NJB 2025/810
Voorwaardelijk opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne: een bewezenverklaring van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat verdachte zich aan het medeplegen van die invoer schuldig maakte, kan niet worden gebaseerd op de vaststelling dat de verdachte ‘heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen’.
HR 08-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:534
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 april 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
22/04383
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:534, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:162, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑06‑2023
Essentie
Voorwaardelijk opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne: een bewezenverklaring van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat verdachte zich aan het medeplegen van die invoer schuldig maakte, kan niet worden gebaseerd op de vaststelling dat de verdachte ‘heeft moeten vermoeden dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen’.
Uitspraak
Inleiding
Verdachte is veroordeeld wegens – kort gezegd – (onder 1 en 2) de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder A Opiumwet gegeven verbod, en medeplegen van om ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.