Hof Amsterdam, 14-12-2021, nr. 200.264.542/01
ECLI:NL:GHAMS:2021:4009
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
14-12-2021
- Zaaknummer
200.264.542/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2021:4009, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑12‑2021; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2019:3558, Uitspraak, Hof Amsterdam, 24‑09‑2019; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑12‑2021
Inhoudsindicatie
beroep op eigendomsvermoeden (art. 3:109 jo. 3:119 BW) ter zake van de inhoud van een kluis niet aanvaard. Geen onrechtmatige daad aangetoond wegens wegnemen van die inhoud. Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:3558.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.264.542/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7266870 CV EXPL 18-22373
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 december 2021
inzake
Pragmaflex Business Management B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
appellante, hierna te noemen: Pragmaflex,
advocaat: mr. M.S.J. Top te Amsterdam,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.A. Ossentjuk te Leiden.
Partijen worden hierna Pragmaflex en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] heeft uit een kluis een envelop met daarin een bedrag van € 12.900 aan contanten gehaald. Pragmaflex stelt dat de kluis en het geld van haar zijn en dat [geïntimeerde] moet worden veroordeeld om aan haar € 12.900 te betalen. De kantonrechter heeft de vordering van Pragmaflex afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat het bedrag dat [geïntimeerde] uit de kluis heeft genomen, van Pragmaflex was. In dit hoger beroep bestrijdt Pragmaflex het oordeel van de kantonrechter.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Pragmaflex is bij dagvaarding van 1 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter), van 3 mei 2019, gewezen tussen Pragmaflex als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
2.2.
Het hof heeft bij tussenarrest van 24 september 2019 een comparitie na aanbrengen gelast, maar deze comparitie is niet doorgegaan.
2.3.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met een productie.
2.4.
Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 5 november 2021 doen toelichten door hun advocaten, beiden aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Pragmaflex heeft nog producties in het geding gebracht.
2.5.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2.6.
Pragmaflex heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met nakosten.
2.7.
Pragmaflex heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van de stortingen en opnames van contant geld in en uit de kluis, dat op een document dat [geïntimeerde] uit de kluis zou hebben gehaald, het handschrift van kluisleverancier [A] staat, en dat in geluidsopnames van een telefoongesprek de stem van [geïntimeerde] is te horen.
3. Feiten en procesverloop
3.1
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.3) feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. In hoger beroep zijn daarvan de volgende feiten niet in geschil:
(i) Indirecte bestuurder van Pragmaflex is [X] (hierna: [X] ). [X] en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest. Hun echtscheiding is uitgesproken in december 2016.
(ii) In een destijds doorgebroken pand (met twee huisnummers) waar Pragmaflex was gevestigd en kantoor hield, was ook de toenmalige gezamenlijke woning van [X] en [geïntimeerde] .
(iii) In 2016 bevond zich in het kantoor respectievelijk de woning een kluis, waarin in elk geval een envelop met € 12.900 aan contant geld lag, de paspoorten van de kinderen van [X] en [geïntimeerde] , en verschillende sieraden.
(iv) Op 29 maart 2016 heeft [geïntimeerde] onder andere de envelop met het contante geld uit de kluis genomen.
3.2.
De kantonrechter heeft ook aangenomen dat de kluis van Pragmaflex was. In dit hoger beroep heeft [geïntimeerde] dat bestreden. Zij stelt dat de kluis van [X] en [geïntimeerde] gezamenlijk was en dat [X] bij gelegenheid van de aankoop van de kluis de factuur louter om fiscale redenen op naam van Pragmaflex heeft laten zetten. Het hof komt hierna op dit verweer van [geïntimeerde] terug.
3.3.
Pragmaflex heeft gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 12.900,00, met rente en kosten. Zij heeft gesteld dat het geld, dat in haar kluis lag, wordt vermoed haar eigendom te zijn, en dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het geld uit de kluis te nemen.
Tot verweer tegen deze vordering heeft [geïntimeerde] betwist dat het geld van Pragmaflex is. Volgens haar was het geld van [X] en haar gezamenlijk. De vordering van Pragmaflex zou daarom niet kunnen worden toegewezen.
3.4.
De kantonrechter heeft de vordering van Pragmaflex afgewezen. Zij heeft overwogen dat [geïntimeerde] het eigendomsvermoeden ten gunste van Pragmaflex heeft weerlegd, omdat zich in de kluis ook spullen bevonden waarvan vaststaat dat ze geen eigendom van Pragmaflex zijn en het gezien de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] niet zonder meer is vast te stellen dat het geld in de kluis van een bankrekening van Pragmaflex afkomstig is dan wel was bestemd om te houden voor Pragmaflex, te meer nu [X] heeft bevestigd dat geld uit de kluis ook wel voor privédoeleinden is gebruikt. Pragmaflex heeft onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld om haar eigendom ten aanzien van het geld te motiveren, zodat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens Pragmaflex heeft gehandeld.
3.5.
Tegen deze beslissing en de motivering daarvan komt Pragmaflex met drie grieven op.
4. Beoordeling
4.1.
Met haar eerste grief stelt Pragmaflex dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde] het bewijsvermoeden van art. 3:109 jo. art. 3:119 BW voldoende heeft weerlegd; de tweede grief houdt in dat de kantonrechter ten onrechte Pragmaflex heeft belast met het bewijs van de eigendom van het geld en heeft geoordeeld dat Pragmaflex in dat verband onvoldoende heeft gesteld, en door haar derde grief stelt Pragmaflex dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering heeft afgewezen.
Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2.
Veronderstellenderwijs aannemend dat de grieven slagen, is op grond van de devolutieve werking het verweer van [geïntimeerde] aan de orde dat de kluis geen eigendom van Pragmaflex is, zodat reeds daarom geen sprake kan zijn van een vermoeden dat het geld van Pragmaflex is. Dit verweer slaagt om de volgende redenen.
De kluis bevond zich in een opstal die tevens diende als de gezamenlijke woning van [X] en [geïntimeerde] en het staat vast dat de kluis (ook) werd gebruikt voor het bewaren van spullen die niets met de bedrijfsvoering van Pragmaflex te maken hebben. Weliswaar is de omstandigheid dat de factuur op naam van Pragmaflex staat, een indicatie dat de kluis van Pragmaflex is, maar Pragmaflex heeft de stelling van [geïntimeerde] dat de factuur een louter fiscale achtergrond heeft, niet (voldoende gemotiveerd) betwist. De stelling van Pragmaflex dat de kluis zich bevond bij de werkkamer van [X] , die alleen ten behoeve van Pragmaflex werd gebruikt, is – zo al juist – van onvoldoende gewicht om van houderschap van Pragmaflex uit te gaan. De omstandigheid dat alleen [X] ten tijde van het wegnemen van het geld over een sleutel van de kluis beschikte, is ter zitting verklaard door de verstoorde verhouding tussen [X] en [geïntimeerde] . Op grond van dit een en ander kan niet worden aangenomen dat de kluis exclusief door Pragmaflex werd gehouden in de zin van art. 3:109 BW, zodat ook niet van exclusief bezit van Pragmaflex kan worden uitgegaan, en niet – en dus anders dan Pragmaflex betoogt – tot uitgangspunt kan strekken dat de kluis eigendom was van Pragmaflex.
4.3.
Bij deze stand van zaken kan evenmin worden uitgegaan van een vermoeden dat de inhoud van de kluis, in het bijzonder het bedrag van € 12.900, van Pragmaflex was. Ook overigens kan zo’n vermoeden niet aan de orde zijn. Weliswaar zijn partijen het erover eens dat [X] het geld van een bankrekening van Pragmaflex heeft opgenomen en in de kluis heeft gelegd, maar Pragmaflex heeft voor de opnames wisselende verklaringen gegeven. Niet alleen is gesteld dat [X] het bewuste bedrag heeft opgenomen en in de kluis heeft bewaard namens Pragmaflex, maar Pragmaflex heeft ook gesteld – onder andere tijdens de mondelinge behandeling bij het hof – dat het geld in de kluis van [X] was, en in de rekening-courant tussen Pragmaflex en [X] respectievelijk ten titel van lening aan [X] was dan wel moest worden geboekt; het geld zou zijn opgenomen opdat [X] het in geval van beslaglegging achter de hand had, mede tot nakoming van zijn alimentatieverplichting jegens [geïntimeerde] . Die eigen stellingen van Pragmaflex duiden niet op eigendom van Pragmaflex.
Pragmaflex heeft kortom onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het geld dat [geïntimeerde] uit de kluis heeft genomen, aan haar toebehoorde. Daarom kan evenmin worden aangenomen dat [geïntimeerde] , door het geld uit de kluis weg te nemen, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Pragmaflex. Zij kan dan ook niet worden veroordeeld om het geld aan Pragmaflex terug te betalen.
4.4.
Pragmaflex heeft geen bewijs van haar eigendom van het geld aangeboden. Nog daargelaten dat zij te dier zake onvoldoende (gemotiveerd) heeft gesteld, ziet het hof ook geen aanleiding om Pragmaflex ambtshalve het bewijs van haar eigendom van het geld op te dragen. Stellingen waarvan Pragmaflex wel bewijs heeft aangeboden, kunnen – indien bewezen – niet tot een andere uitkomst leiden, zodat het hof aan het bewijsaanbod van Pragmaflex voorbijgaat.
4.5.
De slotsom luidt dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Pragmaflex verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Pragmaflex in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 741 aan verschotten en € 3.342 voor salaris, en op € 163 voor nasalaris, te vermeerderen met € 85 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J.W.M. Tromp en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.
Uitspraak 24‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Zie ECLI:NL:2021:4009.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.264.542/01
zaaknummer rechtbank : 7266870 CV EXPL 18-22373
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 september 2019
inzake
PRAGMAFLEX BUSINESS MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. M.S.J. Top te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.N.R. Nasrullah te Rotterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Appellante heeft bij exploot geïntimeerde aangezegd in hoger beroep te komen van een of meer tussen partijen in de onderhavige zaak gewezen vonnissen, met dagvaarding van geïntimeerde voor dit hof.
De zaak is op de rol ingeschreven en geïntimeerde is bij advocaat verschenen.
2. Beoordeling
Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is het verkrijgen van inlichtingen, het beproeven van een minnelijke regeling en/of het bespreken van het verdere verloop van het hoger beroep, waarbij onder meer mediation, bewijsvoering en/of rapportage door deskundigen aan de orde kunnen komen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en die bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheercommissaris benoemde lid van het hof mr. M.M. Korsten-Krijnen, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen tijdstip, tot het hiervoor onder 2 omschreven doel;
bepaalt dat partijen binnen 2 weken na heden op de rol van 8 oktober 2019 hun verhinderdagen en die van hun advocaten voor de eerstkomende 4 maanden kunnen opgeven, waarna het hof de dag en het tijdstip van de comparitie zal vaststellen, in welk geval behoudens klemmende redenen of overmacht geen uitstel van de comparitie meer zal worden verleend;
bepaalt dat de datum van de comparitie na aanbrengen in het roljournaal vermeld zal worden;
bepaalt dat appellante uiterlijk 4 weken na heden een kopie van het volledige procesdossier (de stukken van de eerste aanleg met inbegrip van de producties en de appeldagvaarding) in tweevoud zal indienen bij het hof (roladministratie – team handel);
bepaalt dat partijen uiterlijk 2 weken vóór de dag van de comparitie de stukken waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, in kopie over zullen leggen door toezending aan het hof (roladministratie – team handel) en de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.