Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.4.4
12.4.4.4 Strijd over de uitoefening van aandeelhoudersbevoegdheden
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364858:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernandez (Stork); 28 maart 2007, JOR 2007/118 m.nt. Brink (DSM), 13 december 2007,ARO 2008/1 (e-Traction); 20 mei 2008, JOR 2008/158 (ASMI); 10 december 2008, JOR 2009/38 (AHAM); 6 september 2013, JOR 2013/272 m.nt. Josephus Jitta (Cryo-Save); 24 december 2015, ARO 2016/22 (Prien). Opvallend is dat de meeste beschikkingen inde jaren 2007 en 2008 zijn genomen.
Zie par. 4.2.
Hof Amsterdam (OK) 6 september 2013, JOR 2013/272 m.nt. Josephus Jitta (Cryo-Save). Zie daarover par. 7.6.1 en 8.4.2.1.
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt. Doorman (DSM).
Verwezen zij naar par. 7.6.1 en 8.4.2.1.
Zie par. 12.4.3.3
Zie hierover HR 2 december 1004, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer (Poot/ABP).
Zie par. 12.4.3.6.
Zie par. 12.4.3.6.
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt. Doorman (DSM). Zie ook par. 12.1.2 en 12.4.4.1.
Eén groep van aandeelhouders, waaronder de VEB, achtte de desbetreffende statutenwijziging kennelijk zo nadelig dat zij investeerden in een procedure om deze tegen te houden. Daarnaast vereist het formuleren van lange termijn beleid dat men de toekomst probeert te voorspellen. Omdat de toekomst notoir onvoorspelbaar is, kan lange termijn beleid ook tot luchtfietserij leiden.
Zie par. 12.4.3.3.
Vgl. EHRM 12 januari 2012, appl.nrs. 12266/07, 40059/07, 36038/09 en 47155/09 (Pekárny), r.o. 46, waarin voorlopige voorzieningen die verhinderden dat de vennootschap kapitaalsuitkeringen deed werd gezien als een inmenging in het eigendomsrecht van art. 1 EP van de vennootschap.
Zie ook par. 12.2.3.3.
Zie daarover par. 12.2.3.3.
Zie par. 12.4.3.6.
Bijvoorbeeld een aandeelhouder met een agenderingsrecht heeft het bestuur vooraf duidelijk gemaakt dat hij het desbetreffende besluit zelf met gebruikmaking van zijn agenderingsrecht zou agenderen als het bestuur dat niet zou doen.
Het komt met enige regelmaat voor dat de ondernemingskamer door middel van onmiddellijke voorzieningen besluitvorming in de aandeelhoudersvergadering verhindert,1 bijvoorbeeld door te verbieden om een besluit te agenderen of daarover te stemmen. De bevoegdheden (van de vereiste meerderheid) van de aandeelhouders(vergadering) biedt de mogelijkheid om het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap diepgaand te beïnvloeden, alsmede om de regels van (een deel van) de deelrechtsorde te wijzigen.2 De (meerderheid van de) aandeelhoudersvergadering kan deze bevoegdheden niet uitoefenen, indien geen (aandeelhouders)besluiten kunnen worden genomen als gevolg van onmiddellijke voorzieningen. Indien een beschikking waarin dergelijke onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen wordt vernietigd, komt de vraag op wie aanspraak kan maken op een schadevergoeding. In deze paragraaf wordt dat onderzocht aan de hand van de Cryo-Save-3 en de (vernietigde) DSM-beschikking.4
In de Cryo-Save-beschikking verdaagde de ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening een aandeelhoudersvergadering. Het verzoek daartoe was door de vennootschap zelf gedaan. Deze aandeelhoudersvergadering was met gebruikmaking van een statutair recht bijeengeroepen door een aandeelhouder. Deze aandeelhouder had besluiten geagendeerd ten einde het bestuur van de vennootschap te wijzigen. Daarmee beoogde deze aandeelhouder een koerswijziging af te dwingen. Doordat de ondernemingskamer de aandeelhoudersvergadering met circa tweeënhalve maand verdaagde, werd die koerswijziging op de lange baan geschoven. Kort na de beschikking werd de zaak geschikt. Tegen de Cryo-Save-beschikking is daarom geen cassatie ingesteld, maar als dat wel was gebeurd, is het maar de vraag of deze zou hebben standgehouden.5
In het geval de Cryo-Save-beschikking in cassatie geen stand had gehouden, had betoogd kunnen worden dat de desbetreffende koerswijziging eerder had kunnen worden doorgevoerd. Tevens had kunnen worden betoogd dat de beursgenoteerde aandelen in het kapitaal van de vennootschap daardoor meer waard waren geweest, omdat de koerswijziging in de markt zou worden gepercipieerd als beter voor de vennootschap. Ook zou betoogd kunnen worden dat deze koerswijziging tot meer winst had geleid en dat de vennootschap daardoor een groter vermogen had gehad. Of dat in de praktijk te bewijzen is, valt te bezien, maar stel dat dit wel zou lukken. Aan wie is het dan om een schadevergoeding te vorderen?
Er is sprake van een inbreuk op een subjectief (aandeelhouders)recht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW, namelijk het statutaire recht om een aandeelhoudersvergadering bijeen te roepen met de gewenste agendapunten.6 Dat is een recht dat de aandeelhouder toekomt.
Daarom is er naar de letter van het Poot/ABP-arrest7 er geen reden waarom de aandeelhouder geen schadevergoeding zou kunnen vorderen.8 Ook de ratio van het Poot/ABP-arrest speelt in het specifieke geval van de Cryo-Save- beschikking niet.9 De desbetreffende vennootschap verzocht immers zelf om de desbetreffende onmiddellijke voorziening en kan daarom geen vordering hebben naar aanleiding van het (mogelijke) feit dat de ondernemingskamer deze vervolgens ten onrechte heeft getroffen.
De casus in de DSM-beschikking10 is spiegelbeeldig aan de Cryo-Save- beschikking in de zin dat het besluit niet door de aandeelhouder maar door het bestuur was geagendeerd en dat een aandeelhouder verzocht om een verbod om het op een stemming te laten aankomen. Het ging om een besluit tot statutenwijziging. De vennootschap wilde een regeling invoeren die aandeelhouders recht gaf op extra dividend, nadat zij een bepaalde periode hun aandelen hadden gehouden. Dit voorstel was een reactie op de veel gehoorde kritiek dat veel aandeelhouders te veel op de korte termijn zouden zijn gericht. Daardoor zou het bestuur onder druk staan om op korte termijn resultaten te boeken, wat weer zou leiden tot kortzichtig beleid, omdat de lange termijn uit het oog wordt verloren. Door aandeelhouders die hun aandelen langer houden extra te belonen, zou de vennootschap aandeelhouders kunnen aantrekken die oog hebben op de lange termijn. Dat zou op zijn beurt het bestuur weer in staat stellen om zich op de lange termijn te richten. Uiteindelijk zou dat weer goed zijn voor de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming en zich vertalen in een toename van het vermogen van de vennootschap. Denkbaar is dat dit zich ook vertaalt in een hogere beurskoers. Of (kan worden aangetoond dat) dit in de praktijk inderdaad zo werkt, valt te bezien.11 Maar stel dat het desbetreffende effect wel kan worden aangetoond en dat tevens aangetoond zou kunnen worden dat de desbetreffende statutenwijziging zou zijn aangenomen indien deze in stemming was gebracht. Is het opgelegde verbod om de statutenwijziging in stemming te brengen dan onrechtmatig gehandeld jegens de vennootschap, of jegens de aandeelhouders (niet zijnde verzoekers)?
Een eerste vraag is hier of sprake is van een inbreuk op een recht in de zin van art. 6:162 lid 2 BW van de vennootschap. Anders gezegd: heeft de vennootschap een subjectief recht12 op wijziging de bepalingen van haar statuten die zien op de verdeling van vermogensuitkeringen. Duidelijk is dat dit geen persoonlijk recht is, omdat een rechtspersoon geen natuurlijke persoon is. Of sprake is van een absoluut vermogensrecht is niet uitgemaakt in de jurisprudentie.13
Zo nee, dan kan nog steeds sprake zijn van een onrechtmatige daad, omdat het – achteraf bezien: ten onrechte – verhinderen van een aandeelhoudersbesluit in strijd is met een verkeersnorm in de zin van art. 6:162 lid 2 BW die jegens de vennootschap in acht moet worden genomen. Of dat zo is, is bij de huidige stand van de jurisprudentie niet duidelijk.14 Duidelijk is in ieder geval dat geen sprake kon zijn van een onrechtmatige dreiging met de executie van dwangsommen,15 omdat geen dwangsom was opgelegd. Vanwege de in par. 12.4.3.4 genoemde redenen meen ik echter dat sprake is van een onrechtmatige daad jegens de vennootschap, mits de vennootschap kan aantonen dat zij is geschaad in een eigen vermogensrechtelijk belang.
Indien geen sprake is van een onrechtmatige daad jegens de vennootschap, dan speelt wederom geen afgeleide schade problematiek.16
Een verdere vraag is of aandeelhouders een subjectief recht hebben dat inhoudt dat, indien een bestuur eenmaal een besluit heeft geagendeerd, zij er recht op hebben dat deze stemming doorgang vindt. Ik denk niet dat aandeelhouders een dergelijk subjectief recht hebben, tenzij het gaat om een situatie die op één lijn gesteld moet worden met gebruikmaking van het agenderingsrecht van een aandeelhouder.17 Ook meen ik dat geen sprake is van een subjectief recht op extra dividend, indien nog louter sprake is van een voorstel om een dergelijk recht in de statuten op te nemen.
Wel is het denkbaar dat het – achteraf bezien: ten onrechte – verhinderen van een aandeelhoudersbesluit in strijd is met een verkeersnorm in de zin van art. 6:162 lid 2 BW die jegens aandeelhouders in acht moet worden genomen. Erg waarschijnlijk acht ik dat niet. Gezien de geringe betrokkenheid van aandeelhouders bij het initiatief tot de desbetreffende statutenwijziging, ligt het niet voor de hand om aan te nemen dat een verkeersnorm hun belang daarbij zou beschermen.