheer toekennen of het vruchtgebruik onder bewind stellen (art. 3:221 lid 1 BW). Niet het goed zelf, maar het recht van vruchtgebruik wordt onder bewind gesteld. Het is niet uitgesloten dat de hoofdgerechtigde als bewindvoerder wordt benoemd.12 Hangende de procedure kan de rechtbank het vruchtgebruik bij voorraad onder bewind stellen (art. 3:221lid 2 BW). De rechtbank kan voor het bewind of het beheer zodanige voorschriften geven als zij dienstig acht. Op het bewind zijn voor het overige art. 4:154,4:157-4:166,4:168,4:170,4:172-4:174en4:177lid 1 BW van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kantonrechter de in art. 4:159 BW bedoelde beloning ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan regelen, alsmede dat hij de in art. 4:160 BW bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het bewind kan door een gezamenlijk besluit van de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde of op verzoek van een hunner door de rechtbank worden opgeheven (art. 3:221 lid 1 BW). Door de toekenning van het beheer aan de hoofdgerechtigde of de onderbewindstelling van het recht van vruchtgebruik wordt de hoofdgerechtigde respectievelijk de bewindvoerder ( 66k) inningsbevoegd. In dat verband is de verhouding tussen beide bepalingen niet duidelijk. Zowel art. 3:210 lid 3 BW als art. 3:221lid 1 BW bieden een grond om een tekortschieten van de vruchtgebruiker ten aanzien van de in vruchtgebruik gegeven vordering aan hem de inningsbevoegdheid te ontnemen. In het eerste geval is de kantonrechter bevoegd; in het tweede geval de rechtbank. In het eerste geval is het criterium of de vruchtgebruiker stil zit; in het tweede geval of hij ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen. Het ernstig tekortschieten is een zwaardere eis dan alleen het tekortschieten of stilzitten. Onder ernstig tekortschieten wordt onder meer verstaan 'misbruik',13 'grof verzuim' of 'ernstige verwaarlozing van de goederen' .14 Het is niet vereist dat de vruchtgebruiker ook toerekenbaar tekortschiet.15 Het criterium 'ernstig tekortschieten' sluit aan bij het criterium 'gewichtige redenen' op grond waarvan een bewindvoerder, een executeur en een vereffenaar kunnen worden ontslagen. In het eerste geval wordt de hoofdgerechtigde (weer) bevoegd om in eigen naam de in de vruchtgebruik gegeven vordering te innen; in het tweede geval wordt de hoofdgerechtigde of de bewindvoerder beheersbevoegd ten aanzien van het recht van vruchtgebruik dat op de vordering rust, en daardoor inningsbevoegd ten aanzien van de vordering. Zowel de criteria als de rechtsgevolgen overlappen elkaar ten dele. Het is de vraag of beide procedures goed op elkaar zijn afgestemd. Het ligt bijvoorbeeld voor de hand dat een en dezelfde rechter bevoegd is om over de wisseling van de inningsbevoegdheid te oordelen. Bij pand kan de openbaar pandgever16 de inningsbevoegdheid slechts uitoefenen indien hij daartoe toestemming van de pandhouder heeft gekregen of machtiging van de kantonrechter (art. 3:246 lid 4 BW). De machtiging van de kantonrechter is bijvoorbeeld gewenst als de pandhouder niet in staat is om tot inning over te gaan of dit zonder redelijke grond weigert.17 De inningsbevoegdheid wordt aldus aan de pandhouder ontnomen als hij (al dan niet toerekenbaar) tekortschiet in de nakoming van zijn zorgverplichting. Art. 3:246lid 4 BW is vergelijkbaar met art. 3:210 lid 3 BW en met art. 58 lid 1 Fw, dat aan de curator een vergelijkbare bevoegdheid toekent als de openbaar pandhouder stil zit. De curator kan de openbaar pandhouder een redelijke termijn stellen om tot inning van de verpande vordering over te gaan. Gaat de openbaar pandhouder niet over tot inning van de verpande vordering, dan kan de curator de inningsbevoegdheid overnemen.18Art. 3:257 BW bepaalt in aanvulling van art. 3:246 lid 4 BW dat indien degene die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft in ernstige mate in de zorg voor de zaak tekortschiet, de rechtbank op vordering van de pandgever of een pandhouder kan bevelen dat de zaak aan een van hen wordt afgegeven of in gerechtelijke bewaring van een derde wordt gesteld. De bepaling is vergelijkbaar met art. 3:221lid 1 BW.Vgl. M.v.A., Pari. Gesch. Boek 3, p. 791. Hoewel deze bepaling naar de letter van de wet alleen betrekking heeft op de zorgverplichting van de pandhouder ten aanzien van een verpande zaak, ligt overeenkomstige toepassing op openbaar verpande vorderingen voor de hand.19 Tussen art. 3:246 lid 4 BW en art. 3:257 BW bestaan vergelijkbare verschillen en overlappingen als tussen art. 3:210 lid 3 BW en art. 3:221lid 1 BW (criterium, bevoegde rechter enz.).
Bij gemeenschap kan de kantonrechter op verzoek van de meeste gerede partij een beheersregeling treffen, zo nodig met onderbewindstelling van de goederen (art. 3:168 lid 2 BW). Art. 3:168lid 5 BW kent een vrijwel identieke bepaling als art. 3:211 lid 3 BW. De mogelijkheid om de goederen onder bewind te stellen, is pas later toegevoegd.20 De bepaling ziet blijkbaar op het geval dat de deelgenoten onderling niet tot een beheersregeling kunnen komen. Door ingrijpen van een rechter wordt het beheer aan een ander dan de deelgenoten gezamenlijk toegekend, namelijk aan een of meer van hen of aan een bewindvoerder. Een criterium voor ingrijpen ontbreekt in de bepaling. Een andere mogelijkheid voor de deelgenoot is om op grond van art. 3:174lid 1 BW aan de rechter dieter zake van de vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, onder meer te vragen om hem om gewichtige redenen te machtigen tot het te gelde maken van het gemeenschappelijke goed.21
Bij pand, vruchtgebruik en gemeenschap kan de rechtsverhouding in beginsel alleen worden beëindigd met toestemming of medewerking van alle partijen, al dan niet voorafgaand verleend. De gemeenschap wordt beëindigd door verdeling, waarvoor de medewerking van de deelgenoten is vereist (art. 3:178 e.v. BW). Beperkte rechten kunnen worden beëindigd door afstand en opzegging, waar eveneens de medewerking van beide partijen voor is vereist (art. 3:81 lid 2 sub c en sub d BW; art. 3:84 lid 1 jo 3:98 BW, art. 3:224 BW en art. 3:258 lid 2 BW). De niet-nakoming van een der partijen kan hierbij een rol spelen, maar dat is geenszins noodzakelijk. De niet-nakoming van een verplichting kan als een voorwaarde verbonden zijn voor de opzegging van een beperkt recht.
729. Handelt een rechthebbende onrechtmatig jegens zijn schuldeisers doordat hij hun in hun verhaalsmogelijkheden benadeelt, dan kunnen zij in voorkomende gevallen de desbetreffende rechtshandeling waardoor de benadeling heeft plaatsgevonden, vernietigen (art. 3:45 e.v. BW, art. 42-47 Fw). Individuele schuldeisers kunnen niet de rechtshandelingen van de curator vernietigen op grond van de actio Pauliana.22 De regel is niet zonder meer van overeenkomstige toepassing op andere bevoegde derden. De onmogelijkheid tot het vernietigen laat een schadevergoedingsvordering jegens de bevoegde derde onverlet. Ook in andere gevallen is vernietiging mogelijk. Is de lastgever een natuurlijke persoon die de opdracht heeft verstrekt anders dan in uitoefening van een beroep of bedrijf, dan is voor een rechtshandeling waarbij de lasthebber als zijn tegenpartij optreedt zijn schriftelijke toestemming vereist. Ontbreekt deze, dan kan hij de rechtshandeling vernietigen (art. 7:416 lid 3 BW). De voogd behoeft op grond van art. 1:345 en 1:346 BW de machtiging van de kantonrechter om een aantal rechtshandelingen te verrichten met en voor rekening van de minderjarige, zoals het lenen van geld en het doen van schenkingen. Een in strijd met art. 1:345 of 1:346 BW verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar. Op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de zijde van de minderjarige (art. 1:347 lid 1 BW).
730. De rechtsverhouding tussen de lasthebber en de lastgever wordt beëindigd door de ontbinding dan wel de opzegging van de lastgeving. De lastgever en de lasthebber zullen ieder op grond van art. 6:265 BW kunnen ontbinden bij een tekortkoming van de ander. Anders dan bij de andere, hiervoor besproken rechtsvormen hoeft van een ernstige tekortkoming of een gewichtige redenen geen sprake te zijn. De tekortkoming dient wel toerekenbaar te zijn. Daarnaast kan de stille cessionaris als lastgever te allen tijde de overeenkomst kan opzeggen (art. 7:408lid 1 BW).23 Hetzelfde geldt voor de stille cedent als lasthebber die een natuurlijk persoon is en die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (art. 7:408 lid 2 BW a contrario). Voor de opzegging van de lastgeving is een tekortkoming door de ander niet vereist. De stille cedent die de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf kan, behoudens gewichtige redenen, de overeenkomst slechts opzeggen, indien zij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt (art. 7:408 lid 2 BW). Art. 7:402 lid 2 BW bepaalt dat de lasthebber die op redelijke grond niet bereid is de opdracht volgens de hem gegeven aanwijzingen uit te voeren, zo de lastgever hem niettemin aan die aanwijzingen houdt, de overeenkomst kan opzeggen wegens gewichtige redenen.24 Uit deze bepalingen volgt dat de stille cedent in beginsel een eenmaal begonnen last tot inning niet kan opzeggen, tenzij dit gebeurt wegens gewichtige redenen.
De beëindiging van de lastgeving zal meestal samenvallen met de mededeling aan de schuldenaar zoals bedoeld in art. 3:94 lid 3 BW, en omgekeerd. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kan de mededeling aan de schuldenaar tevens beschouwd worden als de aan de stille cedent gerichte opzegging van de lastgeving. Het is evenwel denkbaar dat mededeling van de stille cessie wordt gedaan, zonder dat de stille cessionaris daarmee beoogt de lastgeving te beëindigen. De betekenis van de mededeling aan de schuldenaar zal derhalve door uitleg moeten worden vastgesteld.
Het doen van mededeling in het kader van de stille cessie, als schending van een geheimhoudingsverplichting, kan in bepaalde gevallen tot wanprestatie leiden.25 Een verplichting tot schadevergoeding bij beëindiging van de lastgeving door opzegging door de professionele lastgever volgt ook uit art. 7:408 lid 3 BW. In de overeenkomst tussen de stille cessionaris en de stille cedent zal zijn opgenomen wanneer partijen bevoegd zijn tot mededeling. In dezelfde overeenkomst kan ook een geheimhoudingsverplichting worden opgenomen. Door de mededeling komt een einde aan de stille cessie.