Procestaal: Duits.
HvJ EU, 28-06-2018, nr. C-203/16 P
ECLI:EU:C:2018:505
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
28-06-2018
- Magistraten
M. Ilešič, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-203/16 P
- Conclusie
N. Wahl
- Roepnaam
Andres/Commissie
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:505, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑06‑2018
ECLI:EU:C:2017:1017, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑12‑2017
Uitspraak 28‑06‑2018
M. Ilešič, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-203/16 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 12 april 2016,
Dirk Andres, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Heitkamp BauHolding GmbH, wonende te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door W. Niemann, S. Geringhoff en P. Dodos, Rechtsanwälte,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal, T. Maxian Rusche en K. Blanck-Putz als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz als gemachtigden,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 oktober 2017,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 december 2017,
het navolgende
Arrest
1
Met zijn hogere voorziening verzoekt Dirk Andres, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Heitkamp BauHolding GmbH (hierna: ‘HBH’), primair om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 4 februari 2016, Heitkamp BauHolding/Commissie (T-287/11, EU:T:2016:60; hierna: ‘bestreden arrest’), voor zover het Gerecht daarbij het beroep van HBH strekkende tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) ‘KStG, Sanierungsklausel’ (PB 2011, L 235, blz. 26; hierna: ‘litigieuze besluit’) ongegrond heeft verklaard, alsook om nietigverklaring van dit besluit.
2
Met haar incidentele hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het bestreden arrest voor zover het Gerecht daarbij de door haar opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van dat beroep heeft afgewezen, en bijgevolg om niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg.
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
3
De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 35 van het bestreden arrest zijn weergegeven, kunnen worden samengevat als volgt.
Duits recht
4
In Duitsland kunnen op grond van § 10d (2) van het Einkommensteuergesetz (wet inkomstenbelasting; hierna: ‘EStG’) de in de loop van een belastingjaar gemaakte verliezen worden overgedragen op latere belastingjaren, waarbij deze verliezen dus kunnen worden afgetrokken van de belastbare inkomsten van de volgende jaren (hierna: ‘regel van overdracht van de verliezen’). Op grond van § 8 (1) van het Körperschaftsteuergesetz (wet vennootschapsbelasting; hierna: ‘KStG’) geldt de regel van overdracht van de verliezen voor ondernemingen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.
5
Deze mogelijkheid om verliezen over te dragen leidde ertoe dat er — uitsluitend voor belastingdoeleinden — vennootschappen werden overgenomen die al elke bedrijfsactiviteit hadden stopgezet maar nog verliezen hadden die konden worden overgedragen. Om dergelijke constructies, die als oneerlijk werden beschouwd, tegen te gaan heeft de Duitse wetgever in 1997 in het KStG § 8 (4) ingevoerd waardoor de mogelijkheid om verliezen over te dragen werd beperkt tot ondernemingen die juridisch en economisch identiek waren aan de ondernemingen die de verliezen hadden gemaakt.
6
§ 8 (4) KStG is met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken bij het Unternehmensteuerreformgesetz (wet hervorming ondernemingsbelasting). Deze wet heeft in het KStG een nieuw § 8c (1) ingevoegd (hierna: ‘regel van het laten vervallen van de verliezen’), dat de mogelijkheid om verliezen over te dragen beperkt of zelfs uitsluit ingeval van verwerving van minimaal 25 % van de aandelen van een vennootschap (hierna: ‘schadelijke deelneming’). Hierin is bepaald, ten eerste, dat indien binnen een periode van vijf jaar na de overdracht meer dan 25 %, maar maximaal 50 % van het maatschappelijk kapitaal of van de lidmaatschaps-, deelnemings- of stemrechten in een vennootschap wordt overgedragen, de onbenutte verliezen evenredig met de procentuele wijziging van de samenstelling van de aandeelhoudersvervallen en, ten tweede, dat indien meer dan 50 % van het maatschappelijk kapitaal of van de lidmaatschaps-, deelnemings- of stemrechten in een vennootschap aan een overnemer wordt overgedragen, de onbenutte verliezen niet meer aftrekbaar zijn.
7
De regel van het laten vervallen van de verliezen voorzag in geen enkele uitzondering. De belastingautoriteiten konden echter, in geval van een schadelijke deelneming ter sanering van een onderneming in moeilijkheden, naar billijkheid een belastingvrijstelling toekennen op grond van een decreet van het Bundesministerium der Finanzen (federaal ministerie van Financiën, Duitsland) van 27 maart 2003.
8
In juni 2009 is bij het Bürgerentlastungsgesetz Krankenversicherung (wet vermindering van de op de burger drukkende lasten inzake ziektekostenverzekering) in § 8c KStG een lid (1a) ingevoegd (hierna: ‘saneringsclausule’ of ‘litigieuze maatregel’). Volgens deze nieuwe bepaling kan een entiteit zelfs ingeval van een schadelijke deelneming in de zin van § 8c (1) KStG verliezen overdragen wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: de aandelen worden verworven met het oog op sanering van de vennootschap; ten tijde van de verwerving is deze vennootschap insolvent of torst zij een te zware schuldenlast, of dreigt zij insolvent te worden of een te zware schuldenlast te torsen; de essentiële bedrijfsstructuren worden behouden, wat in wezen impliceert dat banen behouden blijven of dat een wezenlijke inbreng van bedrijfskapitaal wordt gedaan of schulden worden kwijtgescholden die nog kunnen worden geïnd; binnen vijf jaar na de verwerving van de deelneming vindt geen overschakeling naar een andere sector plaats, en ten tijde van de verwerving van de deelneming had de onderneming haar bedrijfsactiviteiten niet stopgezet.
9
De litigieuze maatregel is op 10 juli 2009 in werking getreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008, te weten de datum van inwerkingtreding van de regel van het laten vervallen van de verliezen.
Litigieus besluit
10
De Commissie heeft in artikel 1 van het litigieuze besluit vastgesteld dat ‘[d]e op grond van § 8c (1a) [KStG] toegekende staatssteunregeling die [de Bondsrepubliek Duitsland] […] onrechtmatig heeft verleend, onverenigbaar [is] met de interne markt’.
11
Bij de kwalificatie van de saneringsclausule als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU heeft die instelling met name geoordeeld dat deze clausule een uitzondering invoerde op de in § 8c (1) KStG bepaalde regel van het laten vervallen van de onbenutte verliezen van vennootschappen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders was veranderd, en dat die clausule dus een selectief voordeel kon verlenen aan de ondernemingen die voldeden aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. Volgens de Commissie werd dit selectief voordeel niet gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het belastingstelsel, aangezien de litigieuze maatregel bedoeld was om de uit de economische en financiële crisis voortvloeiende problemen aan te pakken en dit doel buiten het belastingstelsel ligt. De Commissie heeft in de artikelen 2 en 3 van dat besluit niettemin verklaard dat bepaalde in het kader van die regeling verleende individuele steun verenigbaar was met de interne markt, mits aan bepaalde voorwaarden was voldaan.
12
In artikel 4 van het litigieuze besluit heeft de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland gelast de onverenigbare steun die in het kader van de in artikel 1 van dat besluit bedoelde steunregeling was verleend, terug te vorderen van de begunstigden. Overeenkomstig artikel 6 van dat besluit diende deze lidstaat de Commissie onder meer een lijst van die begunstigden te verstrekken.
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
13
HBH is een vennootschap die sinds 2008 insolvent dreigde te worden. Op 20 februari 2009 heeft de moedermaatschappij van HBH de aandelen van HBH overgenomen met het oog op het fuseren van de twee vennootschappen, zodat HBH gesaneerd kon worden. Ten tijde van deze overname voldeed HBH aan de voorwaarden voor toepassing van de saneringsclausule. Dit werd bevestigd in een door het Finanzamt Herne (belastingdienst Herne, Duitsland) op 11 november 2009 verstrekte bindende inlichting (hierna: ‘bindende inlichting’). Bovendien heeft HBH op 29 april 2010 van de belastingdienst Herne een vooruitbetalingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2009 ontvangen waarin rekening werd gehouden met de op grond van die clausule overgedragen verliezen.
14
Bij brief van 24 februari 2010 heeft de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland in kennis gesteld van haar besluit om de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden met betrekking tot de litigieuze maatregel. Het federale ministerie van Financiën heeft de Duitse belastingdienst bij brief van 30 april 2010 gelast die maatregel niet meer toe te passen.
15
Op 27 december 2010 is de vooruitbetalingsaanslag van 29 april 2010 vervangen door een nieuwe vooruitbetalingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2009 waarin de saneringsclausule niet werd toegepast. In januari 2011 heeft HBH onder meer vooruitbetalingsaanslagen in de vennootschapsbelasting voor de daaropvolgende belastingjaren ontvangen waarin die clausule evenmin werd toegepast. Op 1 april 2011 heeft HBH een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2009 ontvangen. Aangezien § 8c (1a) KStG niet werd toegepast, heeft HBH de op 31 december 2008 bestaande verliezen niet kunnen overdragen.
16
Op 19 april 2011 heeft de belastingdienst Herne de bindende inlichting ingetrokken.
17
Op 22 juli 2011 heeft de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie een lijst verstrekt van de ondernemingen die het voordeel van de litigieuze maatregel hadden genoten. Deze lidstaat heeft de Commissie tevens een lijst verstrekt van de ondernemingen waarvoor bindende inlichtingen betreffende de toepassing van de saneringsclausule waren ingetrokken, waarin ook HBH vermeld stond.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juni 2011, heeft HBH beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
19
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 september 2011, heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
20
Op 29 augustus 2011 heeft de Bondsrepubliek Duitsland verzocht om in de procedure te mogen interveniëren aan de zijde van HBH. Dit verzoek is bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 5 oktober 2011 ingewilligd.
21
Bij beschikking van het Gerecht van 21 mei 2014 is de exceptie van niet-ontvankelijkheid overeenkomstig artikel 114, lid 4, van voormeld Reglement bij de zaak ten gronde gevoegd.
22
Ter ondersteuning van haar beroep heeft HBH twee middelen aangevoerd, het eerste ontleend aan de omstandigheid dat de litigieuze maatregel niet a priori selectief is, en het tweede aan de omstandigheid dat deze maatregel wordt gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het belastingstelsel.
23
In het bestreden arrest heeft het Gerecht enerzijds de exceptie van niet-ontvankelijkheid afgewezen op grond dat HBH rechtstreeks en individueel werd geraakt door het litigieuze besluit omdat zij in wezen al van vóór de vaststelling van het besluit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden, een door de Duitse belastingautoriteiten gecertificeerd verworven recht op een belastingbesparing had, en zij bovendien procesbelang had. Anderzijds heeft het Gerecht het beroep van HBH ongegrond verklaard.
Conclusies van partijen en procedure bij het Hof
24
Met haar hogere voorziening verzoekt HBH het Hof:
- —
punten 2 en 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen en het litigieuze besluit nietig te verklaren;
- —
subsidiair, punten 2 en 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
25
De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en HBH te verwijzen in de kosten.
26
Met haar incidentele hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
- —
punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen;
- —
het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren;
- —
de hogere voorziening af te wijzen;
- —
punt 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen, voor zover de Commissie daarbij wordt verwezen in een derde van haar eigen kosten;
- —
HBH te verwijzen in de kosten van de procedure bij het Hof en de procedure bij het Gerecht.
27
HBH verzoekt het Hof de incidentele hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten daarvan.
28
De Bondsrepubliek Duitsland heeft ter terechtzitting mondeling opmerkingen gemaakt waaruit blijkt dat zij de conclusies van HBH tot afwijzing van de incidentele hogere voorziening, tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het beroep in eerste aanleg daarbij ongegrond is verklaard, en tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, ondersteunt.
Incidentele hogere voorziening
29
Aangezien de incidentele hogere voorziening betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg — welke vraag voorafgaat aan de vragen betreffende de grond van de zaak die in de principale hogere voorziening worden opgeworpen — dient zij als eerste te worden onderzocht.
Argumenten van partijen
30
Volgens de Commissie heeft het Gerecht in de punten 50 tot en met 79 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn uitlegging van het begrip ‘individuele geraaktheid’ in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
31
In de eerste plaats betoogt de Commissie onder verwijzing naar de arresten van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie (C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570), en 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie (C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368), dat het relevante criterium om te bepalen of een verzoeker individueel wordt geraakt door een besluit van de Commissie waarbij een steunregeling onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard, de vraag is of die verzoeker een daadwerkelijke dan wel potentiële begunstigde is van uit hoofde van die regeling toegekende steun. Volgens de Commissie worden enkel daadwerkelijke begunstigden door een dergelijk besluit individueel geraakt.
32
Volgens de Commissie heeft het Gerecht zijn beslissing in de punten 62, 70 en 74 van het bestreden arrest echter niet gebaseerd op die rechtspraak maar op arresten die voor de onderhavige zaak niet relevant zijn. Er is in casu immers sprake van geen enkele van de omstandigheden op basis waarvan in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie (11/82, EU:C:1985:18), 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C-182/03 en C-217/03, EU:C:2006:416), 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina (C-519/07 P, EU:C:2009:556), 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie (C-132/12 P, EU:C:2014:100), en 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie (C-133/12 P, EU:C:2014:105) — waarop het Gerecht zich in de voormelde punten beroept — kon worden geoordeeld dat de rekwiranten individueel werden geraakt.
33
In tegenstelling tot wat het Gerecht in de punten 63 en 74 van het bestreden arrest heeft aangegeven, hangt de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg volgens de Commissie dus niet af van de ‘feitelijke en juridische situatie’ van HBH of van het bestaan van een ‘verworven recht’, maar uitsluitend van de vraag of HBH uit hoofde van de betrokken steunregeling al dan niet daadwerkelijk steun heeft ontvangen. De punten 75 en 76 van het bestreden arrest geven eveneens blijk van een onjuiste opvatting aangezien uit het arrest van 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie (C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368), waarop het Gerecht zich in punt 76 heeft gebaseerd, alleen kan worden afgeleid dat het voor de beoordeling van de individuele geraaktheid weinig uitmaakt of het besluit van de Commissie al dan niet een bevel tot terugvordering van de daadwerkelijk toegekende steun bevat.
34
In de tweede plaats merkt de Commissie op dat het element dat voor het Gerecht in zijn analyse van de ‘feitelijke en juridische situatie’ van HBH doorslaggevend is om te constateren dat deze laatste door het litigieuze besluit individueel wordt geraakt, het bestaan van een ‘verworven recht’ is, zoals aangegeven in punt 74 van het bestreden arrest. Indien dit ‘verworven recht’ als een verworven recht in de zin van het Unierecht moet worden begrepen, dan heeft het Gerecht echter blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Commissie kan een dergelijk recht immers slechts worden erkend wanneer het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen kan worden ingeroepen en is deze bescherming volgens de rechtspraak van het Hof in beginsel uitgesloten met betrekking tot steun die in strijd met de bij artikel 108, lid 3, VWEU opgelegde aanmeldingsverplichting is toegekend.
35
Op basis van diezelfde overweging betoogt de Commissie in de derde plaats dat, indien het Gerecht met ‘verworven recht’ een verworven recht in de zin van het nationale recht heeft bedoeld, het eveneens blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het krachtens het nationale recht aanspraak maken op een verworven recht in de omstandigheden van de onderhavige zaak immers evenzeer indruist tegen de rechtspraak volgens welke voor steun die in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU is toegekend, geen dergelijk recht kan worden ingeroepen.
36
De Commissie stelt dat punt 1 van het dictum van het bestreden arrest bijgevolg moet worden vernietigd en dat het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat HBH geen daadwerkelijke begunstigde van de betrokken steunregeling is.
37
Volgens HBH en de Duitse Bondsrepubliek is de incidentele hogere voorziening ongegrond.
Beoordeling door het Hof
38
Volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU, kan iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van dit artikel vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
39
In casu staat enerzijds vast dat het litigieuze besluit, zoals het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, alleen tot de Bondsrepubliek Duitsland is gericht. Anderzijds blijkt uit de punten 58 tot en met 79 van dat arrest dat het Gerecht op grond van het feit dat HBH door dat besluit rechtstreeks en individueel werd geraakt — en dus op grond van de tweede hypothese van die bepaling — heeft geoordeeld dat zij procesbevoegdheid had.
40
De Commissie voert in het eerste deel van haar enige middel in wezen aan dat het Gerecht in de punten 62, 63, 70 en 74 tot en met 77 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het die voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep van HBH beoordeelt aan de hand van de feitelijke en juridische situatie waarin deze zich bevindt, terwijl het enige relevante criterium de vraag is of zij daadwerkelijk dan wel potentieel begunstigde van de betrokken steunregeling was.
41
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen andere personen dan de adressaten van een besluit enkel stellen dat zij door dit besluit individueel worden geraakt indien het hen raakt uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 231, en 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C-132/12 P, EU:C:2014:100, punt 57).
42
De omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, impliceert niet dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer deze toepasselijkheid wordt bepaald op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (arresten van 16 maart 1978, Unicme e.a./Raad, 123/77, EU:C:1978:73, punt 16, en 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C-274/12 P, EU:C:2013:852, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Zo heeft het Hof gepreciseerd dat een onderneming in beginsel niet kan opkomen tegen een besluit van de Commissie houdende verbod van een sectoriële steunregeling, wanneer dit beluit haar enkel betreft vanwege het feit dat zij tot de bedoelde sector behoort en wegens haar hoedanigheid van potentieel begunstigde van die regeling. Een dergelijk besluit vormt ten opzichte van een dergelijke onderneming immers een maatregel van algemene strekking, die op objectief bepaalde situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor een algemeen en in abstracto omschreven categorie van personen (arresten van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C-274/12 P, EU:C:2013:852, punt 49).
44
Wanneer het besluit daarentegen een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, kunnen deze personen door deze handeling individueel zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers (arresten van 13 maart 2008, Commissie/Infront WM, C-125/06 P, EU:C:2008:159, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C-132/12 P, EU:C:2014:100, punt 59).
45
Aldus worden de daadwerkelijk begunstigden van uit hoofde van een steunregeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast, daardoor individueel geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU (zie in die zin arrest van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570, punten 34 en 35; zie ook arrest van 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie, C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368, punt 53).
46
Het is juist dat, zoals de Commissie aanvoert, uit deze rechtspraak voortvloeit dat, ten eerste, het Hof erkent dat daadwerkelijke begunstigden van individuele steun die is toegekend uit hoofde van een met de interne markt onverenigbare steunregeling, individueel worden geraakt door een besluit van de Commissie waarbij die regeling onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en waarbij de terugvordering van die steun wordt gelast en, ten tweede, een verzoeker volgens het Hof niet kan worden geacht individueel te worden geraakt louter en alleen omdat hij potentieel begunstigde van die regeling is. Anders dan de Commissie beweert, kan hieruit echter niet worden afgeleid dat het enige relevante criterium om te beoordelen of een verzoeker door een besluit van de Commissie waarbij een steunregeling onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard, individueel wordt geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, de vraag is of hij een daadwerkelijke dan wel een potentiële begunstigde is van krachtens deze regeling toegekende steun.
47
Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 57, 59, 67 en 68 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, vormt de in de punten 43 en 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, die in de specifieke context van staatssteun is ontwikkeld, immers slechts een specifieke uitdrukking van het — in het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17), geformuleerde — relevante juridische criterium om de individuele geraaktheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU te beoordelen. Volgens dit arrest wordt een verzoeker individueel geraakt door een tot een andere persoon gericht besluit indien dit besluit hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert (zie ook, op het gebied van staatssteun, arresten van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570, punt 32, en 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie, C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368, punt 52, alsook, op andere gebieden, arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, EU:C:1985:18, punten 11, 19 en 31, en 13 maart 2018, European Union Copper Task Force/Commissie, C-384/16 P, EU:C:2018:176, punt 93).
48
Of een verzoeker al dan niet behoort tot de categorie van daadwerkelijke of potentiële begunstigden van uit hoofde van een steunregeling toegekende individuele steun die bij besluit van de Commissie onverenigbaar met de interne markt is verklaard, kan dus in elk geval niet doorslaggevend zijn om te bepalen of die verzoeker door dat besluit individueel wordt geraakt wanneer hoe dan ook vaststaat dat het besluit hem overigens betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
49
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door eerst, in de punten 60 tot en met 62 van het bestreden arrest, de in de punten 41 tot en met 44 van dit arrest uiteengezette rechtspraak in herinnering te roepen en daarna in punt 63 van dat arrest zich tot taak te stellen ‘[na te gaan] of [HBH], gelet op de feitelijke en juridische situatie waarin hij zich bevindt, moet worden geacht door het bestreden besluit individueel te worden geraakt’.
50
Daaruit volgt bovendien dat het Gerecht evenmin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het zich in de punten 62, 70 en 74 van het bestreden arrest ter ondersteuning van zijn analyse heeft gebaseerd op de in punt 32 van onderhavig arrest vermelde arresten, aangezien in al deze arresten toepassing wordt gemaakt van het in het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17), geformuleerde criterium van individuele geraaktheid in omstandigheden waarin het, zoals in casu, niet relevant bleek om gebruik te maken van de specifieke uitdrukking van die rechtspraak waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen daadwerkelijke en potentiële begunstigden van individuele steun die wordt toegekend uit hoofde van een met de interne markt onverenigbaar verklaarde steunregeling.
51
Zo ook heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het in de punten 75 en 76 van het bestreden arrest de Commissie niet heeft gevolgd in haar betoog dat alleen de daadwerkelijke toekenning van een met staatsmiddelen bekostigd voordeel de individuele geraaktheid van HBH kan schragen, en zich hiervoor heeft gebaseerd op het arrest van 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie (C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368). Zoals in punt 47 van het onderhavige arrest reeds is geconstateerd, is het relevante criterium om te bepalen of een verzoeker door een besluit van de Commissie waarbij een steunregeling onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard, individueel wordt geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, immers de vraag of dat besluit hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert, hetgeen het Gerecht trouwens in punt 76 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht.
52
Aangezien het eerste deel van het enige middel van de incidentele hogere voorziening dus ongegrond is, moet het worden verworpen.
53
Wat het tweede en het derde deel van dit enige middel betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie het Gerecht hiermee verwijt in punt 74 van het bestreden arrest blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat HBH individueel werd geraakt omdat deze onderneming krachtens de litigieuze maatregel een ‘verworven recht’ op steun had.
54
In dit verband moet erop worden gewezen dat het Gerecht in het desbetreffende punt 74 met name heeft aangegeven dat ‘in de onderhavige zaak, […] is vastgesteld dat [HBH] als gevolg van de specifieke kenmerken van de Duitse belastingwetgeving een door de Duitse belastingautoriteiten gecertificeerd verworven recht op een belastingbesparing had […]. Door deze omstandigheid verschilt [HBH] immers van andere marktdeelnemers die slechts als potentiële begunstigden van de litigieuze maatregel worden geraakt’, waarbij het dienaangaande heeft verwezen naar punt 68 van het bestreden arrest.
55
In punt 68 heeft het Gerecht geconstateerd dat de in de punten 66 en 67 van dat arrest vermelde omstandigheden die de feitelijke en juridische situatie van HBH karakteriseerden in de zin van het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17), door de Duitse belastingdienst waren gecertificeerd door middel van inzonderheid de bindende inlichting. Deze omstandigheden betroffen enerzijds het feit dat HBH, vóórdat de Commissie de formele onderzoeksprocedure opende, krachtens de Duitse regeling het recht had om haar verliezen over te dragen aangezien de voorwaarden van de saneringsclausule waren vervuld, en anderzijds het feit dat HBH in 2009 belastbare winst had gemaakt waarvan zij de op grond van de saneringsclausule overgedragen verliezen zou hebben afgetrokken.
56
Het Gerecht heeft daaruit in punt 69 van het bestreden arrest afgeleid dat ‘[…] het volgens de Duitse regeling zeker [was] dat [HBH] aan het einde van het belastingjaar 2009 een belastingbesparing had gerealiseerd, waarvan zij de omvang overigens nauwkeurig kon bepalen. Aangezien de Duitse autoriteiten ter zake van de toepassing van de litigieuze maatregel over geen enkele beoordelingsmarge beschikten, was die belastingbesparing […] immers slechts een kwestie van tijd overeenkomstig de toepassingsvoorwaarden van de belastingregeling’. Het Gerecht heeft in datzelfde punt 69 geconstateerd dat HBH dus ‘een door de Duitse autoriteiten vóór de vaststelling van het inleidingsbesluit en vervolgens het [litigieuze] besluit gecertificeerd verworven recht [had] op die belastingbesparing, die zonder die besluiten een concrete vorm zou hebben aangenomen door de vaststelling van een belastingaanslag waarin de overdracht van de verliezen en de dienovereenkomstige opvoering daarvan op de balans zouden worden toegestaan’ en dat ‘[z]ij […] daardoor door de Duitse belastingautoriteiten en door de Commissie gemakkelijk [kon] worden geïdentificeerd’.
57
Op basis daarvan is het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat HBH ‘niet alleen [kan] worden aangemerkt als een onderneming die door het [litigieuze] besluit wordt geraakt omdat zij tot de betrokken sector behoort en een potentiële begunstigde is, maar [dat] moet worden geoordeeld dat zij deel uitmaakt van een gesloten kring van marktdeelnemers die op het tijdstip van de vaststelling van het [litigieuze] besluit waren geïdentificeerd of ten minste gemakkelijk konden worden geïdentificeerd in de zin van het arrest [van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17)]’.
58
Uit de relevante passages van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt dan ook dat het Gerecht in punt 74 van dat arrest de woorden ‘verworven recht’ louter heeft gebruikt om beknopt te verwijzen naar de specifieke feitelijke en juridische situatie van HBH op basis waarvan deze kon worden geacht door het litigieuze besluit individueel te worden geraakt in de zin van het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17).
59
Aangezien het tweede en het derde deel van het enige middel van de incidentele hogere voorziening dus op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berusten, moeten zij ongegrond worden verklaard en moet de incidentele hogere voorziening bijgevolg in haar geheel worden afgewezen.
Principale hogere voorziening
60
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert HBH twee middelen aan: ten eerste schending van de op het Gerecht rustende motiveringsplicht en ten tweede schending van artikel 107 VWEU. Het tweede middel dient eerst te worden onderzocht.
Argumenten van partijen
61
Met haar tweede middel betoogt HBH in de eerste plaats dat het Gerecht artikel 107 VWEU heeft geschonden doordat het de stelling van de Commissie volgens welke de regel van het laten vervallen van de verliezen in casu het relevante referentiekader vormt, heeft aanvaard en het dit referentiekader aldus onjuist heeft afgebakend. Volgens HBH heeft het Gerecht in de punten 103 en 106 van het bestreden arrest aanvankelijk correct bepaald welke de algemene belastingregeling is, te weten de regel van overdracht van de verliezen. Voor het onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde heeft het Gerecht echter de in § 8c (1) KStG bepaalde regel van het laten vervallen van de verliezen — te weten de uitzondering op die algemene regeling — gehanteerd als zijnde de relevante algemene of normale belastingregeling. Het heeft daarvoor ten onrechte niet de regel van overdracht van de verliezen in aanmerking genomen. Door aldus een uitzondering op de algemene belastingregeling als ‘referentiekader’ aan te merken, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of, in ieder geval, de hem overgelegde bewijselementen dan wel het nationale recht onjuist opgevat.
62
Volgens HBH heeft het Gerecht eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het, om de algemene of normale belastingregeling te bepalen, uitgegaan is van een synthese van de basisregel en de uitzondering, te meer daar de regels waarvan het Gerecht in punt 104 van het bestreden arrest een amalgaam heeft gemaakt, niet tot hetzelfde normatieve niveau behoren, aangezien de regel van overdracht van de verliezen uitdrukking geeft aan het grondwettelijk beginsel van belastingheffing naar draagkracht.
63
Uit de punten 104 en 107 van het bestreden arrest blijkt volgens HBH bovendien ook dat het Gerecht bij de afbakening van het referentiekader de eerste en de tweede fase van het onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde heeft ‘samengevoegd’ en zodoende de rechtspraak onjuist heeft toegepast.
64
In de tweede plaats betoogt HBH dat het Gerecht artikel 107 VWEU heeft geschonden bij het onderzoek van het a priori selectief karakter van de litigieuze maatregel. Om te beginnen heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de feitelijke en juridische situatie van sanering behoevende ondernemingen en die van gezonde ondernemingen, vergelijkbaar zijn. In het bijzonder volstaat de — met elke fiscale bepaling nagestreefde — doelstelling om fiscale inkomsten te genereren niet om de situaties van de betrokken marktdeelnemers als vergelijkbaar te kunnen beschouwen.
65
Voorts is de saneringsclausule volgens HBH wel degelijk een algemene maatregel. Punt 141 van het bestreden arrest druist in tegen de rechtspraak volgens welke het enige relevante criterium om te beoordelen of een maatregel algemeen is, de vraag betreft of deze maatregel wordt toegepast ongeacht de aard of het voorwerp van de activiteit van de onderneming dan wel of voor de toepassing ervan vereist is dat de onderneming haar activiteit aanpast.
66
In de derde plaats betoogt HBH dat het Gerecht artikel 107 VWEU heeft geschonden door de rechtvaardiging van de saneringsclausule af te wijzen. Het heeft in de punten 158 tot en met 160 en 164 tot en met 166 van het bestreden arrest ten onrechte geconstateerd dat die clausule tot doel heeft de sanering van de ondernemingen in moeilijkheden te bevorderen en onjuist geoordeeld dat dit doel buiten het belastingstelsel ligt. Ook heeft het Gerecht in de punten 166 tot en met 170 van dat arrest ten onrechte de aan het beginsel van belastingheffing naar draagkracht ontleende rechtvaardiging afgewezen.
67
HBH voert overigens aan dat het tweede middel van haar hogere voorziening wel degelijk ontvankelijk is, aangezien daarin enkel rechtsvragen worden opgeworpen. Dat middel heeft namelijk geen betrekking op de beoordeling van feiten, maar op de criteria die onjuist zijn toegepast om het referentiekader af te bakenen en op de juridische kwalificatie die het Gerecht aan de feiten heeft gegeven, hetgeen in het kader van een hogere voorziening onder de toetsingsbevoegdheid van het Hof valt.
68
De Commissie voert primair aan dat dit tweede middel niet-ontvankelijk is. Het eerste en het derde deel ervan hebben volgens haar betrekking op de vaststelling van het nationale recht en dus op feitenkwesties. In elk geval berust dat eerste deel, waarmee HBH het Gerecht verwijt bij de afbakening van het referentiekader rekening te hebben gehouden met een regeling die alleen voor een bepaalde groep ondernemingen geldt, op een onjuiste lezing van de punten 103 tot en met 109 van het bestreden arrest. Uit die punten blijkt dat het Gerecht louter het voor alle ondernemingen geldende recht heeft aangeduid, aangezien de economische identiteit en continuïteit de beslissende criteria zijn voor de vraag of verliezen kunnen worden overgedragen, hetgeen feitenkwesties zijn.
69
Het tweede deel van het tweede middel is volgens de Commissie evenmin ontvankelijk. Ten eerste betreffen de vergelijkbaarheid van de situaties van de markdeelnemers en de aanduiding van de relevante doelstelling in dit verband feitenkwesties. Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het betoog van HBH inzake de kwalificatie van de litigieuze maatregel als algemene maatregel ontvankelijk te verklaren, aangezien dit niet als een uitwerking van het eerste deel van het eerste middel had mogen worden beschouwd.
70
Subsidiair is het tweede middel volgens de Commissie ongegrond. In de eerste plaats vindt de stelling van HBH over de afbakening van het referentiekader, noch in de betrokken Duitse wet noch in de bij het Gerecht ingediende stukken steun. De Duitse wetgever heeft trouwens zelf de regel van het laten vervallen van de verliezen als de nieuwe basisregel aangeduid. Het Gerecht heeft dus rechtmatig vastgesteld dat sinds de invoering van § 8c (1) KStG de afschaffing van de overdracht van verliezen bij een schadelijke deelneming de nieuwe basisregel is in het Duitse fiscale recht.
71
In de tweede plaats is het betoog van HBH dat de situaties van de betrokken marktdeelnemers zogezegd niet vergelijkbaar zijn, volgens de Commissie het gevolg van een onjuist begrip van het bestreden arrest. Enerzijds is er vanuit het oogpunt van de veranderde economische identiteit geen verschil tussen ondernemingen die een sanering nodig hebben en ondernemingen die er geen nodig hebben.
72
Anderzijds is de saneringsclausule geen algemene maatregel, maar wel degelijk een selectieve maatregel. In dit verband kan het arrest van 7 november 2014, Autogrill España/Commissie (T-219/10, EU:T:2014:939), de stelling van HBH niet dienstig staven.
73
In de derde plaats heeft het Gerecht volgens de Commissie, in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten, terecht vastgesteld dat de saneringsclausule tot doel heeft ondernemingen in moeilijkheden te helpen. Het daaraan ontleende argument dat deze clausule tot doel heeft overmatige belasting te vermijden, faalt in elk geval, aangezien het Gerecht in de punten 167 tot en met 173 van het bestreden arrest heeft geconstateerd dat, ook al wordt die doelstelling in aanmerking aangenomen, die clausule daardoor niet wordt gerechtvaardigd. Bovendien heeft het Gerecht ook op goede gronden de argumenten inzake het Duitse grondwettelijke recht en de schijnwinsten van de hand gewezen.
74
De Duitse Bondsrepubliek betoogt dat het Gerecht, net als de Commissie, bij het vaststellen van het referentiekader blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Onder verwijzing naar de arresten van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk (C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732), en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a. (C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981), geeft deze lidstaat aan dat om een maatregel als ‘selectief’ aan te merken, de Commissie allereerst dient te bepalen welke de normale belastingregeling is die in de betrokken lidstaat geldt, en vervolgens dient aan te tonen dat de onderzochte maatregel differentieert tussen ondernemingen die zich, gelet op het door die regeling nagestreefde doel, in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden. Een uitsluitend op de regelgevingstechniek gebaseerde benadering is daartoe niet mogelijk.
75
De benadering van de Commissie is volgens de Duitse Bondsrepubliek in casu echter uitsluitend op de regelgevingstechniek gebaseerd, en het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door die benadering — hoewel deze in strijd is met de rechtspraak van het Hof — niet ter discussie te stellen. Het Gerecht heeft de inhoud en de draagwijdte van de relevante fiscale bepalingen in het bestreden arrest dus wel juist bepaald, maar er een onjuiste juridische kwalificatie aan gegeven.
Beoordeling door het Hof
76
Met het eerste deel van haar tweede middel betoogt HBH, hierin ondersteund door de Duitse Bondsrepubliek, in wezen dat het Gerecht in de punten 103 tot en met 107 van het bestreden arrest het voor het onderzoek van het selectieve karakter van de litigieuze maatregel af te bakenen referentiekader onjuist heeft vastgesteld.
77
Daar de Commissie de ontvankelijkheid van dit eerste deel betwist op grond dat het betrekking heeft op feitenkwesties, dient in herinnering te worden gebracht dat de beoordeling van de feiten en de bewijzen weliswaar geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is om in het kader van een hogere voorziening door het Hof te worden getoetst, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van deze feiten en bewijzen, maar dat het Hof, wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, krachtens artikel 256 VWEU bevoegd is om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (arresten van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 december 2017, Comunidad Autónoma del País Vasco e.a./Commissie, C-66/16 P tot C-69/16 P, EU:C:2017:999, punt 97).
78
Bijgevolg is het Hof in hogere voorziening met betrekking tot het onderzoek van de vaststellingen van het Gerecht betreffende de nationale wetgeving, welke op het gebied van staatssteun feitelijke beoordelingen vormen, enkel bevoegd om te onderzoeken of die nationale wetgeving onjuist is opgevat (zie in die zin arresten van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 december 2017, Comunidad Autónoma del País Vasco e.a./Commissie, C-66/16 P tot C-69/16 P, EU:C:2017:999, punt 98). Het onderzoek in hogere voorziening van de juridische kwalificatie die het Gerecht in het licht van een bepaling van Unierecht aan dat nationale recht heeft gegeven, welke een rechtsvraag vormt, valt daarentegen wel onder de bevoegdheid van het Hof (zie in die zin arresten van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 83, en 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C-524/14 P, EU:C:2016:971, punten 61 tot en met 63).
79
In casu staat vast dat HBH met het voormelde eerste deel niet de inhoud of de draagwijdte betwist die het Gerecht aan het nationale recht heeft gegeven, maar wel het feit dat het Gerecht, net als de Commissie in het bestreden besluit, de regel van het laten vervallen van de verliezen als ‘referentiekader’ heeft aangemerkt.
80
Het begrip ‘referentiekader’ betreft echter de eerste fase van het onderzoek van de voorwaarde inzake de selectiviteit van het voordeel, welke voorwaarde zelf volgens de rechtspraak van het Hof beslissend is voor het begrip ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (arresten van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 54).
81
Aangezien het betoog van HBH er dus toe strekt de juridische kwalificatie die het Gerecht aan de feiten heeft gegeven, ter discussie te stellen, is het eerste deel van het tweede middel van de hogere voorziening ontvankelijk.
82
Wat de grond van zaak betreft, moet in herinnering worden geroepen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, een nationale maatregel pas kan worden aangemerkt als een nationale ‘steunmaatregel van de staat’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU wanneer is voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden. In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet die maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. In de vierde plaats moet de maatregel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arresten van 10 juni 2010, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-140/09, EU:C:2010:335, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 53).
83
Wat de voorwaarde van de selectiviteit van het voordeel betreft, blijkt uit eveneens vaste rechtspraak van het Hof dat bij de beoordeling van deze voorwaarde moet worden uitgemaakt of de betrokken nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties’ kan begunstigen ten opzichte van andere die zich, gelet op de doelstelling van die regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden en dus een verschillende behandeling krijgen die in wezen discriminerend is (arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
Verder dient de Commissie, wanneer de betrokken maatregel als een steunregeling en niet als een individuele steunmaatregel bedoeld is, aan te tonen dat die maatregel, hoewel hij voorziet in een voordeel van algemene strekking, dit voordeel alleen aan bepaalde ondernemingen of bepaalde sectoren verleent (arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Wat met name een nationale maatregel tot toekenning van een belastingvoordeel betreft, moet in herinnering worden geroepen dat een dergelijke maatregel die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, de begunstigden een selectief voordeel kan verschaffen en bijgevolg een steunmaatregel van de staat is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Een belastingvoordeel dat voortvloeit uit een algemene maatregel die zonder onderscheid van toepassing is op alle marktdeelnemers, vormt daarentegen geen steunmaatregel in de zin van die bepaling (zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 56).
86
In die context kan de Commissie een nationale belastingmaatregel pas als ‘selectief’ aanmerken nadat zij in een eerste fase heeft bepaald welke algemene of ‘normale’ belastingregeling in de betrokken lidstaat van toepassing is, en in een tweede fase heeft aangetoond dat de betrokken belastingmaatregel afwijkt van de gewone regeling, voor zover hij differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van de gewone regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
Het begrip ‘staatssteun’ strekt zich evenwel niet uit tot maatregelen die differentiëren tussen ondernemingen die zich, gelet op het doel van de betrokken rechtsregeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, en welke maatregelen bijgevolg op het eerste gezicht selectief zijn, wanneer de betrokken lidstaat in een derde fase kan aantonen dat die differentiatie gerechtvaardigd is aangezien deze voortvloeit uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan de maatregelen een onderdeel vormen (zie in die zin arrest van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, EU:C:2006:511, punt 52; zie ook arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
Het onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde impliceert dus in beginsel dat allereerst het referentiekader waarvan de desbetreffende maatregel deel uitmaakt, wordt afgebakend. Deze afbakening is nog belangrijker bij fiscale maatregelen, daar het bestaan zelf van een voordeel slechts ten opzichte van een zogenoemde ‘normale’ belasting kan worden vastgesteld (zie in die zin arresten van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, EU:C:2006:511, punt 56, en 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C-524/14 P, EU:C:2016:971, punt 55).
89
De afbakening van de groep ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, is dus afhankelijk van de voorafgaande vaststelling van de rechtsregeling waarvan de doelstelling het oogpunt vormt van waaruit in voorkomend geval moet worden onderzocht in hoeverre de feitelijke en juridische situatie van de door de betrokken maatregel begunstigde ondernemingen vergelijkbaar is met die waarin de niet-begunstigde ondernemingen verkeren (arrest van 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C-524/14 P, EU:C:2016:971, punt 60).
90
Niettemin hangt de kwalificatie van een belastingstelsel als ‘selectief’ niet af van het feit dat dit stelsel aldus is ontworpen dat de ondernemingen die eventueel een selectief voordeel genieten, in de regel aan dezelfde fiscale lasten als de andere ondernemingen zijn onderworpen maar voor uitzonderingsbepalingen in aanmerking komen, zodat het fiscaal voordeel kan worden geïdentificeerd als het verschil tussen de normale fiscale last en de last die eerstgenoemde ondernemingen treft (arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punt 91).
91
Een dergelijke opvatting van het selectiviteitscriterium zou immers inhouden dat een belastingregeling enkel als ‘selectief’ kan worden aangemerkt indien deze volgens een welbepaalde regelgevingstechniek is vastgesteld, hetgeen zou meebrengen dat nationale fiscale bepalingen reeds daarom aan elk toezicht op het gebied van staatssteun ontsnappen omdat zij via een andere regelgevingstechniek tot stand zijn gebracht, ook al sorteren zij rechtens en/of feitelijk, door diverse fiscale bepalingen aan te passen en te combineren, dezelfde effecten. Die opvatting zou dan ook indruisen tegen de vaste rechtspraak volgens welke artikel 107, lid 1, VWEU geen onderscheid maakt naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar op hun gevolgen ziet, onafhankelijk dus van de gebruikte technieken (zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punten 87, 92 en 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
Net als de keuze voor een welbepaalde regelgevingstechniek volgens die rechtspraak er dus niet toe kan leiden dat nationale fiscale bepalingen daardoor meteen aan het in het VWEU vastgestelde toezicht op het gebied van staatssteun ontsnappen, is de keuze van de gebruikte regelgevingstechniek evenmin toereikend om het voor het onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde relevante referentiekader af te bakenen, aangezien anders kennelijk meer belang wordt gehecht aan de vorm van de overheidsmaatregelen dan aan de gevolgen ervan. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 108 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan de gebruikte regelgevingstechniek dus geen beslissende factor zijn bij de vaststelling van het referentiekader.
93
Daarbij zij evenwel aangetekend dat uit diezelfde rechtspraak ook volgt dat, ofschoon de gebruikte regelgevingstechniek niet doorslaggevend is om te bepalen of een belastingmaatregel selectief is, zodat die maatregel ook selectief kan zijn zonder dat hij afwijkt van een algemene belastingregeling, het feit dat deze maatregel wegens het gebruik van die regelgevingstechniek een dergelijk afwijkend karakter heeft, relevant is ten bewijze van zijn selectiviteit wanneer hij ertoe leidt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen twee groepen ondernemers die a priori een verschillende behandeling krijgen, namelijk de groep die onder de afwijkende maatregel valt en die waarop de algemene belastingregeling van toepassing blijft, hoewel beide groepen zich in een vergelijkbare situatie bevinden, gelet op het doel van die regeling (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 77).
94
Verder zij eraan herinnerd dat het feit dat alleen belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van een maatregel, voor deze maatregel in aanmerking komen, op zich nog niet meebrengt dat het een selectieve maatregel betreft (arresten van 29 maart 2012, 3M Italia, C-417/10, EU:C:2012:184, punt 42, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 59).
95
Het is in het licht van deze overwegingen dat moet worden onderzocht of het Gerecht in de onderhavige zaak, zoals HBH en de Bondsrepubliek Duitsland betogen, artikel 107, lid 1, VWEU — zoals uitgelegd door het Hof — heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie geen fout heeft gemaakt waar zij heeft bepaald dat het relevante referentiekader om uit te maken of de litigieuze maatregel selectief was, enkel bestond uit de regel van het laten vervallen van de verliezen.
96
In dit verband moet erop worden gewezen dat het Gerecht er in punt 103 van het bestreden arrest aan heeft herinnerd dat ‘de Commissie in het [litigieuze] besluit […] de regel van het laten vervallen van de verliezen heeft aangemerkt als de algemene regel ten aanzien waarvan diende te worden onderzocht of ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevonden, verschillend werden behandeld, terwijl [HBH] zich beroept op de meer algemene regel van overdracht van de verliezen, die voor elke belastingheffing geldt’.
97
Het Gerecht heeft in punt 104 van dat arrest eveneens in herinnering geroepen dat ‘de regel van overdracht van de verliezen een mogelijkheid is waarvan alle vennootschappen in het kader van de vennootschapsbelasting gebruik kunnen maken’ en dat ‘de regel van het laten vervallen van de verliezen die mogelijkheid beperkt in het geval van het verwerven van een deelneming van minimaal 25 % van het kapitaal en die mogelijkheid afschaft in het geval van het verwerven van een deelneming van meer dan 50 % van het kapitaal’, waarna het heeft geconstateerd dat ‘[d]eze laatste regel dus stelselmatig van toepassing [is] in alle gevallen waarin de samenstelling van de aandeelhouders ten belope van minimaal 25 % van het kapitaal verandert, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de aard of de kenmerken van de betrokken ondernemingen’.
98
Het Gerecht heeft in punt 105 van dat arrest daaraan toegevoegd dat ‘de saneringsclausule [bovendien is] geformuleerd in de vorm van een uitzondering op de regel van het laten vervallen van de verliezen, en […] slechts van toepassing [is] op welomschreven situaties die onder laatstgenoemde regel vallen’.
99
Het Gerecht heeft in punt 106 van datzelfde arrest daaruit afgeleid dat ‘[v]ast staat […] dat de regel van het laten vervallen van de verliezen, net als de regel van overdracht van de verliezen, deel uitmaakt van het wettelijke kader van de litigieuze maatregel’, dat ‘[m]et andere woorden, het relevante wettelijke kader in het onderhavige geval [bestaat] uit de algemene regel van overdracht van de verliezen, zoals die is beperkt door de regel van het laten vervallen van de verliezen, en [dat] het juist in dat kader [is] dat dient te worden nagegaan of de litigieuze maatregel differentieert tussen marktdeelnemers die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden in de zin van de […] rechtspraak’.
100
Op basis daarvan is het Gerecht in punt 107 van het bestreden arrest tot de conclusie gekomen dat ‘de Commissie geen fout [had] gemaakt door weliswaar het bestaan van een meer algemene regel, namelijk de regel van overdracht van de verliezen, vast te stellen, maar tegelijkertijd aan te tonen dat het wettelijke referentiekader voor de beoordeling of de litigieuze maatregel selectief is, bestond uit de regel van het laten vervallen van de verliezen’.
101
Zoals door HBH en de Bondsrepubliek Duitsland wordt aangevoerd, heeft deze redenering het Gerecht ertoe gebracht om ten onrechte alleen de regel van het laten vervallen van de verliezen als referentiekader in de zin van de rechtspraak betreffende artikel 107, lid 1, VWEU, aan te merken, en de regel van overdracht van de verliezen van dit kader uit te sluiten.
102
Uit deze redenering blijkt immers dat hoewel het Gerecht heeft geconstateerd dat er een algemene belastingregel bestaat die voor alle aan de vennootschapsbelasting onderworpen ondernemingen geldt, te weten de regel van overdracht van de verliezen, het niettemin heeft geoordeeld dat de Commissie geen fout had gemaakt door te bepalen dat het relevante referentiekader om vast te stellen of de litigieuze maatregel selectief was, uitsluitend uit de regel van het laten vervallen van de verliezen bestond, ofschoon vaststond dat laatstgenoemde regel zelf een uitzondering vormde op de regel van overdracht van de verliezen en terwijl uit het onderzoek van de inhoud van deze bepalingen in hun geheel had moeten kunnen worden afgeleid dat de saneringsclausule ertoe strekte een onder de algemene regel van overdracht van de verliezen vallende situatie te regelen.
103
Zoals ook de advocaat-generaal in punt 109 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, volgt uit de in de punten 90 tot en met 93 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof echter dat de selectiviteit van een belastingmaatregel niet juist kan worden beoordeeld aan de hand van een referentiekader dat bestaat uit enkele bepalingen die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht. Doordat het Gerecht de algemene regel van overdracht van de verliezen heeft uitgesloten van het in casu relevante referentiekader, heeft het dit kader dan ook kennelijk te restrictief afgebakend.
104
Voor zover het Gerecht tot die slotsom is gekomen op basis van het feit dat de litigieuze maatregel als een uitzondering op de regel van het laten vervallen van de verliezen was verwoord, zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 92 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet, de gebruikte regelgevingstechniek geen beslissende factor kan zijn bij de vaststelling van het referentiekader.
105
Voorts kan in casu geen enkel nuttig argument ter ondersteuning van het bestreden arrest worden gehaald uit het arrest van 18 juli 2013, P (C-6/12, EU:C:2013:525), aangezien het Hof zich daarin niet heeft uitgesproken over de vraag waaruit het referentiekader in de hem voorgelegde zaak bestond.
106
Uit al het voorgaande volgt dat het eerste deel van het tweede middel van HBH gegrond is, zonder dat in dit verband het tweede onderdeel van het ter ondersteuning van dit middel aangevoerde betoog hoeft te worden onderzocht. Ook moet erop worden gewezen dat het op basis van zijn rechtens onjuiste beoordeling is — volgens welke de Commissie geen fout had gemaakt door te bepalen dat het in casu relevante referentiekader om te toetsen of de litigieuze maatregel selectief was, alleen bestond uit de regel van het laten vervallen van de verliezen — dat het Gerecht het overige door HBH aangevoerde betoog heeft geanalyseerd, waarmee deze laatste beoogde aan te tonen dat de litigieuze maatregel, ten eerste, niet a priori selectief was en, ten tweede, werd gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het belastingstelsel.
107
Zoals uit de in de punten 83 en 86 tot en met 89 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt, tast een fout in de vaststelling van het referentiekader aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een maatregel selectief is, noodzakelijkerwijze de geldigheid van het gehele onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde aan. In die omstandigheden moet de hogere voorziening worden toegewezen en moeten de punten 2 en 3 van het dictum van het bestreden arrest worden vernietigd, zonder dat het tweede en het derde deel van het tweede middel van de hogere voorziening of het eerste middel ervan hoeven te worden onderzocht.
Beroep voor het Gerecht
108
Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
109
Dat is in casu het geval. In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat uit de in de punten 82 tot en met 107 van dit arrest uiteengezette gronden volgt dat het eerste deel van het eerste middel van het beroep van HBH voor het Gerecht, voor zover HBH daarmee beoogt aan te tonen dat de Commissie het relevante referentiekader om te beoordelen of de litigieuze maatregel selectief is, onjuist heeft vastgesteld door te bepalen dat dit kader alleen bestaat uit de regel van het laten vervallen van de verliezen, gegrond is. Aangezien de Commissie het selectieve karakter van de litigieuze maatregel dus aan de hand van een onjuist vastgesteld referentiekader heeft beoordeeld, dient het litigieuze besluit nietig te worden verklaard.
Kosten
110
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet.
111
Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
112
Aangezien de Commissie op de incidentele en principale hogere voorziening in het ongelijk is gesteld, het litigieuze besluit nietig wordt verklaard en HBH heeft gevorderd dat de Commissie wordt verwezen in de kosten, moet laatstgenoemde, behalve in haar eigen kosten, worden verwezen in de kosten van HBH betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
113
Volgens artikel 184, lid 4, van datzelfde Reglement, kan een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd, wanneer zij niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, alleen in de kosten van de hogere voorziening worden verwezen indien zij aan de schriftelijke of mondelinge behandeling bij het Hof heeft deelgenomen. Wanneer een dergelijke partij aan de procedure deelneemt, kan het Hof beslissen dat zij haar eigen kosten draagt.
114
De Bondsrepubliek Duitsland, interveniënte in eerste aanleg die deel heeft genomen aan de mondelinge behandeling voor het Hof, heeft niet om de verwijzing van de Commissie in de kosten verzocht. In die omstandigheden dient te worden beslist dat zij haar eigen kosten van de procedure in hogere voorziening zal dragen.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
- 1)
De incidentele hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
Punten 2 en 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 4 februari 2016, Heitkamp BauHolding/Commissie (T-287/11, EU:T:2016:60), worden vernietigd.
- 3)
Besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) ‘KStG, Sanierungsklausel’, wordt nietig verklaard.
- 4)
De Europese Commissie wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in de kosten van Dirk Andres, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Heitkamp BauHolding GmbH, betreffende zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.
- 5)
De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten van de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑06‑2018
Conclusie 20‑12‑2017
N. Wahl
Partij(en)
Zaak C-203/16 P1.
Dirk Andres (curator van Heitkamp BauHolding GmbH), voorheen Heitkamp BauHolding GmbH
tegen
Europese Commissie
1.
Met zijn hogere voorziening verzoekt de curator van Heitkamp BauHolding GmbH (hierna: ‘rekwirant’ of ‘HBH’) het Hof, het arrest van het Gerecht in zaak T-287/11 te vernietigen.2. In dit arrest heeft het Gerecht verwerpend beslist op het door rekwirant ingestelde beroep tot nietigverklaring van besluit 2011/527/EU van de Commissie3. betreffende de steunmaatregel die Duitsland ten uitvoer had gelegd op grond van een regeling volgens welke verliezen kunnen worden overgedragen in geval van sanering van ondernemingen in moeilijkheden.
2.
In de hogere voorziening worden twee vragen aan de orde gesteld die de kern van het Unierecht inzake staatssteun raken.
3.
De eerste vraag is een procedurele vraag en betreft de in artikel 263, vierde alinea, VWEU geformuleerde voorwaarden voor procesbevoegdheid van particulieren: wordt rekwirant individueel geraakt door het litigieuze besluit in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van het Hof in de zaak Plaumann?4.Wanneer meer in het bijzonder een uit de bestreden nationale maatregel voortvloeiende belastingbesparing niet bij een definitieve belastingaanslag is vastgesteld, kan een onderneming dan niettemin voldoen aan het criterium van individuele geraaktheid? In dat verband wordt het Hof in deze zaak de mogelijkheid geboden om in het kader van belastingmaatregelen te oordelen over het beweerdelijk onduidelijke onderscheid tussen ondernemingen met procesbevoegdheid en ondernemingen zonder procesbevoegdheid.
4.
De tweede vraag is een materiële vraag en heeft betrekking op de wezenlijke bestanddelen van staatssteun. Hoe dient het begrip selectiviteit te worden uitgelegd binnen de specifieke context van maatregelen op het gebied van directe belastingen? Ten vervolge op het arrest World Duty Free5. kan het Hof in deze zaak een leidraad geven over de parameters aan de hand waarvan het normale belastingstelsel (het referentiestelsel) wordt vastgesteld. Deze vraag is in het bijzonder van belang aangezien het referentiestelsel de benchmark vormt voor het beoordelen of een belastingmaatregel selectief is.6.
I. Achtergrond van de zaak
5.
Met betrekking tot de achtergrond van de onderhavige zaak blijkt uit het litigieuze besluit en uit het bestreden arrest het volgende.
A. Nationale bepalingen
6.
In Duitsland is de belasting van rechtspersonen voornamelijk gebaseerd op het Einkommensteuergesetz (wet inkomstenbelasting) en het Körperschaftsteuergesetz (wet vennootschapsbelasting; hierna: ‘KStG’).
7.
Overeenkomstig § 10d (2) van de wet inkomstenbelasting mogen de in de loop van een belastingjaar gemaakte verliezen worden overgedragen op latere belastingjaren, wat betekent dat de verliezen kunnen worden afgetrokken van de belastbare inkomsten van de volgende jaren (hierna: ‘regel van overdracht van de verliezen’). Op grond van § 8 (1) KStG geldt de regel van overdracht van de verliezen ook voor ondernemingen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.
8.
De mogelijkheid om verliezen over te dragen, leidde ertoe dat ‘lege vennootschappen’ uitsluitend voor verlaging van de belastingschuld werden overgenomen. Deze vennootschappen hadden hun bedrijfsactiviteit al enige tijd stopgezet, maar beschikten nog over overgedragen verliezen.
9.
Om de handel in dergelijke vennootschappen tegen te gaan, is in 1997 § 8 (4) KStG ingevoerd. Deze bepaling beperkte de overdracht van de verliezen tot de ondernemingen die juridisch en economisch identiek waren aan de ondernemingen die de verliezen hadden gemaakt (hierna: ‘oude regel van het laten vervallen van de verliezen’). Deze bepaling bevatte weliswaar geen definitie van het begrip ‘economisch identiek’, maar wel één negatief voorbeeld en twee positieve voorbeelden:
- (a)
van economische identiteit is geen sprake wanneer meer dan de helft van de aandelen van een kapitaalvennootschap wordt overgedragen en de kapitaalvennootschap haar bedrijfsactiviteiten met overwegend nieuw bedrijfskapitaal voortzet of opnieuw opneemt;
- (b)
van economische identiteit is daarentegen wél sprake wanneer de inbreng van nieuw bedrijfskapitaal alleen dient voor de sanering van de entiteit die de verliezen maakt, en de vennootschap de bedrijfsactiviteiten tijdens de vijf volgende jaren in een, alle economische verhoudingen in acht genomen, vergelijkbare omvang voortzet;
- (c)
van economische identiteit is eveneens sprake wanneer de overnemer, in plaats van nieuw bedrijfskapitaal in te brengen, de verliezen compenseert die de met verlies werkende onderneming heeft opgelopen.
10.
De uitzondering op het laten vervallen van de verliezen (punten b en c) werd gewoonlijk de Sanierungsklausel genoemd, een regeling op grond waarvan sanering van verlieslijdende vennootschappen kon plaatsvinden.
11.
In januari 2008 werd de oude, in § 8 (4) van het KStG neergelegde regel van het laten vervallen van de verliezen ingetrokken en werd in het KStG een nieuwe § 8c, lid 1, ingevoegd (hierna: ‘regel van het laten vervallen van de verliezen’). Deze bepaling beperkte de mogelijkheid van overdracht van de verliezen in geval van verwerving van minimaal 25 % van de aandelen van een vennootschap (hierna: ‘schadelijke deelneming’). Meer bepaald gold dat indien meer dan 25 %, maar maximaal 50 %, van het maatschappelijk kapitaal, van de lidmaatschaps-, deelnemings- of stemrechten wordt overgedragen, de onbenutte verliezen evenredig met de procentuele wijziging van de samenstelling van de aandeelhouders vervallen. Wanneer meer dan 50 % van het maatschappelijk kapitaal, van de lidmaatschaps-, deelnemings- of stemrechten in een vennootschap aan een overnemer wordt overgedragen, vervallen de verliezen volledig.
12.
Toen de regel van het laten vervallen van de verliezen van kracht werd, voorzag deze niet in uitzonderingen. De belastingautoriteiten konden echter, in geval van een schadelijke deelneming ter sanering van een onderneming in moeilijkheden, naar billijkheid belastingvrijstelling toekennen op grond van het saneringsdecreet van het Duitse ministerie van Financiën van 27 maart 2003.
13.
In juni 2009 is § 8c (1a) in het KStG ingevoegd, volgens welke overdracht van de verliezen mogelijk blijft ingeval een onderneming in moeilijkheden met het oog op de sanering ervan wordt overgenomen (hierna: ‘saneringsclausule’ of ‘litigieuze maatregel’).
14.
Meer bepaald kan volgens deze clausule een overgenomen entiteit ook in geval van een schadelijke deelneming de verliezen overdragen onder de volgende voorwaarden:
- (i)
de aandelen worden verworven met het oog op sanering van de vennootschap;
- (ii)
ten tijde van de verwerving is de onderneming insolvent of torst zij een te zware schuldenlast, of dreigt zij insolvent te worden of een te zware schuldenlast te torsen;
- (iii)
de essentiële bedrijfsstructuren worden behouden;
- (iv)
binnen vijf jaar na de verwerving vindt geen overschakeling naar een andere sector plaats, en
- (v)
ten tijde van de verwerving had de onderneming haar bedrijfsactiviteiten niet stopgezet.
15.
De saneringsclausule is op 10 juli 2009 in werking getreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008, dat wil zeggen tot op de datum van inwerkingtreding van de regel van het laten vervallen van de verliezen.
B. Litigieus besluit
16.
Het litigieuze besluit is vastgesteld op 26 januari 2011. Volgens artikel 1 daarvan is de op grond van § 8c (1a) van het KStG toegekende staatssteun die Duitsland in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU onrechtmatig heeft verleend, onverenigbaar met de interne markt.
17.
Met betrekking tot het bestaan van staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU heeft de Commissie met name geoordeeld dat de saneringsclausule een uitzondering vormde op de algemene regel van verval van de onbenutte verliezen van vennootschappen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders was veranderd. Die clausule kon volgens Commissie een selectief voordeel verlenen aan de vennootschappen die voldeden aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. Dat verschil in behandeling werd niet gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het stelsel. Volgens het litigieuze besluit was de saneringsclausule bovendien bedoeld om de uit de economische en financiële crisis voortvloeiende problemen aan te pakken, en ligt dat doel buiten het belastingstelsel.
18.
In de artikelen 2 en 3 van het litigieuze besluit werd vastgesteld dat de krachtens § 8c (1a) van de saneringsregeling verleende beperkte individuele steun aan bepaalde begunstigden niettemin verenigbaar was met de interne markt, mits aan bepaalde voorwaarden was voldaan.
19.
In de artikelen 4 en 6 van het litigieuze besluit heeft de Commissie Duitsland gelast de onverenigbare steun die onder de litigieuze maatregel was verleend, terug te vorderen van de begunstigden en een lijst van de begunstigden van de steunregeling aan de Commissie te verstrekken.
C. Aan de hogere voorziening ten grondslag liggende feiten
20.
Toen het litigieuze besluit werd vastgesteld, dreigde HBH insolvent te worden. Op 20 februari 2009 heeft de moedermaatschappij van HBH, Heitkamp KG, de aandelen van HBH overgenomen met het oog op fusie van de twee vennootschappen. Ten tijde van die verrichting voldeed rekwirant aan de voorwaarden voor toepassing van de saneringsclausule, zoals blijkt uit een bindende inlichting van het Finanzamt Herne (belastingdienst Herne, Duitsland) van 11 november 2009 (hierna: ‘bindende inlichting’). Op 29 april 2010 heeft rekwirant van de belastingdienst een vooruitbetalingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2009 ontvangen, waarin rekening was gehouden met de op grond van de saneringsclausule overgedragen verliezen.
21.
Op 24 februari 2010 heeft de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland in kennis gesteld van haar beslissing om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden met betrekking tot de litigieuze maatregel. Het Duitse ministerie van Financiën heeft de belastingdienst bij brief van 30 april 2010 gelast, de saneringsclausule niet meer toe te passen.
22.
Op 27 december 2010 werd de vooruitbetalingsaanslag van 29 april 2010 vervangen door een nieuwe vooruitbetalingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2009, waarin geen rekening was gehouden met de saneringsclausule.
23.
Op 1 april 2011 heeft HBH de aanslagen in de vennootschapsbelasting en in de bedrijfsbelasting voor het belastingjaar 2009 ontvangen. Omdat de saneringsclausule niet was toegepast, heeft rekwirant zijn op 31 december 2008 bestaande verliezen niet kunnen overdragen.
24.
Op 19 april 2011 heeft de belastingdienst de bindende inlichting ingetrokken.
25.
Op 22 juli 2011 heeft de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie overeenkomstig de bepalingen van het litigieuze besluit de lijst meegedeeld van de ondernemingen die het voordeel van de litigieuze maatregel hadden genoten. De Bondsrepubliek heeft de Commissie tevens een lijst meegedeeld van de ondernemingen waarvoor bindende inlichtingen betreffende de toepassing van de saneringsclausule waren ingetrokken. HBH stond op deze laatste lijst.
26.
Rekwirant heeft bezwaar bij de belastingdienst ingediend en beroep bij de voor belastingzaken bevoegde rechterlijke instantie ingesteld tegen bovengenoemde vooruitbetalingsaanslagen en belastingaanslagen. Bij beschikking van 1 augustus 2011 heeft het Finanzgericht Münster (belastingrechter Münster, Duitsland) opschorting van de tenuitvoerlegging van die aanslagen verleend.
II. Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
27.
Bij verzoekschrift van 6 juni 2011 heeft HBH bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
28.
Bij afzonderlijke akte van 16 september 2011 heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
29.
Bij akte van 29 augustus 2011 heeft de Bondsrepubliek Duitsland om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van rekwirant verzocht. Bij beschikking van 5 oktober 2011 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan.
30.
Bij beschikking van 21 mei 2014 is de exceptie van niet-ontvankelijkheid bij de zaak ten gronde gevoegd.
31.
Ter ondersteuning van zijn beroep voerde HBH twee gronden aan: enerzijds dat de litigieuze maatregel niet selectief was en anderzijds dat deze niet werd gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het stelsel.
32.
Met betrekking tot haar exceptie van niet-ontvankelijkheid voerde de Commissie aan dat HBH geen procesbevoegdheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU had. Meer bepaald stelde zij dat HBH niet individueel werd geraakt door het litigieuze besluit en dat het litigieuze besluit uitvoeringsmaatregelen vergde. Daarnaast stelde de Commissie dat HBH geen begunstigde van de steun was en daarom geen procesbelang had.
33.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht eerst de exceptie van niet-ontvankelijkheid afgewezen. In het kader daarvan heeft het Gerecht geoordeeld dat HBH rechtstreeks en individueel werd geraakt door het litigieuze besluit. Het Gerecht heeft vervolgens het beroep van HBH ongegrond verklaard.
III. Procedure voor het Hof en conclusies van partijen
34.
Met zijn hogere voorziening verzoekt HBH het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht het beroep ongegrond heeft verklaard (punten 2 en 3 van het dictum van het arrest) en het litigieuze besluit nietig te verklaren;
- —
subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht het beroep ongegrond heeft verklaard (punten 2 en 3 van het dictum van het arrest) en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen;
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
35.
De Commissie verzoekt het Hof, de hogere voorziening af te wijzen en HBH te verwijzen in de kosten.
36.
Met haar incidentele hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
- —
punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen;
- —
het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren;
- —
de hogere voorziening af te wijzen;
- —
punt 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen en de Commissie te verwijzen in een derde van haar kosten;
- —
HBH te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en het Hof.
37.
HBH verzoekt het Hof, de incidentele hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.
38.
HBH, de Commissie en de Duitse regering hebben pleidooi gehouden ter terechtzitting van 19 oktober 2017.
IV. Analyse
39.
HBH voert ter ondersteuning van haar hogere voorziening twee middelen aan. Het eerste middel is dat het Gerecht in het bestreden arrest de motiveringsplicht niet is nagekomen. Het bestreden arrest zou berusten op een ontoereikende of tegenstrijdige motivering. Het tweede middel is dat het Gerecht artikel 107, lid 1, VWEU heeft geschonden. HBG voert aan dat het recht op verschillende punten onjuist is toegepast bij de beoordeling of de litigieuze maatregel selectief is.
40.
De Commissie vordert, beide middelen niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren.
41.
De Commissie heeft tevens incidentele hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest. Zij voert in haar ene middel van hogere voorziening aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven een onjuiste rechtsopvatting door het beroep door HBH ingestelde beroep tot nietigverklaring ontvankelijk te verklaren. HBH zou namelijk geen procesbevoegdheid hebben omdat hij door het litigieuze besluit niet individueel wordt geraakt. Het beroep in eerste aanleg van HBH had daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
42.
Volgens HBH moet de incidentele hogere voorziening ongegrond worden verklaard.
43.
Om procedurele redenen zal ik eerst de incidentele hogere voorziening behandelen.
A. Incidentele hogere voorziening: wordt rekwirant door het litigieuze besluitindividueel geraakt?
44.
Volgens de Commissie heeft het Gerecht in het bestreden arrest het begrip individueel geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU onjuist uitgelegd.7. Met name doordat daarin wordt geoordeeld dat HBH procesbevoegdheid heeft, wijkt het bestreden arrest af van de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot dat criterium in de specifieke context van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie waarbij steunregelingen onverenigbaar met de interne markt worden verklaard.
45.
De Commissie stelt dat het in de rechtspraak gemaakte duidelijke onderscheid tussen feitelijke begunstigden van de steun, die procesbevoegdheid hebben, en mogelijke toekomstige begunstigden, die geen procesbevoegdheid hebben, in de het bestreden arrest onjuist is opgevat. Meer bepaald komt zij op tegen het feit dat het Gerecht bij zijn toetsing aan het criterium van individuele geraaktheid ervan is uitgegaan dat HBH een ‘verworven recht’ op een belastingbesparing had.
46.
HBH is het hier niet mee eens.
47.
Ik begin met enkele inleidende opmerkingen over het criterium van individuele geraaktheid in de specifieke context van de regels inzake staatssteun om toe te lichten waarom HBH volgens mij over procesbevoegdheid beschikt.
1. Inleidende opmerkingen over het criterium van individuele geraaktheid in het kader van de regels inzake staatssteun
48.
Toegang tot de rechter en dus het rechterlijk toezicht vormen de basis van een rechtssysteem dat is gebaseerd op het beginsel van verantwoordingsplicht en op de rule of law. De vraag betreffende de procesbevoegdheid van particulieren binnen het Unierecht heeft daarom niet voor niets sinds het invloedrijke arrest van het Hof in de zaak Plaumann (zo al niet eerder) de aandacht van de rechtsgemeenschap van de Unie.8. Dit arrest heeft de grondslagen gelegd waarop nog steeds kan worden gesteund bij de uitlegging van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU geformuleerde voorwaarden voor procesbevoegdheid.
49.
Algemeen geldt namelijk dat voor het instellen van een beroep tegen handelingen van de instellingen van de Unie een particulier tot wie de betrokken handeling niet is gericht, dient aan te tonen dat hij door die handeling rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Dit alleen anders in het specifieke geval van een regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. In geval van dergelijke regelgevingshandelingen hoeft alleen de rechtstreekse geraaktheid te worden vastgesteld.
50.
Met betrekking tot een besluit inzake staatssteun moet een onderneming die een beroep tot nietigverklaring wil instellen tegen een besluit van de Commissie waarin wordt vastgesteld dat steun onverenigbaar is met de interne markt, echter aantonen dat zij rechtstreeks en individueel wordt geraakt.9.
51.
Het Hof heeft gekozen voor een strikte aanpak van de voorwaarden voor procesbevoegdheid van particulieren. Het is met name moeilijk om aan de voorwaarde van individuele geraaktheid te voldoen.
52.
In het arrest Plaumann heeft het Hof geoordeeld dat zij die niet de adressaten van een besluit zijn, slechts kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt indien dit besluit hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.10.
53.
Het Hof houdt onverzettelijk vast aan zijn benadering, ondanks verzoeken om dat criterium opnieuw te overwegen en voorstellen voor alternatieven daarvoor.11.
54.
Het criterium is ook aangepast aan de bijzondere context van het recht inzake staatssteun, waar de besluiten van de Commissie alleen tot de betrokken lidstaten zijn gericht.
55.
In deze bijzondere context volstaat het niet dat een onderneming die beroep wil instellen tegen een besluit van de Commissie houdende verbod van een steunregeling, tot de bedoelde sector behoort en potentieel begunstigde van die regeling is, opdat die onderneming voldoet aan de voorwaarde van individuele geraaktheid.12. In dit verband heeft het Hof toegelicht dat het feit dat de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, niet automatisch inhoudt dat deze subjecten door die maatregel individueel worden geraakt.13.
56.
Meer bepaald vereist individuele geraaktheid dat er op het ogenblik waarop het litigieuze besluit wordt vastgesteld, sprake is van een gesloten, identificeerbare groep.14. Dat is met name het geval bij feitelijke begunstigden van een steunregeling, dat wil zeggen de ondernemingen die een voordeel hebben genoten.15. Dat is echter niet het enige geval. Het Hof heeft ook, onder bepaalde specifieke omstandigheden, door concurrenten van begunstigden van steunmaatregelen ingestelde beroepen ontvankelijk verklaard.16.
57.
Uit de modus operandi die het Hof bij staatssteun volgt, blijkt namelijk dat aan de voorwaarde van individuele geraaktheid in de zin van het arrest Plaumann is voldaan wanneer de particulier op grond van zekere bijzondere hoedanigheden kan worden geïndividualiseerd. Deze hoedanigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de materiële gevolgen van de steun voor de positie van de concurrent op de markt of op het feit dat de onderneming daadwerkelijk een positief voordeel heeft genoten uit staatsmiddelen.
58.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat, gelet op de specifieke feitelijke en juridische situatie van HBH, deze onderneming door het litigieuze besluit individueel was geraakt in de zin van het arrest Plaumann. Het Gerecht baseerde die slotsom op het feit dat HBH tegen het einde van het belastingjaar (2009) voordeel zou hebben gehaald uit de saneringsclausule. De Duitse autoriteiten hadden geen speelruimte met betrekking tot de toepassing van de clausule. In dat verband legde het Gerecht vooral de nadruk op het ‘verworven recht’ van HBH, dat de Duitse autoriteiten door middel van de bindende inlichtingen hadden erkend. Hiermee onderscheidt HBH zich van andere ondernemingen die voldeden aan de voorwaarden om het voordeel van de saneringsclausule te genieten.17.
59.
De Commissie is van mening dat het Gerecht daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de Commissie suggereert, is vaststellen of een particulier individueel wordt geraakt door een besluit van de Commissie op het gebied van staatssteun, geenszins een kwestie van optellen en aftrekken: de rechtspraak gaat niet uit van een binaire logica die berust op het onderscheid tussen mogelijke en daadwerkelijke begunstigden. Zoals ik hieronder zal aantonen, is volgens het Plaumann-criterium — zoals toegepast in het kader van de regels inzake staatssteun — doorslaggevend dat de verzoeker op grond van bijzondere kenmerken kan worden onderscheiden van andere ondernemingen. Deze kenmerken verschillen per geval.
2. Vaststelling van individuele geraaktheid in het kader van belastingmaatregelen: de onderhavige zaak
60.
Zoals uit de onderhavige zaak blijkt, bestaat er onenigheid over de wijze waarop het begrip daadwerkelijk begunstigde van steun in de context van belastingheffing moet worden uitgelegd. Het kan in deze context immers zeer moeilijk zijn een duidelijk onderscheid te maken tussen mogelijke en daadwerkelijke begunstigden. De reden hiervoor is dat belastingmaatregelen zelden een concrete betaling van steun inhouden.
61.
De Commissie betoogt, zakelijk weergegeven, dat dit onderscheid van essentieel belang is, omdat alleen feitelijk begunstigden die daadwerkelijk steun hebben ontvangen, voldoen aan het criterium van individuele geraaktheid. Alleen die begunstigden kunnen een beroep tot nietigverklaring instellen tegen een besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard.
62.
De rechtspraak biedt geen steun voor het standpunt van de Commissie. Mijns inziens is de wijze waarop de Commissie uit de rechtspraak van het Hof een regel van algemene strekking probeert af te leiden die er simpelweg niet is, nogal gekunsteld.
63.
Ter ondersteuning van haar standpunt beroept de Commissie zich vooral op twee groepen arresten. Zij baseert haar uitlegging op de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van het Hof in de zaken Italië en Sardegna Lines18.en Comitato ‘Venezia vuole vivere’19.. In beide zaken aanvaardde het Hof dat begunstigden van uit hoofde van een steunregeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering had gelast, individueel werden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Daarnaast vloeit uit het arrest Italië en Sardegna Lines voort dat in tegenstelling tot deze begunstigden, potentieel begunstigden die slechts tot de betrokken sector behoren, geen procesbevoegdheid hebben.20.
64.
De lessen die uit deze arresten kunnen worden getrokken, zijn naar mijn mening beperkt. Enerzijds bevestigen deze arresten dat daadwerkelijk begunstigden van steun (dat wil zeggen degenen die feitelijk steun hebben ontvangen waarvan de terugvordering is gelast) beroep kunnen instellen tegen een besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard. Anderzijds is dat niet het geval met ondernemingen die slechts potentieel toekomstige begunstigden van een steunregeling zijn.
65.
De inherente logica hiervan is, dat de groep daadwerkelijk begunstigden, in de zin van het arrest Plaumann, kan worden onderscheiden van ondernemingen die geen steun hebben ontvangen. Dit onderscheid is inderdaad bijzonder nuttig in het kader van steunregelingen waarbij staatsmiddelen worden overdragen aan de betrokken ondernemingen.
66.
Naar mijn mening kan uit deze zaken echter geen definitieve slotsom worden getrokken met betrekking tot andere ondernemingen die onder bepaalde omstandigheden individueel kunnen worden geraakt door een besluit waarbij steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard.
67.
Eigenlijk is het onderscheid tussen daadwerkelijk en potentieel begunstigden slechts een terminologisch hulpmiddel om bepaalde categorieën ondernemingen die al dan niet individueel worden geraakt door een dergelijk besluit, in abstracto te onderscheiden.
68.
Volgens mij is het toepasselijke juridische criterium nog steeds dat van het arrest Plaumann: behoort rekwirant tot een gesloten kring die kan worden geïdentificeerd door bijzondere hoedanigheden waarmee hij zich onderscheidt van anderen?
69.
Vanuit dat oogpunt is het duidelijk dat andere hoedanigheden dan de hoedanigheid van de verzoeker als een daadwerkelijk begunstigde van de steun, van belang kunnen zijn voor die beoordeling. Welke deze hoedanigheden zijn, is uiteraard een vraag die niet in abstracto kan worden beantwoord. Deze beoordeling is integendeel sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
70.
Tegen deze achtergrond kan ik het argument van de Commissie dat de arresten België en Forum 18721.en FrieslandCampina22. in de onderhavige omstandigheden niet kunnen worden ingeroepen, moeilijk aanvaarden. Uit deze zaken, die zijn ontstaan in het kader van overgangsmaatregelen inzake met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun, blijkt dat het Hof bereid is te oordelen dat verzoekers die de nodige maatregelen hebben getroffen om voor de bestreden nationale maatregel in aanmerking te komen zonder de steun daadwerkelijk te hebben ontvangen, bevoegd zijn om in rechte op te komen.23.
71.
Anders dan de Commissie zie ik ook niet in waarom de arresten Stichting Woonpunt24. en Stichting Woonlinie25. hier niet ter zake dienend zouden zijn. In deze zaken heeft het Hof geoordeeld dat de individuele geraaktheid was aangetoond door omstandigheid dat de verzoekers voorafgaand aan de vaststelling van het betrokken besluit een recht hadden verworven op grond waarvan zij gebruik mochten maken van het fiscale voordeel dat later onverenigbaar met de interne markt is verklaard.26.
72.
Gelet op de aard van de maatregel die in het onderhavige geval aan de orde is, is het logisch dat het Gerecht inspiratie heeft gezocht in bovengenoemde zaken. Toen het litigieuze besluit werd vastgesteld, voldeed HBH niet alleen in abstracto aan de algemene voorwaarden voor toepassing van de saneringsclausule. HBH had ook een bindende inlichting en een vooruitbetalingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2009 ontvangen waarin rekening was gehouden met de op grond van de saneringsclausule overgedragen verliezen. Dat was volgens het Gerecht een ‘verworven recht’.
73.
Juist vanwege de bindende inlichting en de vooruitbetalingsaanslag verschilt de positie van HBH fundamenteel van die van ondernemingen die slechts voldoen aan de algemene voorwaarden voor toepassing van de saneringsclausule.27. Om die reden voldoet rekwirant aan het criterium van individuele geraaktheid.
74.
De formulering door het Gerecht is weliswaar niet erg geslaagd. Zoals uit het betoog van de Commissie blijkt, leidt deze keuze van bewoordingen tot onbedoelde verbanden met het beginsel van gewettigd vertrouwen dat uit het Unierecht voortvloeit. Niettemin wordt volgens mij met de uitdrukking ‘verworven recht’ slechts geprobeerd de feitelijke en juridische omstandigheden te omschrijven die HBH ten opzichte van andere ondernemingen karakteriseren voor de toepassing van het criterium van individuele geraaktheid in de zin van het arrest Plaumann in dit specifieke geval.
75.
Opgemerkt zij dat het in het kader van belastingheffing bijzonder moeilijk is om vast te stellen op welk moment een onderneming daadwerkelijk steun heeft ontvangen. Dat moment wordt tot op zekere hoogte willekeurig bepaald. Is het het moment waarop de bindende inlichting werd verstrekt of het moment waarop HBH de vooruitbetalingsaanslag ontving? Of is het, zoals de Commissie betoogt, het moment waarop de belastingbesparing in de definitieve belastingheffing wordt vastgesteld (waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat een dergelijk besluit enkele jaren na het betrokken belastingjaar kan worden vastgesteld)? Of is het een ander moment?
76.
Bij de vaststelling of een onderneming individueel wordt geraakt door een besluit waarin de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard, lijdt het geen twijfel dat de keuze tussen een van deze alternatieven of de keuze van een andere mogelijkheid gepaard gaat met onzekerheden en willekeur.
77.
Gelet op deze onzekerheden zou de vraag of de verzoeker daadwerkelijk steun heeft ontvangen, slechts van ondergeschikt belang mogen zijn. Zoals uit de rechtspraak blijkt, is aan het vereiste van individuele geraaktheid voldaan wanneer de verzoeker op grond van bijzondere hoedanigheden kan worden gekarakteriseerd ten opzichte van andere ondernemingen.28. Dat is precies waar het bij HBH om gaat.
78.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat de individuele geraaktheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU in het bestreden arrest niet onjuist is vastgesteld. De incidentele hogere voorziening van de Commissie dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
B. Hogere voorziening: heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de litigieuze maatregel een selectief voordeel verleent aan ondernemingen in moeilijkheden?
79.
HBH heeft twee middelen van hogere voorziening aangevoerd. Deze middelen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
80.
In het eerste middel van hogere voorziening bestrijdt rekwirant de motivering van het Gerecht. Hij voert aan dat het bestreden arrest een procedureel gebrek inzake de motiveringsplicht vertoont omdat de motivering van het Gerecht ontoereikend of tegenstrijdig is ten aanzien van
- (1)
de vaststelling van het referentiestelsel,
- (2)
de beoordeling van de juridische en feitelijke situatie van de ondernemingen die sanering nodig hebben, en het aanmerken van de saneringsclausule als een ‘algemene maatregel’, en
- (3)
de rechtvaardiging van de litigieuze maatregel.
81.
Het tweede middel van de hogere voorziening komt op tegen dezelfde onderdelen van het arrest, maar dan vanuit materieel oogpunt. In dit middel voert HBH aan dat het bestreden arrest artikel 107, lid 1, VWEU schendt door onjuiste rechtsopvattingen of onjuiste opvatting van het nationale recht bij
- (1)
de vaststelling van het referentiestelsel,
- (2)
de beoordeling van de juridische en feitelijke situatie van de ondernemingen die sanering nodig hebben, en het aanmerken van de saneringsclausule als een ‘algemene maatregel’, en
- (3)
de rechtvaardiging van de litigieuze maatregel.
82.
De Commissie bestrijdt de argumenten van rekwirant. Met betrekking tot het eerste middel van hogere voorziening, betreffende de motivering, is deze instelling in wezen van oordeel dat dit middel is gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Met betrekking tot het tweede middel van hogere voorziening blijft de Commissie echter erbij dat dit middel niet-ontvankelijk is. De Commissie betoogt subsidiair dat het tweede middel van hogere voorziening ongegrond is.
83.
Aangezien de twee middelen van hogere voorziening elkaar ten dele overlappen, zal ik ze gezamenlijk behandelen. Dat is met name nodig omdat in het eerste middel van hogere voorziening niet zozeer een motiveringsgebrek wordt aangevoerd, maar indirect het materiële oordeel van het Gerecht ter discussie wordt gesteld.
84.
Ik zal eerst de argumenten inzake de vaststelling van het referentiestelsel behandelen. Om de hieronder gegeven redenen ben ik van mening dat het eerste deel van het tweede middel van hogere voorziening gegrond is. Het bestreden arrest moet daarom worden vernietigd en het litigieuze besluit nietig worden verklaard, aangezien het referentiestelsel voor de beoordeling of de litigieuze maatregel selectief is, onjuist is vastgesteld.
85.
Voor het geval dat het Hof het niet eens is met mijn standpunt over het eerste deel van het tweede middel van hogere voorziening, zal ik mij ook kort buigen over de andere argumenten van rekwirant.
86.
Vervolgens zal ik ingaan op de argumenten inzake de beoordeling van de juridische en feitelijke situatie van de ondernemingen die sanering nodig hebben, en het aanmerken van de saneringsclausule als een ‘algemene maatregel’. Ten derde en ten laatste zal ik de argumenten inzake de rechtvaardiging van de litigieuze maatregel behandelen.
87.
Vooraf wil ik echter nog een aantal inleidende opmerkingen maken over het begrip selectiviteit in de specifieke context van belastingheffing.
1. Inleidende opmerkingen over de beoordeling van selectiviteit in de context van maatregelen op het gebied van directe belastingen
a) Begrip selectiviteit — een beoordeling in drie stappen
88.
Allereerst is het dienstig, enkele opmerkingen te maken over de overwegingen die aan het begrip selectiviteit ten grondslag liggen, en over het doel van dit begrip. Het is ook nuttig te herinneren aan het analytische kader voor de beoordeling van de selectiviteit en over de moeilijkheden bij de toepassing van dat kader in de context van maatregelen op het gebied van directe belastingen.
89.
Volgens artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de lidstaten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Bijgevolg moet aan vier cumulatieve criteria zijn voldaan, opdat een maatregel van een lidstaat binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt. Ten eerste moet er sprake zijn van een voordeel. Ten tweede moet dat voordeel selectief zijn. Ten derde moet er sprake zijn van steunmaatregelen van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. Ten vierde moeten de steunmaatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden.
90.
In de context van belastingheffing is de meest omstreden vraag mijns inziens, wat een selectief voordeel is.
91.
Algemeen dient het criterium van selectiviteit om uit te maken welke maatregelen bepaalde ondernemingen (belastingplichtigen) of de productie van bepaalde goederen begunstigen ten opzichte van anderen.
92.
Een belastingvoordeel dat voortvloeit uit een ‘algemene maatregel’ die zonder onderscheid op alle marktdeelnemers van toepassing is, is geen staatssteun, omdat een dergelijke maatregel niet selectief is. Een maatregel die de situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van die van andere belastingplichtigen, kan daarentegen de begunstigden een selectief voordeel verschaffen en kan bijgevolg een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU zijn.29.
93.
De kern van de beoordeling van de selectiviteit is daarom de vergelijking van de ondernemingen. Zoals het Hof heeft geoordeeld, moet worden nagegaan of een maatregel bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU begunstigt ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een juridisch en feitelijk vergelijkbare situatie bevinden.30.
94.
Vooraleer echter kan worden beoordeeld of de begunstigden en andere ondernemingen zich in een vergelijkbare situatie bevinden, moet eerst het referentiestelsel worden vastgesteld.
95.
Onlangs heeft het Hof in zijn arrest World Duty Free31. de parameters vastgesteld aan de hand waarvan dient te worden beoordeeld of een belastingmaatregel selectief is. Het Hof heeft ook geoordeeld dat de beoordeling of de belastingmaatregelen selectief zijn, in drie verschillende stappen gebeurt.
96.
Volgens het Hof dient, om uit te maken of een belastingmaatregel als selectief dient te worden aangemerkt, te worden vastgesteld welke algemene of normale belastingregeling in de betrokken lidstaat geldt (stap 1). Vervolgens moet worden aangetoond dat de betrokken belastingmaatregel afwijkt van die normale regeling doordat hij differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van die regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (stap 2).32.Als dat het geval is, moet worden nagegaan of die differentiatie gerechtvaardigd is doordat zij voortvloeit uit de aard of de algemene opzet van het stelsel waarvan de maatregel een onderdeel vormt (stap 3).33.
97.
Het Hof heeft meer in het bijzonder verduidelijkt dat aan de selectiviteitsvoorwaarde is voldaan wanneer de Commissie kan aantonen dat de bestreden maatregel afwijkt van de algemene of ‘normale’ belastingregeling die in de betrokken lidstaat van toepassing is, en door zijn concrete gevolgen marktdeelnemers verschillend behandelt, hoewel de marktdeelnemers die het belastingvoordeel genieten en die welke het niet ontvangen, zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden gelet op het doel van de belastingmaatregel van die lidstaat.34.
98.
De onderhavige hogere voorziening laat zien dat het bepalen van de (materiële) selectiviteit van een belastingmaatregel aan de hand van deze parameters moeilijkheden oplevert. Daarbij treden vooral de moeilijkheden bij het vaststellen van het referentiestelsel aan de hand van een aantal objectieve criteria bij stap 1 op de voorgrond.35. Om die reden acht ik het ook zinvol enkele inleidende opmerkingen te maken over de criteria aan de hand waarvan het referentiestelsel dient te worden vastgesteld, alvorens ik nader inga op de hogere voorziening.
b) Cruciaal belang van het referentiestelsel voor de beoordeling van de selectiviteit en criteria die worden gebruikt bij de bepaling van dat stelsel
99.
Het criterium van selectiviteit wordt gehanteerd om uit te maken welke maatregelen een ongerechtvaardigd verschil in behandeling inhouden van ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Een dergelijke vergelijking heeft slechts zin wanneer een benchmark wordt gebruikt. Daarom is het voor de beoordeling van de selectiviteit van cruciaal belang dat het referentiestelsel correct wordt vastgesteld.36.
100.
In de rechtspraak van het Hof wordt echter niet gezegd hoe het relevante referentiestelsel dient te worden vastgesteld. Het Hof heeft alleen verduidelijkt dat het referentiestelsel de algemene of ‘normale’ belastingregeling is die in de betrokken lidstaat geldt.37. Als criterium voor de beoordeling is deze uitspraak vrij nutteloos.
101.
Het is echter niet verwonderlijk dat het Hof terughoudend is in het formuleren van precieze criteria. De reden hiervoor is dat voor de vaststelling van het referentiestelsel de algemene belastingdruk moet worden vastgesteld waaraan ondernemingen zijn onderworpen uit hoofde van een nationaal belastingstelsel. Anders dan bij andere soorten steunregelingen het geval is, gaat de nauwkeurige vaststelling van een dergelijk algemeen toepasselijk stelsel van belastingheffing gepaard met veel onzekerheden. Gezien de complexiteit van belastingstelsels en de variabelen die meespelen bij het vaststellen van de belastingdruk op ondernemingen, lijkt het onmogelijk om met zekerheid te weten wat de ‘normale situatie’ is.
102.
Dat is niet het geval met positieve voordelen. In geval van bijvoorbeeld gunstige kredietvoorwaarden of van mijnbouwvergunningen waarvan slechts een klein aantal ondernemingen profiteert, kan vrij eenvoudig worden vastgesteld wat de ‘normale situatie’ was voordat de bestreden maatregel werd ingevoerd.
103.
Het referentiestelsel bestaat volgens de Commissie uit een coherent geheel van regels die op grond van objectieve criteria algemeen toepasselijk zijn op alle ondernemingen die vallen binnen de werkingssfeer ervan zoals die door de doelstelling ervan is omschreven: die regels bepalen niet alleen de werkingssfeer van de regeling, maar ook de voorwaarden waarop de regeling van toepassing is, de rechten en plichten van de daaraan onderworpen ondernemingen en de technische details van het functioneren van de regeling. In het bijzonder met betrekking tot belastingenmaatregelen is het referentiestelsel gebaseerd op elementen als belastinggrondslag, belastingplichtigen, belastbare feiten en belastingpercentages.38.
104.
Alle mogelijke fiscale bepalingen of een combinatie daarvan zouden binnen deze beschrijving vallen.
105.
In dat verband is ter terechtzitting aan de Commissie een vraag gesteld over de criteria voor de vaststelling van het referentiestelsel, maar de Commissie kon niet uitleggen aan de hand waarvan zij het referentiestelsel vaststelt. Zij omschreef dat proces als een zoektocht naar de logica van het stelsel. Het antwoord van de Commissie bevestigt hooguit dat het referentiestelsel in een bijzonder geval in feite niet aan de hand van een samenstel van objectieve criteria wordt vastgesteld.
106.
Desondanks kunnen uit de rechtspraak van het Hof bepaalde conclusies worden getrokken. Bij de bestudering van de rechtspraak blijkt dat een ruime benadering de voorkeur heeft bij de vaststelling van het referentiestelsel. Bij een dergelijke benadering wordt rekening gehouden met alle relevante wettelijke bepalingen als geheel of met het ruimst mogelijke referentiepunt.39. Bovendien volgt uit de rechtspraak dat de vaststelling van het referentiestelsel niet slechts voor de vorm mag plaatsvinden.40.
107.
Ik wijs erop dat bijvoorbeeld in het arrest World Duty Free het Hof het standpunt van de Commissie heeft aanvaard dat niet de regeling inzake buitenlandse investeringen het relevante referentiekader was, maar het Spaanse stelsel van vennootschapsbelasting in zijn geheel. Tegen de achtergrond van dat referentiekader is de Commissie tot de slotsom gekomen dat een selectief voordeel werd verleend aan een bepaalde categorie ondernemingen. In Spanje belastingplichtige ondernemingen die deelnemingen van ten minste 5 % in buitenlandse ondernemingen verwierven, kregen een gunstigere behandeling dan in Spanje belastingplichtige ondernemingen die dergelijke deelnemingen verwierven in op het nationale grondgebied gevestigde ondernemingen, ofschoon die twee categorieën ondernemingen zich in een vergelijkbare situatie bevonden, gelet op het doel van het Spaanse algemene stelsel vennootschapsbelasting.41.
108.
In het arrest Gibraltar heeft het Hof daarentegen bevestigd dat het referentiestelsel uit een aantal verschillende belastingregels kan bestaan. Tegen de achtergrond van een dergelijk referentiestelsel kwam de Commissie tot de slotsom dat aan bepaalde ondernemingen (offshore-vennootschappen) een selectief voordeel was verleend, hoewel deze ondernemingen formeel aan dezelfde fiscale lasten werden onderworpen als andere ondernemingen. In deze zaak bevestigde het Hof ook dat aan de regelgevingstechniek geen belang diende te worden gehecht bij de vaststelling van het referentiestelsel.42.
109.
Uit de rechtspraak kan, eenvoudig gezegd, worden afgeleid dat het Hof een benadering volgt waarmee wordt getracht het gehele corpus van regels vast te stellen dat van invloed is op de belastingdruk op ondernemingen. Naar mijn mening is een dergelijke benadering gerechtvaardigd. Deze benadering zorgt ervoor dat de selectiviteit van belastingmaatregelen wordt getoetst aan een referentiestelsel dat alle toepasselijke bepalingen omvat en niet aan bepalingen die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht. Met deze benadering wordt ook voorkomen dat stap 1 en stap 2 worden gecombineerd bij de beoordeling van de selectiviteit. Bij een minder ruime benadering zouden namelijk de ondernemingen moeten worden vastgesteld die zich in een juridisch en feitelijk vergelijkbare situatie bevinden. Men mag namelijk niet uit het oog verliezen dat het referentiestelsel dient te worden vastgesteld vooraleer de ondernemingen worden vergeleken.
110.
Tegen de achtergrond van deze overwegingen zal ik de onderhavige hogere voorziening bespreken.
2. Stap 1: vaststelling van het referentiestelsel
a) Argumenten van de partijen
111.
In het eerste deel van het eerste middel van hogere voorziening betoogt HBH dat de motivering van het Gerecht met betrekking tot de vaststelling van het referentiestelsel ontoereikend of tegenstrijdig is.43. Volgens rekwirant is dit zo omdat in het bestreden arrest de selectiviteit van de saneringsclausule wordt beoordeeld tegen de achtergrond van de regel van het laten vervallen van de verliezen, ofschoon het Gerecht heeft aanvaard dat de litigieuze maatregel dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van een meer algemene regel, namelijk de regel van overdracht van de verliezen.44.
112.
Volgens de Commissie is de motivering van het Gerecht juist en geenszins tegenstrijdig.
113.
In het eerste deel van het tweede middel van hogere voorziening betoogt HBH dat het Gerecht artikel 107, lid 1, VWEU heeft geschonden door het referentiestelsel onjuist vast te stellen.45. Rekwirant betoogt ook dat het Gerecht in het bestreden arrest stap 1 en stap 2 van de beoordeling van de selectiviteit ten onrechte heeft samengevoegd.46.
114.
De Commissie stelt primair dat de argumenten van rekwirant betrekking hebben op de vaststelling van de feiten en daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De Commissie betoogt subsidiair dat deze argumenten ongegrond zijn. Geen enkel gegeven uit het dossier ondersteunt het standpunt van HBH dat bij de beoordeling of de saneringsclausule selectief is, de regel van overdracht van de verliezen het relevante referentiestelsel had moeten vormen.
115.
Ik zal eerst de kwestie van de ontvankelijkheid bespreken.
b) Bespreking
1) De vaststelling van het referentiestelsel is een rechtsvraag die voor hogere voorziening vatbaar is
116.
Bij hogere voorzieningen bij het Hof is het gebruikelijk geworden dat de Commissie de ontvankelijkheid van de argumenten van rekwirant betwist. Zij stelt dat de argumenten van rekwirant met betrekking tot de vaststelling van het referentiestelsel niet vatbaar zijn voor hogere voorziening bij het Hof, omdat zij betrekking hebben op de vaststelling van de feiten.
117.
Het betoog van de Commissie moet volledig worden afgewezen.
118.
Het is juist dat het Gerecht op grond van artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 256 VWEU exclusief bevoegd is om de feiten vast te stellen en te beoordelen. Een hogere voorziening bij het Hof is immers beperkt tot rechtsvragen. In dit verband is het vaste rechtspraak dat de vaststelling van de inhoud van het nationale recht deel uitmaakt van de beoordeling van de feiten, die niet voor hogere voorziening vatbaar is.47.
119.
Het Hof is niettemin bevoegd, toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht die feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden.48. Het kan ook nagaan of het nationale recht onjuist is opgevat wanneer de beweerdelijke onjuiste opvatting kan worden vastgesteld zonder dat de feiten of de bewijsstukken opnieuw moet worden beoordeeld.49.
120.
De argumenten van HBH inzake de vaststelling van het referentiestelsel kunnen niet aan onderzoek in het kader van de hogere voorziening ontsnappen.
121.
Hier mag namelijk niet uit het oog worden verloren dat partijen het eens zijn over de inhoud van het nationale recht, maar het oneens zijn over de doelstelling van dat recht. Zij verschillen ook van mening over de juridische kwalificatie van dat recht tegen de achtergrond van de Unieregels inzake staatssteun. In stap 1 gaat het meer bepaald om de juridische beoordeling van de selectiviteit die het Gerecht op grond van de relevante feiten heeft verricht.
122.
De juiste uitlegging van het begrip selectiviteit is uiteraard een rechtsvraag en geen feitenkwestie.
123.
Indien wordt gekozen voor de strikte benadering, waarvoor de Commissie pleit, zou het Hof principieel niet bevoegd zijn om uitspraak te doen over een punt dat van fundamenteel belang is voor de beoordeling van de selectiviteit. Aangezien de vaststelling van het referentiestelsel doorslaggevende gevolgen heeft voor de volgende twee stappen in de beoordeling van de selectiviteit, mag deze benadering naar mijn mening niet worden gevolgd. Zoals ik heb uitgelegd, vormt het referentiestelsel de benchmark tegen de achtergrond waarvan moet worden beoordeeld of een belastingmaatregel selectief is.
2) Het Gerecht heeft het referentiestelsel onjuist vastgesteld
i) Wettelijk kader waarbinnen de litigieuze maatregel van toepassing is, en motivering van het Gerecht
124.
Het wettelijk kader waartoe de saneringsclausule behoort, omvat drie regelingen.
125.
Ten eerste is overeenkomstig § 8 (1) KStG de regel van overdracht van de verliezen van toepassing op alle ondernemingen. Deze regel verwoordt het beginsel dat belastingplichtigen worden belast naar draagkracht. Ten tweede is de regel van het laten vervallen van de verliezen, zoals die is neergelegd in § 8c (1) KStG, een uitzondering op eerstgenoemde regel, omdat hij de verwerving van een schadelijke deelneming (minimaal 25 %) uitsluit van de werkingssfeer van de algemene regel. Ten derde sluit de saneringsclausule, zoals neergelegd in § 8c(1a) KStG bepaalde situaties uit van de werkingssfeer van de uitzondering (te weten, van de regel van het laten vervallen van de verliezen). Volgens deze maatregel vallen de daarin genoemde situaties (namelijk de sanering van ondernemingen in moeilijkheden) niet langer onder de regel van het laten vervallen van de verliezen. Deze situaties vallen terug onder de algemene regel volgens welke ondernemingen verliezen kunnen overdragen.
126.
Gelet op de gekozen wetgevingstechniek hangt de selectiviteit van de litigieuze maatregel sterk af van de invalshoek. Naargelang de algemene regel van overdracht van de verliezen of de uitzondering op die regel, namelijk de regel van het laten vervallen van de verliezen, wordt gehanteerd als het referentiestelsel tegen de achtergrond waarvan wordt beoordeeld of de saneringsclausule selectief is, zal de conclusie over de selectiviteit behoorlijk verschillen.50.
127.
Meer bepaald, indien de regel van het laten vervallen van de verliezen los van het ruimere wettelijk kader van de regel van overdracht van de verliezen als referentiestelsel wordt genomen, wordt de saneringsclausule een uitzondering op de regel van het laten vervallen van die verliezen. Als daarentegen de regel van overdracht van de verliezen in het referentiestelsel wordt opgenomen, wijkt de saneringsclausule niet langer duidelijk af van het referentiestelsel in het kader waarvan aan bepaalde ondernemingen een selectief voordeel kan worden verschaft. Deze regel wordt dan veeleer een intrinsiek onderdeel van het referentiestelsel zelf.
128.
Het bestreden arrest laat in dit opzicht aan duidelijkheid te wensen over.
129.
In het bijzonder de volgende overweging zou verwarring kunnen scheppen: ‘Vast staat […] dat de regel van het laten vervallen van de verliezen, net als de regel van overdracht van de verliezen, deel uitmaakt van het wettelijke kader van de litigieuze maatregel. Met andere woorden, het relevante wettelijke kader bestaat in het onderhavige geval uit de algemene regel van overdracht van de verliezen, zoals die is beperkt door de regel van het laten vervallen van de verliezen, en het is juist in dat kader dat dient te worden nagegaan of de litigieuze maatregel differentieert tussen marktdeelnemers die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden […]’.51.
130.
Deze overweging zou, afzonderlijk beschouwd, aldus kunnen worden opgevat (zoals rekwirant doet) dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de regel van overdracht van de verliezen en de regel van het laten vervallen van de verliezen samen het referentiestelsel vormen. De argumenten van rekwirant inzake ontoereikende of tegenstrijdige motivering zijn echter naar mijn mening gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
131.
Bij nadere bestudering van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht ervan is uitgegaan dat de regel van het laten vervallen van de verliezen het referentiestelsel vormt.
132.
Het Gerecht heeft inderdaad erkend dat er een meer algemene regel is (de regel van overdracht van de verliezen). Het heeft er ook op gewezen dat het door de Commissie vastgestelde referentiestelsel een uitzondering op die algemene regel is. Het Gerecht heeft niettemin uiteengezet waarom het van oordeel is dat de regel van het laten vervallen van de verliezen het relevante referentiestelsel vormt voor de beoordeling of de saneringsclausule selectief is.
133.
Het Gerecht heeft in het bijzonder uiteengezet dat de regel van het laten vervallen van de verliezen het gebruik van de regel van overdracht van de verliezen beperkt in het geval van verwerving van een deelneming van minimaal 25 % van het kapitaal en het gebruik daarvan afschaft in het geval van verwerving van een deelneming van meer dan 50 % van het kapitaal. Deze laatste regel is dus stelselmatig van toepassing in alle gevallen waarin de samenstelling van de aandeelhouders ten belope van minimaal 25 % van het kapitaal verandert, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang van de aard of de kenmerken van de betrokken ondernemingen.52. Het Gerecht heeft verder opgemerkt dat de saneringsclausule was geformuleerd in de vorm van een uitzondering op de regel van het laten vervallen van de verliezen, en slechts van toepassing is op welomschreven situaties die onder laatstgenoemde regel vallen.53. Op grond daarvan heeft het geoordeeld dat de Commissie terecht de regel van het laten vervallen van de verliezen als het referentiestelsel heeft aangemerkt.54.
134.
Dienaangaande kan ik niet vaststellen dat in het bestreden arrest de motiveringsplicht ontoereikend is nagekomen. Ik ben echter van mening dat het bestreden arrest berust op een materiële fout inzake de vaststelling van het referentiestelsel. Die fout komt neer op een onjuiste toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU.
135.
Om te begrijpen waarom dit zo is, moet worden gekeken naar in het litigieuze besluit gegeven motivering, aangezien het Gerecht de door de Commissie gedane vaststelling van het wettelijk kader waarbinnen de saneringsclausule van toepassing is, overneemt.
ii) Het Gerecht heeft het referentiestelsel vastgesteld tegen de achtergrond van de gebruikte wetgevingstechniek en heeft daarbij stap 1 en stap 2 samengevoegd
136.
In het litigieuze besluit heeft de Commissie eerst het nationale wettelijke kader en de daarin ingevoerde wijzigingen in chronologische volgorde uiteengezet en vervolgens toegelicht dat de in § 8c (1a) KStG neergelegde saneringsclausule zich op een belangrijk punt onderscheidt van de voorgaande regel. Dat aspect was volgens de Commissie van wezenlijk belang in het kader van staatssteun.55.
137.
De Commissie heeft in het bijzonder uiteengezet dat volgens § 8c (1) KStG een onderneming verliezen niet voorwaarts kan verrekenen indien meer dan de helft van haar aandelen wordt overgedragen, behalve wanneer de saneringsclausule kan worden toegepast. De algemene regel luidt dan ook dat verliezen bij een wezenlijke verandering van de aandeelhouders teloorgaan. De in § 8c (1a) KStG neergelegde saneringsclausule vormt een uitzondering op de algemene regel.56.
138.
Volgens de in de [ingetrokken § 8 (4) KStG] neergelegde oude regel van het laten vervallen van de verliezen bestond de algemene regel erin dat voorwaartse verliesverrekening bij een wezenlijke verandering van de aandeelhouders nog steeds mogelijk was, indien de onderneming economisch dezelfde was gebleven. Die uitzondering was erop gericht misbruik, bijvoorbeeld in de vorm van de aankoop van lege vennootschappen, te voorkomen.57.
139.
De reden waarom de regel van het laten vervallen van de verliezen als het referentiestelsel moest worden beschouwd, is op het eerste gezicht steekhoudend. Bij nader onderzoek blijkt echter dat deze toelichting is gebaseerd op een kunstmatig gecreëerd onderscheid.
140.
Het enige verschil tussen het oude en het nieuwe stelsel is namelijk de vorm van de maatregel. Het gestelde verschil hangt af van de door de betrokken lidstaat toegepaste wetgevingstechniek. Gelet op het arrest van het Hof in de zaak Gibraltar is een dergelijke benadering verre van bevredigend.58.
141.
We mogen niet uit het oog verliezen dat in het bestreden arrest de regel van het laten vervallen van de verliezen als het relevante referentiestelsel is aangemerkt omdat de saneringsclausule een uitzondering op die regel is. Volgens de oude regel van het laten vervallen van de verliezen was dat niet zo.
142.
Een vergelijking tussen de oude regel van het laten vervallen van de verliezen en de nieuwe regel laat zien dat de op de wetgevingstechniek gebaseerde motivering tekortkomingen vertoont. Hieruit blijkt dat de twee regels de kwestie van het beperken van de overdracht van verliezen slechts vanuit verschillende invalshoeken benaderen.
143.
Volgens de oude regel van het laten vervallen van de verliezen werd de nadruk gelegd op het economisch identiek zijn van de verworven onderneming. Terwijl economisch identieke entiteiten verliezen mochten overdragen, mochten entiteiten die als gevolg van een verandering in de samenstelling van de aandeelhouders niet meer economisch identiek waren, dat niet. De saneringsclausule, die is geformuleerd in termen van een voorbeeld van ‘economische identiteit’, is een wezenlijk onderdeel van de oude regel van het laten vervallen van de verliezen.59.
144.
Nu de nieuwe regel van het laten vervallen van de verliezen (en dus de saneringsclausule) nauwkeuriger is, zie ik niet in hoe een andere wetgevingstechniek — waarbij de betrokken regels nauwkeuriger worden geformuleerd — als van beslissend belang voor staatssteun kan worden beschouwd. Net als de oude regel van het laten vervallen van de verliezen beperkt de (nieuwe) regel van het laten vervallen van de verliezen namelijk slechts de mogelijkheid om eerder gemaakte verliezen in de toekomst te verrekenen in strikt omschreven situaties van verandering in de samenstelling van de aandeelhouders. Behoudens in die gevallen blijft het mogelijk verliezen over te dragen.
145.
De saneringsclausule beperkt dus slechts de werkingssfeer van de regel van het laten vervallen van de verliezen.60. In die zin is de saneringsclausule onlosmakelijk verbonden met de algemene regel, namelijk de regel van overdracht van de verliezen.
146.
Afgezien van de gebruikte wetgevingstechniek bevat het dossier geen enkel element dat zou kunnen verklaren waarom in het kader van het betrokken stelsel de regel van overdracht van de verliezen geen onderdeel van het referentiestelsel dient te zijn.
147.
In dat verband levert het bestreden arrest nog een probleem op. Door het volgen van een enge benadering die op de wetgevingstechniek is gebaseerd, en door de regel van het laten vervallen van de verliezen uit het ruimere wettelijke kader te lichten, worden in het bestreden arrest bij de beoordeling van de selectiviteit stap 1 en stap 2 samengevoegd. Het Gerecht heeft zich ter vaststelling van het referentiestelsel in feite gebaseerd op de vergelijkbaarheid van ondernemingen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders een verandering ondergaat. Bij nadere beschouwing blijkt dat het Gerecht eerst heeft aangenomen dat alle ondernemingen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders een verandering heeft ondergaan, zich automatisch in een juridisch en feitelijk vergelijkbare situatie bevinden, in de plaats van eerst het referentiestelsel vast te stellen.61. De slotsom dat de regel van overdracht van de verliezen niet onder het referentiestelsel valt, kan immers alleen worden getrokken indien wordt aangenomen dat ondernemingen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders een verandering ondergaat, zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
148.
Om die reden ben ik van mening dat het Gerecht het referentiestelsel onjuist heeft vastgesteld. Met name door zijn slotsom te baseren op de toegepaste wetgevingstechniek en op de vergelijkbaarheid van ondernemingen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders een verandering heeft ondergaan, heeft het Gerecht het referentiestelsel kunstmatig beperkt waardoor de regel van overdracht van de verliezen daar niet onder valt.
149.
Op grond daarvan moet het eerste deel van het tweede middel van hogere voorziening naar mijn mening worden aanvaard.
150.
Ter afsluiting van dit punt wijs ik erop dat in het bestreden arrest de regel van het laten vervallen van de verliezen als referentiestelsel is gebruikt om te beoordelen of de litigieuze maatregel selectief is (stap 2 en stap 3). Indien het Hof het eerste deel van het tweede middel van hogere voorziening aanvaardt, zoals ik voorstel, hoeven de overige argumenten inzake de beoordeling van de selectiviteit met betrekking tot stap 2 en stap 3 niet te worden besproken. De reden hiervoor is dat het lot van de litigieuze maatregel uiteindelijk afhangt van de vaststelling van het referentiestelsel.
151.
Voor het geval het Hof het niet met mij eens is, wil ik dienaangaande het volgende opmerken.
3. Stap 2: vergelijking van de juridische en feitelijke situatie van ondernemingen
a) Argumenten van partijen
152.
In het tweede deel van het eerste middel van hogere voorziening betoogt HBH dat de motivering van het Gerecht ontoereikend of tegenstrijdig is. In het eerste onderdeel van het tweede deel van het eerste middel van hogere voorziening stelt hij meer in het bijzonder, gelet op de wijze waarop het referentiekader in het bestreden arrest is vastgesteld, dat het Gerecht ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de juridische en feitelijke situatie van ondernemingen die gesaneerd moeten worden, kan worden vergeleken met die van gezonde ondernemingen.62. In het tweede onderdeel bestrijdt rekwirant de in het bestreden arrest gegeven redenen waarom de saneringsclausule niet diende te worden beschouwd als een ‘algemene maatregel’ waarvan alle ondernemingen gebruik kunnen maken.63.
153.
Volgens de Commissie is de motivering van het Gerecht juist en geenszins tegenstrijdig.
154.
In het tweede deel van het tweede middel van hogere voorziening voert HBH schending van artikel 107, lid 1, VWEU aan. Hij betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de litigieuze maatregel (prima facie) selectief is. Door te oordelen dat noodlijdende ondernemingen die sanering nodig hebben, en gezonde ondernemingen zich, gelet op het doel van de belastingregeling, in een vergelijkbare situatie bevinden, zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.64.
155.
HBH betoogt in het bijzonder dat het Gerecht het doel van de regel van het laten vervallen van de verliezen onjuist heeft vastgesteld (eerste onderdeel).65. Bovendien betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze maatregel prima facie selectief was en geen ‘algemene maatregel’ was waarvan alle ondernemingen gebruik konden maken (tweede onderdeel).66. De reden hiervoor is, zakelijk weergegeven, dat het bestreden arrest afwijkt van de rechtspraak van het Gerecht in het arrest Autogrill.67.
156.
Volgens de Commissie bevat het bestreden arrest geen fouten ter zake van de beoordeling van de selectiviteit.
157.
De Commissie stelt echter primair dat het tweede deel van het tweede middel van hogere voorziening niet ontvankelijk is. Enerzijds hebben de argumenten in het eerste onderdeel betrekking op de vaststelling en beoordeling van feiten. Anderzijds heeft het tweede onderdeel betrekking op een punt dat geen deel uitmaakte van het voorwerp van het geding in eerste aanleg. Het Gerecht zou bijgevolg ultra petita hebben beslist door de argumenten van rekwirant inzake de kwalificatie van de litigieuze maatregel als een algemene maatregel ontvankelijk te verklaren.68.
b) Bespreking
1) Argumenten van rekwirant inzake de omschrijving van het doel van het referentiestelsel
158.
Enerzijds hebben de argumenten van HBH inzake de ontoereikende of tegenstrijdige motivering in het eerste onderdeel van het tweede deel van het eerste middel van hogere voorziening betrekking op een punt dat het Gerecht volledigheidshalve heeft onderzocht. Zij zijn ook gebaseerd op hetzelfde (onjuiste) uitgangspunt als het eerste deel van het eerste middel van hogere voorziening, namelijk dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de regel van overdracht van de verliezen en de regel van het laten vervallen van de verliezen samen het referentiestelsel vormen. Zoals hierboven is aangegeven, heeft het Gerecht in het bestreden arrest geoordeeld dat de regel van het laten vervallen van de verliezen het relevante referentiestelsel vormt.69. Deze argumenten moeten dus worden afgewezen.
159.
Anderzijds falen de door rekwirant in het eerste onderdeel van het tweede deel van het tweede middel van hogere voorziening aangevoerde argumenten inzake schending van artikel 107, lid 1, VWEU. Deze argumenten zijn ten dele niet-ontvankelijk en treffen ten dele geen doel.
160.
In de eerste plaats wordt met deze argumenten het standpunt herhaald dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de regel van overdracht van de verliezen en de regel van het laten vervallen van de verliezen samen het referentiestelsel vormen. Zoals ik reeds heb uitgelegd, is dit standpunt gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
161.
In de tweede plaats komt rekwirant op tegen het oordeel van het Gerecht dat de regel van het laten vervallen van de verliezen tot doel heeft ervoor te zorgen dat verliezen niet worden overgedragen wanneer de samenstelling van de aandeelhouders van een onderneming die het verlies heeft geleden, een wezenlijke verandering heeft ondergaan.70. Volgens rekwirant beoogt deze regel slechts misbruik te bestrijden door handel in lege vennootschappen te voorkomen.
162.
Uiteraard streeft elke belastingregeling tal van doelen na, zoals het genereren van inkomsten voor de staatsbegroting, het beïnvloeden van het gedrag van consumenten en ondernemingen en het bestrijden van problemen zoals belastingontwijking. Een belastingregeling kan ook zijn gericht op het wegwerken van de gevolgen van een economische malaise.
163.
Net als de vaststelling van het referentiestelsel, betreft de vergelijkbaarheid van belastingplichtigen gelet op het doel van het belastingstelsel in stap 2 van de beoordeling van de selectiviteit, volgens mij een rechtsvraag. Deze vraag betreft de juridische kwalificatie van de toepasselijke nationale bepalingen tegen de achtergrond van de staatssteunregels van de Unie.71.
164.
Rekwirant vraagt het Hof dienaangaande echter, het doel van de regel van het laten vervallen van de verliezen (opnieuw) vast te stellen. Volgens mij is het Hof in hogere voorziening niet bevoegd om dit te doen. Ik ben het eens met de Commissie dat het opnieuw vaststellen van het doel van het referentiestelsel niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. Dit is louter een feitenkwestie die deel uitmaakt van de vaststelling van de inhoud van het nationale recht. Dergelijke kwesties zijn niet vatbaar voor hogere voorziening, tenzij indien uit het dossier blijkt dat er sprake is van onjuiste opvatting van het nationale recht. Dat is hier niet het geval.
165.
Tot slot en in de derde plaats komt HBH in het eerste onderdeel van het tweede deel van het tweede middel van hogere voorziening ook op tegen een punt dat het Gerecht volledigheidshalve heeft onderzocht. In het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk ook de door HBH naar voren gebrachte hypothese onderzocht dat het relevante doel van het referentiestelsel erin bestaat, misbruik van de regel van overdracht van de verliezen te voorkomen door verwerving van lege vennootschappen te ontmoedigen. In het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat, zelfs in die hypothese, gezonde en noodlijdende ondernemingen waarvan de samenstelling van de aandeelhouders een wezenlijke verandering heeft ondergaan, zich in een vergelijkbare situatie bevinden.72.
166.
Aangezien rekwirant er niet in is geslaagd aan te tonen dat het Gerecht bij zijn eerste beoordeling blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, treffen de argumenten inzake deze alternatieve beoordeling geen doel.
2) Argumenten van rekwirant met betrekking tot de slotsom van het Gerecht dat de saneringsclausule geen algemene maatregel is
167.
De argumenten van rekwirant met betrekking tot de slotsom van het Gerecht dat de saneringsclausule geen ‘algemene maatregel’ is waarvan alle ondernemingen gebruik kunnen maken, kunnen snel worden afgedaan.
168.
Wat in de eerste plaats het tweede onderdeel van het tweede deel van het eerste middel van hogere voorziening (inzake ontoereikende motivering) betreft, worden de redenen waarom de litigieuze maatregel geen algemene maatregel is waarvan alle ondernemingen gebruik kunnen maken, in het bestreden arrest kort maar duidelijk uiteengezet: die maatregel ziet slechts op één categorie van ondernemingen die zich in een specifieke situatie bevinden, te weten ondernemingen in moeilijkheden.73.
169.
Nog belangrijker is, met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede deel van het tweede middel van hogere voorziening, dat het Gerecht de toepasselijke rechtspraak juist heeft toegepast.
170.
Na de schriftelijke procedure in de onderhavige zaak is het arrest van het Gerecht waarop rekwirant zich hier baseert, in hogere voorziening vernietigd.74. Anders dan HBH betoogt, volgt uit de rechtspraak dus niet dat voor selectiviteit is vereist dat alleen een bijzondere groep ondernemingen van de bestreden maatregel gebruik kan maken.
171.
In het arrest World Duty Free heeft het Hof dit bevestigd. Het heeft geoordeeld dat een belastingmaatregel, om als selectief te worden aangemerkt, niet per se bedoeld hoeft te zijn voor een bijzondere groep ondernemingen die op basis van specifieke en gemeenschappelijke eigen kenmerken kan worden onderscheiden. Bij de beoordeling of een maatregel selectief is, moet juist worden nagegaan of bepaalde marktdeelnemers worden gediscrimineerd doordat zij worden uitgesloten van een belastingvoordeel dat voortvloeit uit een maatregel die afwijkt van een normale belastingregeling.75.
172.
Dit is de analysemethode waarvan het Gerecht in het bestreden arrest gebruik heeft gemaakt.76. Bijgevolg kan niet worden volgehouden dat de rechtspraak betreffende de beoordeling van de selectiviteit in het bestreden arrest onjuist is toegepast.
173.
Gelet op een en ander kom ik tot de slotsom dat het tweede deel van het eerste en het tweede middel van hogere voorziening deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond dient te worden verklaard.77.
4. Stap 3: beoordeling of de belastingregeling intrinsiek gerechtvaardigd is
a) Argumenten van partijen
174.
In het derde deel van het eerste middel van hogere voorziening betoogt rekwirant dat het Gerecht de afwijzing van het door hem in eerste aanleg aangevoerde argument inzake de rechtvaardiging van de saneringsclausule, namelijk dat de litigieuze maatregel waarborgt dat het beginsel van belastingheffing naar draagkracht in acht wordt genomen, onvoldoende heeft gemotiveerd.78.
175.
De Commissie is van mening dat de motivering van het Gerecht geen gebreken vertoont.
176.
In het derde deel van het tweede middel van hogere voorziening betoogt HBH dat het Gerecht artikel 107, lid 1, VWEU heeft geschonden door te oordelen dat de saneringsclausule tot doel heeft de sanering van ondernemingen in moeilijkheden te bevorderen, en daardoor een doel nastreeft dat buiten de belastingregeling ligt.79.
177.
De Commissie is van mening dat het Gerecht het doel van de litigieuze maatregel correct heeft vastgesteld op basis van zijn exclusieve bevoegdheid om de feiten vast te stellen. De argumenten inzake het beginsel van belastingheffing naar draagkracht treffen volgens de Commissie geen doel of zijn volgens haar, subsidiair, ongegrond.
b) Bespreking
178.
In het derde deel van het eerste en het tweede middel van hogere voorziening komt rekwirant met name op tegen de slotsom van het Gerecht dat het doel van de saneringsclausule, namelijk het waarborgen van belastingheffing naar draagkracht van de belastingplichtige, niet inherent is aan het belastingstelsel.
179.
Ten eerste dient het argument dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het doel van de litigieuze maatregel onjuist vast te stellen, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Net als de vaststelling van het doel van het referentiestelsel, betreft de vaststelling van het doel van de saneringsclausule volgens mij de vaststelling van de feiten.80. Behalve in geval van een duidelijke onjuiste opvatting is het Hof niet bevoegd om dergelijke vaststellingen te onderzoeken. In de onderhavige zaak blijkt uit het dossier niet dat er sprake is van een onjuiste opvatting.
180.
Ten tweede treft de rest van de argumenten van rekwirant geen doel. De argumenten inzake de gebrekkige motivering van het bestreden arrest en inzake fouten in de beoordeling van het argument van HBH dat de saneringsclausule beoogt te waarborgen dat de belastingheffing naar draagkracht van de belastingplichtige plaatsvindt, hebben betrekking op een punt dat het Gerecht volledigheidshalve heeft behandeld.
181.
Met andere woorden, ik ben het eens met de Commissie dat de door rekwirant in het derde deel van het eerste en tweede middel van hogere voorziening aangevoerde argumenten ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond zijn.
182.
Tot slot wijs ik erop dat het bijzonder moeilijk is bij deze derde stap van de beoordeling van de selectiviteit een belastingmaatregel te handhaven.
183.
In feite heeft het Hof ter zake van de rechtvaardiging voor een strikte benadering gekozen. Alleen een rechtvaardiging die uit de grondbeginselen of de leidende beginselen van het belastingstelsel voortvloeit, is toegestaan. Dat wil zeggen dat een a priori selectief bevonden maatregel alleen kan worden gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het belastingstelsel. In dit verband heeft het Hof onderscheid gemaakt tussen enerzijds de doelstellingen van een specifiek belastingstelsel die buiten dat stelsel zijn gelegen, en anderzijds de voor het bereiken van dergelijke doelstellingen noodzakelijke mechanismen die inherent zijn aan het belastingstelsel zelf.81.
184.
Hoe duidelijk dit onderscheid in theorie ook lijkt, de realiteit is veel complexer.
185.
Ten eerste gaat dit onderscheid uit van de premisse dat alleen redenen die betrekking hebben op handhaving van de belastinggrondslag (dat wil zeggen de noodzaak van het genereren van opbrengsten voor de begroting) geldig kunnen worden aangevoerd. De Commissie illustreert dit met voorbeelden: zo kunnen de noodzaak om belastingontwijking te bestrijden, de noodzaak om rekening te houden met bijzondere boekhoudkundige vereisten, de administratieve beheersbaarheid en het beginsel van de fiscale neutraliteit, alsmede de noodzaak om dubbele belasting te vermijden, rechtvaardigingsgronden zijn om de belastingmaatregel te handhaven.82. Toch ben ik er niet van overtuigd dat deze redenen zinvol kunnen worden onderscheiden van andere doelstellingen die de staat met belastingheffing nastreeft. Daarbij mag niet worden vergeten dat de staat belastingheffing tegenwoordig ook gebruikt om het gedrag te beïnvloeden. Met andere woorden, redenen die volgens de taxonomie van het Hof inherent zijn aan het belastingstelsel, zijn onlosmakelijk verbonden met de doelstellingen uit een bredere maatschappelijke context. Ik denk met name aan doelstellingen zoals de noodzaak van behoud van de werkgelegenheid, van bescherming van het milieu en van het waarborgen van regionale ontwikkeling of van de gelijke behandeling van belastingplichtigen.
186.
Ten tweede, en nog veel belangrijker, is dat alle belastingregelingen waarvan is vastgesteld dat zij bepaalde ondernemingen (a priori) selectief begunstigen, de belastinggrondslag uithollen, omdat een selectief fiscaal voordeel voor bepaalde ondernemingen een verlichting van de belastingdruk meebrengt.
187.
Het is daarom niet verwonderlijk dat het Hof, voor zover ik weet, de door lidstaten in het kader van de derde stap van de beoordeling van de selectiviteit aangevoerde redenen nog moet aanvaarden. Daaruit kan worden afgeleid dat het hier gaat om een de facto onweerlegbaar vermoeden dat belastingmaatregelen die a priori selectief worden bevonden, in werkelijkheid selectief zijn.
C. Gevolgen van de bespreking
188.
Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van de hogere voorziening. Het Hof kan de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Het kan de zaak ook naar het Gerecht terugverwijzen.
189.
Het eerste deel van het tweede middel van de hogere voorziening moet naar mijn mening worden aanvaard. Indien het Hof het eens is met mijn standpunt, geef ik het in overweging de zaak zelf af te doen.
190.
De vastgestelde onjuiste toepassing van het recht bij de vaststelling van het referentiestelsel brengt mee dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd voor zover het beroep van rekwirant daarbij ongegrond is verklaard. De beoordeling of de litigieuze maatregel selectief is, is door die onjuiste toepassing van het recht immers vertekend. Bovendien heeft het Gerecht als gevolg van die onjuiste toepassing van het recht verklaard dat de Commissie het referentiekader in het litigieuze besluit juist heeft vastgesteld. De selectiviteit van de saneringsclausule is dus beoordeeld tegen de achtergrond van een benchmark (de regel van het laten vervallen van de verliezen) die naar mijn oordeel juridisch onjuist is. Met andere woorden bij de beoordeling van de selectiviteit is in het litigieuze besluit uitgegaan van een onjuiste premisse. Om die reden moet dit besluit nietig worden verklaard.
191.
Ingeval het Hof het echter niet eens is met mijn standpunt over dit vraagstuk, moet de hogere voorziening volledig worden afgewezen.
D. Kosten
192.
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover de wederpartij dat heeft gevorderd.
193.
Indien het Hof het eens is met mijn standpunt over de hogere voorziening, dient de Commissie overeenkomstig de artikelen 137, 138 en 184 van het Reglement voor de procesvoering te worden verwezen in de kosten die op de procedure in eerste aanleg zijn gevallen en in die welke op deze hogere voorziening zijn gevallen.
V. Conclusie
194.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
- —
de incidentele hogere voorziening van de Commissie af te wijzen;
- —
het arrest van het Gerecht van 4 februari 2016 in zaak T-287/11, Heitkamp BauHolding/Commissie, te vernietigen voor zover het Gerecht het beroep ongegrond heeft verklaard;
- —
besluit 2011/527/EU van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) ‘KStG, Sanierungsklausel’ nietig te verklaren;
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2017
Oorspronkelijke taal: Engels.
Arrest van 4 februari 2016, Heitkamp BauHolding/Commissie, T-287/11, EU:T:2016:60 (hierna: ‘bestreden arrest’).
Besluit van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 (ex CP 250/09 en NN 5/10) ‘KStG, Sanierungsklausel’ (PB 2011, L 235, blz. 26; hierna: ‘litigieus besluit’).
Arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981.
Arresten van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, EU:C:2006:511, punt 56, en 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C-524/14 P, EU:C:2016:971, punt 55.
Punten 50–79 van het bestreden arrest.
Arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17.
Opgemerkt zij dat het Gerecht onlangs heeft geoordeeld dat een besluit van de Commissie — waarin deze enerzijds vaststelt dat er sprake is van staatssteun en anderzijds dat de steun onverenigbaar is met de interne markt, maar waarin deze geen terugvordering gelast — een regelgevingshandeling is, maar geen uitvoeringsmaatregelen meebrengt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Zie arresten van 15 september 2016, Ferracci/Commissie, T-219/13, EU:T:2016:485, punten 50–55, en Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, T-220/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:484. Over dit punt moet het Hof echter nog in hogere voorziening uitspraak doen (Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, C-622/16; Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori, C-623/16, en Commissie/Ferracci, C-624/16, aanhangig).
Arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232.
Met name de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, EU:C:2002:197, punten 59 e.v., en arrest van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie, T-177/01, EU:T:2002:112, punt 49. De wetgever staat daarentegen meer open voor een eventuele versoepeling van de voorwaarden voor de procesbevoegdheid van particulieren. Dit blijkt uit de invoering van de categorie ‘regelgevingshandelingen’ in artikel 263, vierde alinea, VWEU door het Verdrag van Lissabon.
Zie onder meer arresten van 2 februari 1988, Kwekerij van der Kooy e.a./Commissie, C-67/85, C-68/85 en C-70/85, EU:C:1988:38, punt 15; 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570, punt 33, en 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C-274/12 P, EU:C:2013:852, punt 49.
Arrest van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, EU:C:2001:622, punt 52.
Arresten van 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C-132/12 P, EU:C:2014:100, punten 59–62, en 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie, C-133/12 P, EU:C:2014:105, punten 46–49.
Arrest van 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie, C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368, punt 53.
Zie bijvoorbeeld arresten van 28 januari 1986, COFAZ e.a./Commissie, C-169/84, EU:C:1986:42, punt 25; van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C-198/91, EU:C:1993:197, punt 23; 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, C-78/03 P, EU:C:2005:761, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juli 2009, 3F/Commissie, C-319/07 P, EU:C:2009:435, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Punten 66–79 van het bestreden arrest.
Arrest van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570.
Arrest van 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie, C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368.
Arresten van 9 juni 2011, Comitato ‘Venezia vuole vivere’ e.a./Commissie, C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, EU:C:2011:368, punt 53, en 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C-15/98 en C-105/99, EU:C:2000:570, punten 33 en 34.
Arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C-182/03 en C-217/03, EU:C:2006:416.
Arrest van 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C-519/07 P, EU:C:2009:556.
Arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C-182/03 en C-217/03, EU:C:2006:416, punten 60–63, en 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C-519/07 P, EU:C:2009:556, punten 56–58. Zie ook arrest van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, C-11/82, EU:C:1985:18, punt 19.
Arrest van 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C-132/12 P, EU:C:2014:100.
Arrest van 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie, C-133/12 P, EU:C:2014:105.
Arresten van 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C-132/12 P, EU:C:2014:100, punten 59–62, en van 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie, C-133/12 P, EU:C:2014:105, punten 46–49.
Tussendoor wil ik ook opmerken dat de feiten die ten grondslag liggen aan het arrest van 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C-274/12 P, EU:C:2013:852, ook fundamenteel verschillen van die van de onderhavige zaak. In die zaak had de verzoeker investeringen gedaan op grond van de nationale maatregel die later door de Commissie onverenigbaar met de interne markt was verklaard. Hij had dus voordeel genoten van de bestreden nationale maatregel. Dat is echter de enige overeenkomst. De investeringen van de verzoeker dateerden van vóór de betreffende einddatum: in het besluit van de Commissie was uitdrukkelijk bepaald dat de bestreden nationale maatregel van toepassing bleef op investeringen die waren gedaan vóór het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure was vastgesteld. Zie in dat verband punten 47–50. Zie ook beschikking van 21 maart 2012, Telefónica/Commissie, T-228/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:140, punten 36–40.
Om die reden is het bezwaar van de Commissie dat rekwirant voor het Gerecht niet heeft aangevoerd dat hij steun heeft ontvangen, hier niet relevant.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Over de vraag of de vergelijkbaarheid tussen ondernemingen moet worden vastgesteld tegen de achtergrond van de doelstelling van het betrokken belastingstelsel in zijn geheel of alleen van de bestreden nationale maatregel, bestaat er enige discrepantie in de rechtspraak. In het arrest Adria-Wien Pipeline heeft het Hof bijvoorbeeld geoordeeld dat ondernemingen moesten worden vergeleken tegen de achtergrond van de doelstelling van de litigieuze maatregel (arrest van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke, C-143/99, EU:C:2001:598, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Korte tijd geleden heeft het Hof in het arrest World Duty Free echter geoordeeld dat ondernemingen moeten worden vergeleken tegen de achtergrond van het doel van de normale belastingregeling (arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Zie ook arrest van 18 juli 2013, P, C-6/12, EU:C:2013:525, punt 19.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a, C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punten 57 en 67.
Met betrekking tot deze moeilijkheden, zie bijvoorbeeld O. Peiffert, ‘Comparaison n'est pas raison: Pour une clarification du critère de s'lectivité d'une aide d'État’, Concurrences, nr. 3, 2017, 52 op 60.
Voor een andere opvatting over het belang van de identificatie van de normale belastingregeling, zie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak ANGED, C-233/16, EU:C:2017:852, punt 88.
Arresten van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 18 juli 2013, P, C-6/12, EU:C:2013:525, punt 19, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 57.
Mededeling van de Commissie betreffende het begrip ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, C/2016/2946 (PB 2016, C 262, blz. 1), beschikbaar op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=uriserv:OJ.C_.2016.262.01.0001.01.ENG&toc=OJ:C:2016:262:TOC#ntc205-C_2016262EN.01000101-E0205, punten 133 en 134.
Zie in die zin arresten van 22 juni 2006, België/Commissie, C-182/03 en C-217/03, EU:C:2006:416, punten 95, 104, 107 en 122; 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, EU:C:2006:511, punt 56; 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C-519/07 P, EU:C:2009:556, punten 2–7, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 68.
Arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punten 92 en 93.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punten 22 en 67–69.
Arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punten 92–95.
Punten 103–106 van het bestreden arrest.
Punten 107–109 van het bestreden arrest.
Punten 103–106 van het bestreden arrest.
Punt 104 van het bestreden arrest.
Zie bijvoorbeeld arresten van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, EU:C:2002:617, punt 63; 21 december 2011, A2A/Commissie, C-318/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:856, punt 125, en 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punten 78 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie onder meer arresten van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, EU:C:1998:608, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU:C:2014:217, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie ook arrest van 18 juli 2013, P, C-6/12, EU:C:2013:525, punt 13, waarin het standpunt van de verwijzende rechterlijke instantie over wijzen waarop zij het referentiestelsel kan vaststellen, door het Hof wordt geparafraseerd.
Punt 106 van het bestreden arrest.
Punt 104 van het bestreden arrest.
Punt 105 van het bestreden arrest.
Punt 107 van het bestreden arrest.
Overweging 21 van het litigieuze besluit.
Overweging 22 van het litigieuze besluit.
Overweging 23 van het litigieuze besluit.
De beoordeling van de selectiviteit mag immers niet afhankelijk zijn van de vorm. Zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, EU:C:2011:732, punten 92 en 93.
Zie punt 9 hierboven.
Opgemerkt zij ook dat de saneringsclausule niet de enige bepaling is die de werkingssfeer van de regel van het laten vervallen van de verliezen beperkt. In december 2009 werden op deze regel twee nieuwe uitzonderingen gemaakt. De overdracht van verliezen bleef mogelijk in het kader van saneringen die uitsluitend worden verricht binnen een groep ondernemingen die wordt geleid door een persoon of een vennootschap die 100 % van de aandelen bezit. Dat was ook het geval indien op het tijdstip van de verwerving van een schadelijke deelneming de verliezen overeenkwamen met stille bedrijfskapitaalreserves van de vennootschap.
Zie punt 133 hierboven inzake de motivering van het Gerecht.
Punten 133 en 134 van het bestreden arrest.
Punt 141 van het bestreden arrest.
Punten 126–133 van het bestreden arrest.
Punten 128–131 van het bestreden arrest.
Punt 141 van het bestreden arrest.
Arrest van 7 november 2014, Autogrill España/Commissie, T-219/10, EU:T:2014:939.
Punt 122 van het bestreden arrest.
Zie punt 131 e.v. hierboven.
Punt 128 van het bestreden arrest.
Zie punt 118 hierboven.
Punten 132–134 van het bestreden arrest.
Punt 141 van het bestreden arrest.
Arresten van 7 november 2014, Autogrill España/Commissie, T-219/10, EU:T:2014:939, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981.
Arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punten 69–71 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Punten 140 en 141 van het bestreden arrest.
Aangezien het tweede onderdeel van het tweede deel van het tweede middel van hogere voorziening ongegrond is, hoeft het argument van de Commissie dat het Gerecht ultra petita heeft beslist, niet te worden besproken.
Punten 165 en 166 van het bestreden arrest.
Punten 158–160 en 164–170 van het bestreden arrest.
Zie punt 164 hierboven.
Zie bijvoorbeeld arresten van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, EU:C:2006:511, punten 81 en 82; 8 september 2011, Paint Graphos e.a., C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550, punt 69; 9 oktober 2014, Ministerio de Defensa en Navantia, C-522/13, EU:C:2014:2262, punt 42, en 18 juli 2013, P, C-6/12, EU:C:2013:525, punt 29.
Voor deze en andere voorbeelden zie mededeling van de Commissie, ibid, punt 138. Uit het arrest Paint Graphos van het Hof volgt verder dat het vermijden van dubbele belasting een reden is die binnen het belastingstelsel ligt (arrest van 8 september 2011, Paint Graphos, C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550, punt 71).