Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/5.2.2.2
5.2.2.2 Ontwikkeling fiscale winstbepaling ten opzichte van commerciële winstbepaling
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397142:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Alleen in de inmiddels afgeschafte thincapregeling (art.10d Wet VPB 1969) werd er op een aantal plaatsen rechtstreeks verwezen naar bepalingen uit het jaarrekeningrecht. Het jaarrekeningenrecht zou wel een indirecte invloed op de vennootschapsbelasting kunnen hebben gehad. Als voorbeeld kan genoemd worden het sinds 1 januari 2007 ingevoerde voortschrijdend winst nemen bij onderhanden werk (alhoewel deze methode onder IAS 11 commercieel slechts onder strikte voorwaarden geldt) en het Cacaobonen-arrest. Zie hieromtrent ook W. Nijssen, Invloeden op de vennootschapsbelasting, WFR 2012/63, paragraaf 4.
Zie omtrent de verhouding tussen het commerciële en fiscale winstbegrip de parlementaire passages bij de Wet IB 1964, Kamerstukken II 1958-1959, 5380, nr. 3, blz. 20.
HR 8 mei 1957, nr. 12931, BNB 1957/208. Dat dit arrest nog steeds bepalend is, werd bijvoorbeeld bevestigd door de Hoge Raad in HR 10 juli 2015, 14/03102, BNB 2015/180, r.o. 2.4.3.
J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 7.3.
R. Russo, Commerciële jaarrekening en fiscale jaarrekening: altijd apart of (soms) samen? Rijkersbundel 2013, hoofdstuk 24, blz. 319-321.
In Nederland heeft zowel de commerciële als de fiscale winstbepaling een eigen positie verworven en beide hebben zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld. De fiscale winstbepaling heeft oorspronkelijk weinig invloed ondervonden van de commerciële winstbepaling.1 Dat kwam doordat de eerste belastingheffing van lichamen (tot 1940), uitdelingsbelastingen waren, waarbij de winst niet werd belast op het moment dat zij werd behaald, maar eerst op het moment dat zij werd uitgedeeld. Daarnaast paste de Angelsaksische benadering van de commerciële winstbepaling niet bij de fiscale winstbepaling. Een autonome fiscale winstbepaling, waarbij voorzichtigheid één van de kernpunten is, werd meer in overeenstemming geacht met de bescherming van de belangen van de belastingbetaler. Hiermee samenhangend, kan gesteld worden dat in Nederland de fiscale winstbepaling van oudsher een ander doel heeft dan de commerciële winstbepaling. Daar waar laatstgenoemde – zoals reeds aangegeven - primair gericht is op het verschaffen van inzicht in de economische prestaties en economische posities van de onderneming, is de fiscale winstbepaling in de eerste plaats bedoeld om de fiscale jaarwinst en de daarmee verschuldigde belasting te bepalen en aan de Belastingdienst te kunnen rapporteren.
Zowel de commerciële als fiscale winstbepaling hebben gemeen dat zij beide de leer van de bedrijfseconomie als uitgangspunt nemen voor de winstberekening.2 De Hoge Raad bepaalde dat wat betreft de fiscale winstbepaling expliciet in het kernarrest BNB 1957/2083 en besliste dat een stelsel van jaarlijkse winstberekening voor de belastingheffing in de regel als strokend met goed koopmansgebruik behoort te worden aanvaard, indien dat stelsel is gegrond op hetgeen de bedrijfseconomie omtrent de juiste wijze van winstbepaling leert. De Hoge Raad gaf hierbij wel aan dat deze regel uitzondering moet lijden niet alleen ingeval het volgen van het bedrijfseconomische inzicht tot strijd met enig voorschrift der belastingheffing zou voeren, maar evenzeer indien daardoor “aan den algemenen opzet of een beginsel van de belastingwet om welker toepassing het gaat te kort zou worden gedaan’’. Verburg spreekt van een gelukkige formulering waaruit een tweesporenbeleid blijkt; bedrijfseconomische inzichten worden, zo nodig, door wetgeving (en rechtspraak) gecorrigeerd.4
In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat basisgegevens en de waardering en winstneming volgens de commerciële jaarrekening in veel gevallen ook worden overgenomen in de fiscale winstbepaling en dat er bij het opstellen van de fiscale cijfers in eerste instantie wordt aangesloten bij de commerciële cijfers. De opkomst van het in hoofdstuk 2.10.2 beschreven horizontaal toezicht heeft er toe geleid dat de commerciële jaarrekening meer invloed zou kunnen hebben op de toezichtstrategie van de Belastingdienst (met name in het geval er een Tax Control Framework aanwezig is). Volgens Russo wil de Belastingdienst graag steunen op hetgeen in de onderneming en bij externe partijen reeds aanwezig is (hij wijst op het risicomanagementsysteem en het werk van de controlerende accountant).5