TFO 2025/200.3
Vermogensaanwas-, vermogenswinstbelasting of een combinatie van beide?
Dr. R.P. van den Dool, datum 13-08-2025
- Datum
13-08-2025
- Auteur
Dr. R.P. van den Dool1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD21641:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht (R)
Inkomstenbelasting / Vermogensrendementsheffing (box 3)
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Ruud van den Dool is zelfstandig gevestigd fiscalist/belastingadviseur, tevens verbonden aan de sectie fiscale economie van de Universiteit van Amsterdam.
In deze bijdrage ga ik voorbij aan de vraag of inflatoire voordelen al dan niet tot de heffingsgrondslag behoren. Zie daarover mijn bijdrage ‘Inflatiecorrectie box 3 is nodig!’, WFR 2024/173.
Kamerstukken II/I, 36706, aangenomen door de Eerste Kamer op 12 juni 2025.
Zie bijvoorbeeld L.G.M. Stevens, ‘De struikelgang naar een belasting over werkelijk inkomen uit vermogen’, WFR 2025/64, par. 7.2.; C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse, ‘Heffing over het werkelijk rendement in box 3’, WFR 2024/145; G.T.K. Meussen, De toekomst van box 3. Is een vermogensaanwasbelasting een realistische optie?, FED 2022/65; D.L. Aulia, ‘Box 3: eerst genieten, dan belasten!’, WFR 2024/174; J.P. Boer, ‘Een vermogensaanwasbelasting: niet te ‘genieten’’, NTFR 2022/3382.
In alle gevallen geldt dat verliezen in enig jaar verrekenbaar dienen te zijn met positieve inkomsten in een ander jaar. Vergelijk mijn Belastingheffing over kapitaalinkomen bij natuurlijke personen (diss.), Rotterdam 2009, par. 5.4.4.
Het feit dat het Kabinet kiest voor een vermogensaanwasbelasting met een vermogenswinstvariant voor bepaalde vermogensbestanddelen betekent dat tegen geen van beide systemen principiele uitvoeringstechnische bezwaren bestaan. De uitvoerbaarheid neem ik dan ook als uitgangspunt.
Vergelijk H.J. Hofstra, Het vraagstuk van de vermogenswinstbelasting, Voordracht gehouden op de Belastingconsulentendag 1967, Amsterdam: N.V. Uitgeverij FED 1967.
Zie S. Cnossen & A.L. Bovenberg, ‘Vermogensrendementsheffing: vondst of miskleun’, WFR 2000/4, par. 6.2.
D.L. Aulia, t.a.p. par. 4.2 is juist van oordeel dat alleen dan sprake is van een neutrale behandeling van vermogensbestanddelen indien de opbrengsten in geld worden belast. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de economisch gelijke betekenis van uitgekeerde en opgepotte dividenden.
Seltzer, ‘Capital gains and the income tax’, The American economic review 1950, vol. 40, nr. 2, mei, p. 371-378 heeft naderhand wel een onderscheid gemaakt tussen te verwachten inkomen en onverwachte inkomsten. Vermogensmutaties die door de vermogensbezitter niet worden verwacht, zouden naar zijn oordeel niet tot het inkomen behoren, omdat deze onverwachte inkomsten (windfall profits and losses) bij de economische besluitvorming van individuen geen rol kunnen spelen.
Schanz, ‘Der Einkommensbegriff und die Einkommensteurgesetze’, Finanzarchiv, 13e jaargang, 1896.
Haig, ‘The Concept of Income – Economic and Legal Aspects’, in: Robert Murray Haig (red.), The Federal Income Tax, Columbia University Press, 1921.
Simons (1938), Personal Income Taxation, the definition of income as a problem of fiscal policy, vijfde druk, Chicago: The University of Chicago Press 1965.
In een addendum bij een latere druk geeft hij aan dat een keuze voor het realisatiebeginsel gelijk kan worden gesteld met een lening bij de overheid ter grootte van de jaarlijkse belastingschuld bij een aanwasbelasting. Indien men deze schuld zou oprenten en dit bij de latere realisatie zou voldoen, zou een VWB uiteindelijk tot eenzelfde effect kunnen leiden als een VAB.
Zie L.G.M. Stevens, ‘De struikelgang naar een belasting over werkelijk inkomen uit vermogen’, WFR 2025/64, par. 4.1.
Zie o.a. J. Spaanstra, Aspecten van de belastingheffing van vermogenswinsten, Deventer: Kluwer 1963, E. Aardema, ‘Inkomstenbelasting – een terugblik’, Maandblad Belastingbeschouwingen 2006, 75e jaargang, nummer 5, p. 173-178; J.E.A.M. van Dijck ‘Vermogenswinstbelasting’, WFR 1988/5850; en L.G.M. Stevens ‘En dat zij moge uitgroeien tot een fraaie vermogenswinstbelasting’, WFR 1999/1549; L.G.M. Stevens, ‘Liever herstel dan eerherstel voor de inkomstenbelasting’, in: D.A. Albregtse, H.P.A.M. van Arendonk & prof. dr. L.G.M. Stevens (red.), Belastingbeschouwingen, Deventer: Kluwer 1989.
J.E. Meade, The structure and reform of direct taxation, report of a committee chaired by professor J.E. Meade, Londen: The Institute for Fiscal Studies, George Allen & Unwin 1978, p. 128.
Vergelijk W. Vickrey, ‘Averaging of income for income-tax purposes’, The journal of political economy 1939, vol. 47, nr. 3, p. 379-397.
A.J. Auerbach, ‘On the design and reform of capital-gains taxation’, The American Economic Review 1992, vol. 82, nr. 2p. 263-267.
Zie soortgelijk S. Cnossen, ‘Bouwstenen voor een (nog) beter belastingstelsel’, WFR 2020/135.
J.E. Meade t.a.p. geeft aan dat met name ten aanzien van niet-courante aandelen het liquiditeitsprobleem groot zou zijn.
J.M. Poterba, How burdensome are capital gains taxes, NBER Working papers series, NBER working paper 1871, Cambridge, Mass.: NBER 1986. Zie tevens J.P. Boer & H. Vording, ‘Keuzes voor een betere vermogensrendementsheffing’, WFR 2015/614, par. 3.3.
L.H. Seltzer, ‘Capital gains and the income tax’, The American economic review 1950, vol. 40, nr. 2, p. 371-378.
M. David, Alternative approaches to capital gains taxation, Studies of government finance, Washington DC: The Brookings Institution 1968.
J.E. Meade t.a.p., p. 132.
W. Vickrey, ‘Averaging of income for income-tax purposes’, The journal of political economy 1939, vol. 47, nr. 3, p. 379-397.
A. Auerbach, t.a.p. 1988.
S. Cnossen & B. Jacobs, ‘Problemen met een partiële vermogensaanwasbelasting’, WFR 2023/178.
Zie bijvoorbeeld A.C. Warren jr., ‘Financial contract innovation and income tax policy’, Harvard Law Review 1993, vol. 107, nr. 2, p. 460-492.
D.J. Kovenock & M. Rothschild, ‘Capital gains taxation in an economy with an “austrian sector”’, NBER Working paper series, Working paper 758, Cambridge, Mass.: NBER 1981 geven aan dat door het lock-in effect wellicht minder transacties plaatsvinden en daardoor de beschikbare informatie voor marktpartijen afneemt. Dit effect achten zij echter verwaarloosbaar.
C.C. Holt & J.P. Shelton, The lock-in effect of the capital gains tax, reprint nr. 42, Wisconsin: Social System Research Institute 1963; Ragnar Lindgren, Capital Formation and the effects of capital income taxation, Stockholm: EFI 1985; en J.A. Meade, ‘The impact of different capital gains tax regimes on the lockin effect and new risky investment decisions’, The accounting review 1990, vol. 65, nr. 2.
C.C. Holt & J.P. Shelton, t.a.p.; en R. Goode, The individual income tax, revised edition, Studies of government finance, Washington DC: The Brookings Institution 1976, p. 199.
W.T. Bogart & W.M. Gentry, Capital gains taxes and realizations: evidence from interstate comparisons, NBER Working paper series, Working paper 4254, Cambridge: NBER 1993.
J.J. Minarik, ‘Capital Gains’, in: H.J. Aaron & J.A. Pechman (red.), How Taxes Affect Economic Behavior, Washington DC: The Brookings Institution 1981; en P. Klein, ‘The capital gain lock-in effect and perfect substitutes’, Journal of Public Economics 2004, vol. 88, p. 2765-2783.
R. Goode, The individual income tax, revised edition, Studies of government finance, Washington DC: The Brookings Institution 1976, p. 203, D.J. Kovenock & M. Rothschild, ‘Capital gains taxation in an economy with an “austrian sector”’, NBER Working paper series, Working paper 758, Cambridge, Mass.: NBER, 1981 alsmede Notes on the effect of Capital Gain Taxation on Non-Austrian Assets, in: A. Razin & E. Sadka (red.), Economic Policy in Theory and Practice, Londen: Macmillan Press 1987; en bijvoorbeeld P. Kavelaars Vermogenswinstheffing: verlies of (aan)winst?, Deventer: Kluwer 1997, p. 61). Zie voor een overzicht van de verschillende kanttekeningen die bij de gepleegde onderzoeken kunnen worden geplaatst D.W. Kiefer, ‘Lock-inn effect within a simple model of corporate stock trading’, National Tax Journal 1990, vol. 43, nr. 1, p. 75-94.
Zie bijvoorbeeld L.E. Burman & W.C. Randolph, Measuring permanent responses to capital-gains tax changes in panel data, The American Economic Review 1994, vol. 84, nr. 4; en C.Y. Nash, W.M. Wilder & M.H. Stock, ‘The effect of capital gains tax policy on investment company capital gains realizations’, Advances in Taxation, vol. 14, p. 245-270.
J.E. Stiglitz, ‘Some aspects of the taxation of capital gains, NBER Working paper series, Working paper 1094, NBER, Cambridge, Mass.: NBER 1983.
J.M. Poterba, ‘How burdensome are capital gains taxes’, NBER Working papers series, NBER working paper 1871, Cambridge, Mass.: NBER 1986.
[1] Zie X. Auerbach, ‘Hunkering’, WFR 2025/41.
P. Kavelaars, ‘Verleden, heden en toekomst van box 3’, MBB 2025/27.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27.
Vergelijk het advies van de landsadvocaat inzake een vermogensbelasting, Kamerstukken II 2022/23, 35927, nr. 125.
P. Kavelaars, Vermogenswinstheffing: verlies of (aan)winst?, Deventer: Kluwer 1997, p. 44. Een vergelijkbaar voorstel is van S. Cnossen & B. Jacobs: ‘Belast alle werkelijke vermogensopbrengsten, net als andere landen’, ESB 107(4807), p. 134-138.
Ongetwijfeld leidt de duiding ‘forfaitaire’ tot de vraag of van strijdigheid met het Eerste Protocol bij het EVRM sprake is. Daarbij merk ik op dat de hier bedoelde forfaitaire voorheffing (uiteindelijk) niet tot gevolg heeft dat meer belasting wordt geheven dan over het werkelijke inkomen. Bij de definitieve vervreemding vindt immers een herrekening plaats. Of die uiteindelijke herrekening voldoende is om een potentiële strijdigheid te ecarteren is niet (eenduidig) uit de jurisprudentie of literatuur af te leiden.
Zie S. Cnossen & B. Jacobs, ‘Problemen met een partiële vermogensaanwasbelasting’, WFR 2023/178.
Heithuis, ‘Belastingheffing over inkomsten uit vermogen’, WFR 2021/48, par. 2.1.2. alsmede ‘Een alternatieve box 3-heffing’, WFR 2019/63, par. 2.2. is eveneens voorstander van een vermogensaanwasbelasting. Hij ziet ook het liquiditeitsnadeel dat voortvloeit uit het verschuldigd worden van belasting terwijl de vermogensaanwas nog niet in geld is omgezet als mogelijk nadeel. Kavelaars was voorstander van een vermogensaanwasbelasting (zie bijvoorbeeld ‘Van box 3 naar een vermogensmutatieheffing’, WFR 2016/131 alsmede P. Kavelaars, ‘Het enige alternatief: een vermogensmutatiebelasting’, MBB, 2022, nr. 8. Inmiddels lijkt Kavelaars evenwel voorstander van een vermogenswinstbelasting. Zie zijn ‘Verleden, heden en toekomst box 3’, Parlement en wetenschap 14 januari 2025.
Zie mijn Belastingheffing over kapitaalinkomen bij natuurlijke personen (diss.), Rotterdam, 2009, par. 5.2.
Zie mijn Waardering van incourante aandelen voor belastingheffing, Fed fiscale brochures, 4e druk, Deventer: Kluwer 2015, in het bijzonder par. 4.2 en 4.5.
C.B. Bavinck, ‘Vermogensaanwas of vermogenswinst belasten’, WFR 2025/157.
Zie C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse, ‘Heffing over het werkelijk rendement in box 3’, WFR 2024/145.
Overigens heeft hij eerder gepleit voor een vermogenswinstbelasting, zie ‘De vermogensrendementsheffing of een alternatief’, WFR 2019/22.
Zie H.J. Meijer, ‘Het taboe op het belasten van vermogenswinsten’, WFR 2022/157.
Zie bijvoorbeeld L.G.M. Stevens, ‘Van oude fiscalisten en dwalingen die voorbijgaan’, WFR 2025/187
1. Inleiding; Wet werkelijk rendement box 32
Op 19 mei 2025 is de Wet werkelijk rendement box 33 (WWR) ingediend bij de Tweede Kamer. Uitgangspunt is dat van tot box 3 behorende vermogensbestanddelen de reguliere inkomsten als rente en dividend worden belast alsmede dat vermogensmutaties van die vermogensbestanddelen worden belast op basis van een vermogensaanwasbelasting. Voor bepaalde vermogensbestanddelen geldt dat een voordeel wegens eigen gebruik in de grondslag wordt betrokken. Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardemutaties worden in aanmerking genomen. Dit geldt eveneens onder de Wet tegenbewijsregeling box 3.4 Met name het belasten van ongerealiseerde waardemutaties leidt tot kritiek.5 Dit vooral vanwege het liquiditeitsargument: de waardestijging is nog niet in liquiditeiten omgezet en derhalve kan de ter zake verschuldigde belasting niet uit die specifieke liquiditeiten worden voldaan. Er bestaan evenwel belangrijke argumenten die juist voor een vermogensaanwasbelasting pleiten. Deze argumenten worden in de discussie naar mijn oordeel niet voldoende aan de orde gesteld. In deze bijdrage ga ik daar uitgebreider op in. Het al decennia aan de Nederlandse inkomstenbelastingheffing ten grondslag liggende SHS-inkomensbegrip neem ik als uitgangspunt. Daarbij beperk ik mij tot de principiële vraag of een vermogensaanwasbelasting een goede draagkrachtmaatstaf is en voldoet aan het gelijkheidsbeginsel in de zin dat belastingplichtigen met hetzelfde inkomen op dezelfde manier in de belastingheffing worden betrokken. Tevens beoordeel ik of het neutraliteitsbeginsel op grond waarvan geen verschil in fiscale behandeling behoort te bestaan tussen verschillende soorten vermogen voldoende recht wordt gedaan.6,7
2. SHS-inkomensbegrip
2.1 Inleiding
De naamgevers Schanz, Haig en Simons van het SHS-inkomensbegrip definiëren inkomen als de stijging van het vermogen van een individu gedurende een bepaalde periode, abstraherend van gepleegde consumptieve uitgaven.8 Behalve feitelijk gerealiseerde vermogensmutaties behoren ongerealiseerde vermogensmutaties tevens tot het inkomen.9 Ongerealiseerde vermogensmutaties nemen zij evenwel slechts in aanmerking als deze redelijkerwijs met een enige nauwkeurigheid kunnen worden bepaald. Niet van belang is daarbij of de redelijkerwijs meetbare vermogensmutatie al dan niet is getransformeerd in liquiditeiten. Op deze manier bereiken zij een neutrale behandeling van vermogensbestanddelen, ongeacht of deze al dan niet opbrengsten in geld dan wel in een waarde-ontwikkeling opleveren.10 Giften, erfenissen en ontvangen prijzengeld behoren daarbij tot het inkomen. Tot slot wordt het voordeel ontleend aan vermogensbestanddelen die in eigen gebruik zijn, zoals het genot van een eigen woning, tot het inkomen behoren.11
2.2 Georg Schanz
Met zijn bijdrage ‘Der Einkommensbegriff und die Einkommensteuergesetze’12 heeft Georg Schanz in 1896 de basis gelegd voor het SHS-inkomensbegrip. Al hetgeen tot behoeftebevrediging leidt of kan leiden, behoorde tot het inkomen. Zowel inkomen in geld als in natura moet in aanmerking worden genomen. Ongerealiseerde waardemutaties worden eveneens tot het inkomen gerekend. Bij gebrek aan een gerealiseerde ‘zekere’ werkelijke waarde dient, ondanks de eventuele onzekerheid, te worden uitgegaan van een schatting van de waarde. Dit principe geldt ook voor de waardeontwikkelingen van een eigen woning. Verliezen die men lijdt op vermogensbestanddelen verminderen de mogelijkheid om behoeften te bevredigen en zijn om die reden aftrekbaar. Voordelen in natura die opkomen uit bijvoorbeeld een dienstbetrekking, zoals de huurwaarde van een door de werkgever ter beschikking gestelde woning, vormen inkomen. Dit geldt eveneens voor het voordeel uit het eigen gebruik van eigen bezit, mits dit opkomt uit het zogenoemde ‘Leihkapital’: goederen die men aan derden ter beschikking zou kunnen stellen. Bij een woning in eigen gebruik leidt dit ertoe dat de zakelijke huur als inkomen in aanmerking wordt genomen. Eventuele liquiditeitsproblemen ten gevolge van deze belastingheffing kunnen worden ondervangen door geheel of gedeeltelijk te lenen. Waarom zouden particulieren niet kunnen lenen ter voldoening van hun fiscale verplichtingen als zij wel lenen ten behoeve van consumptieve uitgaven of investeringen?
Ook giften, erfenissen, (loterij)prijzen en geschenken behoren tot het inkomen. Deze ervaren de ontvangers als een voordeel waarmee zij consumptieve uitgaven of investeringen kunnen doen. Indien deze evenwel worden beIast op grond van, bijvoorbeeld, een schenk- of erfbelasting, kunnen deze voordelen buiten de heffing van inkomstenbelasting worden gelaten. Schanz meent evenwel dat dergelijke tijdstipheffingen ten laste van de verkrijger geen echt alternatief kunnen zijn voor een inkomstenbelasting als draagkrachtheffing omdat dergelijke verkrijgingen wel degelijk de draagkracht verhogen.
2.3 Robert Murray Haig
Haig publiceerde in 1921 zijn ‘The Concept of Income – Economic and Legal Aspects.’13 Hij vond dat het inkomen in economische zin moet worden gedefinieerd als de totale satisfactie die een persoon geniet of kan genieten. Dit is evenwel een weinig concreet, laat staan meetbaar begrip is. Om die reden kiest hij volgens gebruikelijke conventies voor het in geld meten van inkomen. Haig schrijft:
“Under this conception, income becomes the increase in one’s power to satisfy his wants in a given period in so far as that power consists of (a) money itself, or, (b) anything susceptible of valuation in terms of money. More simply stated, the definition of income which the economist offers is this: Income is the money value of the net accretion to one’s economic power between two points in time.”
Behalve gerealiseerd inkomen, behoort ongerealiseerd inkomen tevens tot de heffingsmaatstaf omdat dit ongerealiseerde inkomen koopkracht genereert om naar wens bepaalde behoeften te bevredigen. Dat is anders indien de belastingplichtige niet de mogelijkheid heeft om naar keuze het vermogensbestanddeel te vervreemden. Zelfs zelf geproduceerde goederen moeten volgens hem voor de geldswaarde tot het inkomen worden gerekend. Het gaat Haig erom eenieder gelijk te behandelen, ongeacht of het inkomen tot uitdrukking komt in een geldelijke uitkering of in een waarde-ontwikkeling. Waardestijgingen neemt hij slechts in aanmerking als deze met voldoende zekerheid te bepalen zijn. Zelfs al zou de waardestijging met een bepaalde mate van onzekerheid zijn omgeven, dan nog is belastingheffing daarover te prefereren boven een systeem waarin belastingheffing pas bij (latere) realisatie plaatsvindt.
Ontvangen giften behoren in de visie van Haig eveneens tot het inkomen.
2.4 Henry C. Simons
Henry Simons meent dat het inkomensbegrip objectief, kwantificeerbaar en meetbaar moet zijn. Hij definieert het inkomen als de som van enerzijds de gepleegde consumptie en anderzijds de wijziging in de waarde van het vermogen.14 Zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardemutaties behoren tot het inkomen. Dit mede om te voorkomen dat regulier inkomen wordt getransformeerd in vermogensaanwas. Het voorzichtigheidsbeginsel staat hieraan niet in de weg omdat dit argument “fails to recognize the fundamental continuity of economic relations and ignores the essential value implications of income”. Indien het realisatiebeginsel het primaat zou krijgen, zou dat betekenen dat bij langdurende (meerjarige of zelfs oneindige) projecten weliswaar sprake is van een vermogensstijging, doch dat geen sprake is van in aanmerking te nemen inkomen.15 Indien ongerealiseerde waardemutaties tot het inkomen worden gerekend, dient uiteraard een waardebepaling plaats te vinden, hetgeen een praktisch probleem kan zijn. Indien in redelijkheid geen (minimale) objectieve waarde vastgesteld kan worden, zou van het in aanmerking nemen van waardemutaties moeten worden afgezien. Inkomsten in natura, inclusief het voordeel uit het gebruik van de eigen woning behoren tot het inkomen.16
Ook giften, erfenissen en prijzen verhogen de waarde van het vermogen en vormen daarom inkomen, waarbij de waarde in het economische verkeer als uitgangspunt moet gelden. De schenk- en erfbelasting zouden geïncorporeerd moeten worden in de inkomstenbelasting.
3. Enkele specifieke aspecten
3.1 Algemeen
Binnen het SHS-inkomensbegrip is het in aanmerking nemen van ongerealiseerde vermogensmutaties gebaseerd op een tweetal overwegingen. De eerste is dat belastingplichtigen gelijk worden behandeld ongeacht of zij een waardemutatie realiseren of niet. Voor eenieder verhoogt een waardemutatie de bestedingsmogelijkheden omdat men de vrije keuze heeft die vermogensmutatie al dan niet (gedeeltelijk) te realiseren. De tweede overweging hangt hiermee samen en ziet op het voorkomen van arbitragemogelijkheden die zouden ontstaan als belast inkomen kan worden getransformeerd in een onbelaste waardemutatie. Door ongerealiseerde vermogensmutaties in aanmerking te nemen als inkomen ontstaat een rechtvaardigere heffing dan wanneer vermogensaanwas niet in aanmerking wordt genomen,17 met name omdat juist belastingplichtigen met hoge inkomens vermogensmutaties behalen en de mogelijkheid hebben reguliere inkomsten te transformeren in vermogensmutaties indien dat vanuit fiscaal perspectief aantrekkelijk zou zijn. Een vermogensaanwasbelasting voorkomt dit.
3.2 Er is geen sprake van een dubbele heffing
Naast waardemutaties genereren de meeste vermogensbestanddelen in het algemeen periodieke voordelen in de vorm van bijvoorbeeld interest, dividend of huur. Uiteraard bestaat er een verband tussen beide: in theorie is de waarde van een actief gelijk aan de contante waarde van de toekomstige kasstroom. Dit geldt voor aandelen, maar bijvoorbeeld ook voor obligaties en vastgoed. Als zowel de waardemutatie in enig jaar (zijnde de contante waarde van de verwachte verandering in de toekomstige reguliere inkomsten) wordt belast als naderhand de daadwerkelijke reguliere inkomsten, komt de vraag op of sprake is van dubbele belastingheffing. Meade18 beantwoordt deze vraag bevestigend en is om die reden van mening dat waardestijgingen die opkomen uit een wijziging in de omvang van toekomstige inkomensstromen, niet in de heffing betrokken zouden moeten worden. Daarmee wordt evenwel voorbij gegaan aan het feit dat de waarde van het vermogensbestanddeel tegelijkertijd daalt zodra daaruit een inkomensvoordeel opkomt. In het jaar waarin het (hogere) reguliere inkomen wordt ontvangen, daalt de waarde van het vermogensbestanddeel met hetzelfde bedrag. In dat jaar is dan per saldo geen sprake van te belasten inkomen (mits alle overige omstandigheden gelijk blijven, ergo in dat jaar geen verandering optreedt in de te verwachten toekomstige reguliere opbrengsten in latere jaren). Consequentie van (verwachte) stijgingen in het toekomstige reguliere inkomen is derhalve dat de waarde van het vermogensbestanddeel in een eerder jaar stijgt en dan wordt belast; de belastingheffing wordt naar voren gehaald. Afgezien van de rentecomponent wordt de waardemutatie direct belast, terwijl de toekomstige gestegen reguliere inkomsten niet worden belast omdat die dan wegvallen tegen de waardedaling van het object die gelijk is aan het reguliere inkomen in enig jaar. Dit geldt zowel voor verwachte als onverwachte veranderingen in de inkomensstroom. Van dubbele heffing is derhalve geen sprake.
3.3 Liquiditeitsnadeel
Een veel genoemd en regelmatig als doorslaggevend ervaren nadeel van een vermogensaanwasbelasting is dat belasting is verschuldigd over ongerealiseerde waardemutaties, terwijl dit nog niet in liquiditeiten beschikbaar is. Een vermogensaanwasbelasting leidt om die reden tot een liquiditeitsnadeel. Ingeval van waardedalingen is daarentegen sprake van een liquiditeitsvoordeel. Indien op grond van het liquiditeitsnadeel voor bepaalde vermogensbestanddelen wordt gekozen voor een vermogenswinstbelasting in plaats van voor een vermogensaanwasbelasting, is ter zake van die vermogensbestanddelen sprake van een later heffingsmoment. Belastingplichtigen kunnen zelfs het realisatiemoment en daarmee het heffingsmoment bewust uitstellen hetgeen tot een lagere effectieve belastingdruk leidt.19 Bij gelijke budgettaire opbrengst, kan het tarief bij een vermogensaanwasbelasting om die reden lager liggen dan het tarief bij een heffing op grond van het realisatiebeginsel.20
Tegen het liquiditeitsargument kan worden ingebracht dat bij eenvoudig verhandelbare activa realisatie eenvoudig mogelijk is en derhalve liquide middelen kunnen worden vrijgemaakt, zeker indien de transactiekosten beperkt zijn.21 Als vervreemding niet eenvoudig mogelijk is en/of de transactiekosten hoog zijn, zou de verschuldigde belasting kunnen worden voldaan uit anderszins beschikbare liquiditeiten, door andere wel eenvoudig te verhandelen activa te gelde te maken en ten slotte door te lenen. Een combinatie is uiteraard ook mogelijk. In een perfecte kapitaalmarkt zou inlenen geen probleem behoeven te zijn en zou het liquiditeitsnadeel niet aan de orde zijn. Bij marktimperfecties of onvoldoende leenmogelijkheden komt aan het liquiditeitsprobleem wel betekenis toe.22 Afhankelijk van de samenstelling van een individuele beleggingsportefeuille is vervreemding van het vermogensbestanddeel waarop een belaste vermogensmutatie ziet derhalve niet altijd nodig. Slechts in uitzonderlijke situaties waarin een belastingplichtige bijvoorbeeld slechts een vakantiewoning bezit welke in waarde stijgt, zou bij gebrek aan enig ander vermogen een (gedeeltelijke) vervreemding aan de orde kunnen zijn indien de waarde stijgt. Dat in die situatie weerstand ontstaat tegen de verschuldigde belasting is uiteraard begrijpelijk. Of dit evenwel tot een strijdigheid met het Protocol 1 EVRM zou kunnen leiden, is de vraag. Daar ga ik hierna op in.
Indien omwille van het liquiditeitsnadeel voor sommige lastig waardeerbare of lastig liquide te maken vermogensbestanddelen een uitzondering zou worden gemaakt op een vermogensaanwasbelastingsysteem, zouden die vermogensbestanddelen worden bevoordeeld ten opzichte van het overige vermogen. Onder de voorgestelde WWR is daarvan sprake. Voor onroerende zaken alsmede voor belangen in startups en scale-ups wordt de belastingheffing immers uitgesteld tot het daadwerkelijke realisatiemoment. Een dergelijke heffing bij feitelijke realisatie leidt tot een lager effectief belastingtarief dan onder een vermogensaanwasbelasting het geval zou zijn, uitgaande van gelijke nominale tarieven, dit vanwege het uitsteleffect.23 Zo’n verschil in effectieve belastingdruk is strijdig met het in het draagkrachtbeginsel besloten liggende gelijkheidsbeginsel. Belastingplichtigen worden afhankelijk van de samenstelling van hun beleggingsportefeuille bij een gelijk economisch inkomen geconfronteerd met een ander effectief tarief. Bovendien is dit strijdig met het neutraliteitsbeginsel omdat onroerende zaken en de bedoelde aandelen dan fiscaal gunstiger worden behandeld dan overig vermogen in box 3. Het is wenselijk dit verschil te neutraliseren teneinde zowel het neutraliteitsbeginsel als het draagkrachtbeginsel recht te doen.
3.4 Neutraliseren liquiditeitsvoordeel bij toepassing realisatiebeginsel
Indien men bij het voorgestelde systeem tot een gelijke behandeling van zowel belastingplichtigen onderling als vermogensbestanddelen onderling wenst te komen, zijn daarvoor in de economische theorie verschillende methoden uitgewerkt. In de kern komt het in alle gevallen neer op een hogere belasting voor de voordelen uit vermogensbestanddelen die onder het realisatiebeginsel in de heffing worden betrokken.24
Een eenvoudige, maar ruwe manier zou zijn het nominale tarief bij een realisatieheffing hoger te stellen dan onder een aanwasbelasting. Het liquiditeitsvoordeel van belastingheffing bij realisatie wordt dan weggenomen door een hoger verschuldigde belasting ten opzichte van de belastingheffing op het moment waarop de aanwas zich al voordoet. Een dergelijk hoger tarief kan er evenwel toe leiden dat de verschuldigde belasting zowel hoger als lager ligt dan het tijdsruimtelijk voordeel dat is ontstaan door het belastinguitstel.
Het tijdruimtelijke voordeel bij een realisatieheffing kan worden ondervangen door al het vermogen te belasten op grond van een aanwasbelasting, doch automatisch rentedragend uitstel van betaling te bieden.25 Daarbij kan de rente worden gebaseerd op het netto rentevoordeel dat de belastingplichtige heeft.26 Praktisch gaat daarbij de voorkeur uit naar de rente op staatsobligaties welke de opportunitykosten voor de overheid representeren en derhalve het budgettaire nadeel van het uitstel voor de overheid compenseert. Vickrey heeft als een van de eersten een dergelijke uitstelregeling voorgesteld.27 In zijn voorstel is de netto contante waarde van de verschuldigde belasting gelijk aan die van de belasting over het inkomen, indien dat gedurende de gehele belastingplichtige periode gelijkelijk zou zijn ontstaan. De effectieve belastingdruk wordt dan bepaald door het gemiddelde jaarlijkse inkomen zoals dat is opgekomen tot het vervreemdingsmoment. Daarmee wijkt zijn systeem derhalve af van een vermogensaanwasbelasting, waaronder jaarlijks het daadwerkelijke economische inkomen in aanmerking wordt genomen. In het Meade-rapport wordt een vergelijkbaar systeem voorgesteld waarbij het uiteindelijk behaalde voordeel wordt geacht gedurende de bezitsperiode evenredig op te komen. Vervolgens wordt dat aan de afzonderlijke jaren toegerekende voordeel in die jaren fictief belast tegen het tarief zoals dat in het vervreemdingsjaar geldt. Aan de hand daarvan wordt de uiteindelijk verschuldigde belasting bepaald, rekening houdende met het rentevoordeel.
Auerbach heeft een alternatief systeem voorgesteld onder de naam ‘retrospective taxation’.28 Cnossen en Jacobs noemen specifiek dit systeem als een van de mogelijke opties om de fiscale asymmetrie tussen een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting weg te nemen.29 Retrospective taxation leidt tot een effectieve belastingdruk die gelijk is aan die welke zou gelden indien een vermogensaanwasbelasting zou zijn toegepast, terwijl de belasting pas is verschuldigd op het realisatiemoment. Het systeem gaat uit van de feitelijk gerealiseerde waardemutatie, maar neemt voor de toerekening van dit voordeel aan de te onderscheiden jaren binnen de bezitsperiode macrogegevens als de marktrente over een bepaalde periode, veronderstellingen ten aanzien van een optimale beleggingsportefeuille en een veronderstelde risico-opslag als uitgangspunt. Daardoor kan de effectieve belastingdruk afwijken van die welke zou gelden indien zou zijn uitgegaan van de werkelijke jaarlijkse waardeontwikkeling. Dit systeem heeft tot gevolg dat een verondersteld normaal rendement en een veronderstelde risicopremie worden belast, terwijl bij het systeem van Vickrey wordt uitgegaan van het werkelijke ex-post rendement.
Een laatste doch onuitvoerbaar systeem waarmee het liquiditeitsvoordeel van een realisatiebenadering kan worden geneutraliseerd, is expected return taxation. Bij dat systeem wordt een financieel product uiteengerafeld in de daarin te onderscheiden separate risicoproducten en wordt bij de verwerving per deelproduct bepaald wat het te verwachten rendement is. Dat te verwachten rendement wordt vervolgens, voor zover toerekenbaar in de bezitsperiode, in aanmerking genomen. Het in aanmerking te nemen inkomen bestaat bij dit systeem uit de som van de bij aanschaf te verwachten respectieve beloningen over de te onderscheiden deelproducten waarin een specifiek vermogensbestanddeel kan worden opgesplitst.30
3.5 Lock-in effect
Het hiervoor behandelde liquiditeitsargument is in de kern de tegenhanger van het zogenoemde lock-in effect dat als nadeel van een vermogenswinstbelasting wordt genoemd. Onder een vermogensaanwasbelasting doet het lock-in effect zich niet voor omdat het heffingsmoment onafhankelijk is van de vraag of het vermogensbestanddeel al dan niet daadwerkelijk wordt vervreemd. Het lock-in effect is aan de orde als belastingplichtigen bij een vermogenswinstbelasting vermogensbestanddelen niet vervreemden vanwege het feit dat alsdan belasting is verschuldigd. Los van het lock-in effect biedt een vermogenswinstbelasting de mogelijkheid belastingheffing langdurig uit te stellen. Een vermogensaanwasbelasting kent daarentegen geen lock-in effect.31 Door het lock-in effect worden beleggers belemmerd hun beleggingsportefeuille aan te passen, hetgeen met name ten koste van nieuwe, meer risicovolle investeringen zou gaan.32 Het geïnvesteerde kapitaal zou daardoor mogelijkerwijs minder efficiënt worden aangewend dan zonder lock-in effect het geval zou zijn. Het additionele rendement op een nieuwe belegging in relatie tot de verschuldigde belasting en het geldende tarief is bepalend voor het antwoord op de vraag of een vervreemding voor de belastingplichtige zinvol is.33 Naarmate de beoogde bezitsduur korter wordt, zal vervreemding minder aantrekkelijk zijn. Het lock-in effect speelt dan derhalve een grotere rol. Naarmate het tarief van een vermogenswinstbelasting lager is, neemt de omvang van het lock-in effect af. Bij een vervreemdingsbeslissing spelen andere factoren, zoals de leeftijd,34 de omvang van het overige inkomen in relatie tot het bestedingspatroon en eventuele transactiekosten spelen een rol.35 Het lock-in effect neemt af indien gebruik wordt gemaakt van compensatiemechanismen voor het rentevoordeel, zoals bijvoorbeeld het hiervoor behandelde systeem van Vickrey.
Uit meer recent onderzoek blijkt niet eenduidig of een lock-in effect daadwerkelijk bestaat36 Bijvoorbeeld voor kortetermijnbeleggingen lijkt het te ontbreken. Niet uitgesloten is zelfs dat het langetermijneffect nagenoeg nihil is.37 Bij een grote en actieve portefeuille lijkt het vervreemdingsbeleid bovendien in mindere mate te worden beïnvloed door de verschuldigdheid van belasting over de gerealiseerde vermogensmutaties. Uit onderzoek blijkt bovendien dat personen in de hoge inkomenscategorieën in staat zijn gerealiseerde vermogenswinsten te compenseren met verliezen, waardoor het lock-in effect voor hen geen materiële betekenis heeft.38 Indien restricties bestaan in de toegang tot de kapitaalmarkt die verhinderen een lening aan te gaan, alsmede indien bijvoorbeeld beperkingen bestaan in de verliesverrekeningsmogelijkheden, zou de omvang van het lock-in effect weer kunnen toenemen.39
3.6 EVRM Toetsing
Een te adresseren kwestie betreft de mogelijke strijdigheid van een vermogensaanwasbelasting met het Protocol 1 bij het EVRM (EP EVRM). Die strijdigheid kan op individueel niveau aan de orde zijn als sprake is van een incidentele buitensporige last, maar kan zich ook op regel- of stelselniveau voordoen. Auerbach vermoedt dat van strijdigheid sprake is.40 Kavelaars daarentegen vermoedt van niet.41 Ik zit op die laatste lijn.
In het Kerst-arrest42 oordeelde de Hoge Raad dat sprake is van strijdigheid op stelselniveau als een belastingstelsel tot gevolg heeft dat relatieve ongelijke behandeling ontstaat op basis van een omstandigheid die betrokkenen niet zelf in de hand hebben. Bij een vermogensaanwasbelasting is van een dergelijke relatieve ongelijke behandeling geen sprake: eenieder wordt jaarlijks belast voor zijn/haar vermogensmutatie en werkelijke reguliere inkomsten, ongeacht of deze vermogensmutatie al dan niet is gerealiseerd. Wel ontstaat in de WWR verschil ten opzichte van belastingplichtigen die vermogensbestanddelen bezitten welke onder de vermogenswinstsystematiek vallen, maar dat is een omstandigheid die eenieder in eigen hand heeft. Bovendien, zo sprake is van strijdigheid met EP EVRM geldt, zo volgt bijvoorbeeld uit het Kerst-arrest, dat rechtsherstel moet worden geboden en dat dit aan de orde is als het wettelijke fiscaal inkomen hoger ligt dan het werkelijk inkomen inclusief gerealiseerde en ongerealiseerde waardestijgingen. Kortom, in de visie van de Hoge Raad leidt het in aanmerking nemen van ongerealiseerde waardemutaties kennelijk niet tot strijdigheid met EP EVRM.
Van strijdigheid met EP EVRM zou ook sprake kunnen zijn als de in een individueel geval verschuldigde belasting niet kan worden betaald uit de inkomsten uit het vermogen en dit daarom leidt tot interen op het vermogen. Dan wordt de proportionaliteitstoets niet doorstaan.43 Onduidelijk is evenwel wanneer sprake is van intering op het vermogen als bedoeld in EP EVRM. Is daarvan sprake als de verschuldigde belasting er toe leidt dat wordt ingeteerd op het vermogen per jaareinde? Of als voor de voldoening van de belasting een deel van dat eindvermogen te gelde moet worden gemaakt? Of is van intering slechts sprake als de verschuldigdheid van belasting ertoe zou leiden dat wordt ingeteerd op het vermogen per het begin van het jaar en een deel van dat startvermogen te gelde moet worden gemaakt? Mij lijkt evenwel dat het voor de hand ligt dat de maatstaf is of het vermogen per het begin van het jaar deels te gelde moet worden gemaakt. Dat zal onder de WWR niet aan de orde komen omdat de heffing wordt beperkt tot 36% van het inkomen in enig jaar. Onder de WWR kan het echter wel zo zijn dat een deel van het beginvermogen te gelde moet worden gemaakt om die verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In die bijzondere omstandigheid, waarin kennelijk onvoldoende liquiditeiten beschikbaar zijn of gemaakt kunnen worden en waarin kennelijk ook geen vermogen kan worden beleend, lijkt het mij dat de strijdigheid met EP EVRM kan worden voorkomen door een betalingsregeling. Een andere mogelijkheid zou zijn de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden dan gebruik te maken van een vermogenswinstoptie. De situatie waarin dit aan de orde zal zijn, zal zich vermoedelijk slechts incidenteel voordoen.
3.7 Waarderingsperikelen
Onder een vemogensaanwasbelasting dient anders dan bij een vermogenswinstbelasting jaarlijks een waardering van de tot de grondslag behorende vermogensbestanddelen plaats te vinden. Deze waarderingsproblematiek speelt in principe slechts bij incourante vermogensbestanddelen een rol. Indien een tussentijdse waardevaststelling te arbitrair zou worden, stuit een heffing over de vermogensaanwas daarop af, tenzij men een ruime voorzichtigheidsmarge zou mogen hanteren. Daarenboven is het de vraag of ten aanzien van vermogensbestanddelen die om welke reden dan ook niet vervreemd kunnen of mogen worden, een inschatting van de tussentijdse waarde redelijk kan worden geacht. In dergelijke gevallen zou toepassing van een vermogenswinstbelasting de voorkeur verdienen boven een VAB. De voorgestelde WWR gaat evenwel verder. De mogelijkheid te opteren voor toepassing van het realisatiebeginsel voor aandelen in startups en scale-ups zijn begrijpelijk. Waarom dit echter voor alle onroerende zaken zou moeten gelden is mij onduidelijk. Immers, de waarde daarvan laat zich althans in Nederland in redelijkheid met enige zekerheid vaststellen aan de hand van een voor bezwaar vatbare WOZ-waarde. Om die reden zou de integrale toepassing van het realisatiebeginsel op onroerende zaken heroverweging mogen krijgen.
In de literatuur is gesuggereerd om het waarderingsprobleem te ondervangen door gebruik te maken van een veronderstelde jaarlijkse waardestijging en bij vervreemding tot een definitieve afrekening te komen, uiteraard met inachtneming van de reeds in aanmerking genomen veronderstelde waardestijging.44 Deze benadering leidt tot een jaarlijkse forfaitaire voorheffing op een vermogenswinstbelasting die bij realisatie wordt geheven.45 Indien het mogelijk is om de daadwerkelijke vermogensmutatie in redelijkheid te bepalen, zoals bij onroerende zaken het geval is, is een dergelijke forfaitaire benadering second best.
3.8 Vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt
Een vermogensaanwasbelasting doet het meeste recht aan het draagkrachtbeginsel en gelijkheidsbeginsel. De principiële keuze van de wetgever voor een vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt is derhalve juist. Verschillende soorten beleggingen worden gelijk behandeld en het systeem is dan neutraal; van arbitragemogelijkheden is geen sprake.46 Daar waar sprake is van incourante vermogensbestanddelen en een tussentijdse waardering van de vermogensmutatie met te veel onzekerheid is omgeven, ligt toepassing van een vermogenswinstbenadering voor de hand.47
Eerder heb ik in die context gepleit voor een optioneel hybride systeem.48 Bij dit hybride systeem zou de belastingplichtige de mogelijkheid krijgen om voor bepaalde vermogensbestanddelen te opteren voor de toepassing van een realisatiebenadering/vermogenswinstbelasting. Daarbij denk ik aan incourante vermogensbestanddelen die in eigen gebruik zijn en vermogensbestanddelen waarbij de belastingplichtige niet over de waarde kan beschikken. Tot die laatste groep behoren in mijn benadering vermogensbestanddelen die niet te gelden kunnen worden gemaakt en welke evenmin als zekerheid kunnen dienen voor de verkrijging van een financiering. Denk daarbij bijvoorbeeld aan optierechten die niet verhandelbaar en evenmin uitoefenbaar zijn. Ook aandelen in niet beursgenoteerde aandelen rekende ik tot die categorie, mede omdat waardering van dergelijke aandelen en zeker indien deze minderheidsbelangen vertegenwoordigen lastig zo niet onmogelijk is. Een eenduidige waardering lijkt ten aanzien van dergelijke aandelenbelangen in ieder geval niet tot de mogelijkheden te behoren.49 Bavinck beziet dit genuanceerder en meent dat incourantheid als zodanig tot gevolg heeft dat een vermogensaanwasbelasting bezwaarlijk is.50,51 Voor hem leidt dit tot de conclusie dat alleen voor beursgenoteerde en onmiddellijk te gelde te maken beleggingen een vermogensaanwasbelasting een reële optie is.52 Ten aanzien van bijvoorbeeld vastgoed meent Bavinck dat de maatschappelijke weerstand tegen een vermogensaanwasbelasting daarvoor te groot is omdat de verschuldigde belasting ter zake niet kan worden voldaan uit die nog niet gerealiseerde waardestijging. Indien dit vastgoed het enige actief van een belastingplichtige zou zijn of als dit vastgoed het gehele of nagenoeg gehele bezit van de belastingplichtige zou vertegenwoordigen, kan ik dit maatschappelijk gevoelen begrijpen. In veel gevallen zal evenwel sprake zijn van meer bezittingen, welke deels bestaan uit liquide middelen, eenvoudig liquide te maken courante bezittingen of bezittingen welke als zekerheid kunnen dienen voor de verkrijging van een financiering. Ik vermag niet in te zien waarom in die gevallen een vermogensaanwasbelasting ter zake van mogelijk al het vastgoed in strijd zou komen met de maatschappelijke mening over belastingheffing. Bovendien overtuigt het beroep op een maatschappelijke mening mij niet. Niet uit te sluiten valt immers dat de maatschappelijk gehoorde mening vooral afkomstig is van de meer kapitaalkrachtige belanghebbenden die de middelen hebben om hun mening beter voor het voetlicht te krijgen dan de wellicht minder kapitaalkrachtigen die wel voorstander zouden kunnen zijn van een vermogensaanwasbelasting.53 Vanuit het gelijkheids- en draagkrachtbeginsel bestaat geen reden voor een afwijking, behalve als aangegeven in de gevallen waarin waardering vrijwel onmogelijk is of waarin een bezitting onmogelijk te gelde kan worden gemaakt.
Anders dan in de voorgestelde WWR, is in mijn voorstel sprake van een optioneel systeem waar belastingplichtigen gedurende bepaalde tijd voor kunnen kiezen. Belangrijk onderdeel is tevens dat belastingplichtigen die opteren voor de realisatiebenadering tegelijkertijd onder een regeling komen te vallen welke het voordeel van belastinguitstel neutraliseert. De voorgestelde WWR kent een dergelijke regeling niet. Ook bestaat verschil ten aanzien van de vermogensbestanddelen waarop de realisatiebenadering kan worden toegepast. In het wetsvoorstel vallen alle onroerende zaken daaronder. Naar mijn oordeel bestaat daartoe geen noodzaak.
Met Cnossen en Jacobs zie ik bij de invoering van een hybride systeem economische, uitvoeringstechnische- en arbitrageproblemen. Ongeacht of een hybride systeem optioneel dan wel voorgeschreven is voor bepaalde vermogensbestanddelen, zijn daar nadelen aan verbonden. Zo zullen afbakeningsproblemen ontstaan,54 bijvoorbeeld als courante beursgenoteerde aandelen worden aangekocht via beperkt verhandelbare aandelen in besloten fondsen. Is er dan sprake van courante aandelen of niet? In de WWR worden dergelijke afbakeningsproblemen voorkomen door slechts voor nader omschreven vermogensbestanddelen de realisatiebenadering open te stellen: vastgoed en bepaalde startups en scale ups. Dit kan worden ondervangen door flankerende maatregelen zoals toepassing van het systeem van Vickrey of, in de visie van Cnossen & Jacobs, retrospectieve taxation. Mijn voorkeur gaat dan uit naar een systeem zoals voorgesteld door Vickrey. Dit is praktisch toepasbaar. Onder dit systeem vindt op het vervreemdingsmoment een extracomptabele berekening plaats waarin wordt verondersteld dat het op het vervreemdingsmoment uiteindelijk gerealiseerde voordeel gelijkmatig gedurende de bezitsperiode is opgekomen. Vervolgens wordt de verschuldigde belasting op het vervreemdingsmoment zodanig vastgesteld dat de netto contante waarde daarvan op het verkrijgingsmoment gelijk is aan die van de belasting die in totaliteit verschuldigd zou zijn geweest indien de gelijkmatige waardestijging gedurende de bezitsperiode jaarlijks belast zou zijn geweest.
4. Slot
De WWR kiest terecht een vermogensaanwasbelasting als uitgangspunt. Op die manier wordt zowel recht gedaan aan het gelijkheidsbeginsel, draagkrachtbeginsel en neutraliteitsbelasting. Ongeacht of inkomen al dan niet is gerealiseerd, wordt dit in de heffing betrokken. Een vermogensaanwasbelasting leidt tot neutraliteit tussen vermogensbestanddelen. In het wetsvoorstel wordt voor bepaalde vermogensbestanddelen een vermogenswinstbelasting open gesteld. Waar sprake is van moeilijk waardeerbare vermogensbestanddelen is dit begrijpelijk. Bij onroerende zaken is dat evenwel niet aan de orde om welke reden die wat mij betreft onder de vermogensaanwasbelasting kunnen worden gebracht. In de WWR ontstaat door de partiële vermogenswinstbelasting een bevoordeling voor de daaronder vallende vermogensbestanddelen; de belasting is pas bij realisatie verschuldigd. Het systeem is daardoor niet neutraal tussen vermogensbestanddelen en leidt tot ongelijkheid tussen belastingplichtigen, afhankelijk van de samenstelling van hun beleggingsportefeuille. Om die reden dient aan de WWR een neutraliseringsmechanisme te worden toegevoegd. Mijn voorkeur gaat uit naar het systeem van Vickrey, maar retrospective taxation is een goede tweede. Op die manier worden de bezwaren van een hybride systeem ondervangen.
Heffing over ongerealiseerde vermogensmutaties als zodanig leidt, althans naar mijn verwachting, niet tot strijdigheid met EP EVRM. Niet op stelselniveau omdat eenieder voor het daadwerkelijke inkomen in de heffing wordt betrokken. In de incidentele gevallen waarin een belastingplichtige vermogen te gelde moet maken omdat hij niet over (voldoende) liquide middelen of courante beleggingen beschikt, zou misschien sprake kunnen zijn van een incidentele buitensporige last op grond waarvan wel sprake is van strijdigheid met EP EVRM. Dan zou de belastingplichtige de mogelijkheid geboden kunnen worden te opteren voor toepassing van de vermogenswinstbelasting die pas bij realisatie wordt geheven. Uiteraard met toepassing van het genoemde neutraliseringsmechanisme.