Einde inhoudsopgave
Verdrag inzake het wegverkeer
Artikel 32 Regels voor het voeren van verlichting
Geldend
Geldend vanaf 09-02-2025
- Bronpublicatie:
09-08-2023, Trb. 2023, 139 (uitgifte: 12-12-2023, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
09-02-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
05-11-2024, Trb. 2024, 129 (uitgifte: 05-11-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
Verkeersrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Tussen avondschemering en dageraad en in alle andere omstandigheden gedurende welke het zicht onvoldoende is vanwege bijvoorbeeld mist, sneeuwval of zware regen, dienen de volgende lichten op een rijdend voertuig te zijn ontstoken:
- a.
Op gemotoriseerde voertuigen en bromfietsen, groot licht of dimlicht en achterlichten, naar gelang de uitrusting die door dit Verdrag voor het voertuig van elke categorie wordt voorgeschreven;
- b.
Op aanhangwagens, breedtelichten aan de voorzijde indien deze zijn vereist ingevolge Bijlage 5, paragraaf 22.2, van dit Verdrag, en ten minste twee achterlichten (breedtelichten achter).
2.
Groot licht moet worden uitgeschakeld en dimlicht worden ingeschakeld:
- a.
Binnen de bebouwde kom waar de weg op voldoende wijze is verlicht en buiten de bebouwde kom waar de weg ononderbroken is verlicht en waar de verlichting voldoende is om de bestuurder in staat te stellen over een behoorlijke afstand duidelijk te zien en andere weggebruikers in staat te stellen het voertuig op een behoorlijke afstand op te merken;
- b.
Wanneer een bestuurder op het punt staat een ander voertuig voorbij te rijden, zodat op voldoende afstand verblinding van de bestuurder van het andere voertuig wordt voorkomen om deze in staat te stellen ongehinderd en zonder gevaar door te rijden;
- c.
In alle andere omstandigheden waarin het nodig is verblinding van andere weggebruikers of gebruikers van een waterweg of spoor- of tramweg die langs de weg loopt, te vermijden.
3.
Wanneer een voertuig vlak achter een ander voertuig rijdt, mag echter groot licht worden gebruikt als lichtsignaal om aan te geven dat de bestuurder van plan is in te halen, zoals bepaald in artikel 28, tweede lid.
4.
Mistlichten mogen alleen worden ontstoken bij mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht en, wat betreft mistvoorlichten, ter vervanging van dimlichten. De nationale wetgeving kan echter het gelijktijdige gebruik van mistvoorlichten en dimlichten, het gelijktijdige gebruik van mistvoorlichten en hoeklichten alsmede het gebruik van mistvoorlichten op smalle wegen met veel bochten toestaan.
5.
Wanneer voertuigen zijn uitgerust met breedtelichten (stadslichten) aan de voorzijde, dan moeten deze gelijktijdig worden ingeschakeld met grote lichten, dimlichten of mistvoorlichten. De functie van de breedtelichten (stadslichten) aan de voorzijde kan worden vervangen door dimlichten en/of grote lichten, op voorwaarde dat wanneer deze lichten defect zijn de breedtelichten aan de voorzijde automatisch weer worden ingeschakeld.
6.
De nationale wetgeving kan bestuurders van motorvoertuigen verplichten overdag dimlicht of dagrijverlichting te voeren.
7.
Overdag dient een motorfiets op de weg ten minste een dimlicht aan de voorzijde en een rood achterlicht te voeren. De nationale wetgeving kan het gebruik van dagrijverlichting in plaats van dimlicht toestaan.
8.
Tussen avondschemering en dageraad en in alle andere omstandigheden gedurende welke het zicht onvoldoende is, moet de aanwezigheid van op de weg stilstaande of geparkeerde gemotoriseerde voertuigen en van aanhangwagens die daaraan gekoppeld zijn worden aangegeven door middel van breedtelichten voor en achter. Bij dichte mist of soortgelijke toestand van verminderd zicht mogen dimlichten of mistvoorlichten worden gebruikt. Onder genoemde omstandigheden mogen mistachterlichten worden gebruikt als aanvulling op de achterlichten (breedtelichten achter).
9.
In afwijking van de bepalingen van het achtste lid van dit artikel mogen binnen de bebouwde kom de breedtelichten voor en achter worden vervangen door parkeerlichten, mits:
- a.
het voertuig niet langer is dan 6 m en niet breder dan 2 m;
- b.
aan het voertuig geen aanhangwagen is gekoppeld;
- c.
de parkeerlichten zijn geplaatst aan die zijde van het voertuig die het verst is verwijderd van de zijkant van de rijbaan waarlangs het voertuig stilstaat of is geparkeerd.
10.
In afwijking van de bepalingen van het achtste en negende lid van dit artikel mag een voertuig zonder enige verlichting stilstaan of geparkeerd zijn:
- a.
op een weg die zodanig verlicht is dat het voertuig op voldoende afstand goed zichtbaar is;
- b.
buiten de rijbaan en buiten een verharde berm;
- c.
in het geval van bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen die niet zijn uitgerust met een batterij, op de uiterste rand van de rijbaan binnen de bebouwde kom.
11.
De nationale wetgeving mag uitzonderingen op de bepalingen van het achtste en negende lid van dit artikel toestaan voor stilstaande of geparkeerde voertuigen in straten binnen de bebouwde kom waar zeer weinig verkeer is.
12.
Achteruitrijlichten mogen alleen worden gebruikt wanneer het voertuig achteruit rijdt of op het punt staat achteruit te gaan rijden; optionele extra achteruitrijlichten mogen blijven branden tijdens korte en langzame voorwaartse manoeuvres.
12bis.
Manoeuvreerlichten mogen alleen worden gebruikt wanneer het voertuig niet sneller rijdt dan 10 km per uur.
13.
Waarschuwingslichten mogen alleen worden gebruikt om andere weggebruikers te waarschuwen voor een bijzonder gevaar:
- a.
wanneer een voertuig dat met pech staat of bij een ongeval is betrokken niet direct verwijderd kan worden, zodat het een obstakel vormt voor de overige weggebruikers;
- b.
wanneer andere weggebruikers worden gewaarschuwd voor een dreigend gevaar.
14.
Speciale waarschuwingslichten:
- a.
die een blauw en/of rood licht uitstralen mogen slechts worden gevoerd door voorrangsvoertuigen die een urgente opdracht uitvoeren of wanneer het anderszins nodig is de overige weggebruikers te waarschuwen voor de aanwezigheid van het voertuig;
- b.
die een amberkleurig licht uitstralen mogen slechts worden gevoerd door voertuigen die de specifieke taken verrichten ten behoeve waarvan zij met speciale waarschuwingslichten zijn uitgerust of wanneer de aanwezigheid van dergelijke voertuigen op de weg gevaar of hinder oplevert voor de overige weggebrui kers.
- c.
die licht van een andere kleur uitstralen kunnen worden toegestaan door de nationale wetgeving.
15.
Onder geen enkele omstandigheid mag een voertuig rood licht aan de voorzijde of wit licht aan de achterzijde tonen, behoudens de in bijlage 5, paragraaf 61, genoemde uitzonderingen. Het is niet toegestaan een voertuig zodanig aan te passen of hieraan zodanig lichten toe te voegen dat dit strijdigheid met deze bepaling zou opleveren.