De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.10:4.10 Samenvatting en tussenconclusie
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.10
4.10 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400661:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is besproken welke mogelijkheden de benadeelde ter beschikking staan na een ongeval dat door een bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt of na een ongeval dat de benadeelde in het buitenland is overkomen. Tijd voor een korte samenvatting en voor enige voorlopige conclusies omtrent de bescherming van deze slachtoffers. Voorlopig, omdat het tot nu toe nog slechts is gegaan om de vraag of de benadeelde toegang heeft tot een verzekeraar of een andere (aan de verzekeringswereld gerelateerde) voorziening. Een completer beeld kan pas ontstaan nadat in het volgende hoofdstuk is onderzocht wat de inhoud van de hem geboden bescherming is. Bij deze evaluatie ligt het accent op de positie van de Nederlander die - in binnen- of buitenland - de benadeelde is geworden van een ongeval waarvoor een buitenlands motorrijtuig aansprakelijk kan worden gehouden.
De eerste conclusie luidt positief: in de overgrote meerderheid van de verkeersongevallen met een internationaal aspect kan de Nederlandse benadeelde - in elk geval in eerste instantie - terecht bij een partij of instelling in eigen land met wie hij zijn schade kan regelen. Dat geldt zowel in die gevallen waarin, bij een ongeval in Nederland, een bezoekende motorrijtuigbestuurder aansprakelijk is, als in die gevallen waarin de Nederlandse benadeelde zelf in het buitenland de benadeelde is geworden van een verkeersongeval.
In het eerste geval - waarbij het ongeval in Nederland plaatsvindt - heeft hij ofwel een aanspraak op het Nederlands Bureau, dan wel - in uitzonderingsgevallen op het Waarborgfonds Motorverkeer. Van dat laatste is met name sprake als het aansprakelijke voertuig niet gewoonlijk is gestald in een lidstaat of daarmee gelijk gesteld derde land en de bestuurder niet in het bezit is van een geldige groene kaart of grensverzekeringspolis. Ook dient hij zich tot het Waarborgfonds Motorverkeer te wenden als het ongeval is veroorzaakt door een voertuig dat in de lidstaat waar het gewoonlijk is gestald op grond van art. 5 lid 2 van de Richtlijn is vrijgesteld van de verzekeringsplicht.
Raakt de Nederlander in een andere lidstaat als slachtoffer bij een ongeval betrokken dat is veroorzaakt door een in een andere lidstaat gestald motorrijtuig, dan heeft hij eveneens - doorgaans - een in Nederland aan te spreken partij: de schaderegelaar die de in een andere lidstaat dan Nederland gevestigde verzekeraar in Nederland heeft aan te stellen.
Als de aansprakelijke niet verzekerd of onbekend is, dan kan de Nederlander zich wenden tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan. Dat geldt ook als de schaderegelaar of de verzekeraar niet binnen drie maanden gemotiveerd antwoordt op het verzoek om schadevergoeding, maar dan zal het schadevergoedingsorgaan zich in eerste instantie ertoe beperken het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, en de verzekeraar in staat te stellen alsnog een met redenen omkleed antwoord te geven.
Blijkt, bij een ongeval in een andere lidstaat, het aansprakelijke voertuig gewoonlijk te zijn gestald in of verzekerd vanuit een vestiging van een verzekeraar in Nederland, dan heeft de Nederlandse benadeelde toegang tot de verzekeraar of - in geval van een verzekeraar die in dienstverrichting in Nederland werkzaam is - diens schadeafhandelaar in Nederland. Is het gewoonlijk in Nederland gestalde voertuig onverzekerd, dan kan de Nederlandse benadeelde zich wenden tot het Waarborgfonds Motorverkeer.
Is voor het ongeval in een andere lidstaat dan Nederland een voertuig aansprakelijk dat gewoonlijk is gestald in een niet-lidstaat, dan ligt de zaak iets genuanceerder. De verzekeraar van dat voertuig heeft geen schaderegelaar in de lidstaat van het ongeval aangesteld en de benadeelde zal ofwel het groenekaartbureau van de lidstaat van het ongeval hebben aan te spreken, dan wel zich rechtstreeks tot de verzekeraar moeten wenden. Slechts als de aansprakelijke bezoeker uit een niet-lidstaat niet verzekerd of niet bekend blijkt te zijn, kan de benadeelde zich wenden tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan.
Hier zou nog ruimte voor verbetering van de positie van de benadeelde zijn. De benadeelde bij een ongeval in een andere lidstaat dat is veroorzaakt door een onverzekerd, in een niet-lidstaat gestald motorrijtuig, is beter af dan zijn lotgenoot die een verzekerde aansprakelijke tegenover zich heeft. De eerste kan zich immers tot het Schadevergoedingsorgaan wenden, de tweede moet zijn schade in het buitenland verhalen. Te overwegen is hier een oplossing te zoeken door tussenkomst van het Bureau van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde.
Ook Nederlandse slachtoffers van ongevallen in niet-lidstaten kunnen onder omstandigheden een Nederlandse partij aanspreken. Onder voorwaarde dat het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat dan Nederland en verzekerd is tegen aansprakelijkheid in de niet-lidstaat van het ongeval, kan hij zich tot de schaderegelaar en - als deze niet is aangesteld dan wel niet binnen drie maanden met redenen omkleed antwoordt - het schadevergoedingsorgaan wenden. Slechts de Nederlander die in een niet-lidstaat betrokken raakt bij een ongeval dat veroorzaakt is door een voertuig uit een niet-lidstaat of een niet voor schade in het land van het ongeval verzekerd voertuig uit een lidstaat (Nederland daaronder begrepen), verkeert in de lastige positie dat hij zijn schade in het land van het ongeval moet zien te verhalen. Daarvoor is echter alleen een oplossing te vinden als alle lidstaten hun verzekeringsplicht zouden uitbreiden tot alle bij het groenekaartstelsel aangesloten landen en dat is niet waarschijnlijk.
De positie van het Nederlandse slachtoffer van een ongeval in het buitenland (evenals trouwens die van slachtoffers met woonplaats in de andere lidstaten) is verder sterk verbeterd doordat het EU-Hof de benadeelde op grond van art. 11 lid 2 van Verordening Brussel I een bevoegde rechter in eigen land heeft gegeven in een procedure tegen de verzekeraar van het aansprakelijke voertuig. Weliswaar moet de dagvaarding in de procedure tegen de verzekeraar (in een andere lidstaat) worden uitgebracht, maar dat is nog altijd eenvoudiger dan procederen voor een gerecht in een andere lidstaat.
Deze bescherming geldt niet voor de niet als 'zwakke' partij te kenmerken benadeelde, waarbij in de eerste plaats (maar kennelijk niet bij uitsluiting) aan regresnemende sociale en particuliere verzekeraars moet worden gedacht. Zij zullen geen gebruik kunnen maken van de bijzondere jurisdictieregel van art. 11 lid 2 van Verordening Brussel L Wat overigens precies onder 'zwakke' partij moet worden verstaan, is (nog) niet geheel duidelijk.
Er is meer kritiek mogelijk.
In de eerste plaats is de bescherming van slachtoffers van ongevallen in andere lidstaten dan die van de woonplaats van de benadeelde (of in derde landen) zeer ingewikkeld vorm gegeven en soms zal de benadeelde het gevoel krijgen van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Dat geldt met name als de verzekeraar ofwel geen schaderegelaar heeft aangesteld of als de schaderegelaar of de verzekeraar niet binnen drie maanden gemotiveerd op het verzoek om schadevergoeding reageert. In dat geval heeft hij immers wel toegang tot het schadevergoedingsorgaan, maar zal dat gedurende twee maanden weinig anders doen dan proberen de verzekeraar tot actie te brengen. Ook als de verzekeraar pas na deze 'respijttermijn' van twee maanden alsnog in actie komt, lijkt een strikte interpretatie van de Richtlijn mee te brengen dat het schadevergoedingsorgaan zijn interventie zal moeten staken. Dit lijkt niet in het belang van de benadeelde en te overwegen is ondubbelzinnig te bepalen dat het schadevergoedingsorgaan in een dergelijk geval het dossier volledig ten einde behandelt. De schadevergoedingsorganen zelf gaan er, zoals zal blijken in paragraaf 63.3.2 onder a, van uit dat zij in een dergelijk geval het dossier niet zullen overdragen aan de verlaat reagerende verzekeraar.
Een tweede punt van kritiek is dat onduidelijk is of regresnemers zich tot het schadevergoedingsorgaan kunnen wenden. De Richtlijn is daarover niet helder, de Preambule en de tekst van de Richtlijn lijken onderling te verschillen en de wijze waarop de lidstaten de Richtlijn hebben geïmplementeerd verschilt van land tot land. Daarbij komt dat ook de criteria waaraan moet zijn voldaan om het schadevergoedingsorgaan te kunnen benaderen of aanspreken, niet volkomen eenduidig zijn. Dat is onder meer het gevolg van onduidelijkheden omtrent de vraag wat onder een met redenen omkleed antwoord moet worden verstaan en op deze vraag zal in de paragrafen 5.2.9.1, 5.6.23 en 5.6.2.4 nader worden ingegaan.
Een laatste punt van kritiek is dat de Richtlijn niet altijd zuiver in het oog houdt wat de natuurlijke rol van het Bureau en van het waarborgfonds is. Het Bureau heeft tot taak de schade te regelen die door bezoekende motorrijtuigen is veroorzaakt en het waarborgfonds treedt op als de aansprakelijke onverzekerd of onbekend is. In beginsel heeft het waarborgfonds alleen een taak als het onverzekerde voertuig gewoonlijk is gestald in de lidstaat van het ongeval, tenzij het uit een derde land afkomstig is en dus niet als het gewoonlijk in een andere lidstaat is gestald. Met de regeling van de op grond van art. 5 lid 2 van de Richtlijn vrijgestelde voertuigen doorbreekt de Richtlijn deze natuurlijke taakverdeling. Dan immers kan de benadeelde van een ongeval zich wenden tot het waarborgfonds, ook als dat voertuig gewoonlijk in een andere lidstaat is gestald. Wenselijk is te bepalen dat hier het Bureau op grond van de hoofdregel zou kunnen worden aangesproken.
De balans is in grote lijnen echter positief voor zover het de toegang van de benadeelde tot voor de schaderegeling verantwoordelijke partijen betreft. In het volgende hoofdstuk wordt onderzocht of dat ook geldt voor de schadevergoeding waarop hij aanspraak kan maken.